Koninklijk Besluit van 03 mei 2003
gepubliceerd op 11 juli 2003
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit betreffende het statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht

bron
ministerie van landsverdediging
numac
2003007175
pub.
11/07/2003
prom.
03/05/2003
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

3 MEI 2003. - Koninklijk besluit betreffende het statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht, inzonderheid op de artikelen 7, 8°, 10, 1°, 11, 1°, 12, 1°, 18, eerste lid, 20, 21, 22, derde lid, 23, 25, § 2, tweede lid, 28, 1°, a) en 2°, 30, eerste lid, 3°, 33, § 1, tweede lid, § 2, 38, 40, 48, eerste en tweede lid, 50, derde lid, 52, 53, eerste lid, 55, 56, tweede lid, 57, tweede lid, 59, 60, eerste lid, 61, eerste lid, 62, tweede lid, 68, 69, 87, 89, 92, eerste lid, 93 en 94;

Gelet op de wet van 27 maart 2003 betreffende de werving van de militairen en het statuut van de militaire muzikanten en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het personeel van Landsverdediging, inzonderheid op artikel 170, tweede lid;

Gelet op het koninklijk besluit van 25 september 1959 betreffende het statuut der reserveofficieren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 september 1974, 14 januari 1975, 16 maart 1976, 21 december 1976, 5 juli 1977, 12 september 1978, 30 april 1980, 11 mei 1981, 22 augustus 1987, 5 juli 1988, 17 oktober 1989, 19 juni 1991 en 11 augustus 1994;

Gelet op het koninklijk besluit van 5 oktober 1959 betreffende de militaire commissies voor geschiktheid en reform, inzonderheid op artikel 2, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 oktober 1963 en 14 februari 1989;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 augustus 1981 betreffende het medisch geschiktheidsprofiel en het medisch onderzoek van de kandidaten voor toelating tot de actieve kaders en van de dienstplichtigen, inzonderheid op artikel 5, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 juli 1991, 13 november 1991 en 18 maart 1997, op artikel 6, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 januari 1991, 11 juli 1991 en 13 november 1991, en op artikel 10, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 januari 1991, 13 november 1991, 11 augustus 1994 en 18 september 2000;

Gelet op het koninklijk besluit van 10 december 1987 betreffende het statuut van de reserveonderofficieren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 april 1988, 17 oktober 1989, 30 april 1991, 2 december 1991, 23 december 1991 en 11 augustus 1994;

Gelet op het koninklijk besluit van 23 maart 1989 betreffende de afwezigheid om gezondheidsredenen van de militairen van het actief kader van de land, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst alsmede van de officieren, militaire aalmoezeniers en onderofficieren van het reservekader, in dienst, inzonderheid op de artikelen 1 en 8;

Gelet op het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de morele hoedanigheden van een kandidaat-militair van het actief kader of van een dienstplichtige, kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserveonderofficier, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, en op artikel 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1994;

Gelet op het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van een kandidaat-militair van het actief kader of van een dienstplichtige, kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserveonderofficier, inzonderheid op de artikelen 1 en 6 en 7, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1994;

Gelet op het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden voor de beoordeling van de fysieke hoedanigheden van sommige kandidaten en leerlingen van de krijgsmacht, inzonderheid op de artikelen 1 en 9, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1994;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 juli 1995 betreffende de beoordelingsprocedure voor de militairen van het actief kader en van het reservekader, inzonderheid op het artikel 1, op artikel 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 december 2001, en op de artikelen 3 en 5;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 14 november 2002;

Gelet op het protocol van het Onderhandelingscomité van het militair personeel van de krijgsmacht, afgesloten op 23 augustus 2002;

Gelet op het besluit van de Ministerraad over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van een maand;

Gelet op het advies Nr. 34.527/4 van de Raad van State gegeven op 12 maart 2003, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Landsverdediging, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit 1° wordt, telkens als een graad wordt vermeld, ook de gelijkwaardige graad in aanmerking genomen;2° moet verstaan worden onder : a) "de wet" : de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht;b) "de minister" : de minister van Landsverdediging;c) "de DGHR" : de directeur-generaal human resources;d) "een reglement" : een reglement vastgesteld door de minister. HOOFDSTUK II. - De wederdienstneming Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 2.Kan geen wederdienstneming als reservemilitair aangaan 1° de militair van het actief kader;2° degene die, als reservemilitair, sinds minder dan één jaar het ontslag uit zijn ambt of de verbreking van zijn wederdienstneming bekomen heeft;3° de reservemilitair wiens wederdienstneming wordt geweigerd door de DGHR in toepassing van artikel 5;4° de gewetensbezwaarde.

Art. 3.Het model van de wederdienstnemingsakte die door de militair van het reservekader moet worden aangegaan, wordt door de minister bepaald.

De militair van het reservekader ontvangt een exemplaar van de wederdienstnemingsakte die hij heeft onderschreven. Afdeling II. - De wederdienstneming als reservevrijwilliger

Art. 4.Onmiddellijk aansluitend op het slagen van de basisopleiding kan de kandidaat-reservemilitair, die voldoet aan de voorwaarden een wederdienstneming als reservevrijwilliger aangaan.

De wederdienstneming wordt aanvaard door een officier, aangewezen door de commandant van het vormingscentrum waar de kandidaat-reservemilitair zijn basisopleiding heeft doorlopen.

Art. 5.Op aanvraag van de reservevrijwilliger kan de eerste wederdienstneming worden hernieuwd.

De vrijwilliger bedoeld in artikel 12, 1°, van de wet die voldoet aan de voorwaarden, kan een wederdienstneming als reservevrijwilliger aangaan. Op aanvraag van de reservevrijwilliger kan deze wederdienstneming worden hernieuwd.

De DGHR is de bevoegde overheid om, na advies van de korpscommandant en in functie van de behoeften, de wederdienstnemingen te aanvaarden of te weigeren.

Art. 6.Op eigen verzoek kan de reservevrijwilliger van de "getrainde reserve", gedurende de normale uitoefening van elke wederdienstneming, voor een maximum duur van twee jaar, tijdelijk opschorting van deze wederdienstneming bekomen volgens de voorschriften vastgesteld in een reglement. Afdeling III. - De wederdienstneming als reserveonderofficier

Art. 7.De eerste wederdienstneming als reserveonderofficier wordt aanvaard door een officier, aangewezen door de commandant van het vormingscentrum waar de kandidaat-reserveonderofficier zijn vorming heeft doorlopen.

Art. 8.Op aanvraag van de reserveonderofficier kan de eerste wederdienstneming worden hernieuwd.

De onderofficier bedoeld in artikel 11, 1°, van de wet die voldoet aan de voorwaarden, kan een wederdienstneming als reserveonderofficier aangaan. Op aanvraag van de reserveonderofficier kan deze wederdienstneming worden hernieuwd.

De DGHR is de bevoegde overheid om, na advies van de korpscommandant en in functie van de behoeften, de wederdienstnemingen te aanvaarden of te weigeren.

Art. 9.Op eigen verzoek kan de reserveonderofficier van de "getrainde reserve", gedurende de normale uitoefening van elke wederdienstneming, voor een maximum duur van twee jaar, tijdelijk opschorting van deze wederdienstneming bekomen, volgens de voorschriften vastgesteld in een reglement. Afdeling IV. - De wederdienstneming als reserveofficier

Art. 10.De eerste wederdienstneming als reserveofficier wordt aanvaard door een officier, aangewezen door de commandant van het vormingscentrum waar de kandidaat-reserveofficier zijn vorming heeft doorlopen.

Art. 11.Op aanvraag van de reserveofficier kan de eerste wederdienstneming worden hernieuwd. De officier bedoeld in artikel 10, 1°, van de wet die voldoet aan de voorwaarden, kan een wederdienstneming als reserveofficier aangaan. Op aanvraag van de reserveofficier kan deze wederdienstneming worden hernieuwd.

De DGHR is de bevoegde overheid om, na advies van de korpscommandant en in functie van de behoeften, de wederdienstnemingen te aanvaarden of te weigeren.

