Koninklijk Besluit van 06 februari 2003
gepubliceerd op 27 februari 2003
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2003200072
pub.
27/02/2003
prom.
06/02/2003
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

6 FEBRUARI 2003. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (1)


VERSLAG AAN DE KONING Sire, De doelstelling van het ontwerp ligt in de lijn van wat de regeringsverklaring op het gebied van administratieve vereenvoudiging voorziet en respecteert de principes die het beleid van de regering inzake immigratie regelen : het is de bedoeling om elke vorm van bureaucratie op het gebied van de toegang tot de arbeidsmarkt van vreemdelingen te bannen door de reglementering op te bouwen rond een principe dat reeds de huidige reglementering structureert, namelijk de samenhang tussen het recht op verblijf en het recht op werk.

Volgens dit principe is het stabiele of precaire karakter van het recht op verblijf dat, voor een buitenlandse onderdaan die legaal op het Belgisch grondgebied verblijft, de gemakkelijkheid bepaald waarmee die persoon toegang moet hebben tot de arbeidsmarkt.

Het gaat er dus om te vermijden dat de energie van de werkgevers, werknemers en Gewesten (die bevoegd zijn om arbeidskaarten af te leveren) helemaal voor niets aangewend wordt, daar de aanvraag quasi automatisch tot de aflevering van de gevraagde arbeidskaart leidt.

Op basis van de voorafgaande beschouwingen wordt het volgende voorgesteld : 1. Een precair recht op verblijf brengt een beperkt recht op werk mee, bedingt door het voorafgaand bekomen van een vergunning van type arbeidskaart B (alleen geldig voor een werkgever). Dit principe leidt tot de toevoeging aan artikel 9 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, van de echtgenoot van de buitenlandse onderdaan die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven voor een beperkte periode (krachtens een arbeidskaart B, als student, als zelfstandige, enz.). 2. Een stabiel recht op verblijf (machtiging tot verblijf voor onbepaalde duur) leidt tot de erkenning van een recht op werk met vrijstelling van de verplichting een arbeidskaart te vragen. Dit principe, al bevestigd voor de erkende vluchtelingen en voor de geregulariseerde personen voor onbepaalde duur, wordt uitgebreid tot elke persoon die een recht op verblijf voor onbepaalde duur krijgt (op basis, bijvoorbeeld, van artikel 10 van de wet van 15 december 1980 - recht op gezinshereniging). 3. Voor een reeks van tussensituaties (personen in afwachting van een definitieve beslissing over het recht op gezinshereniging, ontvankelijke asielzoekers, studenten voor arbeidsprestaties tijdens het schooljaar met een maximum van 20 uren per week, echtgenoot en minderjarige kinderen van diplomaten en consuls en echtgenoten van het ambassadepersoneel indien een wederkerigheidsakkoord bestaat,...), wordt er voorgesteld een nieuwe categorie van arbeidskaarten te creëren : de arbeidskaart C .

De arbeidskaart C heeft als eigenschap voor elke werkgever geldig te zijn (zoals de arbeidskaart A), maar met een geldigheidsduur in principe beperkt tot de geldigheidsduur van het verblijf en geldig voor maximum één jaar.

Dit systeem vergemakkelijkt het toezicht van de Gewesten - de arbeidskaart moet het voorwerp zijn van een aanvraag om hernieuwing ten laatste tijdens het jaar van haar aflevering, wat een systematische controle van de Gewesten mogelijk maakt over de verblijfsituatie van de betrokkenen -, en vereenvoudigt de opdracht van de werkgevers die niet meer verplicht zullen zijn, een arbeidskaart te vragen. De betrokkene werknemers zullen wat hen betreft gemakkelijker tewerkstelling kunnen vinden en voortaan toegang tot formules van uitzendarbeid hebben. 4. De arbeidskaart A, van onbepaalde duur en geldig voor elke werkgever, blijft bestaan, maar is niet meer van toepassing op de categorieën die aan een andere regeling onderworpen zijn (vrijstelling van arbeidskaart).Bovendien wordt voorzien dat de arbeidskaart A toegankelijk is voor diegenen die vier jaar arbeid kunnen bewijzen gedurende een periode van tien jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag (momenteel moet men deze vier jaar bewijzen tijdens de periode onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag). 5. Andere wijzigingen worden nog in de reglementering ingevoegd.Ze worden in de hiernavolgende bespreking van de artikelen uiteengezet. 6. Het advies van de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers werd gevraagd en er werd met haar beschouwingen rekening gehouden. Bespreking van de artikelen Artikel 1 Deze bepaling heeft tot doel een nieuwe definitie aan het wettig verblijf te geven voor de toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.

