Koninklijk Besluit van 05 januari 2000
gepubliceerd op 10 januari 2000
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijve

bron
ministerie van binnenlandse zaken
numac
1999000986
pub.
10/01/2000
prom.
05/01/2000
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

5 JANUARI 2000. - Koninklijk besluit betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk


VERSLAG AAN DE KONING, Sire, Het ontwerp van besluit waarvan de Regering de eer heeft U ter ondertekening voor te leggen, betreft de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk.

Er is rekening gehouden met de bemerkingen van de Raad van State in zijn advies van 22 december 1999 De wet van 22 december 1999 bepaalt dat een regularisatie van hun verblijf zullen kunnen vragen de vreemdelingen die reeds daadwerkelijk in België verbleven en die, op het ogenblik van de aanvraag, één van de volgende vier criteria vervullen : - geen uitvoerbare beslissing betreffende hun asielaanvraag hebben ontvangen sedert meer dan vier jaar of drie jaar voor families met kinderen die de leeftijd hebben om school te lopen; - om redenen onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren; - ernstig ziek zijn; - humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land hebben ontwikkeld.

Een onafhankelijke Commissie voor regularisatie zal belast worden met het onderzoek van de aanvragen en zal een advies verstrekken aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Ze zal samengesteld zijn uit meerdere kamers en uit een secretariaat.

Elke kamer wordt samengesteld uit drie leden : - een magistraat of een gewezen magistraat, of een lid of een gewezen lid van een administratief rechtsorgaan die het voorzitterschap van de kamer waarneemt; - een advocaat; - een afgevaardigde van een erkende niet-gouvernementele organisatie, actief in het domein van de mensenrechten.

Ieder werkend lid van de kamers heeft meerdere plaatsvervangers; zij moeten de leeftijd van dertig jaar hebben bereikt en van Belgische nationaliteit zijn. De leden van de kamers worden aangeworven na een oproep bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze worden, op voorstel van de Minister van Binnenlandse Zaken die de lijsten met de kandidaturen verzamelt, aangesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

De Koning benoemt onder de kamervoorzitters een eerste en vice-eerste voorzitter. Zij verdelen de dossiers over de verschillende kamers en waken over de eenheid in de behandeling van de aanvragen. Hiervoor organiseren zij een overleg tussen de kamervoorzitters of algemene vergaderingen van de kamers in geval van divergenties tussen de verschillende kamers.

De lijst van de door de niet-gouvernementele organisaties aangestelde kandidaten moet, om in aanmerking te worden genomen, vergezeld zijn van een kopie van de statuten van de organisatie zoals ze gepubliceerd werden in het Belgisch Staatsblad en waaruit blijkt dat de organisatie reeds sedert twee jaar actief is in het domein van de mensenrechten.

Indien één van de leden van de kamer reeds kennis genomen heeft bij het uitoefenen van zijn functie in een zaak ingeleid door een aanvrager op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of die verband houdt met een beslissing die op basis van genoemde wet werd genomen, laat hij zich vervangen door zijn plaatsvervanger.

De leden van de kamers zullen de deontologische regels naleven die eigen zijn aan hun respectievelijke functies.

Er kan, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, een einde gesteld worden aan hun aanstelling in geval van langdurige verhindering of bij herhaalde afwezigheden.

Het secretariaat bevat twee afdelingen : het griffie-secretariaat dat instaat voor de organisatie van de zittingen en het onderzoekssecretariaat dat de aan de Commissie overgemaakte regularisatieaanvragen centraliseert en ze onderzoekt overeenkomstig artikel 12 van de wet.

Een door de Koning aangesteld administrateur leidt het secretariaat.

Hij staat in voor de organisatie van de Commissie, coördineert de activiteiten van het griffie-secretariaat en het onderzoekssecretariaat en oefent de leiding en het toezicht uit over het personeel.

De eerste voorzitter, de vice eerste voorzitter en de administrateur vormen een overlegbureau met betrekking tot de organisatie van het werk en de samenstelling van de dossiers in het kader van de toepassing van de wet.

Minstens tien werkdagen voor de dag van de zitting wordt de aanvrager die zijn regularisatieaanvraag heeft ingediend aan de hand van een formulier uitgenodigd om te verschijnen voor een kamer van de Commissie.

Minstens acht werkdagen voor de dag van de zitting overhandigt het lid van het onderzoeksecretariaat dat belast is met de aanvraag aan het griffie-secretariaat van de Commissie het dossier betreffende de aanvrager.

De leden van de aangewezen kamer van de Commissie, de aanvrager, de advocaat of de derde die de aanvrager bijstaat kunnen vanaf dan kennis nemen van het dossier betreffende aanvrager Het onderzoek van de aanvragen zal de procedurewaarborgen genieten, kenmerkend voor alle rechtsinstanties.

De procedure voor de kamers van de Commissie voor regularisatie is mondeling en vindt plaats in de landstaal gebruikt door de aanvrager bij zijn aanvraag. Indien de aanvrager onvoldoende de taal van de procedure begrijpt, zal de voorzitter, op diens verzoek, een tolk aanstellen die de eed zal afleggen. De zitting is niet openbaar.

