Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 06 maart 2007
gepubliceerd op 20 maart 2007

Koninklijk besluit tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige geneesheren

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2007022188
pub.
20/03/2007
prom.
06/03/2007
ELI
eli/besluit/2007/03/06/2007022188/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

6 MAART 2007. - Koninklijk besluit tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige geneesheren


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op artikel 54, vervangen bij de wet van 22 december 2003;

Gelet op het koninklijk besluit van 31 maart 1983 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige geneesheren, inzonderheid op artikel 6, tweede lid;

Gelet op het advies van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen uitgebracht op 14 maart 2005;

Gelet op het advies van het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging, gegeven op 23 mei 2005;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 8 februari 2006;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting, gegeven op 8 december 2006;

Gelet op het advies 41.960/1 van de Raad van State gegeven op 11 januari 2007, in uitvoering van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Er wordt een regeling van sociale voordelen ingesteld tot vestiging van hetzij een rente of een pensioen in geval van rust, hetzij een rente of een pensioen bij overlijden, hetzij een rente of een pensioen ingeval van invaliditeit, hetzij verscheidene van die renten of pensioenen, voor de artsen die door het feit dat zij geen weigering tot toetreding betekend hebben tot het hen betreffende akkoord beoogd in artikel 50, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, geacht worden tot dat akkoord te zijn toegetreden, hetzij voor de uitoefening van hun volledige beroepsactiviteit, hetzij onder de voorwaarden inzake tijd en plaats die aan de zetel van de Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen (Dienst geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering) zijn medegedeeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 50, § 3, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.

De artsen kunnen van de sociale voordelen slechts genieten voor de jaren tijdens dewelke hun toetreding tot voornoemd akkoord betrekking heeft op het gehele jaar en zij hun activiteit, in het kader van de bovengenoemde gecoördineerde wet van14 juli 1994, effectief uitoefenden. Aan deze voorwaarden dient evenwel niet te worden voldaan voor het jaar waarin : - de arts overlijdt; - een langdurige arbeidsongeschiktheid een aanvang neemt. Artsen die volledig arbeidsongeschikt blijven, kunnen verder genieten van de sociale voordelen voor elk jaar waarin zij arbeidsongeschikt blijven op voorwaarde dat zij het akkoord niet geweigerd hebben in het jaar waarin de arbeidsongeschiktheid ontstaan is, of bij ontstentenis van een akkoord in het jaar van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid, in het laatste jaar waarin een akkoord in hun gewest in werking was getreden; - een stage wordt gelopen in het buitenland en dit voorzover de dienst waar de arts zijn stage vervult, voorzien is in zijn stageplan goedgekeurd door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid.

Worden alleszins niet geacht hun activiteit effectief te hebben uitgeoefend in het raam van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, de artsen die, in de loop van een jaar, voor een periode van meer dan vijftien kalenderdagen : - het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitief geworden beslissing van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering of van een Kamer van beroep ingesteld bij vorengenoemde Dienst; - door een Provinciale raad of een Raad van beroep van de Orde der geneesheren, een schorsing (definitieve beslissing) van het recht tot uitoefening van de geneeskunst hebben opgelopen; - door een rechter zijn veroordeeld (definitieve beslissing) tot een tijdelijk verbod tot uitoefening van de geneeskunst.

Art. 2.§ 1. Op voorwaarde dat hij een schriftelijke aanvraag indient bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, kan ieder in artikel 1 bedoeld arts, a) hetzij genieten van een door de Dienst voor geneeskundige verzorging gestorte jaarlijkse bijdrage tot vestiging van een in artikel 1 bedoelde rente of pensioen waarvan het bedrag door Ons wordt vastgesteld na advies van de Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen;b) hetzij genieten van een bij de voornoemde Dienst gereserveerd recht op de voordelen bedoeld in artikel 3. Dat bedrag wordt aangerekend op de begroting voor administratiekosten van voornoemde Dienst voor geneeskundige verzorging.

De bijdrage van de Dienst geneeskundige verzorging voorzien in het eerste lid, wordt gestort aan de arts die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in dit artikel alsook in artikel 3. § 2. Zodra het in artikel 1 bedoeld akkoord in voege treedt of ten laatste 30 dagen na het afsluiten van de mogelijkheid van weigering tot toetreding, stuurt de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering aan de artsen die geen kennis hebben gegeven van een weigering tot toetreding tot het hen betreffende akkoord, een formulier voor het aanvragen van de sociale voordelen, conform het in bijlage opgenomen model. Bij die zending gaat een begeleidende verklarende nota betreffende de regeling van sociale voordelen.

