Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 07 januari 2002
gepubliceerd op 31 januari 2002

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 15 mei 1997, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, betreffende het nationaal akkoord 1997-1998

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
2001013248
pub.
31/01/2002
prom.
07/01/2002
ELI
eli/besluit/2002/01/07/2001013248/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

7 JANUARI 2002. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 15 mei 1997, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, betreffende het nationaal akkoord 1997-1998 (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 15 mei 1997, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, betreffende het nationaal akkoord 1997-1998.

Art. 2.Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 7 januari 2002.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid Collectieve arbeidsovereenkomst van 15 mei 1997 Nationaal akkoord 1997-1998 (Overeenkomst geregistreerd op 17 juni 1997 onder het nummer 44261/CO/209) HOOFDSTUK I. - Werkzekerheid Werkzekerheidsclausule

Artikel 1.Voor de duur van het akkoord zal in geen enkele onderneming overgegaan worden tot collectief ontslag vooraleer alle andere tewerkstellingsbehoudende maatregelen uitgeput zijn.

Indien er zich echter onvoorziene en onvoorzienbare economische en/of financiële omstandigheden zouden voordoen waardoor deze maatregelen economisch onhoudbaar worden, zal de toestand paritair onderzocht worden op het gepaste niveau om een oplossing na te streven.

Bij ontstentenis van conventionele of wetgevende initiatieven op interprofessioneel vlak komen de partijen overeen op sectoraal vlak de nodige initiatieven te nemen teneinde de procedure van overleg bij sluiting te versterken.

In geval van herstructurering zal de vakbondsafvaardiging voor bedienden in de onderneming het recht krijgen voorlichtingsvergaderingen voor het bediendepersoneel te organiseren volgens de bepalingen van artikel 13, § 2.

Ontslagbegeleiding

Art. 2.Elke bediende die ontslagen wordt als gevolg van een collectief ontslag in de zin van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 10 van de Nationale Arbeidsraad, heeft recht op ontslagbegeleiding binnen de limieten van de in de regionale paritaire opleidingsfondsen beschikbare middelen.

De regionale paritaire opleidingsfondsen zullen vóór 31 december 1997 binnen de hun ter beschikking staande middelen, op hun vlak de verdere modaliteiten van organisatie van de ontslagbegeleiding bepalen. HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen inzake werkgelegenheid Paritaire fondsen

Art. 3.§ 1. De bijdrage voor risicogroepen wordt voor het jaar 1997 en 1998 bepaald op 0,10 pct. op nationaal vlak en wordt geïnd door de v.z.w. "Paritair instituut voor de naschoolse opleiding van de Metaalverwerkende nijverheid - bedienden", afgekort "INOM-bedienden".

Teneinde de inning ervan te vereenvoudigen wordt het bedrag ervan forfaitair vastgesteld op 1 250 BEF per jaar per werknemer tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst van bedienden.

De opbrengst van de aldus door de v.z.w. "INOM-bedienden" geïnde bijdrage voor risicogroepen zal integraal doorgestort worden aan de paritaire opleidingsfondsen voor de bedienden die op provinciaal of subgewestelijk vlak bestaan. De opleidingsfondsen zullen deze middelen aanwenden voor de opleiding en tewerkstelling van risicogroepen. § 2. Ondernemingen, gelegen in de provincies of subregio's waar in 1991 en/of 1992 geen collectieve arbeidsovereenkomst gesloten werd inzake de bijdrage voor de risicogroepen, en die voor 16 maart 1993 een eigen collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsvlak gesloten hebben inzake opleiding en tewerkstelling voor risicogroepen, en die nog steeds geheel of gedeeltelijk van toepassing is voor de jaren 1997 en 1998, kunnen in 1997 en 1998 geheel of gedeeltelijk vrijgesteld worden van de betaling van de bijdrage, bepaald in § 1, mits voorlegging van de op ondernemingsvlak terzake gesloten collectieve arbeidsovereenkomst aan het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid. § 3. Al de provinciale en subregionale collectieve arbeidsovereenkomsten die betrekking hebben op de uitbreiding van het begrip "risicogroepen" worden verlengd tot 31 december 1998. § 4. Het forfaitair bedrag van 650 BEF aan de v.z.w. "INOM-bedienden" bestemd voor de opleiding van bedienden, op nationaal vlak ingesteld door artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 mei en 19 oktober 1987 (koninklijk besluit van 10 maart 1988 - Belgisch Staatsblad van 12 april 1988), en gewijzigd door de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 januari 1988 (koninklijk besluit van 21 september 1988 - Belgisch Staatsblad van 25 november 1988) wordt gebracht op 900 BEF vanaf het jaar 1997.

