Koninklijk Besluit van 03 oktober 2005
gepubliceerd op 18 oktober 2005
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden

bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
numac
2005022872
pub.
18/10/2005
prom.
03/10/2005
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

3 OKTOBER 2005. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid, inzonderheid de artikelen 8, zoals gewijzigd bij wet van 28 maart 2003 en 9, eerste lid, 1° en 3°;

Gelet op het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden, inzonderheid op de artikelen 5, 8, 17, 27, 29, 34, 38, 52, 54, 56, 60, 65, 67, 71, 76, 78, 80, 81;

Gelet op het met redenen omkleed advies van de Europese Commissie van 7 juli 2004 naar aanleiding van de vaststelling dat sommige aspecten van de reglementering inzake parallelinvoer van biociden niet stroken met de interpretatie van de artikelen 28 en 30 van het EG-Verdrag zoals deze afgeleid wordt uit de arresten van het Hof van Justitie van 10 september 2002 in zaak C-172/00, van 8 mei 2003 in de zaken C-15/11 en C-131/01 en van 11 maart 1999 in de zaak C-100/96;

Gelet op de kennisgeving aan de Europese Commissie nr 2004/403/B van 8 oktober 2004, vereist door de richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften;

Gelet op het advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, gegeven op 5 november 2004;

Gelet op het advies van de Hoge Gezondheidsraad, gegeven op 16 november 2004;

Gelet op het advies van de Raad voor het Verbruik, gegeven op 19 november 2004;

Gelet op het advies van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, gegeven op 12 november 2004;

Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen, tijdens de ICL van 1 april 2004, bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 28 april 2004;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting;

Gelet op advies 38.761/1/V van de Raad van State, gegeven op 2 augustus 2005, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Overwegende dat het aangewezen is om de overgangsregeling, voorzien in artikel 78 van voornoemd koninklijk besluit van 22 mei 2003, aan te passen om te vermijden dat een biocide, bestaande uit een met voor dat doel toegelaten biocidepreparaat behandeld materiaal, opnieuw moet beoordeeld worden op aspecten die reeds zijn onderzocht bij de toelatingsaanvraag voor het biocidepreparaat;

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid en van Onze Minister van Leefmilieu, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In de artikelen 5, § 1, 17, § 2, 38, § 2,2°, 52, § 3, 54, 56, § 4, 60, § 1, 60, § 3, 67, § 1, 71, § 4, 76, § 1 en 80, § 4, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden worden de woorden « Directoraat-generaal Bescherming Volksgezondheid : Leefmilieu » vervangen door de woorden « Directoraat-generaal Leefmilieu ».

In artikel 34 van hetzelfde besluit worden de woorden « Dienst voor het Leefmilieu » vervangen door de woorden « Directoraat-generaal Leefmilieu ».

In de Franse tekst van de artikelen 5, § 1, en 80, § 4, van hetzelfde besluit worden de woorden « Service des Affaires environnementales » vervangen door de woorden « Direction générale Environnement ».

Art. 2.Artikel 8, § 1, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « § 1. De toelating is persoonlijk en kan slechts worden overgedragen mits akkoord van de houder en uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke toestemming van de Minister. »

Art. 3.Artikel 27, 3°, a), van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « a) zonder afbreuk te doen aan punt b) hieronder of aan 4°, gedurende een periode van 10 jaar vanaf 14 mei 2000 voor informatie die werd ingediend, in het kader van artikel 78, § 1, tweede lid, of die, vóór 11 juli 2003, werd ingediend in het kader van het koninklijk besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik; ».

Art. 4.Artikel 29, 3°, a), van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « a) zonder afbreuk te doen aan punt b) hieronder of aan 4° van dit artikel, gedurende een periode van 10 jaar vanaf 14 mei 2000 voor informatie die werd ingediend in het kader van artikel 78, § 1, tweede lid, van dit besluit of die, vóór 11 juli 2003, werd ingediend in het kader van het koninklijk besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik; ».