Als het voornoemde akkoord verscheidene jaren blijft gelden, verzendt de Dienst voor geneeskundige verzorging het formulier en de vorenbedoelde verklarende nota vóór 1 april van elk van de volgende jaren. § 3. Om één van de in § 1 bepaalde voordelen te genieten, moet de in artikel 1 bedoelde arts een schriftelijke aanvraag richten tot de Dienst voor geneeskundige verzorging door middel van het in § 2 bedoelde formulier, waarvan de rubriek I en de rubriek II, A of II, B behoorlijk zijn ingevuld. § 4. Bij het indienen van de in § 1 bedoelde aanvraag moet de arts bij het invullen van rubriek I van het in § 2 bedoelde formulier bevestigen dat hij niet geweigerd heeft toe te treden tot het hem betreffende akkoord hetzij voor de uitoefening van zijn volledige beroepsactiviteit hetzij onder de voorwaarden inzake tijd en plaats, conform de bepalingen van dat akkoord. Indien hij is toegetreden onder voorwaarden inzake tijd en plaats omschrijft hij deze voorwaarden.

Elke aanvraag waarin die toelichting niet is opgenomen, wordt als niet bestaande beschouwd. § 5. De in § 2 bedoelde aanvraag moet elk jaar worden opgemaakt voor het dienstjaar waarop ze betrekking heeft. Zij moet worden ingediend bij de Dienst voor geneeskundige verzorging binnen een termijn die aanvangt op 1 april en eindigt op 30 juni van het jaar waarop de sociale voordelen betrekking hebben. § 6. De Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering betaalt het bedrag van de bijdrage vóór 15 januari van het jaar volgend op het dienstjaar.

Indien de Dienst voor geneeskundige verzorging deze datum niet naleeft, zijn er nalatigheidsintresten van 7 % jaar verschuldigd voor iedere volle kalendermaand die verstrijkt na de in het eerste lid bedoelde datum.

Art. 3.Elk in artikel 1 bedoeld arts kan genieten van een bij de Dienst voor geneeskundige verzorging gereserveerd recht op hetzij een pensioen ingeval van rust, hetzij een pensioen bij overlijden, hetzij beide pensioenen.

Voor zover de arts de in artikelen 1, 2 en 3 bedoelde voorwaarden vervult, wordt dit voordeel hetzij aan hemzelf, hetzij aan zijn weduwe of haar weduwnaar en zo niet aan de persoon met wie hij of zij samenwoont, in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, die in het Rijksregister op hetzelfde adres van hoofdverblijfplaats als de betrokken arts ingeschreven is, toegekend, volgens de modaliteiten omschreven bij de artikelen 4 en 5.

Art. 4.Het recht op een rustpensioen wordt in hoofde van de in artikel 3 bedoelde arts geopend op de eerste dag van de maand volgend op zijn zestigste verjaardag, op voorwaarde dat hij elke beroepsactiviteit heeft stopgezet. Wordt beschouwd als beroepsactiviteit, elke activiteit die niet is toegelaten krachtens de reglementering inzake rustpensioen.

Het basisbedrag van het rustpensioen wordt vastgesteld op 2.975 euro per jaar voor elke arts die sedert ten vroegste 1 januari 1983 en tot zijn zestigste verjaardag gedurende dertig jaar is toegetreden tot de termen van de akkoorden geneesheren-ziekenfondsen en gedurende dertig jaar de in artikel 2 bedoelde aanvraag heeft ingediend. Na advies van de Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen wordt dit basisbedrag door Ons aangepast aan de evolutie van de jaarlijkse bijdrage bedoeld in artikel 2, § 1, a).

Indien de arts op zijn zestigste verjaardag en sedert ten vroegste 1 januari 1983 voor minder dan dertig jaar was toegetreden tot de termen van de akkoorden geneesheren-ziekenfondsen en de in artikel 2 bedoelde aanvraag heeft ingediend, dan wordt het rustpensioen bepaald op een bedrag gelijk aan het bedrag voorzien in het vorige lid, vermenigvuldigd met een breuk die als teller het aantal jaren dat de arts is toegetreden tot de akkoorden en de in artikel 2 bedoelde aanvraag heeft ingediend, en als noemer het getal dertig heeft.

