Koninklijk Besluit van 07 februari 2014
gepubliceerd op 18 februari 2014
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen en tot opheffing van het koninklijk besluit van 5 juni 2004 tot uitvoering van artikel 6, &s

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2014022035
pub.
18/02/2014
prom.
07/02/2014
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

7 FEBRUARI 2014. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen en tot opheffing van het koninklijk besluit van 5 juni 2004 tot uitvoering van artikel 6, § 2, derde lid en van artikel 7, § 1, derde lid en § 2, tweede lid, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, In het voorliggend besluit wordt het begrip wettelijk samenwonende ingevoegd en het begrip "samenwonende personen" wordt vervangen door het begrip "echtgenoot of wettelijk samenwonende". Op die wijze wordt het koninklijk besluit gesynchroniseerd met de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, zoals gewijzigd bij de wet van 8 december 2013. Hiertoe wordt tevens het koninklijk besluit van 5 juni 2004 tot uitvoering van artikel 6, § 2, derde lid en van artikel 7, § 1, derde lid en § 2, tweede lid, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen opgeheven omdat dit in het ontwerp van wet is opgenomen.

Om een inkomensgarantie voor ouderen te kunnen genieten moet betrokkene in België verblijven. Het voorliggend besluit voorziet een efficiëntere controle op het effectieve verblijf in België. Van de verblijfsvoorwaarde wordt ook een toekenningsvoorwaarde gemaakt. Voor personen die onafgebroken meer dan 6 maanden in het buitenland verblijven vervalt het recht op IGO. Dit houdt in dat bij een nieuw verblijf op het Belgisch grondgebied een nieuwe aanvraag nodig is.

Aldus zal een nieuw onderzoek naar de recentste bestaansmiddelen opgestart worden.

Het besluit voorziet ook in een verbeterde mogelijkheid om verder te werken. Sommige IGO-genieters willen wat bijverdienen om een betere levensstandaard te bekomen. Voor sommigen betekent het beetje inkomen extra immers een aanzienlijk verschil in levenskwaliteit. Door de huidige regeling krijgen deze personen veelal een koude douche achteraf wanneer hen, ingevolge de inkomsten, een schuld en vermindering van het IGO-bedrag wordt betekend. Om daaraan te verhelpen voorziet het besluit dat op de som van de in aanmerking te nemen beroepsinkomsten bij de vaststelling van het IGO-bedrag, 5.000 EUR vrijgesteld wordt.

De pensioenbonus zal, zoals het pensioen, voor 90 % van het uitgekeerde bedrag in aanmerking worden genomen.

De lijst met volledige vrijstellingen wordt uitgebreid met een tiende volledige vrijstelling: de toelagen, uitkeringen en bijdragen van de Gemeenschappen voor het onderbrengen van jongeren in een opvanggezin.

Het voorliggend besluit voorziet tevens enkele maatregelen die kaderen in het voorkomen van onterechte betalingen. Aldus wordt, bij overlijden, de administratieve praktijk waarbij de aangifte nalatenschap wordt opgevraagd, geformaliseerd. Wanneer een IGO-gerechtigde en/of een persoon waarmee een IGO-gerechtigde samenleeft overlijdt, stelt de Rijksdienst voor pensioenen soms op dat ogenblik vast dat de betrokkene over te veel bestaansmiddelen beschikte of een te groot vermogen had om aanspraak op het toegekende IGO te kunnen maken.

Gelet op de structuur van de FOD Financiën en de mogelijkheden inzake gegevensuitwisseling tussen deze FOD en de RVP (elektronisch of op vraag) wordt de terminologie aangepast : er wordt vermeld "de bevoegde dienst van de FOD Financiën".

Hierbij kan in antwoord op de opmerking van de Raad van State in haar advies nr. 54.724/1 van 8 januari 2014 opgemerkt worden dat de elektronische toegang tot de databanken van de FOD Financiën beperkt is tot de controle van de gegevens nodig voor de toepassing van de voormelde wet van 22 maart 2001. Bovendien dient de Rijksdienst gemachtigd te zijn krachtens de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Door de Rijksdienst wordt op vandaag bij wijze van steekproef aan IGO-genieters een verblijfsbewijs verstuurd dat zij op eer en geweten moeten invullen en terugsturen. Om de verblijfsfraude beter te kunnen bestrijden voorziet dit besluit dat de gecontroleerde personen zich in persoon op het gemeentebestuur van hun hoofdverblijfplaats moeten aanbieden binnen de 35 dagen na ontvangst van het verblijfsbewijs.

Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Pensioenen, A. DE CROO

7 FEBRUARI 2014. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen en tot opheffing van het koninklijk besluit van 5 juni 2004 tot uitvoering van artikel 6, § 2, derde lid en van artikel 7, § 1, derde lid en § 2, tweede lid, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de Grondwet, artikel 108;

Gelet op de wet van 22 maart 2001 tot instelling van de inkomensgarantie voor ouderen, laatst gewijzigd bij de wet van 8 december 2013;

Gelet op de programmawet van 27 december 2012, artikel 53;

Gelet op het koninklijk besluit van 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen;

Gelet op het koninklijk besluit van 5 juni 2004 tot uitvoering van artikel 6, § 2, derde lid en van artikel 7, § 1, derde lid en § 2, tweede lid, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 31 januari 2013;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 27 februari 2013;

Gelet op het advies nr. 54.724/1 van de Raad van State, gegeven op 8 januari 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Pensioenen, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen

Artikel 1.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 juli 2006, wordt aangevuld met de bepaling onder 8°, luidende: "8° wettelijk samenwonende: de persoon die een schriftelijke verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd met toepassing van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek.".

Art. 2.Artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 oktober 2009, wordt vervangen als volgt : "

Art. 14.§ 1. De Rijksdienst kan van ambtswege de rechten op inkomensgarantie herzien wanneer hij één van de volgende feiten vaststelt: 1° de wijziging van het aantal personen die dezelfde hoofdverblijfplaats delen en wiens bestaansmiddelen en pensioenen in aanmerking komen;2° de wijziging van het aantal minderjarige kinderen en meerderjarige kinderen waarvoor kinderbijslag wordt genoten;3° een wijziging in de bestaansmiddelen;4° nieuwe bewijselementen met betrekking tot de eerder al dan niet in aanmerking genomen bestaansmiddelen;5° nieuwe bewijselementen met betrekking tot de eerder al dan niet in aanmerking genomen bestaansmiddelen, ingevolge het overlijden van de gerechtigde op inkomensgarantie die zijn hoofdverblijfplaats niet deelt conform de bepaling van artikel 6, § 2 van de wet;6° een wijziging in het bedrag van de pensioenen, die uitsluitend voortspruit uit een nieuwe toekenningsbeslissing;in dit geval wordt de beslissing herzien, rekening houdend met deze wijziging, zonder dat wordt overgegaan tot een nieuw onderzoek van de bestaansmiddelen.

Het recht op inkomensgarantie wordt, in voorkomend geval, herzien vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de wijziging zich heeft voorgedaan. § 2. Indien de onder paragraaf 1, 1°, bedoelde gebeurtenis te wijten is aan het overlijden van de gerechtigde of van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die met hem dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, gaat de Rijksdienst over tot een nieuw onderzoek van de inkomensgarantie van de langstlevende gerechtigde, rekening houdend met de uit de nalatenschap werkelijk ontvangen goederen en stuurt hem een nieuwe beslissing.

Dit nieuw onderzoek naar de bestaansmiddelen beperkt zich tot de goederen die hij of de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die met hem dezelfde hoofdverblijfplaats deelde, van de in het eerste lid bedoelde overledene werkelijk ontvangen heeft en die zich bij de andere, als ongewijzigd beschouwde bestaansmiddelen en persoonlijke pensioenen zullen voegen.

Indien de langstlevende gerechtigde het bewijs levert dat hij geen goed uit de nalatenschap van de in het eerste lid bedoelde overledene heeft ontvangen, maakt de inkomensgarantie het voorwerp uit van een nieuwe beslissing, waarbij geen rekening gehouden wordt met de bestaansmiddelen van de overledene.

In afwachting van de in het eerste lid bedoelde nieuwe beslissing, wordt de inkomensgarantie herberekend en betaald onder de vorm van terugvorderbare voorschotten. Voor de vaststelling van het bedrag van de voorschotten, worden de bestaansmiddelen van de overledene geacht voor een gelijk deel toe te behoren aan de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende die met de overledene dezelfde hoofdverblijfplaats deelde.

