Koninklijk Besluit van 07 januari 1998
gepubliceerd op 07 maart 1998
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot invoeging van een bijlage 10ter in de bijlagen bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen

bron
ministerie van binnenlandse zaken
numac
1998000072
pub.
07/03/1998
prom.
07/01/1998
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

7 JANUARI 1998. Koninklijk besluit tot invoeging van een bijlage 10ter in de bijlagen bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, inzonderheid op de artikelen 51/5 en 51/6, ingevoegd door de wet van 15 juli 1996;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, inzonderheid op de artikelen 22/2 en 71/3, §§ 2 en 3, ingevoegd door het koninklijk besluit van 11 december 1996;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen door de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd door de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid gemotiveerd door het feit dat ten gevolge van het Protocol betreffende de gevolgen van de inwerkingtreding van de Overeenkomst van Dublin voor een aantal bepalingen van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, gedaan te Bonn op 26 april 1994 en goedgekeurd door de wet van 27 juni 1996, de bepalingen van hoofdstuk 7, van titel II, van de Uitvoeringsovereenkomst van het Akkoord van Schengen van 19 juni 1990, sedert 1 september 1997, datum van inwerkingtreding van de op 15 juni 1990 te Dublin ondertekende Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij één van de Lidstaten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend, opgehouden zijn van toepassing te zijn;

Gelet op de verklaring van 19 december 1996 van het Uitvoerend Comité, ingesteld voor de toepassing van de Uitvoeringsovereenkomst van het Akkoord van Schengen, waarin gesteld wordt dat de Staten die Partij zijn bij de Uitvoeringsovereenkomst van het Akkoord van Schengen, de Staat zullen vaststellen die verantwoordelijk is voor de behandeling van voor de inwerkingtreding van de Overeenkomst van Dublin daterende asielverzoeken, op grond van de op het ogenblik van indiening van het verzoek geldende bepalingen, te weten de bepalingen van titel II, hoofdstuk 7, van de Uitvoeringsovereenkomst van het Akkoord van Schengen, en waarin geoordeeld werd dat de relevante bepalingen van de Overeenkomst van Dublin voor deze asielverzoeken buiten toepassing blijven;

Gelet op de artikelen 22/2, tweede lid, en 71/3, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, waarin opgenomen is dat wanneer een vreemdeling of een asielzoeker dient overgedragen te worden aan de Staat die verantwoordelijk is in de zin van de Uitvoeringsovereenkomst van het Akkoord van Schengen, hij in het bezit gesteld wordt van een doorlaatbewijs, overeenkomstig het model van bijlage 10 bis bij hetzelfde besluit en dat afgeleverd wordt in toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 7 van titel II van de Uitvoeringsovereenkomst van het Akkoord van Schengen van 19 juni 1990;

Gelet op het feit dat een vreemdeling wiens asielaanvraag dateert van na 1 september 1997 eveneens in het bezit gesteld dient te worden van een doorlaatbewijs om overgedragen te worden aan de Staat die verantwoordelijk is in de zin van Overeenkomst van Dublin, dit in toepassing van de artikelen 11 en 13 van de op 15 juni 1990 ondertekende Overeenkomst van Dublin betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij één van de Lidstaten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend;

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.De bijlage 10 ter, gevoegd bij dit besluit, wordt ingevoegd in de bijlagen bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Art. 2.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997.

Art. 3.Onze Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen tot zijn bevoegdheid heeft, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 7 januari 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, J. VANDE LANOTTE Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 7 januari 1998 tot wijziging van Ons besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, J. VANDE LANOTTE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^