Voor de arts die op zijn zestigste verjaardag minder dan dertig jaar toetreding tot de akkoorden geneesheren-ziekenfondsen telt, worden de jaren toetreding na zijn zestigste verjaardag in meerdering gebracht van het aantal jaren dat hij op zijn zestigste verjaardag totaliseert.

Uitzondering wordt evenwel gemaakt voor de jaren dat de betrokken arts geniet van het in dit artikel bedoeld voordeel.

De arts die minder dan tien jaar is toegetreden tot de termen van de akkoorden geneesheren-ziekenfondsen, of die voor minder dan tien jaar de in artikel 2 bedoelde aanvraag heeft ingediend, heeft geen recht op rustpensioen.

Art. 5.Het recht op een overlevingspensioen wordt in hoofde van de weduwe of de weduwnaar van de in artikel 3 bedoelde arts en zo niet aan de persoon met wie hij of zij samenwoont, in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, die in het Rijksregister op hetzelfde adres van hoofdverblijfplaats als de betrokken arts ingeschreven is, geopend op de eerste dag van de maand volgend op het overlijden van de arts.

Het basisbedrag van het overlevingspensioen wordt vastgesteld op 2.479 euro per jaar voor de overlevende echtgeno(o)t(e) van de arts en zo niet aan de persoon met wie hij of zij samenwoont, in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, die in het Rijksregister op hetzelfde adres van hoofdverblijfplaats als de betrokken arts ingeschreven is die sedert ten vroegste 1 januari 1983 gedurende dertig jaar is toegetreden tot de termen van de akkoorden geneesheren-ziekenfondsen en gedurende dertig jaar de in artikel 2 bedoelde aanvraag heeft ingediend. Na advies van de Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen wordt dit basisbedrag door Ons aangepast aan de evolutie van de jaarlijkse bijdrage bedoeld in artikel 2, § 1, a).

Indien de arts bij zijn overlijden en sedert ten vroegste 1 januari 1983 voor minder dan dertig jaar was toegetreden tot de termen van de akkoorden geneesheren-ziekenfondsen en de in artikel 2 bedoelde aanvraag heeft ingediend, dan wordt het overlevingspensioen vastgesteld op een bedrag gelijk aan het bedrag voorzien in het vorige lid, vermenigvuldigd met een breuk die als teller het aantal jaren dat de arts is toegetreden tot de akkoorden en de in artikel 2 bedoelde aanvraag heeft ingediend, en als noemer het getal dertig heeft.

Het recht op overlevingspensioen wordt voorbehouden aan de overlevende echtgeno(o)t(e) die minstens één jaar gehuwd is met de overleden arts en zo niet aan de persoon met wie hij of zij samenwoont, in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, die minstens één jaar in het Rijksregister op hetzelfde adres van hoofdverblijfplaats als de betrokken arts ingeschreven is. Indien de overlevende echtgeno(o)t(e) of de hierboven bedoelde persoon jonger is dan de overleden arts wordt het overlevingspensioen verminderd met 2 pct. per jaar leeftijdsverschil tussen tien en twintig jaar, en met 4 pct. per jaar leeftijdsverschil boven twintig jaar. Indien het huwelijk werd afgesloten na de zestigste verjaardag van de arts, dan wordt het overlevingspensioen verminderd met 6 pct. per jaar leeftijdsverschil boven tien jaar.

Het genot van het overlevingspensioen vervalt als de overlevende echtgeno(o)t(e) hertrouwt of hij/zij samenwoont met een persoon met wie hij of zij samenwoont, in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, die in het Rijksregister op hetzelfde adres van hoofdverblijfplaats ingeschreven is. Dit genot vervalt ook als de overlevende samenwoonde persoon trouwt of opnieuw samenwoont met een persoon, in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, die in het Rijksregister op hetzelfde adres van de hoofdverblijfplaats ingeschreven is.

Art. 6.Het koninklijk besluit van 31 maart 1983 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige geneesheren wordt opgeheven maar blijft evenwel van toepassing op de bijdragen voor het jaar 2004, 2005 en 2006 én op de bijdragen voor de voorgaande jaren die door de Dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV nog niet zouden gestort zijn.

Art. 7.Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Het zal voor de eerste keer van toepassing zijn op de bijdragen voor het jaar 2007.

Art. 8.Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 6 maart 2007.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Gezien om te worden gevoeg bij Ons besluit van 6 maart 2007.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE

^