Art. 5.In artikel 65, § 1, van hetzelfde besluit wordt een vijfde lid toegevoegd, luidend als volgt : « In afwijking van het eerste lid en mits gunstig advies van de in artikel 61 bedoelde ambtenaar bij de registratie- of erkenningsaanvraag, mag de geregistreerde verkoper of de erkende gebruiker de biociden van klasse A bewaren in een lokaal bestemd voor gevaarlijke chemische producten dat gelijkwaardige waarborgen biedt inzake de verantwoordelijkheid van de geregistreerde verkoper of de erkende gebruiker voor de bewaring en de aflevering van de biociden van klasse A. »

Art. 6.In artikel 71 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° Paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : « § 1.In afwijking van artikel 2 is het op de markt brengen, vervoeren, invoeren, aanbieden, ten toon of te koop stellen, in het bezit houden en gebruiken van een biocide dat toegelaten is in een andere lid-Staat van de Europese Unie, toegelaten voorzover : 1° hetzelfde middel, verder « referentiemiddel » genoemd, reeds in België is toegelaten, met dien verstande dat het voor parallelinvoer aangevraagde biocide weliswaar niet op alle punten identiek moet zijn met het referentiemiddel maar ten minste : -vervaardigd is met dezelfde werkzame stof; - dezelfde werking heeft; - dezelfde oorsprong heeft als het referentiemiddel, in die zin dat het volgens dezelfde formule is vervaardigd door dezelfde onderneming, een daarmee gelieerde onderneming of een onderneming die onder licentie werkt of, indien de oorsprong niet dezelfde is, de aanvrager gegevens voorlegt waarover hij beschikt of die voor hem toegankelijk zijn en die op zijn minst aannemelijk maken dat het biocide, wat betreft de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu en zijn doeltreffendheid, niet wezenlijk verschilt van het referentiemiddel en dat de resultaten van het onderzoek van de veiligheid en de doeltreffendheid zonder enig gevaar voor gezondheid of het leefmilieu kunnen worden gebruikt voor het aangevraagde biocide; 2° de Minister, op basis van zo volledig mogelijke inlichtingen, met inbegrip van deze waarover hij beschikt of die hij heeft kunnen verkrijgen in het raam van de samenwerking met de bevoegde overheden van andere lidstaten van de Europese Unie, aan de invoerder een toelating heeft verleend voor parallelinvoer van het betrokken biocide.» 2° In paragraaf 3 worden het zesde en zevende lid, vervangen door een lid, luidend als volgt : « De bepalingen van de artikelen 8, 9, 10, 12, 13, 31, 32, van de artikelen 39 tot met 58, van de artikelen 66 tot en met 69 en van de artikelen 78 tot en met 80 zijn van toepassing op de biociden toegelaten voor parallelinvoer.Onder « houder van de toelating » wordt in dit geval verstaan : de persoon aan wie de toelating voor parallelinvoer is verleend. »

