Koninklijk Besluit van 07 december 2018
gepubliceerd op 14 januari 2019
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit inzake de toepassing van uitzendarbeid in bepaalde federale diensten, in overheidsbedrijven en in HR Rail in uitvoering van artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking

bron
federale overheidsdienst beleid en ondersteuning
numac
2018015630
pub.
14/01/2019
prom.
07/12/2018
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2018015630

FEDERALE OVERHEIDSDIENST BELEID EN ONDERSTEUNING


7 DECEMBER 2018. - Koninklijk besluit inzake de toepassing van uitzendarbeid in bepaalde federale diensten, in overheidsbedrijven en in HR Rail in uitvoering van artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij ter ondertekening aan Uwe Majesteit voorleggen is genomen in uitvoering van artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.

Artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 machtigt de Koning om voor de gebruikers die niet onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, de procedures, voorwaarden en regels te bepalen volgens dewelke een beroep kan worden gedaan op uitzendarbeid.

Het regeerakkoord van 9 oktober 2014 stelt dat uitzendarbeid bij overheidsdiensten en -bedrijven wettelijk voorzien en geïmplementeerd wordt.

Daarnaast werd er in het Zomerakkoord 2017 opgenomen dat uitzendarbeid, in overleg met de syndicale organisaties, mogelijk gemaakt zal worden voor de tijdelijke vervanging van een statutair of contractueel personeelslid, voor de tijdelijke toename van het werk en voor de uitvoering van uitzonderlijk werk.

Er zijn verschillende redenen waarom het invoeren van uitzendarbeid belangrijk is. Uitzendarbeid kan een antwoord bieden op tewerkstellingsbehoeften die een snelle oplossing vragen om de dienstverlening te kunnen garanderen. Er kan op een flexibele manier ingespeeld worden bij de behoefte aan een acute of onvoorziene vervanging of als er plots extra taken bijkomen. Het kan ook een oplossing bieden als een medewerker plots uitvalt. Als de werknemer niet op korte termijn kan vervangen worden, verhoogt de werkdruk bij de collega's. Uit analyse blijkt dat, wanneer de werkdruk plots stijgt, het absenteïsme toeneemt.

Uitzendarbeid brengt een meerkost met zich mee, maar deze moet echter bekeken worden tegenover de dienstverlening die niet gegarandeerd kan worden wanneer er niemand tijdelijk aangeworven kan worden. Het is het hoofd van de dienst die de verantwoordelijkheid draagt over de werkingskredieten van de dienst en die de opportuniteitsvraag moet afwegen.

Het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit heeft tot doel het reglementair kader te bepalen voor de invoering van uitzendarbeid in bepaalde federale diensten, in overheidsbedrijven en HR Rail, waaronder de vormen van uitzendarbeid waarvan gebruik kan gemaakt worden, de vaststelling van de duur waarop een beroep kan worden gedaan op uitzendarbeid, de procedures en de informatieverstrekking en de rapportering en de monitoring over uitzendarbeid.

Als gevolg van de Europese richtlijn 2008/104 (artikel 4) mogen geen beperkingen of verboden op het gebruik van uitzendarbeid worden ingesteld, tenzij die kunnen worden gegrond op een algemeen belang, die met name verband houden met de bescherming van de uitzendkrachten, de eisen ten aanzien van de gezondheid en veiligheid op het werk of de noodzaak de goede werking van de arbeidsmarkt te garanderen en misbruik te voorkomen. Een inperking van de vormen van uitzendarbeid toegankelijk voor de overheidssector kan alleen als het algemeen belang wordt aangetoond.

Het ontslaat het hoofd van de dienst nooit en op generlei wijze van de wettelijke en reglementaire verplichtingen die vereist worden om bepaalde activiteiten of functies uit te oefenen en waaraan de ingezette uitzendkrachten derhalve ook steeds zullen moeten voldoen.