Art. 12.Op eigen verzoek, kan de reserveofficier van de "getrainde reserve", gedurende de normale uitoefening van elke wederdienstneming, voor een maximum duur van twee jaar, tijdelijk opschorting van deze wederdienstneming bekomen volgens de voorschriften vastgesteld in een reglement. Afdeling V. - De verbreking van de dienstnemingen

en wederdienstnemingen

Art. 13.Voor de kandidaat-reservemilitair, in het geval bedoeld in artikel 32, § 1, 1°, van de wet, maakt, al naargelang het geval, de commandant van het organisme waar betrokkene zijn basisopleiding, zijn gespecialiseerde professionele vorming, zijn stage- of evaluatieperiode doorloopt, een omstandig verslag op waarin zijn opgenomen : 1° een uiteenzetting van de feiten;2° een met redenen omkleed advies over hun ernst;3° een voorstel om de betrokkene voor een onderzoeksraad te doen verschijnen. Wanneer de onderzoeksraad oordeelt dat de feiten ernstig zijn en niet overeen te brengen zijn met de staat van militair, kan de overheid bedoeld in artikel 32, § 2, van de wet, de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming uitspreken.

Art. 14.Gedurende de uitvoering van de wederdienstneming, in het geval bedoeld in artikel 32, § 1, 1°, van de wet, maakt de korpscommandant van de reservemilitair een omstandig verslag op waarin zijn opgenomen : 1° een uiteenzetting van de feiten;2° een met redenen omkleed advies over hun ernst;3° een voorstel om de betrokkene voor een onderzoeksraad te doen verschijnen. Wanneer de onderzoeksraad oordeelt dat de feiten ernstig zijn en niet overeen te brengen zijn met de staat van militair, kan de overheid bedoeld in artikel 32, § 2, van de wet, de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming uitspreken.

Art. 15.In de gevallen bedoeld in artikel 32, 1, 2°, van de wet, maakt, al naargelang het geval, de commandant van het organisme waar de kandidaat-reservemilitair zijn vorming doorloopt of de hiërarchische meerdere met een rang ten minste gelijk aan die van korpscommandant voor de reservemilitair, een voorstel op voor de verbreking van ambtswege van de dienstneming of wederdienstneming.

Art. 16.Ten allen tijde en op eenvoudige aanvraag kan de kandidaat-reservemilitair gedurende de basisopleiding, evenals de kandidaat-reserveofficier en de kandidaat-reserveonderofficier tijdens hun vormingscyclus, van de commandant van het vormingsorganisme de verbreking van zijn dienstneming bekomen, indien hij daartoe een schriftelijke aanvraag indient, opgesteld volgens de nadere regels bepaald in een reglement.

Art. 17.De verbreking van de dienstneming of van de wederdienstneming heeft uitwerking : 1° indien deze van rechtswege is, van zodra de toestand zich voordoet die ertoe aanleiding geeft;2° indien deze van ambtswege is of ten gevolge van de aanvaarding van het gevraagde ontslag : a) de dag volgend na deze van de kennisgeving van de beslissing in persoon aan de kandidaat-reservemilitair of reservemilitair, behalve wanneer een latere datum expliciet vermeld wordt;b) in het geval de kennisgeving niet in persoon aan de kandidaat-reservemilitair of reservemilitair kan plaats hebben, de derde werkdag na de dag van verzending van de aangetekende brief waarmee betrokkene kennis werd gegeven van de beslissing, behalve wanneer een latere datum expliciet vermeld wordt.

Art. 18.Voor een kandidaat-reservemilitair of reservemilitair aan wie de verbreking van zijn dienstneming of wederdienstneming ter kennis wordt gebracht en die in behandeling is in een hospitaal ten gevolge van een ongeval opgelopen of een ziekte opgedaan of verergerd in werkelijke dienst, wordt de dienstnemings- of wederdienstnemingstermijn verlengd totdat hij het hospitaal verlaat omdat zijn gezondheidstoestand het mogelijk maakt, welke mogelijkheid in voorkomend geval door een militair geneesheer van het actief kader vastgesteld wordt, of omdat hij erom verzoekt. HOOFDSTUK III. - De vorming en de training Afdeling I. - De vormingscyclus

Onderafdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 19.De basisopleiding heeft tot doel de kandidaat-reservemilitair de nodige militaire basiskennis en -bekwaamheden bij te brengen.

De gespecialiseerde professionele vorming heeft tot doel de hoedanigheden op het professioneel vlak specifiek voor het ambt, op het karakterieel vlak en op het vlak van de fysieke conditie bij te brengen.

Art. 20.De stageperiode is een periode van hoofdzakelijk praktische vorming die tot doel heeft de kandidaat-reservemilitair onder toezicht een gedeelte van de taken te laten uitvoeren die hem zouden toevertrouwd worden als officier, onderofficier of vrijwilliger, naargelang het geval.

Art. 21.De evaluatieperiode is een periode van praktische vorming die tot doel heeft de kandidaat-reservemilitair onder toezicht het geheel van de taken te laten uitvoeren die hem zouden toevertrouwd worden als officier, onderofficier of vrijwilliger, naargelang het geval.

Onderafdeling II. De kandidaat-reservemilitair in basisopleiding

Art. 22.De duur van de basisopleiding bedraagt 8 weken.

Het programma en de nadere regels betreffende de uitvoering van dit programma worden vastgelegd in een reglement.

Onderafdeling IIl. - De reservevrijwilliger

Art. 23.De reservevrijwilliger kan eventueel een gespecialiseerde professionele vorming volgen waarvan de duur 1 tot 8 weken bedraagt.

Het programma en de nadere regels betreffende de uitvoering van dit programma worden vastgelegd in een reglement.

Art. 24.Een termijn van maximaal 1 jaar wordt toegestaan tussen het slagen in de basisopleiding en de aanvang van de gespecialiseerde professionele vorming als reservevrijwilliger.

Art. 25.Indien de reservevrijwilliger een gespecialiseerde professionele vorming dient te volgen, wordt hij na het slagen hiervan onderworpen aan een evaluatieperiode, eventueel voorafgegaan door een stageperiode. De nadere regels worden in een reglement vastgelegd. De globale duur van de stage- of evaluatieperiode bedraagt minimaal 1 week.

Een termijn van maximaal 2 jaar wordt toegestaan tussen het slagen in de gespecialiseerde professionele vorming en het einde van de stage- en evaluatieperiode.

Onderafdeling IV. - De kandidaat-reserveonderofficier

Art. 26.De kandidaat-reserveonderofficier volgt een bijkomende basisopleiding en gespecialiseerde professionele vorming waarvan de globale duur 4 tot 14 weken bedraagt.

Het programma en de nadere regels betreffende de uitvoering van dit programma worden vastgelegd in een reglement.

Art. 27.Een termijn van maximaal 2 jaar wordt toegestaan tussen het ondertekenen van de eerste wederdienstneming als reservevrijwilliger en de aanvang van de opleidingsperiode als kandidaat-reserveonderofficier.

Art. 28.Na het slagen in de gespecialiseerde professionele vorming, wordt de kandidaat-reserveonderofficier onderworpen aan een stage- en evaluatieperiode waarvan de nadere regels in een reglement worden vastgesteld. De globale duur van de stage- en evaluatieperiode bedraagt minimaal een week.

Een termijn van maximaal 2 jaar wordt toegestaan tussen het slagen in de gespecialiseerde professionele vorming en het einde van de stage- en evaluatieperiode.

Onderafdeling V. - De kandidaat-reserveofficier

Art. 29.De kandidaat-reserveofficier volgt een bijkomende basisopleiding en gespecialiseerde professionele vorming waarvan de globale duur 4 tot 18 weken bedraagt.

Het programma en de nadere regels betreffende de uitvoering van dit programma worden vastgelegd in een reglement.

Art. 30.Een termijn van maximaal 2 jaar wordt toegestaan tussen het ondertekenen van de eerste wederdienstneming als reservevrijwilliger en de aanvang van de opleidingsperiode als kandidaat-reserveofficier.

Art. 31.Na het slagen in de gespecialiseerde professionele vorming, wordt de kandidaat-reserveofficier onderworpen aan een stage- en evaluatieperiode waarvan de nadere regels in een reglement worden vastgesteld. De globale duur van de stage- of evaluatieperiode bedraagt minimaal 1 week.