Art. 7.Artikel 78 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 78.§ 1. De toelatingen voor het op de markt brengen van biociden die werden verleend in toepassing van het koninklijk besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik, blijven voorlopig geldig voor een duur van ten hoogste 10 jaar vanaf de datum van de toelating of tot de datum vermeld in de toelatingsakte, tenzij voor die datum een beslissing wordt genomen over het opnemen van de werkzame stof van dat biocide in bijlage I, I A of I B. § 2. In afwijking van artikel 3, § 1, 1°, kan een toelating voor het op de markt brengen van een biocide verleend worden als voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, 3° en 4° : - tot 1 september 2006 mits elk van zijn werkzame stoffen is opgenomen in bijlage 1 van de Verordening (EG) nr. 2032/2003 van de Commissie van 4 november 2003 inzake de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van richtlijn 98/8/EG van het Europese Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1896/2000, en - vanaf 1 september 2006, op voorwaarde dat het biocide behoort tot een productsoort die in bijlage II van voornoemde Verordening (EG) nr. 2032/2003 is vermeld voor elk van de werkzame stoffen die het bevat en dat zolang de Europese Commissie, voor de betrokken productsoort, geen besluit, als bedoeld in Hoofdstuk IV van Titel II, genomen heeft over de opname van een van de werkzame stoffen van dat biocide in de bijlagen I, I A of als basisstof in bijlage I B. § 3. In afwijking van de artikelen 3, 4, 5 en 6, kan een toelating worden aangevraagd mits het biocide behoort tot een productsoort die in bijlage II van voornoemde Verordening (EG) nr. 2032/2003 is vermeld voor elk van de werkzame stoffen die het bevat : - ofwel, met mededeling van de gegevens vereist volgens Document B10 in bijlage VII, indien de bevoegde overheid in een andere lidstaat van de Europese Unie voor het biocide in het raam van een toelatingsprocedure een toelating heeft afgeleverd die nog geldig is, - ofwel, met mededeling van de gegevens vereist volgens Document B10 in bijlage VII, indien in België reeds een toelating bestaat voor biociden die dezelfde werkzame stoffen bevatten, - ofwel met mededeling van de gegevens vereist volgens Document B10 in bijlage VII, indien de verlenging of hernieuwing van de eerder verleende toelating van het biocide na het verstrijken van de geldigheid van de verleende toelating is aangevraagd, - ofwel met mededeling van de gegevens vereist volgens Document B7 in bijlage VII, indien het biocide identiek is met een reeds in België toegelaten biocide. § 4. De onder de vorige paragraaf bedoelde aanvraag wordt ingediend bij de dienst voorzien in artikel 5, § 1, die de administratieve ontvankelijkheid nakijkt en hierover binnen veertien dagen na ontvangst een bericht stuurt naar de aanvrager.

Indien het onderzoek van de administratieve ontvankelijkheid heeft aangetoond dat het biocide voldoet aan het criterium vermeld in het eerste of in het vierde gedachtestreepje van de vorige paragraaf en mits de bestaande toelating geldig is voor een identiek biocide met dezelfde toepassingen en met dezelfde gebruiksdosering, kan de Minister een toelating verlenen voor de reeds toegelaten toepassingen.

In de andere gevallen en mits de aanvraag administratief ontvankelijk is, wordt de aanvraag binnen 14 dagen na ontvangst overgemaakt aan het wetenschappelijk secretariaat van de Hoge Gezondheidsraad dat, binnen 45 dagen, beslist over de volledigheid van het dossier met betrekking tot de volgens het onder de vorige paragraaf vernoemde Document B10 vereiste gegevens.

De Hoge Gezondheidsraad geeft, binnen 4 maanden na de beslissing van het wetenschappelijk secretariaat, over de volledigheid, advies over de toelating.

Indien de Hoge Gezondheidsraad bijkomende gegevens nodig heeft, worden deze, door de dienst voorzien in artikel 5, § 1, in eenmaal aan de aanvrager gevraagd.

De termijn van vier maanden voor adviesverlening door de Hoge Gezondheidsraad wordt opgeschort vanaf de datum van overmaking van diens vraagstelling aan de voornoemde dienst tot op de datum van de ontvangst van de gevraagde gegevens door de Hoge Gezondheidsraad.

De aanvrager heeft, vanaf de notificatie van de vraag, een maand tijd voor het bezorgen van de gegevens gevraagd door de Hoge Gezondheidsraad. In voorkomend geval moet de aanvrager bevestigen dat hij de gevraagde gegevens niet kan leveren.