Door toevoeging van de woorden « met uitzondering van de verblijfsituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden » wordt die nieuwe definitie in overeenstemming gebracht met artikel 12, 1°, a, van de wet van 30 april 1999.

De definitie van het wettig verblijf gegeven in die bepaling geldt enkel voor de toepassing van het koninklijk besluit van 30 juni 1999.

De door de nieuwe definitie aangebrachte beperking sluit de vreemdelingen uit die gemachtigd werden tot een verblijf met een maximumduur van drie maanden, ongeacht het feit of ze al dan niet onderworpen zijn aan de visumplicht.

De gegeven definitie stemt overeen met een ruim begrip van wettelijk verblijf. Ze beoogt inderdaad de volgende vreemdelingen : de vreemdeling die tot een verblijf wordt toegelaten op grond van artikel 10 van de wet van 15 december 1980, m.a.w. de vreemdeling die, na een periode van onderzoek van zijn aanvraag van één jaar (eventueel verlengd met drie maanden), een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister ontvangt (B.I.V.R.) in het kader van een verblijf van onbeperkte duur; de vreemdeling die op grond van artikel 14 van de wet wordt toegelaten zich te vestigen, m.a.w. de vreemdeling wiens aanvraag om machtiging tot vestiging gunstig onthaald werd en aan wie een identiteitskaart voor vreemdeling werd afgeleverd; de vreemdeling die tot een verblijf van meer dan drie maanden wordt toegelaten op grond van artikel 9 of 58 van de wet, hetzij onbeperkt (B.I.V.R. zonder vermelding), hetzij beperkt (B.I.V.R. met de vermelding `tijdelijk verblijf` - vb. : arbeiders, studenten, samenwonenden, vreemdelingen die tot verblijf worden toegelaten in het kader van de tijdelijke bescherming,...); de vreemdeling die voorlopig tot verblijf wordt toegelaten zoals de kandidaat-vluchteling wiens asielprocedure nog niet werd afgesloten met een uitvoerbaar bevel het grondgebied te verlaten (d.w.z. die niet meer het voorwerp kan uitmaken van een opschortend beroep) of de vreemdeling wiens beslissing tot weigering van verblijf het voorwerp uitmaakt van een verzoek tot herziening (houder van een « bijlage 35 »); de vreemdeling die in het bezit is van een van de volgende documenten : bijlage 15 (verblijfsattest), bijlage 33 (verblijfsdocument afgeleverd aan de student die doorgaans in een grensland verblijft) of attest van immatriculatie;

De vreemdelingen die in het bezit zijn van verlengde bevelen om het grondgebied te verlaten, worden niet beschouwd als zijnde in wettelijk verblijf krachtens dit besluit.

Artikel 2, 1° Deze bepaling voert een nieuw geval in van vrijstelling van de verplichting een arbeidskaart te bezitten. Dit nieuw geval is opgenomen als « b » van het artikel, daar « a » reeds een in de wetgeving opgenomen vrijstelling vermeldt. In « b » worden de buitenlandse onderdanen vrijgesteld die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven in toepassing van de wet van 15 december 1980. Bepaalde categorieën van buitenlandse onderdanen worden evenwel door de bepaling uitgesloten. Als motivatie voor die uitsluiting geldt de bekommernis om niet meer rechten inzake arbeidsmogelijkheden te geven aan de gezinsleden van de persoon die het recht op gezinshereniging heeft geopend dan hijzelf heeft verkregen.

Er dient opgemerkt te worden dat de van vrijstelling uitgesloten personen evenwel de mogelijkheid tot tewerkstelling met een arbeidskaart B behouden, waarvan de toekenning wordt vergemakkelijkt.

Artikel 2, 2° Deze bepaling wijzigt artikel 2, 14° van het koninklijk besluit van 9 juni 1999.

Ter herinnering, het betreft een omzetting van het arrest Van der Elst van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

De in punt « d » aangebrachte wijziging geeft gevolg aan een vraag van de Europese Commissie die van mening is dat de termijn van één jaar tewerkstelling bij dezelfde werkgever een te strenge voorwaarde is naar de geest van het voornoemde besluit.

Artikel 2, 3° Dit artikel brengt een lichte wijziging aan een reeds bestaande bepaling. De toevoeging van de woorden `er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever` vindt zijn verantwoording in de analogie met andere bepalingen van artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 (bijvoorbeeld : 9°, 10°, 11°, 15°). Het betreft de rechtzetting van een weglating.