De administrateur of zijn gemachtigde, of de voorzitter van de kamer hebben het recht zich door elke Belgische overheid alle nuttige inlichtingen te laten mededelen voor de vervulling van hun opdracht.

Zij hebben eveneens het recht om het dossier te raadplegen dat in voorkomend geval wordt gehouden door de Dienst vreemdelingenzaken, en zich kopij te laten nemen van elk stuk dat zij nuttig achten voor het vervullen van hun opdrakt. Ook de andere leden van de kamer kunnen in het voorkomend geval het dossier van de Dienst Vreemdelingenzaken raadplegen.

Zoals gepreciseerd werd in de Senaat, en zoals gebeurt voor iedere instantie met een juridictioneel karakter moet de Voorzitter de consensus nastreven inzake het door de kamer uit te brengen advies en waken dat de motivering alle elementen omvat die van aard zijn om de beslissing te staven, namelijk door te antwoorden op de betuistingen en de bezwaren. Zoals het het geval is bij alle procedure van die aard, dient na afloop van deze beraadslaging, wanneer een minderheidsvisie blijft bestaan, deze in te stemmen.

Het advies van de Commissie wordt binnen de twintig werkdagen na de verschijning ter kennis gebracht van de Minister en binnen dezelfde termijn aan de aanvrager betekend die een kopie ontvangt op de in artikel 10 van de wet bedoelde wijze.

We hebben de eer te zijn, Sire, Van uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Voor de Minister van Justitie, afwezig, De Minister van Telecomminicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, R. DAEMS

ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 20 december 1999 door de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van... betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk », heeft op 22 december 1999 het volgende advies gegeven : Overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.

In het onderhavige geval luidt de motivering in de brief en in de aanhef als volgt : « Gelet op het spoedeisend karakter, gemotiveerd door : - De noodzaak om, van zodra de wet gestemd is, over te gaan tot de aanwerving van de leden van de Commissie; - De noodzaak om, van zodra de wet gestemd is, het indienen van de aanvragen tot regularisatie snel mogelijk te maken; ».

Binnen de korte termijn die de Raad van State is toegemeten, heeft deze zich bepaald tot het maken van de volgende opmerkingen.

Algemene opmerkingen 1. Artikel 293 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de ambten van de rechterlijke orde niet verenigbaar zijn met onder meer « enige bezoldigde openbare functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard ». Artikel 294, tweede lid, van hetzelfde Wetboek bepaalt evenwel dat van die regel kan worden afgeweken met machtiging van de Koning, op voordracht van de Minister van Justitie, wanneer het onder meer gaat om de deelneming aan een commissie en voor zover de grenzen die deze bepaling vaststelt inzake het aantal opdrachten en de eraan verbonden bezoldiging niet worden overschreden.

Artikel 4, § 4, van het onderhavige ontwerp voorziet in een bezoldiging voor de leden van de kamers van de Commissie voor regularisatie, die onder meer kunnen worden samengesteld uit magistraten van de rechterlijke orde.

Het onderhavige ontwerp moet dus worden voorgedragen en medeondertekend door de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Justitie. 2. Bij het ontwerp behoren verscheidene opmerkingen te worden gemaakt inzake de inachtneming van de taalwetgeving : a) Paragraaf 2 van artikel 10 van het ontwerp regelt het gebruik van de talen in de procedure bij de Commissie. Krachtens artikel 30 van de Grondwet kan die aangelegenheid alleen bij wet worden geregeld. Het onderhavige ontwerp mag daar dus niet van afwijken.

Overeenkomstig artikel 41 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (1) is de taal van de procedure bij de Commissie die « waarvan de betrokkenen zich hebben bediend », en niet die van de « in te vullen vermeldingen op het gebruikte aanvraagformulier ». Het gebruik van een formulier in een bepaalde taal betekent niet dat de aanvragen ook die taal kiest voor de procedure.

Paragraaf 2, eerste lid, moet dus vervallen.

Wanneer men het ontwerp van aanvraagformulier dat bij het ontwerp is gevoegd onderzoekt, kan bovendien worden vastgesteld dat, behoudens, in voorkomend geval voor de beknopte beschrijving van de bijgevoegde stukken, voor het invullen van het formulier geen bepaalde taal behoeft te worden gebruikt. De taal die de particulier gebruikt zou dus wel eens moeilijk vast te stellen kunnen zijn en er zou betwisting over kunnen rijzen.

Het zou bijgevolg beter zijn op het aanvraagformulier te voorzien in een vak waar de aanvrager opgeeft welke van de drie landstalen hij kiest voor de procedure. b) Overeenkomstig de artikelen 41 en 42 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dient te worden voorzien in het geval waarin de procedure in het Duits moet verlopen. Geen enkele bepaling van het ontwerp, zelfs niet artikel 2, bepaalt dat een kamer samengesteld moet worden uit leden die kennis hebben van de Duitse taal.