Van dit forfaitair bedrag van 900 BEF zullen 650 BEF tussen de beheerscomités bevoegd voor het Nederlandstalig en het Franstalig landgedeelte verdeeld worden volgens de geldende criteria (60/40). De opbrengst van de overige 250 BEF zal verdeeld worden tussen de paritaire opleidingsfondsen voor de bedienden die op provinciaal of subgewestelijk vlak bestaan op basis van het aantal bedienden. Deze laatste bijdrage kan echter alleen aangewend worden mits akkoord van het bevoegd beheerscomité INOM-bedienden.

De bepalingen van deze paragraaf gelden voor onbepaalde duur.

Brugpensioen

Art. 4.§ 1. Vanaf 1 april 1997 tot 31 december 1998 wordt de leeftijd van het brugpensioen op 58 jaar gebracht, op voorwaarde dat de bediende een beroepsloopbaan van 25 jaar kan bewijzen.

Deze brugpensioenregeling wordt gesloten in overeenstemming met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van de Nationale Arbeidsraad.

Ze geldt voor de bedienden van 58 jaar en ouder die door de werkgever worden ontslagen, behalve wegens dringende redenen, in de zin van de wet op de arbeidsovereenkomsten. Het bedrag van de aanvullende vergoedingen is gelijk aan de helft van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering. § 2. Voor de periode van 1 juni 1997 tot 31 december 1998 wordt de leeftijd van het brugpensioen zoals voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 verlaagd tot 55 jaar in 1997 en 56 jaar in 1998 voorzover de bediende in toepassing van de brugpensioenreglementering 33 jaar beroepsverleden als loontrekkende kan rechtvaardigen en 20 jaar gewerkt heeft in een nachtregeling zoals bepaald bij collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46.

Tewerkstellingsevolutie

Art. 5.Het paritair comité zal de nodige initiatieven nemen om de evolutie van de tewerkstelling van de bedienden op te volgen. HOOFDSTUK III. - Modules van arbeidsherverdeling Voorwerp

Art. 6.Dit hoofdstuk wordt overeengekomen ter uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen en van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2; 30, § 2; en 33 van bovengenoemde wet.

Dit hoofdstuk houdt arbeidsbevorderende maatregelen zonder directe werking in.

Principe

Art. 7.§ 1. Ondernemingen met meer dan vijf bedienden Elke werkgever die op 30 april 1997 meer dan vijf werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bedienden tewerkstelt is verplicht vóór 31 december 1997 één arbeidsherverdelende module te kiezen van een collectieve arbeidsovereenkomst of via toetredingsakte, met inachtname van de procedure beschreven in artikel 9.

De werkgever die wil genieten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid-verminderingen voorzien in de wet van 26 juli 1996 en het koninklijk besluit van 24 februari 1997 moet daarenboven minstens 1 bijkomende arbeidsherverdelende module kiezen via collectieve arbeidsovereenkomst of toetredingsakte, volgens de hierna volgende procedure. Overeenkomstig de wettelijke bepalingen zullen de RSZ-verminderingen slechts in voege treden het kwartaal volgend op de goedkeuring door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. § 2. Ondernemingen met vijf of minder bedienden De werkgever die op 30 april 1997 vijf of minder werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bedienden tewerkstelt, is niet verplicht één van de arbeidsherverdelende modules, beschreven in artikel 10, te kiezen.

De werkgever die echter wil genieten van de RSZ-verminderingen voor bijkomende netto-aanwervingen voorzien in de wet van 26 juli 1996 en het koninklijk besluit van 24 februari 1997 moet minstens 2 arbeidsherverdelende modules kiezen, volgens de hierna volgende procedure.