Indien, gelet op de werkelijke erfopvolging, de langstlevende gerechtigde meent aanspraak te kunnen maken op een hoger voorschot, verstuurt hij aan de Rijksdienst een afschrift van de aangifte van de nalatenschap of van elk ander document dat het bewijs levert van de wijze waarop de nalatenschap vereffend is. In voorkomend geval zet de Rijksdienst het bedrag van de voorschotten recht. § 3. Indien de gebeurtenis bedoeld onder paragraaf 1, 1°, te wijten is aan het feit dat de gerechtigde of de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die met hem dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, wordt opgenomen in een rusthuis, in een rust- en verzorgingstehuis of in een psychiatrische verzorgingsinstelling, worden, zonder nieuw onderzoek ten gronde van de bestaansmiddelen: 1° voor de opgenomen persoon enkel de persoonlijke bestaansmiddelen en pensioenen in aanmerking genomen voor de vaststelling van de inkomensgarantie;2° voor de andere gerechtigde enkel de persoonlijke bestaansmiddelen en pensioenen in aanmerking genomen. De in aanmerking te nemen bedragen van de bestaansmiddelen en de pensioenen stemmen overeen met deze die voor de meest recente beslissing of herziening in aanmerking genomen werden. Ieder van de gerechtigden wordt met een gewone brief van de nieuwe beslissing in kennis gesteld. § 4. Indien de onder paragraaf 1, 1°, bedoelde gebeurtenis te wijten is aan het overlijden van de gerechtigde of van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die met hem dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, kan de Rijksdienst postuum overgaan tot een nieuw onderzoek van het eerder vastgestelde recht op inkomensgarantie van de gerechtigde en/of echtgenoot of wettelijk samenwonende, rekening houdend met de nieuwe bewijselementen inzake de bestaansmiddelen voortspruitend uit de nalatenschap teneinde een nieuwe beslissing te versturen. § 5. Indien de onder paragraaf 1, 4°, bedoelde gebeurtenis te wijten is aan het overlijden van de gerechtigde die de hoofdverblijfplaats niet deelt conform de bepaling van artikel 6 § 2 van de wet, kan de Rijksdienst postuum overgaan tot een nieuw onderzoek van het eerder vastgestelde recht op inkomensgarantie van de overleden gerechtigde, rekening houdend met de nieuwe bewijselementen inzake de bestaansmiddelen voortspruitend uit de nalatenschap teneinde een nieuwe beslissing te versturen.".

Art. 3.Artikel 15 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt: "

Art. 15.§ 1. De Rijksdienst gaat, in voorkomend geval, over tot een onderzoek naar de bestaansmiddelen; te dien einde zendt hij aan de aanvrager een formulier van aangifte van bestaansmiddelen.

Indien de aanvrager met de echtgenoot of de wettelijk samenwonende dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, wordt aan ieder een formulier van aangifte van bestaansmiddelen toegezonden.

De aanvrager en de echtgenoot of de wettelijk samenwonende waarmee hij dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, moeten nauwkeurig antwoorden op de verschillende gestelde vragen, bevestigen dat de verstrekte inlichtingen oprecht en volledig zijn en het nazicht ervan toelaten.

Zij ondertekenen hun formulier en voegen ieder hun meest recente aanslagbiljet van de inkomstenbelastingen bij, evenals een door hen voor waar verklaarde lijst met opgave van de roerende en onroerende goederen die ten bezwarende titel of om niet werden afgestaan en de zakelijke rechten die zij op deze roerende en onroerende goederen konden laten gelden. De lijst wordt gestaafd door een afschrift van de verkoops-, schenkings- of notariële akte.

De aanvrager en de echtgenoot of de wettelijk samenwonende waarmee hij dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, zijn ertoe gehouden dat formulier in te vullen en samen met de gevraagde bewijsstukken terug te zenden binnen de maand na de ontvangst ervan.

Indien de aanvrager en/of de echtgenoot of de wettelijk samenwonende waarmee hij dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, niet voldoet aan de bij het vorige lid bedoelde verplichting, wordt hem een herinnering gezonden; indien hij aan deze herinnering geen gevolg geeft binnen een termijn van één maand, wordt de inkomensgarantie geweigerd. § 2. De gerechtigde op de inkomensgarantie dient de bij artikel 5, § 1, derde lid, van de wet beoogde aangifte in bij de Rijksdienst.

De bij het eerste lid beoogde aangifte moet de datum, de aard en het bedrag vermelden van de wijziging die zich in de in aanmerking te nemen bestaansmiddelen heeft voorgedaan.".