Artikel 2, 4° 19° Hier bestaat de wijziging in de opheffing van de woorden « die wettig in België verblijven ». Die wijziging heeft tot doel de kinderen van buitenlandse onderdanen die onwettig verblijven, maar waarvan de uitvoering van de uitwijzing om diverse redenen werd uitgesteld, toe te laten hun studies effectief verder te zetten. Het zal hoofdzakelijk om technisch of beroepsonderwijs gaan waarvoor stages in ondernemingen in het programma zijn opgenomen. De stage moet verplicht zijn.

Die bepaling zal geen enkele invloed hebben op de verblijfstoestand van de belanghebbenden. 20° Die bepaling is een nieuwe formulering van artikel 2, 20°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 waardoor de institutionele realiteit beter wordt weergegeven.

Het werd niet nodig geacht in die bepaling een maximale duur van de tewerkstelling vast te leggen. De waarschijnlijk overbodige vermelding « in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden » heeft de verdienste er nogmaals aan te herinneren dat het bij de in voormelde bepaling aangehaalde akkoorden niet mag gaan om akkoorden inzake arbeidskrachten. 21° De voornaamste wijzigingen die door die bepaling aan artikel 2, 21°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 werden aangebracht zijn : stagiairs tewerkgesteld door een Belgische overheid worden ook bedoeld (federale staat, provincie, gemeente, federale entiteiten,...); de bepaling tot maximaal twaalf maanden wordt opgeheven; naast de stagiairs tewerkgesteld door een internationale instelling worden door de bepaling ook de stagiairs bedoeld die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling (bijvoorbeeld : het programma PHARE van de Europese Unie). 22° De wijzigingen die door die bepaling aan artikel 2, 22°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 werden aangebracht beogen hetzelfde als de wijzigingen van artikel 2, 3°, namelijk de minderjarige jongeren die onwettig verblijven de mogelijkheid te bieden om een opleiding onder leerovereenkomst te volgen of om alternerend te leren.

De bepaling wordt uitgebreid naar de meerderjarigen om hen toe te laten een opleiding aangevat voor de leeftijd van achttien jaar te voleindigen.

De leerlingen die wettig verblijven blijven natuurlijk vrijgesteld van de verplichting een arbeidskaart te bezitten, zelfs indien hun opleiding of het alternerend leren pas na de leeftijd van achttien jaar wordt aangevat.

De uitbreiding van de vrijstelling tot het alternerend leren wordt door die bepaling ook nieuw ingevoerd.

Deze bepaling beoogt de personen die een individuele beroepsopleiding in een onderneming volgen. Anderzijds zal ze ook van toepassing zijn op de « beroepsinlevingsovereenkomsten », wanneer de desbetreffende wetgeving in werking zal treden. 23° Deze bepaling heeft tot doel de juridische zekerheid veilig te stellen van de werkgevers en werknemers die arbeidsprestaties verrichten op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart of arbeidsvergunning heeft afgeleverd. Het betreft de wettelijke bekrachtiging van een bestaande toestand.

De opgeheven bepaling heeft betrekking op de `geregulariseerde` personen die toegelaten zijn tot een verblijf voor onbeperkte tijd.

Die personen worden voortaan vrijgesteld (zie art. 2, 3°, b) van het koninklijk besluit van 9 juni 1999, zoals gewijzigd bij artikel 2, 1°, van dit besluit).

Er dient aan herinnerd te worden dat de arbeidsvergunning door de werkgever aangevraagd wordt bij de overheid die bevoegd is voor de plaats waar de overeenkomst wordt uitgevoerd.

De aanvraag van de arbeidskaart A of C door de werknemer moet ingediend worden bij de overheid die bevoegd is voor de woonplaats van de werknemer.

Artikel 2, 5° 24° Die bepaling heeft tot doel de administratieve taak van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (P.W.A.) te vereenvoudigen.

Er dient op gewezen te worden dat de programmawet van 2 januari 2001 het toepassingsgebied van de reglementering van de P.W.A.'s heeft uitgebreid met betrekking tot de werknemers en, meer bepaald, naar bepaalde categorieën van vreemdelingen die niet ingeschreven zijn in het bevolkingsregister. 25° Die nieuwe vrijstelling wordt ingevoerd om tegemoet te komen aan een vraag van de universiteiten tot bevordering van de internationale mobiliteit van de postdoctorale vreemdelingen.