Met inachtneming van de wetgeving op de overheidsopdrachten zal het bestek deze verplichtingen vermelden.

In het domein van de spoorwegen en in het bijzonder voor wat de veiligheidsfuncties betreft, slaat dit in het bijzonder op de verplichtingen waarin de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex voorziet. Het gaat om verplichtingen die onder meer slaan op de vereiste kennis, kunde, opleiding en de nodige certificaten.

Er zal enkel beroep kunnen gedaan worden op erkende uitzendbureaus.

Artikelsgewijze bespreking Artikel 1 : Toepassingsgebied en definities Het toepassingsgebied viseert niet alleen het federaal administratief openbaar ambt, maar ook de overheidsbedrijven, HR Rail, de Belgische Enabel, de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden, bpost, Proximus en Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers;

Artikel 2 : Inhoud In het voorliggende Koninklijk Besluit worden de vormen, de na te leven procedures, de informatieverstrekking, de duur, de rapportering en de monitoring van uitzendarbeid vastgelegd.

Artikel 3 : Vormen van uitzendarbeid De wet van 24 juli 1987 bevat 9 vormen van toegelaten uitzendarbeid.

Op basis van de afspraken in het Zomerakkoord 2017, worden er 7 van deze vormen in het voorliggende koninklijk besluit hernomen.

Er is een verbod op uitzendarbeid in geval van staking en lock-out.

Opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid bij eenzelfde gebruiker zijn toegestaan voor zover de nood aan flexibiliteit voor het gebruik van dergelijke opeenvolgende dagcontracten kan worden bewezen door de gebruiker.

Artikel 4 : Procedures en informatieverstrekking De procedures zijn zoveel als mogelijk in overeenstemming gebracht met de procedures die gelden voor de private sector.

Artikel 4, § 1, bepaalt de procedure, die moet worden nageleefd door diensten, die ressorteren onder het toepassingsgebied van een sectorcomité, bedoeld in de wet van 19 december 1974, om beroep te kunnen doen op die vormen van uitzendarbeid, waarvoor voorafgaandelijk moet onderhandeld worden.

Specifieke modaliteiten worden bepaald inzake de werkzaamheden met het oog op de kortstondige uitvoering van gespecialiseerde opdrachten die een bijzondere beroepsbekwaamheid vereisen.

Tevens wordt een algemene voorafgaandelijke informatieplicht voorzien, die geldt voor het gebruik van alle vormen van uitzendarbeid, inclusief deze die moeten voorafgegaan worden door onderhandelingen.

Artikel 4, § 2, bepaalt de procedure die moet worden nageleefd door de autonome overheidsbedrijven, om beroep te kunnen doen op die vormen van uitzendarbeid waarvoor voorafgaandelijk moet onderhandeld worden.

Specifieke modaliteiten worden bepaald inzake de werkzaamheden met het oog op de kortstondige uitvoering van gespecialiseerde opdrachten die een bijzondere beroepsbekwaamheid vereisen.

Uitzendkrachten mogen niet worden tewerkgesteld of aan het werk gehouden als de onderhandeling resulteert in een weigering of in een gebrek aan een akkoord, of als de procedures niet worden nageleefd.

Artikel 4, § 3, bepaalt de procedure die moet worden nageleefd door diensten die niet vallen onder het toepassingsgebied van artikel 4, § 1 of § 2.

Specifieke modaliteiten worden bepaald inzake de werkzaamheden met het oog op de kortstondige uitvoering van gespecialiseerde opdrachten die een bijzondere beroepsbekwaamheid vereisen.

Tevens wordt een algemene voorafgaandelijke informatieplicht voorzien, die geldt voor het gebruik van alle vormen van uitzendarbeid.

Artikel 5 : Duur van de uitzendarbeid Het voorliggende koninklijk besluit bepaalt een maximum duur voor elk van de vormen van uitzendarbeid. Omwille van de duidelijkheid wordt per vorm van uitzendarbeid geopteerd voor een uniforme duurtijd van maximaal 12 maanden, en dit met inbegrip van mogelijke verlengingen.