Een termijn van maximaal 2 jaar wordt toegestaan tussen het slagen in de gespecialiseerde professionele vorming en het einde van de stage- en evaluatieperiode. Afdeling II. - Voorwaarden tot slagen voor de vorming

Onderafdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 32.Om te slagen in een deel van een periode van de vormingscyclus, met uitzondering van de stage- en evaluatieperiode, moet de kandidaat-reservemilitair en de reservevrijwilliger tijdens de eventuele gespecialiseerde professionele vorming : 1° wat de professionele hoedanigheden betreft waarvoor de beoordeling slaat op de onderwezen stof, minstens de helft van de punten behalen voor het geheel van de beoordelingen en geen uitsluitingscijfer hebben bekomen;2° wat de fysieke hoedanigheden betreft, slagen voor de proeven van fysieke conditie bepaald in het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden voor de beoordeling van de fysieke hoedanigheden van sommige kandidaten en leerlingen van de krijgsmacht, en opgelegd tijdens deze periode of een deel van deze periode;3° voldoen aan de karakteriële hoedanigheden zoals bepaald in het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van de kandidaten van de krijgsmacht.

Art. 33.Om te slagen in de evaluatieperiode moet de kandidaat-reservemilitair en de reservevrijwilliger : 1° wat de professionele hoedanigheden betreft, minstens de vermelding "voldoende" bekomen van zijn korpscommandant;2° wat de fysieke hoedanigheden betreft, slagen voor de tijdens deze periode opgelegde proeven van fysieke conditie;3° wat de karakteriële hoedanigheden betreft, ten minste de helft van de punten behalen op de beoordelingen die tot het verlies van deze hoedanigheden kunnen leiden.

Art. 34.De kandidaat-reservemilitair of de reservevrijwilliger kan slechts toetreden tot een volgend deel of een volgende periode van de vormingscyclus indien hij geslaagd is voor het deel of de periode van de vorming die eraan voorafgaat.

Onderafdeling II. - Beoordeling van de professionele hoedanigheden

Art. 35.De kandidaat-reservemilitair of de reservevrijwilliger moet gedurende de volledige vorming de onontbeerlijke professionele hoedanigheden bewaren die vereist zijn in de specifieke vormingscyclus die hij volgt.

Art. 36.De professionele hoedanigheden van de kandidaat-reservemilitair en de reservevrijwilliger worden beoordeeld op het einde : 1° van de basisopleiding, door middel van het dagelijks werk en een examen;2° van de gespecialiseerde professionele vorming door middel van het dagelijks werk en een examen of een taak;3° van de evaluatieperiode. Het dagelijks werk, de examens en de taken bedoeld in het eerste lid hebben betrekking op de onderwezen stof tijdens de betrokken vormingen en waarvoor de nadere regels worden vastgesteld in een reglement.

De kandidaat-reservemilitair of de reservevrijwilliger behoudt de onontbeerlijke professionele hoedanigheden, indien hij bij elke beoordeling bedoeld in het eerste lid en vastgesteld in een reglement : 1° zich niet zonder geldige reden onthouden heeft van alle examens of taken;2° minstens de helft van de punten heeft behaald op het in aanmerking te nemen totaal;3° geen uitsluitingscijfer heeft bekomen;4° geen onvoldoende voor de evaluatieperiode heeft bekomen. De beoordeling van de professionele hoedanigheden op het einde van de evaluatieperiode wordt door de korpscommandant uitgesproken en gemotiveerd, en wordt uitgedrukt in één van de volgende termen : "onvoldoende" - "voldoende" - "goed" - "zeer goed".

Onderafdeling III. - Vrijstelling van vorming

Art. 37.Worden vrijgesteld van de basisopleiding, de gespecialiseerde professionele vorming en de stage- en evaluatieperiode voorzien per personeelscategorie, de kandidaat-reservemilitair : 1° die als beroeps- of aanvullingsmilitair gepensioneerd werd met toepassing van de gecoördineerde wetten op de militaire pensioenen en op zijn verzoek wordt aanvaard in het reservekader;2° waarvan het ontslag uit het ambt als militair van het actief kader werd aanvaard en die van rechtswege voor een duur van tien jaar in het reservekader werd opgenomen. De reservemilitair die niet behoort tot één van de categorieën bepaald in het eerste lid kan door de DGHR, worden vrijgesteld van het geheel of een gedeelte van de vorming met het oog op het bekleden van zijn ambt, op voorwaarde een diploma, getuigschrift of een ander document dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn, bilateraal akkoord of internationale overeenkomst als minstens gelijkwaardig is erkend, te kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de reservemilitair de vorming waarvan hij is vrijgesteld, ontvangen heeft buiten de krijgsmacht. Tevens wordt in alle gevallen de kennis van de reservemilitair, noodzakelijk om het ambt te kunnen bekleden, in het vormingsorganisme gecontroleerd in functie van de militaire antecedenten of de benodigde vorming volgens de nadere regels vastgesteld in een reglement. Afdeling III. - Aanstellingen gedurende de vorming

Art. 38.Wordt gedurende de vorming aangesteld als reserve eerste soldaat : de kandidaat-reservemilitair in basisopleiding die met goed gevolg de basisopleiding heeft doorlopen en die een eerste wederdienstneming heeft aangegaan.

Art. 39.De reservevrijwilliger die een dienstneming aangaat als kandidaat-reserveonderofficier wordt aangesteld als reservekorporaal.

Art. 40.Wordt aangesteld als reservesergeant : 1° de kandidaat-reserveonderofficier die geslaagd is in de voorziene gespecialiseerde professionele vorming;2° de reservevrijwilliger die een dienstneming aangegaan heeft als kandidaat-reserveofficier.

Art. 41.De kandidaat-reserveofficier die geslaagd is in de voorziene gespecialiseerde professionele vorming wordt aangesteld als reserveonderluitenant. Afdeling IV. - De training

Art. 42.Al naargelang de graad van training en de graad van beschikbaarheid en al naargelang het aantal uitgevoerde gewone wederoproepingen door het reservepersoneel, wordt de reservemilitair gerangschikt in hetzij de "getrainde reserve" hetzij in de "niet getrainde reserve".

Het vereiste minimum aantal uit te voeren gewone wederoproepingen om te kunnen behoren tot de "getrainde reserve" bedraagt : 1° zeven dagen per jaar voor de reserveofficier en reserveonderofficier;2° vijf dagen per jaar voor de reservevrijwilliger. De nadere regels van overgang tussen de "getrainde reserve" en de "niet getrainde reserve", worden bepaald in een reglement.

Art. 43.De reservevrijwilliger die niet voldoet aan één van de tijdslimieten bepaald in de artikelen 24 en 25 wordt voor de resterende duur van de wederdienstneming opgenomen in de "niet getrainde reserve" met behoud van de graad waarin hij werd aangesteld en van de anciënniteit in die graad.

Onder voorbehoud van toepassing van artikel 18 van de wet, wordt de reservevrijwilliger bij het niet slagen voor de gespecialiseerde professionele vorming of voor de stage- of evaluatieperiode, voor de resterende duur van de wederdienstneming, opgenomen in de "niet getrainde reserve".

Art. 44.De bepalingen van artikel 27 en 30 zijn niet van toepassing op de reservevrijwilliger en de reserveonderofficier van de "getrainde reserve".

Indien aan de tijdslimieten bepaald in de artikelen 27, 28, tweede lid, 30 en 31, tweede lid, niet is voldaan of bij het niet slagen voor de vormingscyclus of bij het niet aangaan van een eerste wederdienstneming als reserveonderofficier en onder voorbehoud van de toepassing van artikel 26 van de wet, wordt de kandidaat-reserveonderofficier opgenomen als reservevrijwilliger, voor de resterende duur van de wederdienstneming in de "getrainde reserve" indien hij geslaagd is voor de evaluatieperiode, in de "niet getrainde reserve" in de andere gevallen.

De kandidaat-reserveofficier die een onvoldoende beoordeling voor de professionele hoedanigheden bekomt kan tijdens de vormingscyclus op zijn verzoek worden geherklasseerd als kandidaat-reserveonderofficier teneinde de vormingscyclus van kandidaat-reserveonderofficier te volgen. De herklassering is slechts eenmaal mogelijk en wordt toegestaan door de DGHR, in functie van de behoeften. HOOFDSTUK IV. - De graad

Art. 45.Wordt benoemd in de graad van reserveonderluitenant, de kandidaat-reserveofficier die met goed gevolg de voorziene vormingscyclus heeft doorlopen en die een wederdienstneming als reserveofficier heeft ondertekend.