Het begrip « tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek » zou uit het fiscaal recht komen.

Artikel 2, 6° In die nieuwe bepaling wordt verduidelijkt dat behalve in de gevallen bedoeld in 19° en 22°, a) , de vrijstellingen opgesomd in artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 niet van toepassing zijn wanneer ten opzichte van hun begunstigden een definitieve negatieve beslissing werd opgenomen met betrekking tot hun verblijf.

Diezelfde bepaling is ook terug te vinden in artikel 9 van dit besluit, waarin dezelfde reden van weigering van arbeidskaart wordt ingevoegd, evenals in artikel 10 (intrekking arbeidskaart).

Overigens zal er nagedacht worden over een systeem dat het mogelijk maakt om de werkgever ervan in kennis te stellen dat de betrokken persoon hier niet wettig verblijft.

Artikel 3 Die uitermate belangrijke bepaling voert een nieuw type van arbeidskaart in, de arbeidskaart C. De bedoeling hierbij is een arbeidskaart toe te kennen aan personen van wie het recht op verblijf niet onbeperkt is. Het leek evenwel aangewezen de categorieën op te sommen die recht geven op die arbeidskaart, in plaats van een algemene regel uit te vaardigen. Het is inderdaad zo dat niet alle personen die een beperkt verblijf hebben, recht zullen hebben op die arbeidskaart. Bepaalde personen die niet in aanmerking komen, zullen aanspraak kunnen maken op een arbeidskaart B met vrijstelling van het arbeidsmarktonderzoek.

Artikel 4 Die bepaling brengt verduidelijking over de inhoud van de arbeidskaart C. Het zal in zekere zin om een arbeidskaart A gaan, want zij is geldig voor alle werkgevers, maar met een beperkte geldigheidsduur, rekening houdend met het beperkt recht op verblijf van de begunstigden.

Bovendien werd het nodig geacht om er aan te herinneren dat de arbeidskaart niet meer geldig is als de houder ervan zijn recht op verblijf verliest, alhoewel die precisering strikt gezien niet echt nodig is.

Artikel 5 Die bepaling brengt wijzigingen aan artikel 9 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999, artikel waarin de categorieën van buitenlandse werknemers opgenomen zijn voor wie de toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart B niet afhankelijk gemaakt wordt van de bepaling vermeld onder artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999, te weten het bestaan van een schaarste op de arbeidsmarkt. Voor die categorieën wordt de toekenning van de arbeidskaart dan ook zeer vergemakkelijkt.

Het 1° heft vier categorieën op. Het betreft hier personen die genieten van de vrijstelling bedoeld in artikel 2, eerste lid, 3°, b) van het koninklijk besluit van 9 juni 1999, zoals gewijzigd bij artikel 2, 1° van dit besluit (onbeperkt verblijf), of die recht zullen hebben op de arbeidskaart C (studenten). Er bestaan dan ook geen redenen meer hen hier nog te hernemen.

In 2° wordt voorzien wat volgt : - indien de betrokkene een bruto jaarloon ontvangt van ten minste 31.073 euro's (bedrag geldig voor 2003), blijft de actuele beperking van vier jaar van toepassing; - een éénmalige verlenging van vier jaar is mogelijk. De werkgever moet dan wel aantonen dat hij de verbintenis opgelegd door de bevoegde overheid nakwam die hij aanging bij het bekomen van de arbeidsvergunning voor de eerste periode van vier jaar. Deze verbintenis heeft betrekking op de inspanningen die de werkgever moet doen om het tekort aan arbeidskrachten te bestrijden en om een evenredige vertegenwoordiging van risicowerknemers in zijn onderneming te bevorderen; in afwijking van het vorige is er, wanneer de tewerkstelling niet plaatsheeft binnen het kader van detachering, geen beperking in de tijd wanneer de werknemer onderdaan is van één van de landen die kandidaat zijn om tot de Europese Unie toe te treden, of wanneer het bruto jaarloon dat de werknemer verdient minstens gelijk is aan 51.842 euro's.

In 3° betreft het een bepaling die betrekking heeft op het leidinggevend personeel. De praktijk heeft uitgewezen dat de termen `in een bijhuis of een filiaal van een firma uit hun land` voor een moeilijk te controleren voorwaarde zorgden.

In 4°, 15°, heeft de opgeheven bepaling betrekking op personen die slachtoffer van de mensenhandel zijn geworden. Die categorie is opgenomen onder de categorieën die recht geven op de arbeidskaart C. De nieuwe bepaling heeft betrekking op de schouwspelartiesten. Er weze aan herinnerd dat de schouwspelartiesten met internationale faam van wie het verblijf drie maanden niet overschrijdt, vrijgesteld zijn van de arbeidskaart (art. 2, 17°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999).