Procedure

Art. 8.§ 1. Ondernemingen met een vakbondsafvaardiging voor bedienden A. Keuze van één enkele module De werkgever moet, na overleg met zijn vakbondsafvaardiging, via de als bijlage gevoegde toetredingsakte één van de in artikel 9 vermelde modules kiezen en vóór 31 december 1997 doorsturen aan de voorzitter van het bevoegde gewestelijk verzoeningsbureau.

De vakbondsafvaardiging van de bedienden van de onderneming moet in elk geval op de hoogte gesteld worden van de gekozen module.

B. Keuze van meerdere modules Indien de onderneming meerdere modules wenst te kiezen om te genieten van de RSZ-verminderingen bepaald in en onder de voorwaarden van de bovengenoemde wet van 26 juli 1996 en het koninklijk besluit van 24 februari 1997, moeten op ondernemingsvlak onderhandelingen gevoerd worden om een keuze te bepalen.

Indien deze onderhandelingen uitmonden in een collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsvlak, moet deze collectieve arbeidsovereenkomst samen met de bij dit akkoord gevoegde toetredingsakte onverwijld doorgestuurd worden aan de voorzitter van het bevoegde gewestelijk verzoeningsbureau.

Indien de onderhandelingen niet op een collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsvlak uitmonden, moet de werkgever via de als bijlage gevoegde toetredingsakte twee of meer van de in artikel 9 vermelde modules kiezen en doorsturen aan de voorzitter van het bevoegde gewestelijk verzoeningsbureau en zijn vakbondsafvaardiging informeren.

In elk geval zal de toetredingsakte, naast een beknopt verslag van de op ondernemingsvlak gevoerde onderhandelingen, eveneens het gemotiveerd advies van de vakbondsafvaardiging van elke organisatie die in de onderneming vertegenwoordigd is, bevatten.

Elke werkgever zal alleszins vóór 31 december 1997 de keuze van minstens één enkele module moeten kenbaar maken. § 2. Ondernemingen zonder een vakbondsafvaardiging voor bedienden Deze ondernemingen moeten via de bijgevoegde toetredingsakte één arbeidsherverdelende module kiezen en vóór 31 december 1997 doorsturen aan de voorzitter van het bevoegde gewestelijk verzoeningsbureau.

Al de bedienden van de onderneming moeten in dit geval onmiddellijk en schriftelijk op de hoogte gesteld worden van de gekozen module.

Indien de werkgever meerdere modules wenst te kiezen, waardoor de werkgever recht heeft op de RSZ-verminderingen bepaald in en onder de voorwaarden van de bovengenoemde wet van 26 juli 1996 en het koninklijk besluit van 24 februari 1997, moet de werkgever hierover voorafgaandelijk overleg plegen met zijn bediendepersoneel. Hiertoe informeert hij voorafgaandelijk aan de keuze schriftelijk alle bedienden van zijn onderneming.

Gedurende een periode van acht dagen die ingaat vanaf de schriftelijke mededeling, stelt de werkgever een register ter beschikking waarin de bedienden hun opmerkingen kunnen formuleren. De werkgever dient zijn keuze door te sturen aan de voorzitter van het bevoegde gewestelijk verzoeningsbureau. Hij doet dit via de als bijlage bij dit akkoord gevoegde toetredingsakte, waaraan het register met opmerkingen wordt gehecht. § 3. Opdracht van de bevoegde gewestelijke verzoeningsbureaus De toetredingsakten die slechts één enkele module bevatten worden geïnventariseerd door het bevoegde gewestelijk verzoeningsbureau en deze inventaris wordt overgemaakt aan de voorzitter van het paritair comité.