Daarenboven dient de kandidaat-reserveofficier lichamelijk, zedelijk, karakterieel en professioneel geschikt bevonden te worden om het ambt van reserveofficier uit te oefenen en dient hij te beschikken over een voldoende wijze van dienen. Deze geschiktheid wordt op het einde van de evaluatieperiode beoordeeld door de minister, na advies van de hiërarchische meerderen.

Art. 46.Wordt benoemd in de graad van reservesergeant, de kandidaat-reserveonderofficier die met goed gevolg de voorziene vormingscyclus heeft doorlopen en die een wederdienstneming als reserveonderofficier heeft ondertekend.

Daarenboven dient de kandidaat-reserveonderofficier lichamelijk, zedelijk, karakterieel en professioneel geschikt bevonden te worden om het ambt van reserveonderofficier uit te oefenen en dient hij te beschikken over een voldoende wijze van dienen. Deze geschiktheid wordt op het einde van de evaluatieperiode beoordeeld door de DGHR, na advies van de hiërarchische meerderen.

Art. 47.Wordt benoemd in de graad van reserve eerste soldaat, de reservevrijwilliger die met goed gevolg de eventuele gespecialiseerde professionele vorming en de stage- en evaluatieperiode heeft doorlopen.

Daarenboven dient de reservevrijwilliger lichamelijk, zedelijk, karakterieel en professioneel geschikt bevonden te worden om het ambt van reservevrijwilliger uit te oefenen en dient hij te beschikken over een voldoende wijze van dienen. Deze geschiktheid wordt op het einde van de evaluatieperiode beoordeeld door de DGHR, na advies van de hiërarchische meerderen. HOOFDSTUK V. - De ancienniteit voor de bevordering in graad en de bevordering in graad Afdeling I. - De anciënniteit in de graad

Art. 48.De anciënniteit in de graad wordt bepaald door de datum van benoeming in die graad. In het benoemingsbesluit kan een anciënniteitsrang worden vastgesteld die een aanvang neemt op een vroegere datum dan die van de benoeming, inzonderheid om de reservemilitairen, die uit het kader van de beroepsmilitairen komen en er werden voorbijgegaan, de rang te geven die zij zouden hebben bekleed, moesten zij in het kader van de beroepsmilitairen een bevordering hebben bekomen.

Voor de reservemilitair die niet voldoet aan de bepalingen van artikel 42, tweede lid, wordt de duur dat hij behoort tot de "niet getrainde reserve" niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de ancienniteit voor de bevordering in de graad.

Art. 49.De betrekkelijke anciënniteit van de reservemilitairen die, in functie van de personeelscategorie, op dezelfde dag benoemd zijn in de basisgraad van reserveonderluitenant of reservesergeant of reserve eerste soldaat en die aan dezelfde examens hebben deelgenomen, wordt bepaald door de behaalde punten en de rangschikking welke, na afloop van de voor hun benoeming opgelegde examens, is gemaakt.

De betrekkelijke anciënniteit van de reservemilitairen die, in functie van de personeelscategorie, op dezelfde dag benoemd zijn in de basisgraad van reserveonderluitenant of reservesergeant of reserve eerste soldaat, en die niet aan dezelfde examens hebben deelgenomen, wordt vastgesteld met inachtneming, volgens de in een reglement vastgestelde regels, van de verschillende opgemaakte rangschikkingen en van het aantal benoemde reservemilitairen in de beschouwde graad.

De betrekkelijke anciënniteit van de reservemilitairen, bekleed met een andere graad dan de basisgraad en die in functie van de personeelscategorie op éénzelfde datum in die graad benoemd zijn, wordt bepaald door hun anciënniteit in de vorige graad. Bij gelijke anciënniteit in de lagere graden is de betrekkelijke anciënniteit in de basisgraad determinerend.

De anciënniteit in de basisgraad van de beroepsmilitair, de aanvullingsmilitair en de hulpofficier, die tot het reservekader wordt toegelaten of ernaar wordt overgeplaatst vóór hij, in functie van de personeelscategorie, met de graad van luitenant, eerste sergeant of korporaal is bekleed, wordt fictief gewijzigd met het oog op zijn latere bevordering in het reservekader en wordt vastgesteld alsof hij steeds tot het reservekader heeft behoord. Afdeling II. - Bevordering in de graad

Onderafdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 50.De bevordering van de reservemilitairen, rekening houdende met de personeelsenveloppe van de reservemilitairen, is op de behoeften van de krijgsmacht afgestemd.

Art. 51.De reservemilitair die niet voldoet aan de bepalingen van artikel 42, tweede lid, kan niet bevorderen.

Art. 52.De cursussen en stages die desgevallend als bevorderingsprestaties in aanmerking worden genomen, worden bepaald in een reglement.

Alleen de reservemilitairen die geschikt zijn bevonden het bevel of de functies van de hogere graad uit te oefenen kunnen voor bevordering in aanmerking komen.

Onderafdeling II. - De reserveofficieren

Art. 53.Reserveofficieren kunnen eerst tot de hogere graad worden bevorderd, nadat daartoe zijn bevorderd de beroepsofficieren van hun korps die in de graad van onderluitenant dezelfde anciënniteit hebben als zij, en die inzake bevordering een normale loopbaan hebben gehad.

In afwijking van het eerste lid mogen de reserveofficieren van het medisch technisch korps slechts tot een hogere graad worden bevorderd, na de bevordering tot deze graad van de beroepsofficieren van hun korps die het diploma van arts, van dierenarts, van tandarts, van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, of van dokter in de veeartsenijkunde, van apotheker, of van licentiaat in de tandheelkunde, hebben behaald in het jaar waarvan de klas van die beroepsofficieren het jaartal draagt en die inzake bevordering een normale loopbaan hebben gehad.

Art. 54.Het programma van de beroepsproeven bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet wordt in een reglement bepaald.

Voor de eerste bevordering in graad wordt de reservehoofdofficier die uit het actief kader komt, al naargelang het geval, vrijgesteld van de beroepsproeven voor bevordering tot reserveluitenant-kolonel, reservekolonel en reservegeneraal-majoor.

Art. 55.De reserveofficier die twee jaar na de normale datum waarop hij tot de hogere graad had kunnen worden bevorderd, de prestaties niet heeft verricht noch is geslaagd voor de beroepsproeven welke voor de bevordering tot deze graad zijn vereist, wordt geacht voorgoed van bevordering te hebben afgezien. Deze termijn beloopt vier jaar voor de kandidaat tot de graad van reservemajoor.

De minister mag langere termijnen vaststellen ten behoeve van reserveofficieren die verblijf houden in het buitenland.

Art. 56.De reserveofficier die uit het kader der beroepsofficieren komt en die van bevordering heeft afgezien terwijl hij tot dat kader behoorde mag in het kader van de reserveofficieren niet meer mededingen voor de bevordering. Mocht deze officier zich nochtans in oorlogstijd, in periode van oorlog of in crisistoestand door zijn militaire hoedanigheden onderscheiden, dan zou hij, bij beslissing van de minister, opnieuw rang kunnen innemen voor de bevordering.

Art. 57.Om benoemd te worden tot de graad van reserveluitenant, moet de reserveofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" vijf jaar anciënniteit in de graad van onderluitenant bezitten.

Om benoemd te worden tot de graad van reservekapitein, moet de reserveofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" : 1° zes jaar anciënniteit in de graad van luitenant bezitten;2° de bevorderingsprestaties volbrengen ter voorbereiding van de beroepsproeven, die bestaan uit het bijwonen van een informatiefase en een vormingsfase van minimum drie weken, en een stage in de eenheid van minimum één week volgens de nadere regels vastgesteld in een reglement;3° slagen voor de beroepsproeven bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet. Om benoemd te worden tot de graad van reservekapitein-commandant, moet de reserveofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" zes jaar anciënniteit in de graad van kapitein bezitten.