Rekening houdend met het speciaal karakter van de culturele organismen die als werkgever optreden (theaters, opera's,...), werd het nodig geacht een bedrag als minimum loon vast te stellen dat lager ligt dan dit vereist voor het hooggeschoold personeel (bedrag dat bij gebrek aan de voorgestelde bepaling voor die bepaalde categorie van werknemers van toepassing zou zijn).

Op 1 januari 2003 bedraagt het voorgestelde bedrag 25.921 euro's.

In 4°, de 16° en 17° hebben betrekking op personen van wie het recht op verblijf beperkt wordt, of die zelfs een onbeperkt verblijf hebben, maar op wie artikel 2, 3°, b, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 niet van toepassing is (zie artikel 2, 1°, van dit besluit) en die, zoals uit de toelichting bij artikel 2, 1°, blijkt, geen aanspraak kunnen maken op de arbeidskaart C. De opgeheven bepalingen (het huidige artikel 9, 16° en 17°) hebben betrekking op categorieën die opgenomen zijn onder de categorieën die recht geven op de arbeidskaart C (zie artikel 7 van dit besluit).

Artikel 6 Die nieuwe bepaling heeft betrekking op de toekenning van de arbeidskaart A. Rekening houdend met de in artikel 2, 1°, van dit besluit (onbeperkt verblijf) ingevoerde bepaling, worden alle gevallen van toekenning van de arbeidskaart A op grond van het verblijf of op grond van familiebanden niet meer hernomen. Enkel de toekenning van de arbeidskaart A op grond van arbeid blijft behouden.

Er dient opgemerkt te worden dat de huidige praktijk van het Ministerie van Binnenlandse Zaken erin bestaat een onbeperkt verblijf toe te kennen aan personen die een arbeidskaart A bekomen hebben, waardoor de titularis dus krachtens de bepalingen ingevoerd door dit besluit vrijgesteld wordt van de verplichting een arbeidskaart te hebben.

Naast het feit dat het hier slechts een praktische maatregel betreft die voor verandering vatbaar is, leek het bovendien aangewezen de arbeidskaart A toch te behouden daar het nazicht of aan de voorwaarden van toekenning ervan voldaan is, moeilijk uitvoerbaar blijkt te zijn.

Het laatste lid van het voorgestelde artikel herneemt, in tegenstelling tot de bestaande tekst, de volgende passages niet meer : de arbeidskaarten toegekend aan studenten aangezien zij aanspraak kunnen maken op de arbeidskaart C, die evenwel geen recht op de arbeidskaart A geeft; « f » van het nieuwe artikel vervangt « h » van het huidige artikel 18, 3° (familieleden).

De bestaande bepalingen die betrekking hebben op de arbeidskaart A zijn opgenomen onder de artikelen 16, 17 en 18 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999. In dit ontwerp handelt slechts een artikel erover, aangezien het aantal gevallen van toekenning van de arbeidskaart A verminderd is.

Artikel 7 Dit artikel voert een nieuwe afdeling De arbeidskaart C in die in de plaats komt van de artikelen 17 en 18 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999. De bestaande artikelen 17 en 18 handelen over de arbeidskaart A. Het nieuw artikel 17 geeft een opsomming van de categorieën van buitenlandse onderdanen die aanspraak kunnen maken op de arbeidskaart C. Zoals bovenvermeld werd, betreft het personen die van geen onbeperkt verblijf genieten.

Het 1° heeft betrekking op de kandidaat-vluchtelingen en vormt de regelgeving voor een materie die op dit ogenblik door middel van omzendbrieven wordt behandeld. Nu kunnen kandidaat-vluchtelingen krachtens de voormelde omzendbrieven tewerkgesteld worden met een voorlopige arbeidsvergunning die slechts geldig is voor een werkgever.

In 2° gaat het om personen die slachtoffer zijn van de mensenhandel.

Nu worden die personen behandeld in het huidige artikel 9, 15°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 (opgeheven door dit besluit) of in het huidige artikel 37 (opgeheven door artikel 11 van dit besluit), dus voor de toekenning van ofwel een arbeidskaart B ofwel een voorlopige arbeidsvergunning.

De 3° en 4° hernemen de licht gewijzigde bepalingen van het bestaande artikel 9, 16° en 17°.