Over de toetredingsakten die meerdere modules bevatten moeten de gewestelijke verzoeningsbureaus binnen de 4 weken na ontvangst advies verlenen, waarna de volledige dossiers in de zin van artikel 2, punt 2 van het ministerieel besluit van 17 april 1997 zullen worden neergelegd ter Griffie van de dienst collectieve arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, ter goedkeuring door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. Bij verdeeld advies van het gewestelijk verzoeningsbureau wordt de voorzitter van het paritair comité geïnformeerd. § 4. Keuze van RSZ-vermindering Ondernemingen die meerdere modules kiezen kunnen via de toetredingsakte hun keuze bekend maken over de op hun onderneming toepasbare vermindering van de RSZ voor elke bijkomende netto-aanwerving van bedienden onder de voorwaarden bepaald in bovengenoemde wet. Bij ontstentenis van keuze is de forfaitaire vermindering van toepassing.

Menu van arbeidsherverdelende modules

Art. 9.Module 1 : Vrijwillige individuele overstap naar een deeltijdse arbeidsregeling § 1. Iedere bediende heeft het recht om op vrijwillige basis over te stappen naar één van de volgende arbeidsregelingen : a. deeltijdse arbeid à rato van 4 dagen op 5 (80 pct.van een voltijdse regeling); b. halftijdse arbeid (50 pct.van een voltijdse regeling).

Indien deze deeltijdse arbeidsregelingen nog niet opgenomen werden in het arbeidsreglement, zal dit in deze zin aangepast worden. § 2. Elke onderneming kan op zijn niveau, naast de arbeidsregelingen bepaald in § 1, andere bijkomende keuzeformules van minstens halftijdse arbeid in het arbeidsreglement vaststellen.

Ingeval de werkgever meerdere regelingen vaststelt, heeft de bediende recht over te stappen naar de arbeidsregeling van zijn keuze. § 3. Het toepassingsgebied van het recht op deeltijdse arbeid kan op ondernemingsvlak beperkt of verboden worden in bepaalde afdelingen.

Deze beperking of dit verbod mag echter niet tot gevolg hebben dat nog maar minder dan 10 pct. van het totale bediendebestand van de onderneming van het recht op deeltijdse arbeid kan genieten. § 4. De keuze is in principe definitief in hoofde van de bediende. Dit houdt in dat de arbeidsovereenkomst van de bediende wordt gewijzigd volgens de bestaande wettelijke bepalingen en dat de gekozen arbeidsregeling slechts opnieuw gewijzigd kan worden met akkoord tussen werkgever en betrokken bediende. § 5. Het werkrooster van de deeltijdse arbeid van de bediende die vrijwillig zijn arbeidstijd vermindert en dat van zijn eventuele vervanger kan variabel zijn conform artikel 11bis van de wet op de arbeidsovereenkomsten. De referteperiode voor de berekening van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur kan door collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsvlak, overeenkomstig het artikel 11bis van de wet op de arbeidsovereenkomsten, bepaald worden op één kalenderjaar.

Module 2 : Recht op een voltijdse loopbaanonderbreking § 1. Onverminderd de wettelijke en conventionele bepalingen, heeft elke bediende recht op een volledige loopbaanonderbreking. § 2. De modaliteiten voor de toekenning van dit recht op loopbaanonderbreking zijn deze van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 56 van de Nationale Arbeidsraad, met uitzondering van artikel 4 en dienen te voldoen aan de wettelijke bepalingen terzake.

Module 3 : Recht op vermindering van de arbeidsprestaties (halftijdse loopbaanonderbreking) Onder dezelfde voorwaarden als bepaald in module 2 heeft elke bediende recht op een vermindering van de arbeidsprestaties (halftijdse loopbaanonderbreking).

Module 4 : Recht op halftijdse loopbaanonderbreking voor bedienden vanaf 50 jaar § 1. Onverminderd de wettelijke en conventionele bepalingen heeft elke voltijds tewerkgestelde bediende, die de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft, recht op een definitieve vermindering van de arbeidsprestaties (halftijdse loopbaanonderbreking) tot de leeftijd van het brugpensioen of pensioen. § 2. De halftijdse loopbaanonderbreking moet worden verwezenlijkt binnen de zes maanden na de aanvraag en conform de wettelijke bepalingen.