Een afwijking wordt voorzien voor bpost en Proximus.

Artikel 6 : Motief instroom Dit artikel definieert de modaliteiten voor het motief instroom. Net zoals in de private sector, wordt voorzien in een informatie- en raadplegingsplicht.

Artikel 7 : Rapportering en monitoring Onder globale informatie inzake uitzendkrachten wordt verstaan : 1° per vorm vermeld in artikel 3, het aantal uitzendkrachten, hun uren prestaties en de eventuele verlengingen.De gepresteerde uren moeten per vorm van uitzendarbeid meegedeeld worden, en niet per persoon. 2° de globale kostprijs aan uitzendkrachten.Hiermee wordt de totale kostprijs bedoeld die een dienst per motief heeft uitgegeven in één jaar aan uitzendkrachten.

De informatie waarover sprake in dit artikel is niet-nominatief.

Wij hebben de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Ontwikkelingssamenwerking, Telecommunicatie en De Post, A. DE CROO De Minister van Mobiliteit, belast met Belgocontrol en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, Fr. BELLOT De Minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, S. LOONES

ADVIES 64.147/AV/AG/1 VAN 5 OKTOBER 2018 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `INZAKE DE TOEPASSING VAN UITZENDARBEID IN BEPAALDE FEDERALE DIENSTEN, IN OVERHEIDSBEDRIJVEN EN HR RAIL IN UITVOERING VAN ARTIKEL 48 VAN DE WET VAN 24 JULI 1987 BETREFFENDE DE TIJDELIJKE ARBEID, DE UITZENDARBEID EN HET TER BESCHIKKING STELLEN VAN WERKNEMERS TEN BEHOEVE VAN GEBRUIKERS' Op 3 augustus 2018 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken verzocht binnen een termijn van dertig dagen verlengd tot vijfenveertig dagen(*) en verlengd tot 8 oktober 2018 een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `inzake de toepassing van uitzendarbeid in bepaalde federale diensten, in overheidsbedrijven en HR Rail in uitvoering van artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers'. (*) Deze verlenging vloeit voort uit artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, waarin wordt bepaald dat de termijn van dertig dagen verlengd wordt tot vijfenveertig dagen in het geval waarin het advies gegeven wordt door de algemene vergadering met toepassing van artikel 85.

Het ontwerp is wat betreft de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede de rechtsgrond voor het ontworpen besluit door de algemene vergadering onderzocht op 27 september 2018 . De algemene vergadering was samengesteld uit Jacques Jaumotte, voorzitter van de Raad van State, Marnix Van Damme, Jo Baert, Pierre Vandernoot en Martine Baguet, kamervoorzitters, Wilfried Van Vaerenbergh, Chantal Bamps, Jeroen Van Nieuwenhove, Luc Detroux, Peter Sourbron, Bernard Blero, Wanda Vogel, Koen Muylle en Patrick Ronvaux, staatsraden, Jan Velaers, Sébastien Van Drooghenbroeck, Johan Put en Marianne Dony, assessoren, en Gregory Delannay, hoofdgriffier.

Het verslag is uitgebracht door Kristine Bams, eerste auditeur-afdelingshoofd en Véronique Schmitz, auditeur.

Het ontwerp is voor het overige door de eerste kamer onderzocht op 27 september 2018. De eerste kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Chantal Bamps, staatsraden, Johan Put, assessor, en Wim Geurts, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Kristine Bams, eerste auditeur-afdelingshoofd. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wilfried Van Vaerenbergh, staatsraad.Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 5 oktober 2018. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 2. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit legt het kader vast voor het invoeren van uitzendarbeid in bepaalde federale diensten, in overheidsbedrijven en in HR Rail.Hoofdstuk 1 bepaalt het toepassingsgebied en definieert een aantal begrippen. Hoofdstuk 2 bepaalt de verschillende vormen van uitzendarbeid waarvan de diensten gebruik kunnen maken. In hoofdstuk 3 wordt het beslissingskader vastgesteld en de in dat verband te verstrekken informatie geregeld.

