Koninklijk Besluit van 04 juli 2013
gepubliceerd op 26 juli 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de vorming van de kandidaat-officieren en officieren van het actief kader van de Krijgsmacht

bron
ministerie van landsverdediging
numac
2013007174
pub.
26/07/2013
prom.
04/07/2013
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

4 JULI 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de vorming van de kandidaat-officieren en officieren van het actief kader van de Krijgsmacht


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 18 maart 1838 houdende organisatie van de Koninklijke Militaire School, artikel 1ter, § 1, ingevoegd bij de wet van 22 maart 2001 en vervangen bij de wet van 1 augustus 2006;

Gelet op de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de krijgsmacht, artikel 26bis, § 2, eerste lid, ingevoegd bij de wet van 11 juni 1998, en artikel 40, gewijzigd bij de wet van 22 maart 2001;

Gelet op de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, artikel 20, eerste lid, gewijzigd bij de wetten van 22 maart 2001, 16 juli 2005 en 20 juli 2005;

Gelet op het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader;

Gelet op het koninklijk besluit van 26 september 2002 betreffende de organisatie van de Koninklijke Militaire School;

Gelet op het koninklijk besluit van 12 augustus 2003 betreffende de voortgezette vorming van de officieren van het actief kader van de krijgsmacht en de beroepsproeven voor de bevordering tot de graad van majoor;

Gelet op het advies van de vervolmakings- en opleidingsraad van de Koninklijke Militaire School, gegeven op 22 november 2012;

Gelet op het protocol van onderhandelingen N-344 van het Onderhandelingscomité van het militair personeel, gesloten op 2 mei 2013;

Gelet op het advies 53.387/4 van de Raad van State, gegeven op 17 juni 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Landsverdediging, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader

Artikel 1.In artikel 2, 23°, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 mei 2006, worden de woorden « en met dezelfde promotie » opgeheven.

Art. 2.In hetzelfde besluit wordt een artikel 83bis ingevoegd, luidende: «

Art. 83bis.De kandidaat bedoeld in artikel 20quater, § 3, 1°, van de wet van 21 december 1990 die tot de wervingssessie behoort bepaald in een reglement vastgelegd door de minister, en die zijn academische vorming mag verderzetten, volgt het lot van de kandidaten van zijn nieuwe promotie.

De kandidaat bedoeld in het eerste lid, behoudt de graad waarmee hij was bekleed. Voor de latere aanstellingen volgt hij evenwel het lot van de kandidaten van zijn nieuwe promotie. ». HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het koninklijk besluit van 26 september 2002 betreffende de organisatie van de Koninklijke Militaire School

Art. 3.In artikel 5, derde lid, 2°, b), van het koninklijk besluit van 26 september 2002 betreffende de organisatie van de Koninklijke Militaire School, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 2007, worden de woorden « , en georienteerd in functie van de gevolgde specifieke vorming » opgeheven.

Art. 4.In hetzelfde besluit worden de bijlagen A en B, vervangen bij het koninklijk besluit van 13 juli 2012, vervangen door de bijlagen 1 en 2 gevoegd bij dit besluit, behalve voor de leerlingen en stagiairs die hun vormingsjaar, aangevangen in 2012, nog niet beëindigd hebben.

Voor die leerlingen en stagiairs blijven de vorige bijlagen van toepassing tot het einde van dat vormingsjaar. HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het koninklijk besluit van 12 augustus 2003 betreffende de voortgezette vorming van de officieren van het actief kader van de krijgsmacht en de beroepsproeven voor de bevordering tot de graad van majoor

Art. 5.In artikel 10, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 12 augustus 2003 betreffende de voortgezette vorming van de officieren van het actief kader van de krijgsmacht en de beroepsproeven voor de bevordering tot de graad van majoor, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 februari 2006 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 december 2006, worden de woorden « of een deel ervan » ingevoegd tussen de woorden « de module » en de woorden « te volgen ».

Art. 6.In artikel 21, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden « mag zich bij een latere werving opnieuw aanbieden » vervangen door de woorden « mag zich bij een latere oproep opnieuw aanbieden ».

Art. 7.In artikel 24, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 februari 2006 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 december 2006, worden de woorden « of een deel ervan » ingevoegd tussen de woorden « de module » en de woorden « te volgen ».

Art. 8.In artikel 30, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 februari 2006, worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt : « De officier die, om ernstige en uitzonderlijke redenen, in de onmogelijkheid verkeert zich aan te melden voor een test of een eindexamen of voor de mondelinge verdediging van het proefschrift bedoeld in artikel 37, § 2, kan, naargelang het geval, voor dit gedeelte of voor het geheel van de proeven, uitstel vragen.