Indien de Hoge Gezondheidsraad geen advies verleent binnen de voornoemde termijnen beslist de Minister over de toelating. Als de Minister van mening is dat hij de toelating niet kan verlenen, deelt hij de motieven waarop hij zijn oordeel grondt, bij een ter post aangetekende brief, aan de aanvrager mee. § 5. De criteria en bepalingen vermeld in de vorige paragrafen zijn van toepassing op de toelatingsaanvragen die reeds zijn ingediend en voor dewelke geen definitieve beslissing is genomen op het tijdstip van het in werkingtreden van deze bepaling, mits het ingediende dossier voldoet aan de voorwaarden in document B10 van bijlage VII. De criteria en bepalingen vermeld in de vorige paragrafen zijn van toepassing op de toelatingsaanvragen waarvan sprake in de artikelen 78, quinquies en sexies op voorwaarde dat de voorwaarden uit die artikels werden gerespecteerd en mits het ingediende dossier voldoet aan de voorwaarden in Document B10 van bijlage VII. De toelatingsmodaliteiten voorzien in artikel 8 en de modaliteiten inzake beroep, wijziging, schorsing en opheffing voorzien in de artikelen 7, 9, 10, 11 en 13 zijn van toepassing op de krachtens dit artikel verleende toelatingen. »

Art. 8.In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen 78bis tot 78septies ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 78bis.In afwijking van artikel 3, § 1, 1°, vervallen de toelatingen voor het op de markt brengen van biociden, die na 11 juli 2003 en overeenkomstig de bepaling van dit besluit zijn hernieuwd of verlengd, op 13 mei 2010, tenzij één van de werkzame stoffen die in het biocide aanwezig zijn, vóór deze datum op een lijst in bijlage I, I A of I B is opgenomen.

Art. 78ter.§ 1. Voor de biociden waarvan de werkzame stof geviseerd is door een beslissing tot opname in de bijlage I of I A moet een aanvraag tot toelating of tot registratie worden ingediend binnen de door de Minister bepaalde termijn. § 2. Aan de aanvragers die een ontvankelijke hernieuwingsaanvraag hebben ingediend kan de Minister, conform artikel 24, § 2, tweede lid, de hernieuwing toestaan voor een minimale periode die voor de afhandeling van herziening noodzakelijk is.

Aan de aanvragers wiens hernieuwingsaanvraag niet ontvankelijk of geweigerd was, kan de Minister voor het verwijderen of voor de opslag en het op de markt brengen van bestaande voorraden een termijn van zes maanden toestaan en voor het opgebruiken 18 maanden telkens te rekenen vanaf de datum van de verklaring van onontvankelijkheid of van weigering, desgevallend moet hij de termijnen opleggen die in een beslissing van de Europese Commissie over de betrokken werkzame stof zijn voorgeschreven. § 3. Voor de biociden die geviseerd zijn door een beslissing van de Europese Commissie om hun werkzame stof niet op te nemen in de bijlage I, I A, I B, gelden voor het verwijderen of voor de opslag en voor het op de markt brengen van bestaande voorraden een termijn van 6 maanden en voor het opgebruiken een termijn van 18 maanden telkens te rekenen vanaf de datum waarop de beslissing van de Europese Commissie uitwerking heeft. Indien in een beslissing van de Europese Commissie over de betrokken werkzame stof andere termijnen zijn voorgeschreven zullen die door de Minister worden opgelegd.

In afwijking van voorgaand lid en voor wat betreft de biociden die een of meer werkzame stoffen bevatten die zijn opgenomen in bijlage III van de voornoemde Verordening (EG) nr. 2032/2003 alsook voor de biociden die één of meerdere werkzame stoffen bevatten voor dewelke de productsoort waartoe het betrokken biocide behoort niet is vermeld in bijlage II van dezelfde Verordening, is de datum voor het uit de handel nemen vastgesteld op 1 september 2006.