Art. 4.In hoofdstuk 2, afdeling 7, van hetzelfde besluit wordt een artikel 15/1 ingevoegd luidende: "

Art. 15/1.De Rijksdienst kijkt de inlichtingen meegedeeld door de aanvrager evenals door de echtgenoot of de wettelijk samenwonende waarmee hij dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, na via een elektronische toegang tot de databanken van de FOD Financiën. Deze toegang is beperkt tot de gegevens nodig voor de controle van inlichtingen bedoeld in de wet en dit besluit, met naleving van de machtiging van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.".

Art. 5.Artikel 16 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : "

Art. 16.Wanneer de procedure voorzien in artikel 15/1 niet toelaat om alle gegevens te verzamelen die nodig zijn voor de controle van de in artikel 15 bedoelde aangifte, wordt deze voor nazicht doorgestuurd aan de bevoegde dienst van de FOD Financiën."

Art. 6.Artikel 17 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt: " Art 17. De bevoegde dienst van de FOD Financiën deelt de door de Rijksdienst gevraagde gegevens mee. De bevoegde dienst is ertoe gehouden alle inlichtingen te geven betreffende de roerende en onroerende goederen waarvan de aanvrage en de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die met hem dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, eigenaar of vruchtgebruiker zijn of geweest zijn.

De bevoegde dienst van de FOD Financiën verstrekt alle gegevens die in zijn bezit zijn, inzonderheid die betreffende de hypothecaire leningen en renten, evenals de roerende waarden van de aanvrager en de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die met hem dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, die door een aangifte van nalatenschap, een akte van verdeling of van vereffening, een akte verschenen in de verzameling van akten van vennootschappen of door gelijk welke andere akte werden bekendgemaakt.".

Art. 7.Artikel 18 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : "

Art. 18.De bevoegde dienst van de FOD Financiën stelt de Rijksdienst in kennis van elke wijziging die zich zou voordoen in de vermogenstoestand van de belanghebbende en/of van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die met hem dezelfde hoofdverblijfplaats deelt.

Hij is ertoe gehouden naar aanleiding van het overlijden van een in het eerste lid vermelde persoon, de Rijksdienst kennis te geven van de aanslag inzake nalatenschap.

Hij is ertoe gehouden, indien hij in toepassing van artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek ertoe bevoegd is, de Rijksdienst kennis te geven van de bevoegde notaris aan wie de erfgenamen vragen om een akte of een attest van erfopvolging op te stellen.".

Art. 8.In de artikelen 19, 21, 22, 27, 28 en 30 van hetzelfde besluit worden de woorden "de personen" telkens vervangen door de woorden "de echtgenoot of de wettelijk samenwonende".

Art. 9.Artikel 19 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 juli 2002 en 5 augustus 2006 wordt aangevuld met de bepaling onder 10°, luidende: "10° de toelagen, uitkeringen en bijslagen van de Gemeenschappen voor het onderbrengen van jongeren in een opvanggezin.".

Art. 10.In artikel 20 van hetzelfde besluit worden de woorden "iedere persoon" telkens vervangen door de woorden "de echtgenoot of de wettelijk samenwonende".

Art. 11.Artikel 22/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 24 oktober 2013 wordt vervangen als volgt: "

Art. 22/1.Bij het in mindering brengen van de bonus, bedoeld in de artikelen 3, 3/1, 7 en 7bis van de wet betreffende het generatiepact van 23 december 2005 en het als dusdanig geldend voordeel in de regeling openbare sector, op het bedrag van de inkomensgarantie, wordt rekening gehouden met 90 % van het bedrag waarop de aanvrager en/of de echtgenoot of de wettelijk samenwonende waarmee hij dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, gerechtigd zijn.".

Art. 12.In hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 2 van hetzelfde besluit wordt een artikel 22/2 ingevoegd, luidende: "

Art. 22/2.Bij het in mindering brengen van de beroepsinkomsten als werknemer en/of zelfstandige van de aanvrager en/of van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende overeenkomstig de artikelen 27, 28, 29 en 31 op het bedrag van de inkomensgarantie, wordt op dit totaal bedrag inzake beroepsinkomsten een vrijstelling van 5.000 EUR toegepast en dit na toepassing van artikel 27, 28, 29 en 31".

Art. 13.In artikel 23 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid, worden de woorden "de personen" telkens vervangen door de woorden "de echtgenoot of de wettelijk samenwonende";2° in het tweede lid, worden de woorden "de personen" vervangen door de woorden "de echtgenoot of de wettelijk samenwonende".