Art. 58.Geen reserveofficier kan in de graad van reservemajoor worden benoemd indien hij niet : 1° ten minste 20 jaar anciënniteit als officier heeft;2° de bevorderingsprestaties ter voorbereiding van de beroepsproeven volbrengen, die bestaan uit het bijwonen van een informatiefase en een vormingsfase van minimum drie weken volgens de nadere regels vastgesteld in een reglement;3° geslaagd is voor de beroepsproeven bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet. Geen reserveofficier kan in de graad van luitenant-kolonel, kolonel of in een opperofficiersgraad worden benoemd, indien hij niet : 1° ten minste 5 jaar anciënniteit heeft in de onmiddellijk lagere graad;2° de bevorderingsprestaties heeft volbracht, die bestaan uit het bijwonen van cursussen en stages ter voorbereiding van de beroepsproeven;3° geslaagd is voor de beroepsproeven bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet. Onderafdeling III. - De reserveonderofficieren

Art. 59.De reserveonderofficieren kunnen eerst tot de hogere graad worden bevorderd nadat de beroepsonderofficieren van hun korps die in de graad van sergeant dezelfde anciënniteit hebben als zij en die inzake bevordering een normale loopbaan hebben gehad, tot deze graad zijn bevorderd.

Art. 60.Om in de reserve tot reserve eerste sergeant-majoor of reserveadjudant-chef te kunnen worden bevorderd, moet de reserveonderofficier respectievelijk slagen voor beroepsproeven. De DGHR bepaalt het programma van deze proeven.

De reserveonderofficier gesproten uit het kader der beroepsonderofficieren die reeds heeft voldaan aan de beroepsexamens voor de toegang tot de graad van eerste sergeant-majoor of geslaagd is voor het examen voor toegang tot de graad van adjudant-chef in het beroepskader, is vrijgesteld respectievelijk van de proeven tot toegang tot de graad van reserve eerste sergeant-majoor of reserveadjudant-chef.

De reserveonderofficier gesproten uit het kader van de beroepsonderofficieren en die in dit kader een definitieve mislukking heeft ondergaan voor de proeven voor de toegang tot de graad van eerste sergeantmajoor of adjudant-chef of die definitief afgezien heeft van deelname aan deze proeven, is niet meer gemachtigd om zich aan te bieden voor de proeven voor de toegang tot deze graden in het reservekader. Mocht deze onderofficier zich nochtans in oorlogstijd, in periode van oorlog of in crisistoestand door zijn militaire hoedanigheden onderscheiden, dan zou hij, bij beslissing van de minister, opnieuw rang kunnen innemen voor de bevordering.

Art. 61.De reserveonderofficier die twee jaar na de normale datum waarop hij tot de hogere graad had kunnen worden bevorderd, de prestaties niet heeft verricht of niet is geslaagd voor de proeven welke voor de bevordering in de graad zijn vereist, wordt geacht voorgoed van bevordering te hebben afgezien.

De DGHR mag een langere termijn vaststellen ten behoeve van reserveonderofficieren die verblijf houden in het buitenland.

Art. 62.De reserveonderofficier die uit het kader der beroepsonderofficieren komt en die van bevordering heeft afgezien terwijl hij tot dit kader behoorde, neemt in het reservekader niet meer deel aan de bevordering.

Art. 63.Om benoemd te worden tot de graad van reserve eerste sergeant, moet de reserveonderofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" vijf jaar anciënniteit in de graad van sergeant bezitten.

Om benoemd te worden tot de graad van reserve eerste sergeant-majoor, moet de reserveonderofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" : 1° zeven jaar anciënniteit in de graad van eerste sergeant bezitten;2° de bevorderingsprestaties volbrengen ter voorbereiding van de beroepsproeven, die bestaan uit het bijwonen van een theoretische vorming van minimum vier weken voorafgegaan door een informatiedag volgens de nadere regels vastgesteld in een reglement;3° slagen voor de beroepsproeven bepaald in een reglement. De reserve eerste sergeant die verzaakt aan bevordering of die niet heeft deelgenomen aan de beroepsproeven ten laatste negen jaar na zijn benoeming tot de graad van reserve eerste sergeant, wordt benoemd in de graad van reserve eerste sergeantchef, zodra hij negen jaar anciënniteit in de graad van reserve eerste sergeant heeft.

Om benoemd te worden tot de graad van reserveadjudant, moet de reserveonderofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" zeven jaar anciënniteit in de graad van eerste sergeant-majoor bezitten.

Art. 64.Om in aanmerking te kunnen komen voor de benoeming tot de graad van reserveadjudant-chef moet de reserveonderofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" : 1° zeven jaar anciënniteit in de graad van adjudant bezitten;2° slagen voor een examen van een gelijkaardig niveau als het kwalificatie-examen bedoeld in artikel 39 van de wet van 27 december 1961 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht. Om in aanmerking te kunnen komen voor de benoeming tot de graad van reserveadjudant-majoor moet de reserveonderofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" vijf jaar anciënniteit in de graad van adjudant-chef bezitten.

Onderafdeling IV. - De reservevrijwilligers

Art. 65.De reservevrijwilligers kunnen eerst tot de hogere graad worden bevorderd nadat de beroepsvrijwilligers die in de graad van eerste soldaat dezelfde anciënniteit hebben als zij en die inzake bevordering een normale loopbaan hebben gehad, tot deze graad zijn bevorderd.

Art. 66.Om benoemd te worden tot de graad van reservekorporaal moet de reservevrijwilliger, gerangschikt in de "getrainde reserve", zeven jaar anciënniteit in de graad van eerste soldaat bezitten.

Om benoemd te worden tot de graad van reservekorporaal-chef moet de reservevrijwilliger, gerangschikt in de "getrainde reserve", negen jaar anciënniteit in de graad van korporaal bezitten.

Om benoemd te worden tot de graad van reserve eerste korporaal-chef moet de reservevrijwilliger, gerangschikt in de "getrainde reserve", negen jaar anciënniteit in de graad van korporaal-chef bezitten.

Onderafdeling V. - De versnelde bevordering

Art. 67.Voor de reservemilitairen die behoren of behoord hebben tot de onmiddellijk beschikbare reserve, wordt het aantal jaren minimum anciënniteit in de vorige graad noodzakelijk voor de bevordering in de verschillende graden, vastgesteld in de bijlage bij dit besluit.

Art. 68.Indien de duur van behoren tot de onmiddellijk beschikbare reserve kleiner is dan de vereiste minimum anciënniteit bij de versnelde bevordering, wordt de voor de bevordering vereiste anciënniteit in de vorige graad berekend volgens de formule vastgesteld in de bijlage bij dit besluit. HOOFDSTUK VI. - Het ontslag

Art. 69.Iedere hiërarchische meerdere met een rang tenminste gelijk aan die van korpscommandant die oordeelt dat een reservemilitair van ambtswege moet worden ontslagen, maakt een omstandig verslag op dat een uiteenzetting omvat van de feiten, een advies over hun gewichtigheid, en een voorstel om de betrokken reservemilitair voor een onderzoeksraad te doen verschijnen.

Art. 70.De betrokken reservemilitair wordt in kennis gesteld van het verslag. Hij ondertekent het onder de melding "Gezien". Hij kan er, binnen de acht dagen een verweerschrift aan toevoegen.

Iedere beschouwing die de steller van het verslag in verband met dit verweerschrift nuttig mocht achten, moet ter kennis van de betrokken reservemilitair worden gebracht. Deze beschikt over een nieuwe termijn van acht dagen om, indien hij zulks verlangt, een aanvullend verweerschrift op te maken.

Art. 71.Het dossier, waarbij een inventaris van de stukken gevoegd is, wordt langs hiërarchische weg aan de minister gezonden.

Iedere hiërarchische meerdere brengt over de toe te passen maatregel een advies uit, waarvan aan de betrokken reservemilitair kennis wordt gegeven. Deze tekent het onder de melding "Gezien". Wordt een nieuw feit aangevoerd, dan beschikt de betrokken reservemilitair over een termijn van acht dagen om, indien hij zulks verlangt, een aanvullend verweerschrift op te maken.

Art. 72.De minister kan een informatiecommissie aanstellen, of ze door de militaire overheid doen aanstellen, die tot opdracht heeft het omstandig verslag op te maken, in de hiernavolgende gevallen : 1° wanneer hij langs een andere dan de hiërarchische weg op de hoogte wordt gebracht van feiten die van aard zijn het ontslag van ambtswege van een reservemilitair te rechtvaardigen;2° wanneer, in een zelfde geval, reservemilitairen betrokken zijn die geen enkele gemeenschappelijke hiërarchische meerdere hebben;3° wanneer de in een geval betrokken reservemilitair geen hiërarchische meerdere heeft.