Volgens de gemachtigde ambtenaar wordt zo'n kamer slechts samengesteld indien zulks noodzakelijk blijkt.

Het ontwerp moet op zijn minst in die mogelijkheid voorzien. c) De derde zin van het eerste lid van artikel 4, § 3, van het ontwerp luidt als volgt : « Elke kandidaat-lid en zijn plaatsvervangers moeten blijk geven van voldoende kennis van de vermelde taal aan de hand van een diploma of enig ander nuttig bewijsstuk, dat gevoegd wordt aan de voordracht.» Deze zin dient te worden geschrapt, aangezien de Koning niet bevoegd is om die aangelegenheid te regelen. 3. De procedure die van toepassing is op de aanvragers die als reden om een machtiging tot verblijf te verkrijgen aanvoeren dat ze « ernstig ziek » zijn (artikel 2, 3°), is onduidelijk. Wat die categorie van aanvragers betreft, bepaalt de wet betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verbljvend op het grondgebied van het Rijk dat ze « een medisch attest dat slechts kan overgezonden worden aan de beoefenaars van de geneeskunde die de Commissie voor regularisatie zullen bijstaan » bij hun aanvraag moeten voegen (artikel 9, eerste lid, 8°).

Bovendien wordt de Koning bij dezelfde wet gemachtigd om te bepalen over welke onderzoeksmiddelen de Commissie voor regularisatie beschikt (artikel 3, tweede lid).

Volgens de memorie van toelichting heeft die bepaling precies tot doel ervoor te zorgen dat de Commissie een beroep kan doen « op deskundigen, in het bijzonder wanneer de aanvrager medische gegevens inroept ».

Artikel 8, eerste lid, van het onderhavige ontwerp luidt als volgt : « Het onderzoekssecretariaat van de Commissie zendt het door de in artikel 2, 3°, van de wet bedoelde vreemdeling medegedeelde medisch getuigschrift over aan de door de Minister, uit de lijst van kandidaten voorgedragen door de Minister van Volksgezondheid, aangestelde geneesheer. » Het tweede lid luidt aldus : « Deze geneesheer verstrekt een advies of waakt erover dat een advies verstrekt wordt, al naar het geval, over de medische toestand van de aanvragen. » Welke rol die arts precies te vervullen heeft, is niet duidelijk. Moet hij de aanvrager onderzoeken of door een collega laten onderzoeken of moet hij alleen een advies over de ernst van de ziekte verstrekken of laten verstrekken op basis van het attest ? In het eerste geval rijst de vraag wie de aanvrager voor het medisch onderzoek zal oproepen en wat er zal geschieden als de aanvrager er geen gevolg aan geeft.

Beantwoordt het tweede geval aan de bedoeling van de steller van het ontwerp, dan moet deze die bedoeling duidelijker vertolken.

Artikel 14, § 2, eerste lid, van het ontwerp voorziet in een aanvullend medisch onderzoek waartoe deze keer beslist wordt door de voorzitter van de aangewezen kamer van de Commissie.

Het tweede lid luidt aldus : « Indien de aanvrager aan deze oproeping geen gevolg geeft zonder motief of indien het aangebrachte motief niet als geldig erkend wordt door de aangewezen kamer van de Commissie, licht deze laatste de Minister daarover in teneinde artikel 11 van de wet toe te passen. » Er zijn twee situaties te onderscheiden : - enerzijds die waarin de aanvragen geen gevolg geeft aan de oproep zonder enige reden op te geven, in welk geval artikel 11 van de wet betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk moet worden toegepast; - anderzijds die waarin hij zijn afwezigheid wettigt, in welk geval de Commissie, nadat de aanvrager verzocht is ten overstaan van haar nadere uitleg te verstrekken, een beredeneerd advies moet verstrekken over de vraag of hij een gegronde reden heeft opgegeven. De ene mogelijkheid sluit de andere dus uit : ofwel lijkt de reden haar gegrond en krijgt de aanvrager een nieuwe oproep voor het medisch onderzoek dat tevoren niet heeft kunnen plaatsvinden; ofwel lijkt de reden haar ongegrond en bezorgt ze de minister een beredeneerd advies in die zin zodat het voornoemde artikel 11 kan worden toegepast.

Bijzondere opmerkingen Artikel 2 Artikel 3 van de wet betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk bepaalt dat de wijze van aanwijzing van de leden van de Commissie voor regularisatie, de regels voor de procedure en de werkwijze die deze Commissie volgt, alsook de onderzoeksmiddelen waarover ze beschikt, geregeld worden in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Het aantal kamers is een fundamentele regel voor de organisatie en de werkwijze van de commissie. De Koning mag dat aantal dus niet verhogen zonder dat de Ministerraad daarover heeft beraadslaagd.

Artikel 3, § 3, bepaalt overigens hoe dan ook dat de leden van de kamers moeten worden benoemd bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Het zou beter zijn alleen te bepalen dat de Commissie uit ten hoogste acht kamers bestaat, waaronder op zijn minst twee Franstalige en twee Nederlandstalige kamers. De gemachtigde ambtenaar is het daarmee eens (2).