In 3° wordt ten opzichte van de bestaande tekst verduidelijkt dat de mogelijkheid tot een verblijf voor onbepaalde duur moet uitgaan van een wettelijke of reglementaire bepaling of van een richtlijn, waardoor die gevallen worden uitgesloten, waarvoor die mogelijkheid op individuele basis wordt toegekend.

Hier wordt geen gevolg gegeven aan de opmerking van de Raad van State, omdat met bedoelde bepaling noch de reglementaire omzendbrieven, noch de interpretatieve omzendbrieven worden bedoeld, maar wel - zoals de tekst duidelijk vermeldt - de « richtlijnen », dit wil zeggen instructies die de overheden het recht hebben uit te werken om te bepalen hoe zij de hen door de wetten toegewezen bevoegdheden gaan uitoefenen en die deels tot de discretionaire macht behoren.

De uitsluiting met betrekking tot de uitoefening van een zelfstandig beroep heeft tot doel de onderdanen uit te sluiten die afkomstig zijn uit landen van Centraal- of Oost-Europa (PECOS) die samenwerkingsakkoorden hebben afgesloten met de Europese Unie waarin de vrije toegang tot een zelfstandig beroep wordt voorzien. Die personen eens toegelaten tot het verblijf om dat zelfstandig beroep uit te oefenen, kunnen geen aanspraak maken op de arbeidskaart C. De wijziging in 4° (in vergelijking met 9, 16° nu) heeft betrekking op de personen die de toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 hebben gevraagd, in afwachting van de toekenning van een arbeidskaart B. Als de regularisatie van het verblijf wordt toegekend op voorwaarde dat de arbeidskaart B wordt toegekend, zal de betrokken buitenlandse onderdaan geen aanspraak kunnen maken op een arbeidskaart C. In de bestaande tekst hadden de personen bedoeld in 4° en 5° recht op een arbeidskaart B. Het 5° heeft betrekking op een categorie van personen die om gezinshereniging hebben verzocht. De uitsluiting die aan het slot van de bepaling werd toegevoegd, slaat op de personen die vermeld staan in het nieuwe artikel 9, 16° en 17° (ingevoerd door het artikel 5, 4°, van dit besluit). De personen die geen aanspraak kunnen maken op een arbeidskaart C zullen dus recht hebben op een arbeidskaart B. Het 6° heeft betrekking op de studenten en vervangt het huidige artikel 9, 4°. Er dient opgemerkt te worden dat de term « onderwijs met een volledig leerplan », ook bijvoorbeeld betrekking heeft op het onderwijs met vlottend uurrooster.

Teneinde het toezicht op de beperking tot twintig uur per week op effectieve wijze te laten verlopen, zal in de nodige informatie van de bevoegde overheid moeten voorzien worden; op termijn zal men het systeem van onmiddellijke aangifte DIMONA gebruiken.

De vereiste van verenigbaarheid met de studies werd behouden, maar het is duidelijk dat het daar zal gaan om een reden tot intrekking van de arbeidskaart en niet tot weigering, vermits de aanvraag van de arbeidskaart C niet met zich meebrengt dat de aanvrager reeds een werkgever heeft op het ogenblik van het indienen van de aanvraag.

In artikel 18 (ingevoerd door artikel 7 van dit besluit) wordt de maximale duur van de arbeidskaart C bevestigd (een jaar), zij kan evenwel een in theorie onbeperkt aantal keren worden hernieuwd, zonder echter recht te geven op een arbeidskaart A. Artikel 8 Artikel 8 vervangt artikel 32 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999.

Het eerste lid komt quasi overeen, enkel de rechtzetting van een weglating door toevoeging van artikel 13 vormt het verschil.

Het tweede lid behandelt het geval van toekenning van arbeidskaart in beroep (op grond van artikel 38, § 2). In dergelijk geval dient er bijvoorbeeld geen onderzoek van de arbeidsmarkt plaats te vinden, behalve wanneer echter bij toekenning van de arbeidskaart het tegendeel vermeld werd. Die vermelding van het tegendeel behoort tot de bevoegdheid van de overheid die de arbeidskaart toekent.

Artikel 9 Door die bepaling wordt een geval van weigering van toekenning van arbeidskaart of arbeidsvergunning toegevoegd. Voor toelichting wordt verwezen naar de bespreking van artikel 2, 6°, van dit ontwerp.

Er dient vermeld te worden dat diegene die nooit een verblijfsvergunning bekomen heeft natuurlijk onderworpen is aan deze bepaling los van het feit dat er geen eigenlijke negatieve beslissing is, zoals dit bijvoorbeeld het geval zou zijn voor een clandestien.