Art. 73.§ 1. De informatiecommissie bestaat uit : 1° een beroepsopperofficier of beroepshoofdofficier, voorzitter;2° een beroepsmilitair van dezelfde personeelscategorie, die een hogere graad draagt dan de betrokken reservemilitair;3° een reservemilitair van dezelfde personeelscategorie, die een hogere graad draagt dan de betrokken reservemilitair of, in dezelfde graad, meer anciënniteit heeft. § 2. De informatiecommissie hoort de betrokken reservemilitair, die zich mag laten bijstaan door een militair of door een advocaat. De verklaringen worden in de notulen ingeschreven en door hem ondertekend.

De betrokken reservemilitair ondertekent de voorstellen van de commissie onder de melding "Gezien".

Art. 74.Indien wegens de aard van de feiten of de omstandigheden militaire geheimhouding geboden is, worden het verslag en de adviezen niet onmiddellijk aan de betrokken reservemilitair medegedeeld.

Deze zal echter van die stukken inzage mogen nemen en zijn verweermiddelen, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, binnen de acht dagen mogen voordragen vooraleer een beslissing te zijnen aanzien genomen wordt.

Deze mededeling is niet vereist indien de minister aan het verslag geen gevolg geeft.

Art. 75.Wanneer de onderzoeksraad verklaart dat de feiten vaststaan, beoordeelt de minister hun gewichtigheid en tevens hun onverenigbaarheid met de staat van reservemilitair.

Het ontslag van ambtswege uit de graad kan evenwel niet worden uitgesproken vóór het verstrijken van een termijn van vijftien kalenderdagen te rekenen vanaf de kennisgeving aan de betrokken reservemilitair, van de beslissing van de onderzoeksraad in verband met het bestaan van de verweten feiten, en van zijn gemotiveerde adviezen betreffende hun karakter van gewichtigheid en van hun onverenigbaarheid met de staat van reservemilitair. HOOFDSTUK VII. - De wederoproepingen en de bijkomende prestaties Afdeling I. - De wederoproepingen

Art. 76.De reservemilitairen met onbepaald verlof en die gerangschikt zijn in de "getrainde reserve" kunnen onderworpen worden aan de wederoproepingen bepaald in artikel 34 van de wet. Afdeling II. - De bijkomende prestaties

Art. 77.De bijkomende prestaties worden uitgevoerd hetzij : 1° in het kader van de vervolmaking;2° als bevorderingsprestaties;3° in functie van de kaderbehoeften voor specifieke opdrachten, hierna "de vrijwillige encadreringsprestaties" genoemd. De reservemilitairen van de "getrainde reserve" kunnen, op vrijwillige basis en op uitnodiging van de militaire overheid, eveneens de bijkomende prestaties verrichten die worden gelijkgesteld met de nodige wederoproepingen om hun training op peil te houden.

Art. 78.Om bijkomende prestaties te kunnen uitvoeren, moeten de reservemilitairen minimum het aantal wederoproepingen hebben uitgevoerd om te behoren tot de "getrainde reserve".

Art. 79.De behoeften aan vervolmakingsprestaties worden jaarlijks ter goedkeuring voorgelegd aan de onderstafchef operaties en training.

Art. 80.Om te voldoen aan de behoeften gesteld door de specifieke opdrachten, bepaalt de minister op voorstel van de chef defensie, het aantal te begeven plaatsen voor vrijwillige encadreringsprestaties.

Art. 81.De dienstneming voor een vrijwillige encadreringsprestatie wordt aangegaan voor een minimum duur van 2 maanden en mag 12 maanden niet overschrijden. Op aanvraag van de reservemilitair en al naargelang de behoeften, kunnen wederdienstnemingen toegestaan worden.

Behoudens uitzonderlijke redenen waarover de minister oordeelt, mag de duur van alle vrijwillige encadreringsprestaties tijdens de loopbaan van de reservemilitair een totaal van achtenveertig maanden niet overschrijden. Het model van de dienstnemingsakte en van wederdienstnemingsakte wordt in een reglement bepaald.

Art. 82.§ 1. Voor elke reservemilitair onder zijn bevel, die een aanvraag indient om een vrijwillige encadreringsprestatie te volbrengen, geeft de korpscommandant of de overheid die er de bevoegdheden van uitoefent, een gemotiveerd advies over de waarde van de kandidaat in relatie tot de beoogde functie en draagt hij hem al of niet voor, voor het uitvoeren van de prestatie.

Dit advies wordt ter kennis gebracht van de betrokken militair, die er een verweerschrift kan aan toevoegen. De aanvraag, het eventueel verweerschrift en een kopie van de laatste evaluatienota, worden overgemaakt, langs de hiërarchische keten, aan DGHR. De aanvraag tot dienstneming wordt aanvaard of geweigerd door de DGHR. § 2. Iedere aanvraag tot wederdienstneming wordt aanvaard of geweigerd door de korpscommandant van de betrokken reservemilitair.

Art. 83.Met inachtneming van een opzeggingstermijn van één maand kan aan de vrijwillige encadreringsprestatie ten allen tijde een eind worden gesteld : 1° als de kaderbehoefte ophoudt te bestaan;2° als het gedrag of de wijze van dienen van de betrokken reservemilitair geen voldoening schenkt.De maatregel wordt getroffen door de minister op voorstel of na raadpleging van de hiërarchische meerderen. In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, worden de adviezen van hogervermelde hiërarchische chefs ondertekend door belanghebbende, die er een verweerschrift mag aan toevoegen.

De opzeggingstermijn gaat in na het verstrijken van de maand waarin de kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene is gebeurd.

Art. 84.Op verzoek van de reservemilitair kan de DGHR de dienstneming, en de korpscommandant de wederdienstneming, beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van 1 maand, die ingaat na het verstrijken van de maand waarin betrokkene zijn verzoek heeft ingediend. HOOFDSTUK VIII. - De korpsen en de specialiteiten

Art. 85.De reserveofficier die van ambtswege wordt overgeplaatst ingevolge de bepalingen van artikel 49 van de wet, gaat over met zijn graad en zijn anciënniteit van onderluitenant. Hij wordt er gerangschikt onder de officieren die op diezelfde datum als hij tot onderluitenant werden benoemd met inachtneming van zijn betrekkelijke anciënniteit.

Art. 86.De reserveofficier die op zijn aanvraag wordt overgeplaatst ingevolge de bepalingen van artikel 49 van de wet, gaat over met zijn graad en zijn anciënniteit van onderluitenant. Hij wordt er gerangschikt na de officieren die op dezelfde datum als hij tot onderluitenant werden benoemd.

Art. 87.De reserveofficier die volgens de in artikelen 85 en 86 bedoelde rangschikking zou komen te staan bij de officieren met een lagere graad dan de zijne, zal voorlopig gerangschikt worden na de officieren van zijn graad tot aan de benoeming in die graad van alle officieren van zijn korps die op dezelfde datum als hij benoemd werden in de graad van onderluitenant, een normale loopbaan volgen en meer betrekkelijke anciënniteit hebben dan hijzelf. Op dat tijdstip wordt hij onder de officieren van zijn graad gerangschikt.

De reserveofficier die volgens de in artikelen 85 en 86 bedoelde rangschikking zou komen te staan bij de officieren met een hogere graad dan de zijne, zal voorlopig gerangschikt worden vóór de officieren van zijn graad totdat hij in de hogere graad bevorderd wordt. Op dat tijdstip wordt hij onder de officieren van zijn graad gerangschikt.

Art. 88.De reserveonderofficier die van ambtswege of op zijn aanvraag wordt overgeplaatst ingevolge de bepalingen van artikel 51 van de wet, gaat over met zijn graad en zijn anciënniteit van sergeant. Hij wordt er gerangschikt na de onderofficieren die op diezelfde datum als hij tot sergeant benoemd werden.

Art. 89.De wijziging van ambtswege of op eigen aanvraag van ambt van de reservevrijwilliger wordt bevolen door de DGHR, op het gemotiveerde voorstel van de korpscommandant.

Art. 90.De reservevrijwilliger die van ambt veranderd is ingevolge de bepalingen van artikel 89, gaat over met zijn graad en zijn anciënniteit van eerste soldaat. Hij wordt er gerangschikt na de vrijwilligers die op diezelfde datum als hij tot eerste soldaat werden benoemd.

Art. 91.De aanstelling van de reserveofficier of van de reserveonderofficier die aangesteld werd om het ambt van een hogere graad uit te oefenen, vervalt de dag dat de opdracht eindigt zoals bepaald door de minister.

