Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 05 juli 1998
gepubliceerd op 11 juli 1998

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
numac
1998022446
pub.
11/07/1998
prom.
05/07/1998
ELI
eli/besluit/1998/07/05/1998022446/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

5 JULI 1998. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op artikel 93, zevende lid;

Gelet op het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op artikel 225, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 november 1996 en 24 november 1997;

Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, uitgebracht op 18 januari 1998;

Gelet op de hoogdringendheid, gemotiveerd door het feit dat dit besluit de bepalingen van artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 wijzigt, met name in functie van de wijzigingen die met ingang van 1 januari 1998 door het koninklijk besluit van 29 december 1997 werden aangebracht aan het begrip van persoon ten laste in de verzekering voor geneeskundige verzorging, waarnaar in de huidige tekst van voormeld artikel 225 wordt verwezen, waaraan dit besluit een wijziging aanbrengt; het is derhalve aangewezen dat de voorgestelde wijzigingen die eveneens van toepassing moeten zijn vanaf 1 januari 1998, zo snel mogelijk bekendgemaakt worden;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 25 juni 1998, in toepassing van artikel 84, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 1.Worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste in de zin van artikel 93 van de gecoördineerde wet : 1° de gerechtigde die samenwoont met zijn echtgenoot;2° de gerechtigde die samenwoont met een persoon waarmee hij een feitelijk gezin vormt;die persoon mag evenwel geen bloed- of aanverwant zijn van de gerechtigde tot de derde graad, noch een kind dat recht geeft op gezinsbijslagen of dat ten laste is van een ouder die een onderhoudsplicht heeft; 3° de gerechtigde die samenwoont met één of meer kinderen bedoeld in artikel 123, 3, behoudens de leeftijdsvoorwaarde voorzien in deze bepaling;wanneer een kind kan worden ingeschreven ten laste van verscheidene gerechtigden, wordt de volgorde van inschrijving toegepast bepaald in artikel 125, § 1, derde tot vijfde lid en § 2; 4° de gerechtigde die samenwoont met één of meerdere bloed- of aanverwanten tot de derde graad; 5° de gerechtigde wiens echtgenoot, die niet uit de echt, maar feitelijk gescheiden is of gescheiden van tafel en bed, de hoedanigheid heeft van persoon ten laste in de zin van de artikelen 123, 1., 124 en 127; 6° de gerechtigde die niet ter verpleging opgenomen is, noch in een inrichting of dienst als bedoeld in artikel 34, 11°, van de gecoördineerde wet is opgenomen, noch opgesloten is in de gevangenis, noch geïnterneerd is in een inrichting voor sociale bescherming, en voor wie andermans hulp door de Geneeskundige raad voor invaliditeit als onontbeerlijk is erkend, doordat hij ten gevolge van zijn lichamelijke of geestestoestand de gewone handelingen van het dagelijks leven niet alleen kan verrichten. De graad van de behoefte aan andermans hulp wordt bepaald door het totale aantal punten, toegekend volgens de handleiding die voor het ramen van de graad van zelfredzaamheid wordt gebruikt in de wetgeving betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de mindervaliden.

De gerechtigde die in het totaal minder dan 11 punten behaalt, kan niet als werknemer met persoon ten laste worden beschouwd.

De behoefte aan andermans hulp kan slechts worden erkend, als zij noodzakelijk wordt geacht voor een onafgebroken periode van ten minste drie maanden.

Opname ter verpleging van de gerechtigde of zijn opname in een inrichting of dienst als bedoeld in artikel 34, 11°, van de gecoördineerde wet, schorst de uitwerking van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp vanaf de eerste dag van de derde maand tot het einde van beide soorten van opname, behalve indien de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet tegemoetkomt in de verpleegdagprijs, noch de in artikel 148 bedoelde tegemoetkoming verleent.

Ingeval de gerechtigde wordt opgesloten in de gevangenis of geïnterneerd wordt in een inrichting voor sociale bescherming, wordt de uitwerking van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp geschorst vanaf de eerste dag van opsluiting of internering.

Indien de gerechtigde niet meer ter verpleging opgenomen is, niet meer in een inrichting of dienst als bedoeld in artikel 34, 11°, van de gecoördineerde wet opgenomen is, niet meer in de gevangenis opgesloten is of niet meer geïnterneerd is in een inrichting voor sociale bescherming gedurende een periode van minder dan dertig dagen, dan wordt die periode geacht de voortzetting te zijn van de vorige.

De personen bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4° kunnen slechts als persoon ten laste worden beschouwd als zij geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen en niet werkelijk in het genot zijn van een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of een vreemde wetgeving. » 2° § 2, eerste lid, wordt vervangen door het volgende lid : « De bij § 1, 3° tot 5°, bedoelde gerechtigde die tevens samenwoont met andere dan in die paragraaf opgesomde personen, behoudt slechts de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste wanneer deze andere personen geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen en niet werkelijk in het genot zijn van een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of vreemde wetgeving.Voor de toepassing van deze bepaling worden de bloed- of aanverwanten tot de derde graad van de echtgenoot van de gerechtigde of van de persoon, bedoeld in § 1, 2°, gelijkgesteld met bloed- of aanverwanten van de gerechtigde. » 3° § 4, laatste lid, wordt opgeheven.

Art. 2.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1998.

Art. 3.Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 5 juli 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, Mevr. M. DE GALAN

^