Art. 78quater.§ 1. In afwijking van de artikelen 3, 4, 5 en 6 en voor wat betreft een biocide dat behoort tot een productsoort die in bijlage II van voornoemde Verordening (EG) nr. 2032/2003 is vermeld voor elk van de werkzame stoffen die het bevat kan de Minister ambtshalve een hernieuwing, verlenging of naamswijziging verlenen voor de betrokken productsoort, op voorwaarde dat : - de aanvraag tot hernieuwing, verlenging of naamswijziging, bij een ter post aangetekende brief voor het einde van de geldigheid van de lopende toelating is ingediend; - het biocide waarover de aanvraag gaat identiek is met het toegelaten biocide of enkel volgende beperkte wijzigingen heeft ondergaan : een andere procentuele verhouding van één of meer niet-werkzame stoffen zonder impact op de etikettering en/of de vervanging van één of meer pigmenten, kleurstoffen of reukstoffen door andere met hetzelfde of een kleiner risico, zonder dat de doeltreffendheid daardoor afneemt; - Bij de hernieuwingsaanvraag de aanvrager, aan de hand van een volledige beschrijving (volledige samenstelling van het preparaat + voorziene handelshoeveelheid) en een ontledingsattest, aantoont dat aan voornoemde voorwaarden is voldaan. § 2. Indien de Minister oordeelt dat hij de ambtshalve hernieuwing of verlenging niet kan toestaan, deelt hij dit binnen 14 dagen na de ontvangst van de aanvraag mee aan de aanvrager, die in de gelegenheid is de aanvraag in te dienen volgens de criteria en bepalingen vermeld onder § 3 van het artikel 78. § 3. Een met toepassing van § 1 verleende of in artikel 78, §§ 1, 2 of 3, bedoelde toelating, hernieuwing of verlenging vervalt steeds vanaf het in voege treden van de beslissing over de opname van één of meerdere van de werkzame stoffen van het desbetreffende biocide in bijlage I, IA of IB van voornoemde richtlijn 98/8/EG, voor de productsoort waartoe het biocide behoort, en op 13 mei 2010 ten laatste.

Art. 78quinquies.Aanvragen tot toelating voor het op de markt brengen van biociden die onder de gelding van het koninklijk besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik, zijn ingediend en waarover op 11 juli 2003 geen definitieve uitspraak is gedaan, vervallen.

Voor deze aanvragen kan een nieuwe aanvraagprocedure worden ingeleid door verzending door de aanvrager van een aangetekende brief met verwijzing naar het oude dossier, in voorkomend geval gevolgd door aanvullende informatie. Opdat de aanvraag tot herneming van de procedure ontvankelijk zou zijn moet de aangetekende brief binnen drie maanden na 11 juli 2003 verzonden zijn.

Bij het herindienen van de aanvraag zullen de retributies die in toepassing van het koninklijk besluit van 23 juni 1995 betreffende gevaarlijke stoffen en preparaten en bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik voor een in het voorgaand lid bedoelde aanvraag werden betaald, hetzij worden terugbetaald voor het gedeelte dat meer bedroeg dan wat volgens dit besluit is vereist, hetzij in mindering worden gebracht op de retributies, indien zij minder bedroegen dan verschuldigd voor een overeenkomstig de bepalingen van dit besluit in te dienen nieuw aanvraagdossier. De gedeeltelijke terugbetaling zal kunnen gevraagd worden nadat voor het krachtens het voorgaand lid ingediende aanvullend dossier de volledigheidsverklaring voorzien in art. 6, § 1, is afgeleverd.

Art. 78 sexies. Aanvragen tot erkenning voor het op de markt brengen van biociden die zijn ingediend onder de gelding van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik zijn ingediend, en waarover op 11 juli 2003 geen definitieve uitspraak is gedaan, vervallen.

Voor deze aanvragen kan een aanvraagprocedure met toepassing van dit besluit worden ingeleid door verzending aan de Minister op het in artikel 5, § 1, vermelde adres door de aanvrager van een aangetekende brief met verwijzing naar het oude dossier, in voorkomend geval gevolgd door aanvullende informatie. Opdat de aanvraag tot herneming van de procedure ontvankelijk zou zijn moet de aangetekende brief ten laatste binnen drie maanden na 11 juli 2003 verzonden zijn.

De aanvraagdossiers waarvoor de aanvrager de in het vorige lid bedoelde aangetekende brief heeft verstuurd worden door de bevoegde dienst aan de in artikel 5, § 1, vermelde dienst bezorgd.