Art. 92.De reservemilitair die titularis is van een militair luchtvaartbrevet behoort tot het reserve varend personeel.

De reservemilitair die behoort tot het reserve varend personeel mag deelnemen aan de luchtdienst. HOOFDSTUK IX. - De onmiddellijk beschikbare reserve

Art. 93.De reservemilitairen die op vrijwillige basis wensen toe te treden tot de onmiddellijk beschikbare reserve, kunnen slechts hun kandidatuur indienen, indien zij gerangschikt zijn in de "getrainde reserve".

Art. 94.De reservemilitairen die op vrijwillige basis wensen opgenomen te worden in de onmiddellijk beschikbare reserve, dienen hun kandidatuur in, volgens de voorschriften vastgesteld in een reglement.

Art. 95.De aanvraag tot speciale dienstneming wordt aanvaard of geweigerd door de DGHR. De aanvragen tot speciale wederdienstneming worden aanvaard of geweigerd door de korpscommandant van de reservemilitair.

Art. 96.Het model van de speciale dienstneming- en wederdienstnemingsakte, wordt door de minister bepaald.

Art. 97.De speciale dienstneming of speciale wederdienstneming gaat in de dag waarop ze ondertekend wordt. De speciale dienstneming of speciale wederdienstneming wordt beëindigd : 1° bij het verstrijken van de speciale dienstneming of speciale wederdienstneming indien de betrokken reservemilitair niet aanvaard werd om zijn speciale dienstneming of speciale wederdienstneming te hernieuwen;2° van rechtswege zo de betrokken reservemilitair ophoudt tot het reservekader te behoren, in definitief verlof geplaatst wordt, van het leger weggezonden wordt, gereformeerd wordt of niet meer gerangschikt wordt in de "getrainde reserve";3° door verbreking van de speciale dienstneming of speciale wederdienstneming, hetzij op aanvraag van de betrokken reservemilitair, hetzij bij beslissing van DGHR wanneer zijn gedrag of wijze van dienen geen voldoening schenkt.

Art. 98.Aan de reservemilitair van de onmiddellijk beschikbare reserve kan ten allen tijde gedurende zijn speciale dienstneming of speciale wederdienstneming een speciale wederoproeping worden opgelegd voor deelname aan een operatie die behoort tot één van de vormen van operationele inzet en dit met een preadvies van 7 kalenderdagen. De bepalingen van het artikel 84 zijn eveneens van toepassing voor de reservemilitair van de onmiddellijk beschikbare reserve. HOOFDSTUK X. - Tucht

Art. 99.De terechtwijzing of de vermaning wordt uitgesproken door de korpscommandant, door een hogere hiërarchische overheid of door de territoriale overheid, ten aanzien van de reservemilitair met onbepaald verlof, die aan zijn plichten tekort komt. HOOFDSTUK XI. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen

Art. 100.Het koninklijk besluit van 25 september 1959 betreffende het statuut der reserveofficieren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 september 1974, 14 januari 1975, 16 maart 1976, 21 december 1976, 5 juli 1977, 12 september 1978, 30 april 1980, 11 mei 81, 22 augustus 1987, 5 juli 1988, 17 oktober 1989, 19 juni 1991 en 11 augustus 1994, wordt opgeheven.

Art. 101.In artikel 2, 6°, van het koninklijk besluit van 5 oktober 1959 betreffende de militaire commissies voor geschiktheid en reform, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 februari 1989, worden de woorden "reserveofficieren of reserveonderofficieren" vervangen door de woorden "militairen van het reservekader".

Art. 102.In het opschrift van het koninklijk besluit van 28 augustus 1981 betreffende het medisch geschiktheidsprofiel en het medisch onderzoek van de kandidaten voor toelating tot de actieve kaders en van de dienstplichtigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 januari 1991, worden de woorden "de actieve kaders en van de dienstplichtigen" vervangen door de woorden "de krijgsmacht".

Art. 103.In artikel 5, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 juli 1991 en 13 november 1991, worden de woorden "van de land-, lucht-, en de zeemacht en bij de medische dienst" vervangen door de woorden ", van reserveofficier of reserveonderofficier".

Art. 104.In artikel 6, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 januari 1991 en 13 november 1991, worden de woorden "of als kandidaat-reservemilitair in basisopleiding" ingevoegd tussen de woorden "als kandidaat-vrijwilliger" en de woorden ", de kandidaat".

Art. 105.In artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 januari 1991, 13 november 1991 en 18 september 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, 2°, worden de woorden "om dienstplichtigen" vervangen door de woorden "om kandidaat-reservemilitairen";2° in § 3 worden de woorden ", kandidaat-reserveofficieren en kandidaat-reserveonderofficieren" ingevoegd tussen de woorden "van kandidaat-onderofficier" en de woorden "zijn geldig";3° in § 4 worden de woorden "en van kandidaat-reservemilitair in basisopleiding" ingevoegd tussen de woorden "van kandidaat-vrijwilligers" en de woorden "zijn geldig";4° paragraaf 4 wordt aangevuld als volgt "en van kandidaat-reservemilitairen in basisopleiding.».

Art. 106.Het koninklijk besluit van 10 december 1987 betreffende het statuut van de reserveonderofficieren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 april 1988, 17 oktober 1989, 30 april 1991, 2 december 1991, 23 december 1991 en 11 augustus 1994, wordt opgeheven.

Art. 107.Het opschrift van het koninklijk besluit van 23 maart 1989 betreffende de afwezigheid om gezondheidsredenen van de militairen van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst alsmede van de officieren, militaire aalmoezeniers en onderofficieren van het reservekader, in dienst, wordt vervangen als volgt "Koninklijk besluit betreffende de afwezigheid om gezondheidsredenen van de militairen van de krijgsmacht. ».

Art. 108.Artikel 1, eerste lid, 4°, van hetzelfde besluit, wordt vervangen als volgt : « 4° de militairen van het reservekader in werkelijke dienst;".

Art. 109.In artikel 8 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "voor reserveofficieren en -onderofficieren" vervangen door de woorden "voor de militairen van het reservekader";2° het tweede lid wordt opgeheven.

Art. 110.Het opschrift van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de morele hoedanigheden van een kandidaat-militair van het actief kader of van een dienstplichtige, kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserveonderofficier, wordt vervangen als volgt "Koninklijk besluit tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de morele hoedanigheden van de kandidaten van de krijgsmacht".

Art. 111.In artikel 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, worden de woorden "dienstplichtigen die kandidaat zijn of in aanmerking komen om een vorming als kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserveonderofficier te volgen" vervangen door het woord " kandidaat-reservemilitairen".

Art. 112.In artikel 3, 6°, van hetzelfde besluit worden de woorden "reserveofficier of -onderofficier" vervangen door het woord "reservemilitair".

Art. 113.Het opschrift van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van een kandidaat-militair van het actief kader of van een dienstplichtige, kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserveonderofficier, wordt vervangen als volgt "Koninklijk besluit tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van de kandidaten van de krijgsmacht".

Art. 114.In artikel 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, worden de woorden "dienstplichtigen die kandidaat zijn of in aanmerking komen om een vorming als kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserveonderofficier te volgen" vervangen door het woord "kandidaat-reservemilitairen".

Art. 115.Artikel 6, vierde lid, in hetzelfde besluit ingevoegd bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, wordt vervangen als volgt : "De kandidaat die niet geslaagd is voor deze proeven kan ze evenwel later opnieuw afleggen op voorwaarde dat er minstens tien maanden zijn verlopen sinds de datum waarop hij ze heeft afgelegd. ».

Art. 116.In artikel 7, § 2bis , eerste lid, in hetzelfde besluit ingevoegd bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, worden de woorden "en van de kandidaat-reservemilitair" ingevoegd tussen de woorden "korte termijn" en de woorden "worden beoordeeld".

Art. 117.In het opschrift van de bijlage bij hetzelfde besluit worden de woorden "kandidaat vrijwilliger van het aktief kader" vervangen door de woorden "kandidaat vrijwilliger van het actief kader of kandidaat-reservemilitair in basisopleiding".

Art. 118.In artikel 1, § 1, 3°, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de fysieke hoedanigheden van sommige kandidaten en leerlingen van de krijgsmacht, wordt het woord "kandidaat-reservegegradueerden" vervangen door het woord "kandidaat-reservemilitairen".