Deze opmerking is eveneens van toepassing voor artikel 10.

Artikel 10 Dezelfde opmerkingen als bij artikel 9.

Artikel 11 Zoals uit de voorafgaande tekst blijkt, wordt de opheffing van dit artikel verantwoord doordat de personen bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 nu aanspraak kunnen maken op de arbeidskaart C. Artikel 12 Dit artikel vraag niet om enige commentaar.

De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX

ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, inzonderheid op artikel 7 en op artikel 8;

Gelet op het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 februari 2000, 19 juli 2000, 20 juli 2000, 12 september 2001, 3 december 2001 en 11 juli 2002;

Gelet op het advies van de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers van 7 juni 2002;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 12 juli 2002;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 18 juli 2002;

Gelet op het besluit van de Ministerraad over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van een maand;

Gelet op advies 33.987/1 van de Raad van State, gegeven op 24 oktober 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Artikel 1, 6°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, wordt vervangen als volgt : « 6° wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden. »

Art. 2.In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 februari 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid, 3°, wordt vervangen als volgt : « 3° a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;»; 2° in het eerste lid, 14°, d) , worden de woorden « een jaar » vervangen door de woorden « zes maanden »;3° het eerste lid, 16°, wordt vervangen als volgt : « 16° personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt; »; 4° in het eerste lid worden 19°, 20°, 21°, 22° en 23°, vervangen als volgt : « 19° de studenten die ten behoeve van hun studies in België, verplichte stages verrichten;20° de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;21° a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;22° a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;»; 5° het eerste lid wordt aangevuld als volgt : « 24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar;de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst. »; 6° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid : « Behalve in de gevallen bedoeld in het eerste lid, 19° en 22°, a), gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°. In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17° en 20°. »

Art. 3.Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt : « 3° de arbeidskaart C : de arbeidskaart voor bepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt. » .

Art. 4.Artikel 4, § 3, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « § 3. Wanneer de werknemer houder is van een arbeidskaart C, is geen arbeidsvergunning vereist in hoofde van de werkgever.

De arbeidskaart C verliest alle geldigheid indien de houder ervan zijn recht op of machtiging tot verblijf verliest. »

Art. 5.In artikel 9, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 juli 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° 1° tot 4° worden opgeheven;2° 6° wordt vervangen als volgt : « 6° hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 67 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet;deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.

De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover : - ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten; - ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet »; 3° in 7° vervallen de woorden « in een bijhuis of een filiaal van een firma uit hun land »;4° 15°, 16° en 17° worden vervangen als volgt : « 15° schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het in artikel 65, § 2, eerste lid, van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet;16° de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;17° de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14, 15° en 25°, voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.»

Art. 6.Artikel 16 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 16.De arbeidskaart A wordt toegekend aan de buitenlandse onderdaan die, over een maximale periode van tien jaar wettig en ononderbroken verblijf onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, bewijst dat hij vier jaar arbeid met een arbeidskaart B heeft verricht.

De termijn van vier jaar arbeid bepaald in het eerste lid wordt teruggebracht tot drie jaar voor de onderdanen van de landen waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.

De termijn van vier jaar arbeid bedoeld in het eerste lid en de termijn van drie jaar arbeid bedoeld in het tweede lid worden respectievelijk verminderd met één jaar, indien de echtgenote of de kinderen van de buitenlandse onderdaan samen met hem wettig verblijven.

Voor de toepassing van de voorgaande leden worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.

Het verblijf wordt geacht ononderbroken te zijn : a) wanneer de onderbreking tussen twee opeenvolgende verblijfsperioden niet meer dan een jaar beloopt;b) wanneer de afwezigheid het gevolg is van de dienstplicht, op voorwaarde dat de betrokkene binnen zestig dagen na het volbrengen van de dienstperiode naar België terugkeert. Komen niet in aanmerking de jaren arbeid gedekt door arbeidskaarten die werden toegekend : a) aan de gespecialiseerde techniekers, bedoeld in artikel 9, eerste lid, 9°;b) aan de stagiairs, bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;c) aan de au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI;d) aan werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven;e) om te werken als navorser of gasthoogleraar aan een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;f) om te werken als hooggeschoold personeel, bedoeld bij artikel 9, eerste lid, 6°;g) op grond van artikel 9, eerste lid, 16° of 17°.»