Artikel 3 1. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet tot de uitvoering waarvan dit ontwerp strekt, heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de « onafhankelijkheid » benadrukt van de Commissie die advies dient uit te brengen. Uit de samenstelling van de kamers van de Commissie, waarin inzonderheid magistraten zitting zullen hebben, en de weinige procedureregels die door de wet zijn bepaald, blijkt overigens het streven om de procedure op een quasijurisdictionele leest te schoeien.

Artikel 3, § 1, tweede lid, van dit ontwerp bepaalt dat de eerste voorzitter en de vice-eerste voorzitter van de Commissie « waken over de eenheid van de behandeling van de aanvragen ». Gelet op de onafhankelijkheid die aan de leden van de Commissie is toegekend, mag die bepaling niet uitgelegd worden alsof ze de erkenning impliceert van een aan de eerste voorzitter of de vice-eerste voorzitter toekomend injunctierecht of recht om bevelen te geven.

De nagestreefde eenheid van de rechtspraak zou bijvoorbeeld kunnen worden bereikt door de eerste voorzitter of de vice-eerste voorzitter ermee te belasten overleg te organiseren tussen de onderscheiden kamervoorzitters of algemene vergaderingen van de Commissie te beleggen ingeval de kamers uiteenlopende standpunten innemen.

Voorts houdt artikel 3, § 3, tweede en derde lid, van het ontwerp, in dat de leden van de kamers ad nutum kunnen worden afgezet, aangezien in dat artikel geen enkele grond wordt vermeld die als reden voor de beëindiging van hun aanstelling zou moeten worden opgegeven. Het bestaan van een bevoegdheid om de leden van de Commissie ad nutum af te zetten, gaat evenmin samen met de aan hen toegekende onafhankelijkheid. Er behoort te worden aangegeven welke motieven voldoende grond kunnen opleveren om vervroegd een einde te maken aan hun aanstelling. 2. In artikel 3, § 3, van het ontwerp dienen de woorden « op voorstel van de Minister » en de woorden « op voordracht van de Minister » te vervallen, aangezien alle koninklijke besluiten alleen op voordracht van een minister kunnen worden uitgevaardigd. Deze opmerking geldt voor alle bepalingen van het ontwerp waarin die woorden voorkomen.

Artikel 4 1. De laatste zin van paragraaf 1, tweede lid, luidt als volgt : « Het lid van het administratief rechtsorgaan, dat met het voorzitterschap ervan belast is, tekent de kandidatuur voor kennisname.» De Raad van State ziet niet in welk nut die zin heeft. Als die zin nut heeft, begrijpt de Raad van State niet waarom die regel niet eveneens voor de magistraten van de rechterlijke orde geldt. 2. Er dient te worden gepreciseerd wat in paragraaf 3 moet worden verstaan onder « de lijst van organisaties voor de Raad van advies voor de vreemdelingen of de Commissie van advies voor de vreemdelingen » en « de "REAB"-lijst ». Artikel 5 1. Volgens de gemachtigde ambtenaar is de administrateur in feite de leidend ambtenaar van het secretariaat.In die hoedanigheid kan hij dan ook aan de leden van het secretariaat onderrichtingen geven en zich rechtstreeks in de behandeling van de dossiers mengen.

Het zou dan ook beter zijn uitdrukkelijk te bepalen dat de administrateur het secretariaat leidt. 2. Met het oog op de samenhang met artikel 3, § 1, tweede lid, van het ontwerp, zou het beter zijn om in de laatste zin van paragraaf 5 de woorden « of vat de kamers » te vervangen door de woorden « of zendt de aanvragen over aan de eerste voorzitter of de vice-eerste voorzitter met het oog op de verdeling ervan over de kamers ».Voorts dient te worden gepreciseerd dat het artikel 12 waarvan in die bepaling sprake is een artikel is van de wet betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk.

Artikel 6 Zoals de Commissie door de voormelde wet gedefinieerd wordt, maken de leden van de kamers en het secretariaat daarvan deel uit.

Er dient dan ook te worden gepreciseerd door wie het huishoudelijk reglement wordt opgesteld en aangenomen.

Artikel 9 1. Krachtens de wet van 23 november 1998 betreffende de juridische bijstand, die uiterlijk 31 december 1999 in werking dient te treden, behoren de woorden « Bureau voor consultatie en verdediging » te worden vervangen door de woorden « Bureau voor juridische bijstand ».2. Krachtens artikel 192 van de Grondwet kan alleen bij een wet een eed worden opgelegd en de formule ervan worden vastgesteld. De woorden « die onder ede heeft verklaard de waarheid te zeggen » dienen dan ook te vervallen. 3. De tweede zin leidt tot een verschil in behandeling tussen de persoon die in zijn aanvraag artikel 2, 3°, van de voormelde wet heeft aangevoerd en de persoon die, hoewel hij niet ernstig ziek was toen hij zijn aanvraag heeft ingediend, wegens een ernstige ziekte niettemin niet in staat is om de zitting bij te wonen.Alleen de eerstgenoemde persoon kan zich immers door zijn raadsman laten vertegenwoordigen. Dit verschil in behandeling moet worden weggewerkt.