Art. 119.In artikel 5 van hetzelfde besluit vervallen de woorden "of kandidaat-reserveonderofficier".

Art. 120.Artikel 9, § 2, l', van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : "1° tijdens de basisopleiding voor de kandidaatreservemilitair in basisopleiding en op het einde van de opleidingsperiode voor de kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserveonderofficier;".

Art. 121.In de bijlagen bij hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het opschrift van de bijlage B wordt aangevuld met de woorden "en door de kandidaat-reservemilitairen";2° in het opschrift van de bijlage D wordt het woord "kandidaat-reservegegradueerden" vervangen door het woord "kandidaat-reservemilitairen".

Art. 122.Artikel 1, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 28 juli 1995 betreffende de beoordelingsprocedure voor de militairen van het actief kader en van het reservekader, wordt opgeheven.

Art. 123.In artikel 2 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2, tweede lid, worden de woorden "Voor de reservemilitair en de militair met onbepaald verlof die vrijwillige prestaties leveren met het oog op de kaderbehoeften," vervangen door de woorden "Voor de reservemilitair die vrijwillige encadreringsprestaties levert,";2° paragraaf 2, derde lid, wordt vervangen als volgt "Voor de overige militairen van het reservekader geldt hetgeen volgt : 1° de militair van de "getrainde reserve", voor zolang hij in aanmerking komt voor bevordering, wordt één maal per kalenderjaar geëvalueerd ter gelegenheid van een geplande wederoproeping of militaire prestatie.Tussen twee opeenvolgende evaluaties dienen minstens zes maanden te zijn verlopen; 2° de militair van de "getrainde reserve" die niet meer in aanmerking komt voor bevordering, wordt één maal per twee kalenderjaren geëvalueerd ter gelegenheid van een geplande wederoproeping of militaire prestatie.Tussen twee opeenvolgende evaluaties dienen minstens twaalf maanden te zijn verlopen; 3° de militair van de "getrainde reserve" die a priori te kennen heeft gegeven zijn vereiste prestaties te groeperen, wordt niet geëvalueerd gedurende het kalenderjaar of de kalenderjaren dat hij geen wederoproeping of militaire prestatie uitvoert;4° de militair van de "niet getrainde reserve" wordt niet geëvalueerd zolang hij tot deze trainingscategorie behoort;5° indien de beschikbare termijn geen evaluatie toelaat volgens de beoordelingsprocedure bepaald bij dit besluit, wordt deze procedure in onderling akkoord tussen de eerste beoordelaar en de beoordeelde afgehandeld via een schriftelijke procedure.Dit onderling akkoord wordt op de evaluatienota vermeld en ondertekend door de beoordeelde militair. De schriftelijke procedure wordt door middel van een tegen ontvangstbewijs aan de postdienst afgegeven aangetekend schrijven gevoerd. In onderling akkoord, vermeld en door de eerste beoordelaar en beoordeelde ondertekend op de evaluatienota, kan beslist worden geen evaluatiegesprek te laten plaatsvinden. ».

Art. 124.In artikel 3 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 3, tweede lid, wordt vervangen als volgt : « Voor de reservemilitair van het reservekader aangeworven uit het burgermidden geldt de taal van de door hem ondertekende eerste dienstnemingsakte.»; 2° in § 3, derde lid, worden de woorden "Voor de overige militairen van het reservekader" vervangen door de woorden "Voor de militairen van het reservekader afkomstig uit het actief kader".

Art. 125.In artikel 5 van hetzelfde besluit, wordt een § 1bis ingevoegd, luidende : « § 1bis . Voor de militair van het reservekader bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, kan in onderling overleg tussen de eerste beoordelaar en de beoordeelde militair, beslist worden het evaluatiegesprek te houden op de dag van afgifte van het afschrift van de voorlopig ingevulde evaluatienota, mits vermelding van dit feit op de evaluatienota en ondertekening door beide betrokkenen. ».

Art. 126.Het ministerieel besluit van 12 april 1988 betreffende het statuut van de reserveonderofficieren, wordt opgeheven. HOOFDSTUK XII. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 127.Voor de reservemilitairen die op basis van artikel 90 van de wet, gevraagd heeft opnieuw deel te nemen aan de bevordering, treden de artikelen 55 en 61 van dit besluit in werking 1 jaar na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet.

Art. 128.Ten vroegste een jaar na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet, kunnen de bevorderingscomités voor de graad van kolonel of een opperofficiersgraad, bedoeld in artikel 59 van de wet worden ingericht.

Art. 129.In uitvoering van artikel 89 van de wet bepaalt de chef defensie voor elk van de twee jaren, per graad het aantal reservemilitairen die kunnen worden heropgenomen in het reservekader.

Betrokken reservemilitairen worden heropgenomen met de graad en de anciënniteit die ze bezaten op het moment dat ze met definitief verlof werden geplaatst.

Art. 130.De reserveofficier aangeworven bij toepassing van artikel 54 of 55 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de krijgsmacht, de reserveonderofficier aangeworven bij toepassing van artikel 1 of 3 van de wet van 18 februari 1987 betreffende het statuut van de reserveonderofficieren van de krijgsmacht, de vrijwilliger korte termijn overgegaan naar het reservekader met toepassing van de artikelen 20 en 23 van de wet van 20 mei 1994 houdende statuut van de militairen korte termijn en de dienstplichtige met onbepaald verlof onderworpen aan de militaire verplichtingen met toepassing van artikel 3 van de dienstplichtwetten gecoördineerd op 30 april 1962 die wensen toe te treden tot de nieuwe reserve, worden automatisch in de categorie van de "getrainde reserve" gerangschikt.

Art. 131.De reserveofficier aangeworven bij toepassing van artikel 54 of 55 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de krijgsmacht, de reserveonderofficier aangeworven bij toepassing van artikel 1 of 3 van de wet van 18 februari 1987 betreffende het statuut van de reserveonderofficieren van de krijgsmacht, de vrijwilliger korte termijn overgegaan naar het reservekader met toepassing van de artikelen 20 en 23 van de wet van 20 mei 1994 houdende statuut van de militairen korte termijn en de dienstplichtige met onbepaald verlof onderworpen aan de militaire verplichtingen met toepassing van artikel 3 van de dienstplichtwetten gecoördineerd op 30 april 1962 die niet wensen toe te treden tot de nieuwe reserve, worden gerangschikt in de categorie van de "niet getrainde reserve".

Art. 132.De reservemilitairen die nog wettelijke verplichtingen hebben op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet worden, voor de resterende duur van hun verplichtingen en al naargelang het uitgevoerde aantal wederoproepingen, in de "getrainde reserve" of de "niet getrainde reserve" gerangschikt.

Art. 133.Op 1 november 2003 treden in werking : 1° de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht;2° de artikelen 162 tot 164 van de wet van 27 maart 2003 betreffende de werving van de militairen en het statuut van de militaire muzikanten en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het personeel van Landsverdediging;3° dit besluit.

Art. 134.Onze Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 3 mei 2003.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landsverdediging, A. FLAHAUT

Annexe à l'arrêté royal du 3 mai 2003 relatif au statut des militaires du cadre de réserve des forces armées Bijlage bij het koninklijk besluit van 3 mei 2003 betreffende het statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht Tableau fixant l'ancienneté minimale exigée pour l'avancement Tabel tot vaststelling van de vereiste minimum anciënniteit voor bevordering Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (1) Enkel voor de onderofficier die verzaakt heeft aan de bevordering of die het brevet van keuronderofficier niet heeft behaald;(2) Minimum totaal aantal jaren anciënniteit als reserveofficier. Indien de duur van het behoren tot de onmiddellijk beschikbare reserve kleiner is dan de vereiste minimum anciënniteit voor de vermelde bevordering, wordt de anciënniteit in de vorige graad berekend volgens de formule : A=X-((Y/Z)x(X-Z)) A = vereiste anciënniteit in de vorige graad.

X = aantal vereiste jaren anciënniteit bij normale bevordering.

Y = aantal jaren in de onmiddellijk beschikbare reserve.

Z = aantal vereiste jaren anciënniteit bij versnelde bevordering.

Het resultaat wordt afgerond naar het hogere trimester.

Periodes van minder dan één jaar komen niet in aanmerking voor de berekening van Y. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 3 mei 2003.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landsverdediging, A. FLAHAUT

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^