De aanvraag tot uitstel wordt ingediend van zodra de verhindering gekend is of zich voordoet. Een aanvraag tot uitstel ingediend na de betrokken test of het betrokken eindexamen of de mondelinge verdediging van het proefschrift kan evenwel ontvankelijk verklaard worden, indien de niet-deelname het gevolg is van een afwezigheid om gezondheidsredenen of van overmacht. ».

Art. 9.Artikel 32 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 32.De officier die, zonder verzaakt te hebben, niet deelneemt aan één of meer tests of aan één of meer eindexamens of aan de verdediging van zijn proefschrift en geen uitstel krijgt, wordt beschouwd als niet geslaagd te zijn voor deze proeven. ».

Art. 10.In artikel 33 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt : « Er wordt opgericht : 1° een examencommissie belast met de beoordeling van het examen bedoeld in artikel 36, 3° ;2° examencommissies belast met de beoordeling van het examen bedoeld in artikel 37, § 1, 2° ;3° een examencommissie belast met de beoordeling van het proefschrift bedoeld in artikel 37, § 2.»; b) in paragraaf 2, eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 december 2006, worden de bepalingen onder 2° en 3° vervangen als volgt : « 2° een lid, hoofdofficier, die niet tot de school behoort en door de DGHR aangewezen wordt;3° twee andere leden, hoofdofficieren, die tot de school behoren en door de commandant van de school aangewezen worden.Bij afwezigheid van een hoofdofficier van deze school wijst de DGHR een plaatsvervangende hoofdofficier aan die niet tot de school behoort. »; c) in paragraaf 4, tweede lid, wordt de zin « De beslissingen van de examencommissie worden genomen met meerderheid van stemmen.» vervangen als volgt : « De beslissing van de examencommissie inzake de uitslag behaald door de stagiair voor, naargelang het geval, het betrokken examen of het proefschrift, bedoeld in artikel 33, § 1, eerste lid, wordt genomen met meerderheid van stemmen. ».

Art. 11.In artikel 36, 3°, van hetzelfde besluit worden de woorden « de module « personeels- en middelenmanagement » van » ingevoegd tussen de woorden « betreffende de in » en de woorden « het domein « management en leadership » onderwezen stof ».

Art. 12.In artikel 38 van hetzelfde besluit worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt : « De belangrijkheidscoëfficiënten van het geheel van de tests bedoeld in artikel 36, 1°, en het examen bedoeld in artikel 36, 3°, zijn respectievelijk zestig procent en veertig procent.

De belangrijkheidscoëfficiënten van het geheel van de tests bedoeld in artikel 37, § 1, 1°, en het geheel van de examens bedoeld in artikel 36, 2°, en in artikel 37, § 1, 2°, zijn respectievelijk zestig procent en veertig procent. ».

Art. 13.Artikel 39 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 39.Is voor de beroepsproeven geslaagd : 1° de officier bedoeld in artikel 37, § 1, die heeft behaald : a) een globaal cijfer van ten minste vijftig procent voor het geheel van de tests en eindexamens in het domein « veiligheid en defensie »;b) een globaal cijfer van ten minste vijftig procent voor het geheel van de tests en eindexamens in het domein « management en leadership »;c) een globaal cijfer van ten minste vijftig procent voor het geheel van de tests en eindexamens in het domein « operaties »;d) in voorkomend geval, wanneer meer dan één test in een domein vermeld in 1°, a) tot c), werd voorzien, een globaal cijfer van ten minste veertig procent voor het geheel van de tests in elk van deze domeinen;e) een globaal cijfer van ten minste veertig procent voor het geheel van de eindexamens in het domein « management en leadership »;f) een globaal cijfer van ten minste veertig procent voor het geheel van de eindexamens in het domein « operaties »;2° de officier bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, die heeft behaald : a) een cijfer van ten minste vijftig procent voor het proefschrift bedoeld in artikel 37, § 2;b) een globaal cijfer van ten minste vijftig procent op het geheel gevormd door de volgende proeven : i) het schriftelijk eindexamen in de module « inleiding tot joint operaties » van het domein « operaties » bedoeld in artikel 36, 2° ; ii) het proefschrift bedoeld in artikel 37, § 2; c) een globaal cijfer van ten minste vijftig procent voor het geheel van de tests en eindexamens in het domein « management en leadership »;d) een globaal cijfer van ten minste vijftig procent voor het geheel van de tests en eindexamens in het domein « veiligheid en defensie »;e) in voorkomend geval, wanneer meer dan één test in een domein vermeld in 2°, b) tot d), werd voorzien, een globaal cijfer van ten minste veertig procent voor het geheel van de tests in elk van deze domeinen;f) een globaal cijfer van ten minste veertig procent voor het geheel van de eindexamens in het domein « management en leadership »;g) een globaal cijfer van ten minste veertig procent voor het schriftelijk eindexamen in de module « inleiding tot joint operaties »;3° de officier bedoeld in artikel 37, § 2, tweede lid, die heeft behaald : a) een globaal cijfer van ten minste vijftig procent voor het geheel van de tests en eindexamens in het domein « veiligheid en defensie »;b) een globaal cijfer van ten minste vijftig procent voor het geheel van de tests en eindexamens in het domein « management en leadership »;c) een globaal cijfer van ten minste vijftig procent voor het geheel van de tests en eindexamens in de module « inleiding tot joint operaties » van het domein « operaties »;d) in voorkomend geval, wanneer meer dan één test in een domein vermeld in 3°, a) tot c), werd voorzien, een globaal cijfer van ten minste veertig procent voor het geheel van de tests in elk van deze domeinen;e) een globaal cijfer van ten minste veertig procent voor het geheel van de eindexamens in het domein « management en leadership ».» .