Artikel 10 Teneinde geen afbreuk te doen aan artikel 192 van de Grondwet, behoort in paragraaf 2 niet een eedformulier te worden vastgesteld, maar wel te worden verwezen naar een bij wet vastgesteld formulier, zoals bijvoorbeeld dat waarin voorzien wordt door artikel 37 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Artikel 12 In onderdeel 5 behoort de verschrijving te worden rechtgezet en « artikel 8, tweede lid » te worden geschreven in de plaats van « artikel 9, 2e lid ».

Bovendien behoren in de Nederlandse versie de woorden « van de wet » te vervallen.

Artikel 14 In paragraaf 1 behoort te worden gepreciseerd bij welke overheid de administrateur, zijn gemachtigde, of de voorzitter van de kamer « kopie (kunnen) laten nemen van elk stuk dat zij nuttig achten voor de vervulling van hun opdracht ».

Volgens de gemachtigde ambtenaar moet in de tekst worden bepaald dat het uitsluitend om de Dienst Vreemdelingenzaken gaat.

De bedoeling zou erin bestaan dat de leden van de kamer inzage kunnen nemen van de dossiers die bij de Dienst Vreemdelingenzaken worden bijgehouden, maar dat alleen de voorzitters kopie ervan kunnen laten nemen.

De onderzochte tekst behoort te worden aangevuld met de bepaling dat de door de voorzitter verkregen kopieën bij het in het artikel 12 vermelde dossier worden gevoegd en ter beschikking worden gesteld van de commissieleden.

Artikel 17 1. In onderdeel 5° wordt bepaald dat uit het advies onder meer de identiteit moet blijken van de expert of de getuige die tijdens de zitting wordt gehoord. Geen enkele andere bepaling van het ontwerp voorziet echter in het horen van experten of getuigen. Er wordt alleen in een medisch onderzoek voorzien, maar er wordt niet bepaald dat de geraadpleegde arts ter zitting wordt gehoord.

Verschillende hypotheses zijn mogelijk : ofwel gaat het om een verschrijving bij de redactie van de tekst en dan behoort de verwijzing naar het horen van exporten en getuigen achterwege te worden gelaten; ofwel heeft de steller van het ontwerp in artikel 17, 5°, terloops gealludeerd op een mogelijke expertise en onderzoek en in dat geval, behoren beide procedures te worden geregeld; ofwel, tot slot, is het de bedoeling dat alleen de Commissie gemachtigd is om, op eigen initiatief, een expert of een getuige te horen in het kader van haar onderzoeksbevoegdheid.

Deze onduidelijkheid moet worden verholpen. 2. Onderdeel 6° is overbodig gelet op de verplichte motivering die aan het begin van dit artikel wordt voorgeschreven. Het behoort dus te worden weggelaten.

Artikel 18 De dies a quo behoort nader te worden bepaald. Als het immers om de datum van het advies gaat, is het geenszins duidelijk waarom er in een termijn van twintig dagen wordt voorzien voor de kennisgeving ervan.

Volgens de gemachtigde ambtenaar gaat het hier om de datum van verschijning van de aanvragen.

Bijlage De aanvraagformulieren bevatten heel wat fouten, inzonderheid op het stuk van de overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst ervan.

Gelet op het feit dat dit document, nadat het door de aanvrager is ingevuld, een zeker belang vertoont voor de voortzetting van de procedure, behoort het met de grootste zorg te worden opgesteld.

Er behoort ook in te worden bepaald dat de aanvrager de taal van de procedure mag kiezen (3).

Tot slot is het wenselijk dat in dat document de belangrijkste bepalingen worden weergegeven van de wet betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, en inzonderheid artikel 9, waarin wordt bepaald welke stukken bij de aanvraag behoren te worden gevoegd. (1) Artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, vindt slechts toepassing in de gevallen vermeld in de artikelen 50 en 51 van deze wet.Het is in dit geval niet van toepassing. (2) Zie ook hierboven, algemene opmerking nr.2, b). (3) Zie algemene opmerking nr.2, a).