Art. 7.In hoofdstuk IV van hetzelfde besluit wordt een afdeling 3 ingevoegd, waarbij de huidige artikelen 17 en 18 worden vervangen als volgt : « Afdeling 3 . - De arbeidskaart C.

Art. 17.De arbeidskaart C wordt toegekend : 1° aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd werden te verblijven in de hoedanigheid van ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchteling door de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of diens gemachtigde, of, in geval van beroep, door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, tot wanneer een beslissing wordt genomen inzake de gegrondheid van hun aanvraag tot erkenning als vluchteling door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen of, in geval van beroep, door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen;2° aan de buitenlandse onderdanen die, in het kader van de strijd tegen de mensenhandel, een aankomstverklaring hebben ontvangen overeenkomstig artikel 5 van de wet van 15 december 1980, tot wanneer zij gemachtigd worden tot een verblijf van meer dan drie maanden voor een beperkte duur in het kader van dezelfde maatregelen of tot wanneer een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten wordt betekend;3° aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden tot een verblijf van beperkte duur wanneer de mogelijkheid voor een machtiging tot verblijf voor onbepaalde duur uitdrukkelijk wordt voorzien door een wettelijke of reglementaire bepaling of een richtlijn van de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of van diens gemachtigde, behalve als die verblijfsvergunning afgeleverd werd met het oog op de uitoefening van een zelfstandig beroep;4° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, voorzover de verlenging van de machtiging tot verblijf afhankelijk wordt gemaakt van tewerkstelling, behalve als het buitenlandse onderdanen betreft die een verblijfsvergunning toegekend kregen nadat een werkgever in België voor hen een aanvraag om arbeidsvergunning had ingediend;5° aan de buitenlandse onderdanen die het voorrecht inroepen van een recht op verblijf op grond van artikel 10 van de wet van 15 december 1980, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf en gedurende de periode van onderzoek van de vraag om herziening ingediend tegen een eventuele beslissing tot weigering van het verblijf, behalve wanneer het gezinsleden betreft van buitenlandse onderdanen van wie het verblijf beperkt is tot de geldigheidsduur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandig beroep of indien het buitenlandse onderdanen betreft bedoeld in artikel 2, eerste lid, 4°, behalve indien het onderdanen betreft van een land dat met België verbonden is door een overeenkomst gebaseerd op wederkerigheid, 6°, 7°, 12°, 14° 15° en 25°;6° aan de studenten die wettig in België verblijven en die in een onderwijsinrichting in België ingeschreven zijn voor het volgen van onderwijs met een volledig leerplan, voor arbeidsprestaties buiten de schoolvakanties, voor zover hun tewerkstelling twintig uren per week niet overschrijdt en deze verenigbaar is met hun studies;7° de echtgenoot van een onderdaan van de Europese Economische Ruimte, als die onderdaan van de Europese Economische Ruimte in België tewerkgesteld wordt sedert ten minste een jaar met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;8° de echtgenoot en de kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt van diplomaten en consuls, alsook de echtgenoot van andere titularissen van een bijzondere verblijfstitel indien zij onderdaan zijn van een land waarmee België verbonden is via een wederkerigheidsakkoord.

Art. 18.De maximale duur van de arbeidskaart C bedraagt een jaar; zij kan worden hernieuwd. »

Art. 8.Artikel 32 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 32.De bepalingen van de artikelen 8 tot 11, 12, eerste lid, en 13 zijn van toepassing op de aanvragen om hernieuwing van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten.

Wanneer de arbeidsvergunning of de arbeidskaart werden toegekend met toepassing van artikel 38, § 2, zijn echter de artikelen 8 en 10 niet van toepassing op de aanvragen om hernieuwing, behalve evenwel als het tegendeel uitdrukkelijk wordt vermeld door de bevoegde overheid. »

Art. 9.Artikel 34 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt : « 7° op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, de betrokken buitenlandse werknemer, wat zijn recht op of zijn machtiging tot verblijf betreft, het voorwerp is van een negatieve beslissing, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort. »

Art. 10.Artikel 35, § 2, 3°, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 3° een negatieve beslissing over het recht op of de machtiging tot verblijf van zijn titularis werd genomen, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort; ».

Art. 11.Hoofdstuk X van hetzelfde besluit, dat artikel 37 omvat, wordt opgeheven.

Art. 12.Dit besluit treedt in werking op 1 april 2003.

Art. 13.Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 6 februari 2003.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 30 april 1999, Belgisch Staatsblad van 21 mei 1999. Koninklijk besluit van 9 juni 1999, Belgisch Staatsblad van 26 juni 1999.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^