Art. 14.In hetzelfde besluit wordt een artikel 39bis ingevoegd, luidende : «

Art. 39bis.§ 1. Wanneer de officier niet aan de in artikel 39 bedoelde criteria tot slagen heeft voldaan of wanneer hij, zonder geldige reden, niet aan een test of aan een eindexamen of aan het proefschrift heeft deelgenomen, worden zijn beoordelingen en, in voorkomend geval, de vaststellingen aan de deliberatiecommissie van de voortgezette vorming bedoeld in artikel 40bis, § 1, voorgelegd, die beslist of de officier : 1° geslaagd is, naargelang het geval, voor de test, het eindexamen, het geheel van de testen of voor het geheel van de eindexamens in het beschouwde domein die tot het niet slagen hebben geleid of waaraan hij niet heeft deelgenomen en, in voorkomend geval, de vorming mag verderzetten;2° naargelang het geval, de test, het eindexamen, het geheel van de testen van een module of van een domein of het geheel van de eindexamens van een module of van een domein een laatste maal mag afleggen;3° geslaagd is voor zijn proefschrift en, in voorkomend geval, de vorming mag verderzetten;4° zijn proefschrift, naargelang het geval, opnieuw mag indienen of voorstellen of beide;5° definitief mislukt is voor de beroepsproeven voor de bevordering tot de graad van majoor. § 2. De werking van de deliberatiecommissie, evenals de mogelijkheden voor de officier om een lid van de deliberatiecommissie te wraken of om een beroep in te dienen tegen een beslissing van deze deliberatiecommissie zijn deze die toepasselijk zijn op de hogere opleidingen bedoeld in artikel 40. § 3. De officier die de toestemming bekomt om de examens bedoeld in artikel 33, § 1, eerste lid, en, in voorkomend geval, het proefschrift opnieuw af te leggen, kan deze afleggen binnen de drie maanden na de betekening van de beslissing van de deliberatiecommissie, op de datum bepaald door de voorzitter van de betrokken examencommissie, zonder dat hem vooraf nog bijkomende cursussen worden gegeven. ».

Art. 15.In artikel 40bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) paragraaf 1, eerste lid, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 2007, wordt vervangen als volgt : « De deliberatiecommissie voor de voortgezette vorming bestaat uit volgende leden of hun plaatsvervanger aangewezen door de voorzitter : 1° de commandant van de school, als voorzitter;2° de directeur van het academisch onderwijs;3° de directeur van de voortgezette vorming;4° het departementshoofd economie, management en leadership;5° het departementshoofd gedragswetenschappen;6° het departementshoofd conflictstudies;7° het departementshoofd operaties;8° de directeur van de vorming voor kandidaat-hoofdofficier;9° de directeurs van de hogere opleidingen van de voortgezette vorming.»; b) in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zin « De secretaris is niet stemgerechtigd.» vervangen als volgt : « De directeur van de vorming voor kandidaat-hoofdofficier, de directeurs van de hogere opleidingen van de voortgezette vorming en de secretaris zijn niet stemgerechtigd. ».

Art. 16.In artikel 50 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 februari 2006 en gewijzigd bij het koninklijk besluit 14 december 2006, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt : « 2° bij de stagiair de vereiste competenties te ontwikkelen in de domeinen « begroting en financiën - overheidsopdrachten », « recht - statuten », « overheidsmanagement », « management en leadership » en « veiligheid en defensie ». ».

Art. 17.In artikel 51 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 februari 2006 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 december 2006 en 20 december 2007, wordt het tweede lid opgeheven. HOOFDSTUK 4. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 18.De artikelen 1 en 2 hebben uitwerking met ingang van 1 oktober 2012.

Art. 19.De artikelen 3 en 5 tot 17 van dit besluit treden in werking op 30 augustus 2013.

Art. 20.Artikel 4 van dit besluit treedt in werking voor : 1° de bijlage 1, op 1 juli 2013;2° de bijlage 2, op 30 augustus 2013.

Art. 21.De minister bevoegd voor de Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 4 juli 2013.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landsverdediging, P. DE CREM

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^