Hoofdstuk 4 bepaalt de duur van de uitzendarbeid en hoofdstuk 5 regelt de rapportering en monitoring.

Het te nemen besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad (hoofdstuk 6). 3. Rechtsgrond voor het ontwerp wordt gezocht in artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 `betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers', dat luidt : "De Koning kan, voor de openbare diensten die niet onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, andere procedures, voorwaarden en regels vastleggen dan deze bedoeld bij de artikelen 1 en 32 van deze wet." De ontworpen regeling is van toepassing op de `diensten' zoals gedefinieerd in artikel 1, 3°, van het ontwerp. De in die bepaling opgesomde diensten zijn te beschouwen als `openbare diensten' in de zin van artikel 48 van de wet van 24 juli 1987. Laatstgenoemde bepaling biedt dan ook in beginsel rechtsgrond voor het ontwerp.

Bevoegdheid 4. Artikel 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 `tot hervorming der instellingen', vervangen bij artikel 42, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 2014 `met betrekking tot de Zesde Staatshervorming', bepaalt : "De gemeenschappen en de gewesten leggen de procedures, voorwaarden en regels vast volgens dewelke er een beroep kan worden gedaan op uitzendarbeid in hun diensten, in de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de gemeenschappen en de gewesten, in de ondergeschikte besturen en in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, evenals in de in artikel 24 van de Grondwet bedoelde instellingen wat hun door de overheid betaalde of gesubsidieerde personeel betreft, onverminderd artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12°." De Memorie van Toelichting bij de bijzondere wet van 6 januari 2014 verduidelijkt deze bepaling als volgt : "Het voorstel strekt er eveneens toe om de gemeenschappen en de gewesten, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, de mogelijkheid te geven om uitzendarbeid toe te staan in hun respectieve overheidsdiensten en lokale besturen.

De gemeenschappen en gewesten worden aldus, elk voor zich, bevoegd om uitwerking te geven aan artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers en dit op dezelfde wijze zoals de Koning dit nu kan op grond van artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. Daarom wordt de terminologie van het voornoemde artikel 48 letterlijk hernomen in het dispositief, waarmee de bevoegdheidsoverdracht aan de gemeenschappen en de gewesten wordt omschreven, zonder de inhoud of de draagwijdte van het bestaande artikel 48 te wijzigen. De mogelijkheid om artikel 1, § 4, van de wet van 1987 uit te voeren wordt daarentegen niet overgedragen.

Alle arbeidsrechtelijke bepalingen die de uitzendarbeid regelen blijven federaal.

Onverminderd de mogelijkheid waarover de gewesten beschikken om uitzendarbeid toe te staan in het kader van tewerkstellingstrajecten en onverminderd de mogelijkheid waarover de gemeenschappen en gewesten beschikken om uitzendarbeid toe te staan in hun respectievelijke overheidsdiensten, met daarin begrepen de instellingen van openbaar nut, en lokale besturen, blijft de federale overheid bevoegd voor de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. De federale overheid blijft als enige bevoegd om andere uitzonderingen op de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers in te stellen. Zo blijft de federale overheid inzonderheid bevoegd voor de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid" (1).

Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de ingevolge de Zesde Staatshervorming tot stand gebrachte bevoegdheidsverdeling op het vlak van de tijdelijke arbeid, inzonderheid wat betreft het invoeren van een regeling van uitzendarbeid, de bevoegdheid van de Koning om, met toepassing van artikel 48 van de wet van 24 juli 1987, op dat vlak regelend op te treden ten aanzien van de federale openbare diensten die niet onder de wet van 5 december 1968 `betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités' vallen, onverlet heeft gelaten.