Art. 14.In de artikelen 25 en 31 van hetzelfde besluit worden de woorden "één of meerdere personen" telkens vervangen door de woorden "de echtgenoot of de wettelijk samenwonende".

Art. 15.In artikel 26, tweede lid van hetzelfde besluit worden de woorden "artikel 6, § 2" vervangen door de woorden "artikel 6, §§ 2 en 3".

Art. 16.In artikel 29 van hetzelfde besluit worden de woorden "de personen die met hem dezelfde hoofdverblijfplaats delen" vervangen door de woorden "de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die met hem dezelfde hoofdverblijfplaats deelt".

Art. 17.In artikel 32 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 en 2, worden de woorden "de personen" telkens vervangen door de woorden "de echtgenoot of de wettelijk samenwonende";2° in de Franstalige versie van paragraaf 2 worden de woorden "de ces personnes dans ces biens avec qui il partage la même résidence principale " vervangen door de woorden "du conjoint ou du cohabitant légal avec qui il partage la même résidence principale dans ces biens".

Art. 18.In artikel 33 van hetzelfde besluit worden de woorden "de personen" telkens vervangen door de woorden "de echtgenoot of de wettelijk samenwonende".

Art. 19.Artikel 34 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt: "

Art. 34.§ 1. In geval van afstand onder bezwarende titel van een onroerend goed en onverminderd de bepalingen van het artikel 33, wordt voor zover het een in artikel 23 bedoeld onroerend goed betreft, een jaarbedrag van 1.250 euro of van 2.000 euro van de verkoopwaarde afgetrokken naargelang aan de aanvrager een inkomensgarantie krachtens artikel 6, § 1, of 6, §§ 2 en 3, van de wet wordt toegekend.

Het aftrekbaar bedrag wordt berekend in verhouding tot het aantal maanden begrepen tussen de eerste van de maand die volgt op de datum van de afstand en de ingangsdatum van de inkomensgarantie. § 2. De verkoopwaarde wordt uitsluitend van ambtswege, eenmaal per jaar op de verjaardag van de ingangsdatum van de inkomensgarantie met één van de in paragraaf 1 bedoelde bedragen verminderd. Te dien einde wordt op 1 januari van het beschouwde jaar nagegaan of de aanvrager nog aan de in artikel 6, § 1, of 6, §§ 2 en 3, bedoelde voorwaarden voldoet."

Art. 20.In artikel 36 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, worden de woorden "de personen" vervangen door de woorden "de echtgenoot of de wettelijk samenwonende";2° in de Franstalige versie van paragraaf 1 worden de woorden "de ces personnes " vervangen door de woorden "du conjoint ou du cohabitant légal";3° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, worden de woorden "de personen" vervangen door de woorden "de echtgenoot of de wettelijk samenwonende";4° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "iedere persoon" vervangen door de woorden "de echtgenoot of de wettelijk samenwonende".

Art. 21.In hoofdstuk 3 van hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling 3 aangevuld met de woorden "en de bonus".

Art. 22.Artikel 37 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : "

Art. 37.Voor de toepassing van artikel 12 van de wet wordt het bedrag van het pensioen en de bonus bedoeld in de artikelen 3, 3/1, 7 en 7bis van de voormelde wet van 23 december 2005 en het als dusdanig geldend voordeel in de regeling openbare sector, in aanmerking genomen dat uitbetaald geweest zou zijn vóór de vermindering of schorsing van de van de uitkering: 1° die het voorwerp uitmaakt van een vermindering om reden van de terugvordering van een onverschuldigd uitbetaald bedrag; 2° waarvan de uitbetaling geschorst is ten titel van sanctie.".

Art. 23.Artikel 38 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : "

Art. 38.Met uitsluiting van de bonus, bedoeld in de artikelen 3, 3/1, 7 en 7bis van de voormelde wet van 23 december 2005 en het als dusdanig geldend voordeel in de regeling openbare sector, worden de toeslagen die niet als een integrerend bestanddeel van het pensioen worden beschouwd, niet in mindering gebracht op de inkomensgarantie.".

Art. 24.In artikel 39, eerste lid van hetzelfde besluit worden de woorden "en volgens artikel 22/1 vastgestelde bonus en het als dusdanig geldend voordeel in de regeling openbare sector" ingevoegd tussen de woorden "volgens artikel 22 vastgestelde pensioenbedrag" en de woorden "nadat dit, in voorkomend geval".