5 JANUARI 2000. - Koninklijk besluit betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk;

Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; het laatst gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 13 december 1999;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Ambtenarenzaken, gegeven op 8 december 1999;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op l6 december 1999;

Gelet op het spoedeisend karakter, gemotiveerd door : - de noodzaak om na de goedkeuring van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk te kunnen overgaan tot werving van de leden van de Commissie; - de noodzaak om een vlugge indiening van de aanvragen tot regularisatie, vanaf de goedkeuring van deze wet, mogelijk te maken;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 22 december 1999 met toepassing van artikel 84, § 1, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 vervangen door de wet van 4 augustus 1996;

Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : - de wet : de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, - de Commissie : de Commissie voor regularisatie, zoals bedoeld in artikel 3 van de wet, - de Minister : de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; - de aanvrager : de vreemdeling bedoeld in artikel 2 van de wet, die een aanvraag tot regularisatie van verblijf heeft ingediend. HOOFDSTUK II. - Samenstelling van de Commissie

Art. 2.De Commissie wordt, benevens het Secretariaat, samengesteld uit acht kamers waaronder minstens twee Franstalige en twee Nederlandstalige kamers. Indien noodzakelijk zal een kamer samengesteld zijn uit leden die kennis hebben van de Duitse taal.

Art. 3.§ 1. Elke kamer wordt samengesteld uit drie leden, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de wet. De magistraat of de gewezen magistraat, of het lid of het gewezen lid van een administratief rechtsorgaan neemt het voorzitterschap van de kamer waar.

De Koning wijst onder de kamervoorzitters een eerste voorzitter en een vice eerste voorzitter aan. De eerste voorzitter en de vice eerste voorzitter behoren elk tot een andere taalrol. Zij verdelen de dossiers over de verschillende kamers en waken over de eenheid van de behandeling van de aanvragen. § 2. Ieder werkend lid van de kamers heeft meerdere plaatsvervangers, die bij verhindering in de vervanging en, in voorkomend geval, in de voltooiing van de opdracht van het werkend lid voorzien.

De plaatsvervangers behoren tot dezelfde taalrol als het werkend lid, aan wie zij werden toegevoegd. § 3. De leden van de kamers en hun plaatsvervangers hebben de leeftijd van dertig jaar bereikt op de dag van de inwerkingtreding van de wet en zij moeten van Belgische nationaliteit zijn.

Zij worden, uit de overeenkomstig artikel 4 van huidig besluit voorgedragen kandidaten, aangesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

Op gemotiveerd advies van de eerste voorzitter, kan de Koning bij een bij Ministerraad overlegd koninklijk besluit een einde maken aan de aanstelling van een lid van een kamer of van een plaatsvervanger. In voorkomend geval wordt in zijn plaats een nieuw lid of een nieuwe plaatsvervanger aangesteld op de wijze bepaald in het eerste lid.

De Koning kan een einde maken aan de aanstelling van de eerste of vice eerste voorzitter bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

De Koning wijst, in hetzelfde besluit, een andere kamervoorzitter aan als eerste of vice eerste voorzitter. In voorkomend geval wordt een nieuw lid aangesteld op de wijze bepaald in het eerste lid.

Art. 4.§ 1. De magistraten en gewezen magistraten, opgeroepen middels een bericht in het Belgisch Staatsblad, dienen hun kandidatuur in bij de Minister van Justitie, bij een ter post aangetekende brief, binnen de vijftien dagen na de bekendmaking van de oproep in het Belgisch Staatsblad en zij worden door de Minister van Justitie voorgedragen op twee lijsten, naargelang hun taalrol.

De leden of gewezen leden van een administratief rechtsorgaan worden eveneens opgeroepen middels een bericht in het Belgisch Staatsblad.

Zij dienen hun kandidatuur, binnen de vijftien dagen na de bekendmaking, in bij de Minister, die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, bij een ter post aangetekende brief. § 2. De advocaten worden eveneens opgeroepen middels een bericht in het Belgisch Staatsblad. Zij dienen hun kandidatuur in bij de Nationale Orde van Advocaten, bij een ter post aangetekende brief, binnen de vijftien dagen na deze oproep en zij worden door de Nationale Orde van Advocaten voorgedragen, naargelang hun taalrol, op twee lijsten, elk met minstens zestien kandidaten. § 3. De afgevaardigden van de erkende niet-gouvemementele organisaties, actief in het domein van de mensenrechten en die voorkomen op de lijst van de verenigingen die deel uitmaken van de adviserende organen ingesteld bij artikel 31 en 32 van de wet van 15 december 1980 betreffende toegang tot het grondgebied, het verblijf,de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of op de « REAB » (Reïntegration and Emigration of Asylum Seekers ex Belgium)-lijst opgenomen in de bijlage van de omzendbrief van 15 december 1998, over de toepassing van artikel 9 derde lid, van de wet van 15 december 1980 en de regularisatie van bijzondere situaties, worden voorgedragen op een lijst, met telkens de vermelding van een werkend lid en plaatsvervangers. Elke voordracht vermeldt of het kandidaat-lid en zijn plaatsvervanger(s) de Franse of de Nederlandse taal kennen.

Deze lijst moet binnen de vijftien dagen vanaf de bekendmaking van de oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad, bij ter post aangetekende brief, worden verzonden aan de Minister. Elke lijst moet, om in aanmerking te worden genomen, vergezeld zijn van een kopie van de statuten van de organisatie, zoals die in het Belgisch Staatsblad werden bekendgemaakt, waaruit blijkt dat de organisatie reeds gedurende minstens twee jaar actief is in het domein van de mensenrechten. § 4. Voor elke categorie van leden bedoeld in de §§ 1 tot en met 3, moet minstens één van hen kennis hebben van de Duitse taal. § 5. De leden van de kamers of hun plaatsvervangers hebben recht op een vergoeding, waarvan het bedrag per zitting als volgt wordt bepaald: Kamervoorzitters : 7 500 frank;

Andere leden : 5 000 frank.