Onderzoek van de tekst Artikel 4 5. Rekening houdend met de bevoegdheidsrechtelijke opmerking die met betrekking tot artikel 2, 7° en 8°, van het ontwerp van koninklijk besluit `inzake de definiëring van uitzonderlijk werk in uitvoering van artikel 1, § 4, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers' in het advies 64.148/AV/1 is gemaakt, dienen de verwijzingen naar die bepalingen in artikel 4 van het voorliggende ontwerp te worden geschrapt.

Artikel 8 6. Luidens artikel 8 van het ontwerp treedt het te nemen besluit in werking de eerste dag van de maand na die waarin het te nemen besluit in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.Een dergelijke regeling van inwerkingtreding heeft evenwel het nadeel dat, indien de bekendmaking op het einde van de maand gebeurt, de bestemmelingen ervan zelfs niet over de normale termijn van tien dagen zullen beschikken om zich aan de regeling aan te passen. (1) Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 178-179.

De hoofdgriffier, G. DELANNAY De griffier, W. GEURTS De voorzitter van de raad van State, J. JAUMOTTE De voorzitter, M. VAN DAMME

7 DECEMBER 2018. - Koninklijk besluit inzake de toepassing van uitzendarbeid in bepaalde federale diensten, in overheidsbedrijven en in HR Rail in uitvoering van artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen;

Gelet op artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;

Gelet op de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;

Gelet op de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;

Gelet op de wet van 21 december 1998 tot oprichting van Enabel, Belgisch Ontwikkelingsagentschap in de vorm van een vennootschap van publiek recht;

Gelet op de programmawet van 19 juli 2001;

Gelet op de wet van 3 november 2001 tot oprichting van de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden en tot wijziging van de wet van 21 december 1998 tot oprichting van de Belgische Technische Coöperatie in de vorm van een vennootschap van publiek recht;

Gelet op de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesectoren;

Gelet op de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex;

Gelet op de adviezen van de inspecteurs van Financiën, gegeven op 9 oktober 2017, 18 oktober 2017 en 14 december 2017;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 18 december 2017;

Gelet op het advies van het College van de Openbare Instellingen van Sociale Zekerheid, gegeven op 24 november 2017;

Gelet op het protocol nr. 215/2/B van 28 mei 2018 van het Gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten;

Gelet op het advies nr. 78 van 20 maart 2018 van het Comité Overheidsbedrijven;

Gelet op het advies nr. 277 van 8 januari 2018 van de Nationale Paritaire Commissie, bedoeld in artikel 118, 2° van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen;

Gelet op de vrijstelling van de regelgevingsimpactanalyse, bedoeld in artikel 8, § 1, 4°, van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;

Gelet op advies nr. 64.147/AV/AG/1 van de Raad van State, gegeven op 5 oktober 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, de Minister van Ontwikkelingssamenwerking, Telecommunicatie en De Post en de Minister van Mobiliteit, belast met Belgocontrol en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied en definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° de wet van 24 juli 1987 : de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;2° de wet van 21 maart 1991 : de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;3° de diensten : - HR Rail; - De overheidsbedrijven die vallen onder de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven; - De diensten die vallen onder de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken; - Enabel, Belgisch Ontwikkelingsagentschap; - De Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden; - Het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie; - Het Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers. 4° contractueel personeelslid : elk personeelslid dat met een arbeidsovereenkomst in dienst wordt genomen;5° statutair personeelslid : elk personeelslid van wie de arbeidsrelatie eenzijdig door een overheid wordt bepaald;6° hoofd van de dienst : de persoon of het orgaan belast met het dagelijks beheer van de dienst;7° uitzendarbeid : de tijdelijke arbeid uitgevoerd door een uitzendkracht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid, in de zin van artikel 7 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;8° opeenvolgende dagcontracten : de arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid bij eenzelfde gebruiker, die elk een looptijd van vierentwintig uur niet overschrijden, en die elkaar onmiddellijk opvolgen of hooguit gescheiden worden door een feestdag en/of door de gewone inactiviteitsdagen die binnen de dienst van de gebruiker gelden voor de categorie van personeelsleden waartoe de uitzendkracht behoort.