Art. 25.Artikel 42 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : "

Art. 42.§ 1. Wordt geacht zijn werkelijke verblijfplaats, bedoeld in artikel 1, 5°, in België te hebben de gerechtigde die er zijn hoofdverblijfplaats heeft en die er bestendig en daadwerkelijk verblijft.

Met het oog op de betaling van de inkomensgarantie wordt met bestendig en daadwerkelijk verblijf in België gelijkgesteld 1° het verblijf in het buitenland gedurende ten hoogste negenentwintig al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar;2° het verblijf in het buitenland gedurende dertig al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar of langer, ten gevolge van een toevallige en tijdelijke opname in een ziekenhuis of een andere instelling voor zorgverstrekking;3° het verblijf in het buitenland gedurende dertig al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar of langer, voor zover uitzonderlijke omstandigheden dit verblijf wettigen en op voorwaarde dat het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Pensioenen hiertoe de toelating heeft verleend. Wanneer de in het eerste lid, 1°, bedoelde periode wordt overschreden en onverminderd de bepalingen van het eerste lid, 2°, wordt de uitbetaling van de inkomensgarantie geschorst voor elke kalendermaand tijdens welke de gerechtigde niet ononderbroken in België verblijft en die volgt op de in het eerste lid, 1° bedoelde periode. § 2. De inkomensgarantie voor ouderen vervalt zodra de gerechtigde voor een ononderbroken periode van meer dan zes maanden in het buitenland verblijft of niet meer ingeschreven is in een Belgische gemeente.

Het verblijf in het buitenland voor een ononderbroken periode van meer dan zes maanden wordt vastgesteld ofwel op basis van de afvoering van ambtswege in toepassing van artikel 8 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en identiteitskaarten ofwel op basis van feiten. Ingeval van vaststelling op basis van feiten kan de gerechtigde het tegenbewijs leveren dat hij werkelijk in België verbleef.

Bij zijn terugkeer kan hij overeenkomstig de bepalingen van afdeling 1 en 2 van hoofdstuk 2 opnieuw een aanvraag indienen. § 3. De gerechtigde op de inkomensgarantie die het Belgische grondgebied verlaat is verplicht de Rijksdienst daarvan voorafgaandelijk in te lichten. § 4. De controle op de bepalingen van de §§ 1, 2 en 3 gebeurt door elke maand aan een deel van de gerechtigden voor wie de inkomensgarantie op een financiële rekening wordt betaald bij wijze van steekproef een verblijfsbewijs te versturen. Van deze controle worden de gerechtigden uitgesloten: 1° die opgenomen zijn in een rusthuis, rust- en verzorgingstehuis of in een psychiatrische verzorgingsinstelling;2° of die de leeftijd van 80 jaar hebben bereikt. De gerechtigde biedt zich in persoon in het bezit van zijn identiteitskaart aan op het gemeentebestuur van zijn hoofdverblijfplaats, waar zijn aanwezigheid op het grondgebied door de bevoegde ambtenaar op het door de Rijksdienst ter beschikking gestelde verblijfsbewijs wordt bevestigd en dit binnen 35 dagen na ontvangst van het verblijfsbewijs.

De gerechtigde die langer dan de in paragraaf 1, eerste lid, 1° bedoelde duur in het buitenland heeft verbleven, levert het bewijs van zijn terugkeer naar het Belgische grondgebied door zich spontaan op het gemeentebestuur van zijn hoofdverblijfplaats aan te bieden om er de in het tweede lid bedoelde formaliteiten te vervullen.". HOOFDSTUK 2. - Slotbepalingen

Art. 26.Het koninklijk besluit van 5 juni 2004 tot uitvoering van artikel 6, § 2, derde lid en van artikel 7, § 1, derde lid en § 2, tweede lid, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen wordt opgeheven.

Art. 27.§ 1. Hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2014: 1° artikel 52 van de programmawet van 27 december 2012;2° dit besluit. § 2. De personen voor wie de inkomensgarantie ingaat vóór 1 januari 2014 blijven het hen toegekend bedrag behouden tot op het ogenblik dat voor hen, ambtshalve of op aanvraag, een herzieningsbeslissing van de inkomensgarantie voor ouderen wordt genomen en dit naar aanleiding van nieuwe feiten die zich voordoen ten vroegste op 1 januari 2014.

Art. 28.De minister bevoegd voor Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 7 februari 2014 FILIP Van Koningswege : De Minister van Pensioenen, A. DE CROO

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^