De vergoeding is slechts verschuldigd indien de duur van de zitting ten minste drie uur bedraagt.

Art. 5.§ 1. De Minister stelt het personeel ter beschikking van het Secretariaat van de Commissie. § 2. De Koning wijst een administrateur aan die het Secretariaat leidt. Hij verzekert de budgettaire, technische en logistieke organisatie van de Commissie en coördineert de activiteiten van het griffie-secretariaat en het onderzoekssecretariaat, en die de leiding en toezicht uitoefent op het in §1 bedoelde personeel. § 3. Het secretariaat van de Commissie bevat twee afdelingen: het griffie-secretariaat en het onderzoekssecretariaat. § 4. De leden van het griffie-secretariaat staan in voor de organisatie van de zittingen en meer in het bijzonder roepen zij de aanvrager op, organiseren zij de raadpleging van het dossier door de aanvrager en de leden van de Kamers, roepen zij in voorkomend geval een tolk op, waken er ook over dat de adviezen van de kamers alle in artikel 17 van dit besluit genoemde vermeldingen bevatten en zij brengen de adviezen van de kamers ter kennis van de Minister. De leden van het griffie-secretariaat die het proces-verbaal van de zitting opmaken en die de adviezen van de kamers van de Commissie mede ondertekenen, dienen minstens bekleed te zijn met rang 20.

De leden van het griffie-secretariaat nemen niet deel aan de beraadslaging van de kamers. § 5. Het onderzoekssecretariaat centraliseert enerzijds de aanvragen tot regularisatie, die werden ingediend op grond van artikel 2 van de wet en die overeenkomstig artikel 4 van de wet aan de Commissie werden overgemaakt, en anderzijds de aanvragen bedoeld in artikel 15 van de wet die voor onderzoek naar de Commissie werden verzonden en het onderzoekt alle aanvragen, overeenkomstig artikel 12 van de wet. De administrateur of zijn gemachtigde verleent de in artikel 12, § 1, lid 1, en § 4, van de wet vermelde adviezen aan de Minister of maakt de aanvragen over aan de eerste voorzitter of vice eerste voorzitter met het oog op de toebedeling aan een kamer.

Art. 6.De eerste voorzitter, de vice eerste voorzitter en de administrateur vormen het overlegbureau van de Commissie, over de organisatie van het werk en de samenstelling van de dossiers in toepassing van de wet.

Dit bureau zal een huishoudelijk reglement opstellen dat ter goedkeuring aan de Minister zal worden voorgelegd. HOOFDSTUK III. - Voor de Commissie gevolgde procedure en werking van deze laatste

Art. 7.De regularisatieaanvraag moet worden ingediend door middel van het formulier dat als bijlage bij dit besluit werd opgenomen.

Art. 8.Het onderzoekssecretariaat van de Commissie zendt het door de in artikel 2, 3°, van de wet bedoelde vreemdeling medegedeelde medisch getuigschrift over aan de door de Minister aangestelde geneesheer, uit de lijst van kandidaten voorgedragen door de Minister van Volksgezondheid.

Deze geneesheer verstrekt een advies of waakt erover dat een advies verstrekt wordt, over de medische toestand van de aanvrager,na in voorkomend geval de betrokkene te hebben opgeroepen en te hebben onderzocht of laten onderzoeken.

Indien de aanvrager aan deze oproeping geen gevolg geeft zonder motief of indien het aangebrachte motief niet als geldig erkend wordt door de aangewezen kamer van de Commissie, licht deze laatste de Minister daarover in teneinde artikel 11 van de wet toe te passen.

Art. 9.De aanvrager kan zich laten bijstaan door een advocaat van zijn keuze of, indien hij niet de middelen heeft om een raadsman te betalen, door een advocaat die is aangeduid door het Bureau voor juridische bijstand, of door een derde. De ernstig zieke vreemdeling, die een medisch getuigschrift voorlegt kan zich laten vertegenwoordigen door zijn advocaat. De aangewezen kamer van de Commissie kan over gaan tot een nieuwe oproeping voor de zieke vreemdelingen, niet bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet.

Art. 10.§ 1. De procedure voor de Kamers van de Commissie verloopt mondeling. § 2. De procedure vindt plaats in de landstaal die de aanvrager gebruikt heeft bij zijn aanvraag.