Art. 2.Dit besluit stelt de vormen, de na te leven procedures, de informatieverstrekking, de duur, de rapportering en de monitoring vast volgens dewelke een beroep kan worden gedaan op uitzendarbeid. HOOFDSTUK 2. - Vormen van uitzendarbeid

Art. 3.§ 1. De diensten, bedoeld in artikel 1, 3°, kunnen een beroep doen op uitzendarbeid in de volgende gevallen : 1° de tijdelijke vervanging van een contractueel personeelslid van wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst is;2° de tijdelijke vervanging van een contractueel personeelslid van wie de arbeidsovereenkomst beëindigd is;3° de tijdelijke vervanging van een contractueel personeelslid, die met toepassing van artikel 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, zijn arbeidsprestaties heeft verminderd voor zover de wijziging van de arbeidsvoorwaarden niet voor een onbepaalde tijd werd gesloten;4° de tijdelijke vervanging van een statutair personeelslid die zijn functie niet of slechts deeltijds uitoefent;5° de tijdelijke vermeerdering van werk;6° de uitvoering van een uitzonderlijk werk; § 2. De autonome overheidsbedrijven in sectoren opengesteld voor mededinging bedoeld in artikel 54/1 van de wet van 21 maart 1991 kunnen een beroep doen op uitzendarbeid met als doel een uitzendkracht ter beschikking te stellen van het autonome overheidsbedrijf voor de invulling van een vacante betrekking, om na afloop van de periode van terbeschikkingstelling de uitzendkracht vast in dienst te laten nemen door het autonome overheidsbedrijf voor diezelfde betrekking. § 3. Een uitzendbureau mag geen uitzendkrachten bij een gebruiker tewerkstellen of aan het werk houden in geval van staking of lock-out. § 4. Opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid bij eenzelfde gebruiker zijn toegestaan voor zover de nood aan flexibiliteit voor het gebruik van dergelijke opeenvolgende dagcontracten kan worden bewezen door de gebruiker.

Onder nood aan flexibiliteit in de zin van het vorige lid dient te worden verstaan : wanneer het werkvolume bij de gebruiker grotendeels afhankelijk is van externe factoren of het werkvolume sterk fluctueert of gekoppeld is aan de aard van de opdracht. HOOFDSTUK 3. - Procedures en informatieverstrekking

Art. 4.§ 1. Telkens een dienst, bedoeld in artikel 1, 3°, en die tevens ressorteert onder het gebied van een sectorcomité, in toepassing van artikel 4, § 2 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, een beroep wenst te doen op uitzendarbeid bedoeld in artikel 3, § 1, 2° en 5°, of op uitzendarbeid voor de uitvoering van uitzonderlijk werk zoals bedoeld in artikel 2, 2° en 4° van het koninklijk besluit van 7 december 2018 inzake de definiëring van uitzonderlijk werk in uitvoering van artikel 1, § 4 van de wet van 24 juli 1987, dient hij over dit concrete beroep telkens voorafgaand te onderhandelen met de representatieve vakorganisaties in het betreffende sectorcomité.

In het geval bedoeld in artikel 2, 4° van het koninklijk besluit van 7 december 2018 inzake de definiëring van uitzonderlijk werk in uitvoering van artikel 1, § 4 van de wet van 24 juli 1987, verwittigt het hoofd van de dienst ten minste 24 uur vooraf de ambtenaar bedoeld bij het koninklijk besluit van 9 december 1987 tot aanwijzing van de ambtenaren belast met het toezicht op de uitvoering van de wet van 24 juli 1987 en van de uitvoeringsbesluiten ervan, en met het verlenen van de machtigingen bedoeld in deze wet.