Bij het herindienen van de aanvraag zullen de retributies die bij de aanvraag tot erkenning met toepassing van het hierboven vernoemde koninklijk besluit van 28 februari 1994 reeds werden betaald in mindering worden gebracht op de retributies voor een overeenkomstig de bepalingen van dit besluit in te dienen nieuw aanvraagdossier, indien zij minder bedroegen dan verschuldigd voor een in te dienen nieuw aanvraagdossier.

Art. 78 septies. In afwijking van artikel 2, en bij wijze van overgangsmaatregel tot het in voege treden van de beslissing over de opname in bijlage I, I A of I B van voornoemde richtlijn 98/8/EG van de betrokken werkzame stof, voor de productsoort waartoe het biocide behoort, is het toegestaan biocide eigenschappen te vermelden voor materiaal dat is behandeld met een biocide dat daarvoor krachtens dit besluit is toegelaten en waarvan de doeltreffendheid en de afwezigheid van risico voor mens of milieu van het behandelde materiaal bij het onderzoek van de toelating van het bij de behandeling betrokken biocide zijn aangetoond, op voorwaarde dat de verantwoordelijke tenminste 5 werkdagen voorafgaand aan het op de markt brengen per aangetekende post een kennisgeving heeft ingediend bij de in artikel 5, § 1, vermelde dienst. Die kennisgeving moet omvatten : naam en adres van de kennisgever, de omschrijving van het behandelde materiaal, de beschrijving van de biocidewerking en de naam en toelatingsnummer van het voor de behandeling gebruikte biocide. Het etiket van het biocide materiaal moet melding maken van het toegelaten biocide gebruikt voor de behandeling. »

Art. 9.In artikel 81 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, luidend als volgt : « De Minister kan de adressen en de andere administratieve gegevens in de bijlagen aanpassen. »

Art. 10.Deel A van bijlage VII bij het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden wordt vervangen door bijlage I. Bijlage II wordt toegevoegd als deel B10 aan de in het vorige lid voornoemde bijlage VII.

Art. 11.In bijlage VIII van hetzelfde besluit worden de vermeldingen in het bovenste kader vervangen door volgende vermelding : « De retributie, 500 EUR, dient gestort of overgeschreven te worden op PR. Nr. 679-2005959-96, van FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu Retribut. & bijdragen producten Victor Hortaplein 40, bus 10 1060 Brussel Op het stortingsbulletin dient verwezen te worden naar « KB14/1/04 art. 9, § 1, 3°, b) » en naar het product. »

Art. 12.In bijlage IX van hetzelfde besluit worden de vermeldingen in het bovenste kader vervangen door volgende vermelding : « De retributie, 100 EUR of 250 EUR, naargelang het geval, dient gestort of overgeschreven te worden op PR. Nr. 679-2005959-96, van FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu Retribut. & bijdragen producten Victor Hortaplein 40, bus 10 1060 Brussel Op het stortingsbulletin dient verwezen te worden naar « KB14/1/04 art. 9, § 1, 7° » of « KB14/1/04 art 9, § 1, 8° » en naar het product. »

Art. 13.In bijlage X van hetzelfde besluit worden de vermeldingen in het bovenste kader vervangen door volgende vermelding : « De retributie, 150 EUR, dient gestort of overgeschreven te worden op PR. Nr. 679-2005959-96, van FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu Retribut. & bijdragen producten Victor Hortaplein 40, bus 10 1060 Brussel Op het stortingsbulletin dient verwezen te worden naar « KB14/1/04 art. 9, § 3 » en naar het product. »

Art. 14.Bijlage XII van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de vermelding : « - sulfuryl difluoride ».

Art. 15.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekend gemaakt.

Art. 16.Onze Minister bevoegd voor Volksgezondheid en Onze Minister bevoegd voor Leefmilieu zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 3 oktober 2005.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Volksgezondheid, R. DEMOTTE De Minister van Leefmilieu, B. TOBBACK Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 3 oktober 2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Volksgezondheid, R. DEMOTTE De Minister van Leefmilieu, B. TOBBACK Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 3 oktober 2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Volksgezondheid, R. DEMOTTE De Minister van Leefmilieu, B. TOBBACK

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^