Indien de aanvrager niet voldoende de taal van de procedure begrijpt, zal de voorzitter, op zijn verzoek een tolk aanwijzen die de eed zal afleggen zoals voorzien in artikel 37 van de wet van 15 december 1980 betreffende toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Art. 11.§ 1. De aanvrager wordt minstens tien werkdagen voor de dag van de zitting uitgenodigd om te verschijnen voor een kamer van de Commissie. § 2. Wanneer de aanvrager zonder reden niet verschijnt of indien de aangehaalde reden niet als geldig wordt erkend door de aangewezen kamer van de Commissie, licht deze laatste de Minister hierover in, teneinde artikel 11 van de wet toe te passen De aanvrager moet de Commissie onmiddellijk en uiterlijk binnen de vijf werkdagen, na de dag van de zitting, de reden melden van zijn niet verschijnen en dit bij aangetekend schrijven. § 3 Waneer de advocaat niet kan aanwezig zijn op de zitting, moet hij zich laten vervangen door een confrater.

Art. 12.Minstens acht werkdagen voor de zitting, overhandigt het lid van het onderzoekssecretariaat, dat met de aanvraag werd belast, het dossier betreffende de aanvrager aan het secretariaat-griffie van de Commissie.

Dit dossier omvat meer bepaald : 1° het aanvraagformulier;2° het dossier dat overeenkomstig artikel 9 van de wet door de aanvrager bij de aanvraag moet gevoegd worden;3° het sociaal verslag dat gebeurlijk door de burgemeester van de plaats waar de aanvrager verblijft werd overgezonden;4° de nota met betrekking tot de aanvrager, opgesteld door het lid van het onderzoekssecretariaat;5° desgevallend, het medisch advies dat verstrekt werd aangaande de medische toestand van de aanvrager overeenkomstig artikel 8, 2e lid.

Art. 13.De leden van de aangewezen kamer van de Commissie, de aanvrager en de advocaat of de derde die hem bijstaat, kunnen, vanaf de achtste werkdag voor de dag van de zitting, inzage nemen in het dossier van de aanvrager.

Art. 14.§ 1. De administrateur of zijn gemachtigde, of de voorzitter van de kamer hebben het recht zich door iedere Belgische overheid alle nuttige inlichtingen te laten mededelen voor het vervullen van hun opdracht. Zij hebben eveneens het recht om het dossier dat in voorkomend geval nopens de aanvrager wordt gehouden door de Dienst Vreemdelingenzaken, te raadplegen, op de zetel van deze administratie.

Zij kunnen kopie laten nemen van elk stuk, dat zich in dit dossier bevindt, en dat zij nuttig achten voor de vervulling van hun opdracht.

De verkregen kopies worden opgenomen in het dossier bedoeld in artikel 12 en ter beschikking gesteld van de leden van de kamer van de commissie. De overige leden van de kamer van de Commissie kunnen het dossier dat in voorkomend geval nopens de aanvrager wordt gehouden door de Dienst Vreemdelingenzaken raadplegen op de zetel van deze administratie. § 2. De Voorzitter van de aangewezen kamer van de Commissie kan de in artikel 2, 3°, van de wet bedoelde aanvrager oproepen om zich te onderwerpen aan een bijkomend medisch onderzoek door een geneesheer die hij aanduidt.

Indien de aanvrager aan deze oproeping geen gevolg geeft zonder motief of indien het aangebrachte motief niet als geldig erkend wordt door de aangewezen kamer van de Commissie, licht deze laatste de Minister daarover in teneinde artikel 11 van de wet toe te passen.

Art. 15.De Commissie heeft haar zetel op de door de Minister aangeduide plaats.

Art. 16.§ 1. De zitting van de kamers Cornrnissie zijn niet openbaar. § 2. De Voorzitter van de kamer handhaaft de orde tijdens de zitting.

Art. 17.Het advies van de kamers van de Commissie moet gemotiveerd zijn en de volgende vermeldingen omvatten : 1° de namen van de leden van de kamer van de Commissie die gezeteld hebben en van de secretaris aanwezig op de zitting;2° de naam, voornamen, land van herkomst, geboorteplaats en -datum van de aanvrager en de datum waarop hij de aanvraag heeft ingediend;3° het adres van de verblijfplaats van de aanvrager, op de datum van het advies;4° de datum van het advies;5° desgevallend, de identiteit van de advocaat of van de derde die de aanvrager heeft bijgestaan en van de tolk. Het advies wordt ondertekend door de voorzitter van de kamer en de secretaris aanwezig op de zitting.

Art. 18.Het advies van de Commissie wordt binnen de twintig werkdagen vanaf de datum van verschijning, bedoeld in artikel 11, ter kennis gebracht van de Minister.

Het wordt binnen dezelfde termijn betekend aan de aanvrager die er op de in artikel 10 van de wet bedoelde wijze een kopie van ontvangt. HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen

Art. 19.Dit besluit treedt in werking de dag dat het in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt wordt.

Art. 20.Onze Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen binnen zijn bevoegdheid heeft, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 5 januari 2000.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Voor de Minister van Justitie, afwezig, de Minister van Telecommunicaties en Overheidsbedrijven en Participaties, R. DAEMS Forrmulier Regul 1 Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 5 januari 2000.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Voor de Minister van Justitie, afwezig, de Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, R. DAEMS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^