Onverminderd de toepassing van de voorgaande leden en ongeacht de vorm van de uitzendarbeid, zoals bedoeld in artikel 3, § 1, brengt het hoofd van de dienst, of zijn afgevaardigde, de representatieve vakorganisaties telkens vooraf op de hoogte van de effectieve indienstnemingen van uitzendkrachten.

Uitzendkrachten mogen niet worden tewerkgesteld of aan het werk gehouden als de procedures in de voorgaande leden niet worden nageleefd. § 2. Telkens de autonome overheidsbedrijven, bedoeld in artikel 1, § 4 van de wet van 21 maart 1991, een beroep wensen te doen op uitzendarbeid bedoeld in artikel 3, § 1, 2° en 5°, of op uitzendarbeid voor de uitvoering van uitzonderlijk werk zoals bedoeld in artikel 2, 2° en 4° van het koninklijk besluit van 7 december 2018 inzake de definiëring van uitzonderlijk werk in uitvoering van artikel 1, § 4 van de wet van 24 juli 1987, dient zij over dit concrete beroep telkens voorafgaand te onderhandelen met de representatieve vakorganisaties in het betreffende paritair comité dat is opgericht in toepassing van artikel 30, § 1 van de wet van 21 maart 1991. In het geval bedoeld in artikel 2, 4° van het koninklijk besluit van 7 december 2018 inzake de definiëring van uitzonderlijk werk in uitvoering van artikel 1, § 4 van de wet van 24 juli 1987 verwittigt het hoofd van de dienst ten minste 24 uur vooraf de ambtenaar bedoeld bij het koninklijk besluit van 9 december 1987 tot aanwijzing van de ambtenaren belast met het toezicht op de uitvoering van de wet van 24 juli 1987 en van de uitvoeringsbesluiten ervan, en met het verlenen van de machtigingen bedoeld in deze wet.

Het autonoom overheidsbedrijf mag bovendien de in het voorgaande lid bedoelde werkzaamheden niet door werknemers laten uitvoeren zonder vooraf een beroep te hebben gedaan op de directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst van de plaats waar de dienst gevestigd is.

Onverminderd artikel 35 van de wet van 21 maart 1991, mogen uitzendkrachten niet worden tewerkgesteld of aan het werk gehouden als de in het eerste lid bedoelde onderhandeling resulteert in een weigering of in een gebrek aan een akkoord, of als de procedures in de voorgaande leden niet worden nageleefd. § 3. Voor de diensten, vermeld in artikel 1, 3° die niet vallen onder het toepassingsgebied van § 1, of § 2 hierboven, brengt het hoofd van de dienst, of zijn afgevaardigde, de representatieve vakorganisaties telkens vooraf op de hoogte van de effectieve indienstnemingen van uitzendkrachten en dit ongeacht de vorm van de uitzendarbeid.

Telkens deze diensten een beroep wensen te doen op de vormen van uitzendarbeid zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 2° en 5°, of op uitzendarbeid voor de uitvoering van uitzonderlijk werk zoals bedoeld in artikel 2, 2° en 4° van het koninklijk besluit van 7 december 2018 inzake de definiëring van uitzonderlijk werk in uitvoering van artikel 1, § 4 van de wet van 24 juli 1987, kan dit beroep maar gebeuren voor zover het uitzendbureau de naam en het adres van de gebruiker en zijn identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen op elektronische wijze meedeelt aan het Fonds voor bestaanszekerheid voor de uitzendkrachten.

In het geval bedoeld in artikel 2, 4° van het koninklijk besluit van 7 december 2018 inzake de definiëring van uitzonderlijk werk in uitvoering van artikel 1, § 4 van de wet van 24 juli 1987, verwittigt het hoofd van de dienst ten minste 24 uur vooraf de ambtenaar bedoeld bij het koninklijk besluit van 9 december 1987 tot aanwijzing van de ambtenaren belast met het toezicht op de uitvoering van de wet van 24 juli 1987 en van de uitvoeringsbesluiten ervan, en met het verlenen van de machtigingen bedoeld in deze wet.

De dienst mag bovendien de in het voorgaande lid bedoelde werkzaamheden niet door werknemers laten uitvoeren zonder vooraf een beroep te hebben gedaan op de directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst van de plaats waar de dienst gevestigd is.

Uitzendkrachten mogen niet worden tewerkgesteld of aan het werk gehouden als de procedures in de voorgaande leden niet worden nageleefd. HOOFDSTUK 4. - Duur van de uitzendarbeid

Art. 5.De duur van de vormen van uitzendarbeid, bedoeld in artikel 3, is toegelaten voor een maximale periode van 12 maanden, met inbegrip van de eventuele verlengingen.

In afwijking van het eerste lid bedraagt voor de autonome overheidsbedrijven in sectoren opengesteld voor mededinging bedoeld in artikel 54/1 van de wet van 21 maart 1991 de toegelaten duur van de uitzendarbeid bedoeld in artikel 3, § 1, 1° maximaal de duur van de schorsing van de arbeidsovereenkomst.

Art. 6.§ 1. De duur van de vorm van uitzendarbeid, bedoeld in artikel 3, § 2, bedraagt minstens een maand en maximaal zes maanden. § 2. Per vacante betrekking zijn niet meer dan drie pogingen voor maximaal zes maanden per uitzendkracht toegestaan binnen een periode die in totaal niet langer mag zijn dan negen maanden.

Voor de berekening van de maximale duur van negen maanden dient rekening te worden gehouden met de periodes van activiteit van de uitzendkracht bij het autonome overheidsbedrijf voor de invulling van de vacante betrekking bij het autonome overheidsbedrijf. § 3. De gebruiker die een uitzendkracht vast in dienst neemt, die hem ter beschikking is gesteld op grond van artikel 3, § 2, dient dat te doen op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. § 4. De autonome overheidsbedrijven in sectoren opengesteld voor mededinging bedoeld in artikel 54/1 van de wet van 21 maart 1991 informeren en raadplegen de representatieve vakorganisaties, vooraleer een beroep wordt gedaan op de vorm van uitzendarbeid zoals bedoeld in artikel 3, § 2. Die informatieverstrekking en raadpleging hebben betrekking op de motivering om een beroep te doen op deze vorm, de betrokken werkpost of werkposten, de betrokken functie of functies, die duidelijk moeten worden beschreven. HOOFDSTUK 5. - Rapportering en monitoring

Art. 7.§ 1. Elke dienst bezorgt jaarlijks globale informatie over de uitzendkrachten aan de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, die daarover jaarlijks een rapport bezorgt aan de bevoegde Ministers.

De bevoegde Ministers rapporteren jaarlijks aan de federale Regering en bezorgen jaarlijks respectievelijk een rapport aan het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten, aan het Comité Overheidsbedrijven, de Nationale Paritaire Commissie en de strategische bedrijfscomités bedoeld in de artikelen 115 en volgende en de artikelen 127 en volgende van wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen. § 2. In dit artikel wordt verstaan onder globale informatie over de uitzendkrachten : 1° per motief, het aantal uitzendkrachten en de uren die ze gepresteerd hebben;2° de totale kostprijs van de uitzendkrachten. HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen

Art. 8.Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van tien dagen die ingaat de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Art. 9.De Ministers zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 7 december 2018.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Ontwikkelingssamenwerking, Telecommunicatie en De Post, A. DE CROO De Minister van Mobiliteit, belast met Belgocontrol en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, Fr. BELLOT De Minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, S. LOONES


begin


Publicatie : 2019-01-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^