Module 5 : Recht op halftijds brugpensioen vanaf 56 jaar § 1. Elke voltijds tewerkgestelde bediende, die in de periode van 1 juni 1997 tot 31 december 1998 de leeftijd van 56 jaar bereikt heeft, heeft recht op een halftijds brugpensioen, zoals bepaald in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 55 van de Nationale Arbeidsraad. § 2. De voorwaarden voor toekenning van dit halftijds brugpensioen zijn deze vervat in de bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst en zijn van toepassing voor de periode van 1 juni 1997 tot 31 december 1998.

Module 6 : Professionele vorming § 1. De werkgever verbindt er zich toe : - ofwel de tijd besteed aan professionele vorming voor de bedienden in de onderneming te verhogen met 1 pct. van de globale arbeidstijd van het totaal aantal bedienden; - ofwel 2 pct. van de globale arbeidstijd van het totaal aantal bedienden in de onderneming te besteden aan professionele vorming.

Onder "professionele vorming" wordt verstaan : de vorming die de kwalificatie van de bediende bevordert en beantwoordt aan de noden van de onderneming, met inbegrip van "on-the-job-training". Deze opleiding dient binnen de werkuren te gebeuren. § 2. Wanneer gekozen wordt voor de besteding aan professionele vorming van 2 pct. van de globale arbeidstijd van het totaal aantal bedienden in de onderneming, dan moet bij de collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsvlak of bij de toetredingsakte een opleidingsplan gevoegd worden dat goedgekeurd werd door de ondernemingsraad, en bij ontstentenis, door de vakbondsafvaardiging.

Wanneer gekozen wordt voor het verhogen van de professionele vorming van 1 pct. van de globale arbeidstijd van het totaal aantal bedienden in de onderneming, dan moet een opleidingsplan ter informatie medegedeeld worden aan de ondernemingsraad, bij ontstentenis aan de vakbondsafvaardiging. Dit opleidingsplan zal eveneens bij de collectieve arbeidsovereenkomst of toetredingsakte gevoegd worden.

In alle gevallen, zelfs bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, zal het opleidingsplan bij de collectieve arbeidsovereenkomst of bij de toetredingsakte gevoegd worden. § 3. Het naleven van deze verbintenis wordt gecontroleerd door de ondernemingsraad, waar deze bestaat, of bij ontstentenis, door de vakbondsafvaardiging.

Arbeidsorganisatie

Art. 10.§ 1. Principe Voor de productiegebonden bedienden kan voor de duur van het akkoord in ondernemingen met of zonder vakbondsafvaardiging de reële arbeidsduur, vastgelegd door het arbeidsreglement, verlengd of verkort worden en vervangen door speciale uurroosters overeenkomstig de bepalingen van artikel 20bis van de arbeidswet en volgens onderstaand model, op voorwaarde dat gelijkaardige speciale uurroosters voor de duur van het akkoord eveneens ingesteld werden voor de arbeiders van de productie-eenheden in dag- en tweeploegenstelsels, volgens de voor hen geldende sectorale bepalingen, waarin de bedienden tewerkgesteld zijn. § 2. Model De wekelijkse arbeidsduur kan maximum 5 uren boven of beneden de reële arbeidsduur in de onderneming liggen, zonder dat dit aanleiding geeft tot de betaling van een toeslag.

De dagelijkse arbeidsduur kan maximum 1 uur boven of onder de reële arbeidsduur in de onderneming liggen, zonder dat dit aanleiding geeft tot betaling van een toeslag.

De onderneming moet op jaarbasis de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur zoals bepaald in de in de onderneming geldende collectieve arbeidsovereenkomsten respecteren. § 3. Procedure op ondernemingsvlak De onderneming die voor de arbeiders een sectoraal model van jaartijd instelt, volgens de voor de arbeiders geldende sectorale bepalingen, en deze wenst uit te breiden tot de productiegebonden bedienden die in de betrokken productie-eenheden tewerkgesteld zijn, moet voorafgaandelijk de vakbondsafvaardiging voor bedienden, of bij ontstentenis de betrokken bedienden, de nodige informatie en motivatie geven.

Zonder dat het principe van de invoering in vraag kan worden gesteld, worden voorafgaandelijk aan de invoering met de vakbondsafvaardiging voor de bedienden concrete omkaderingsmaatregelen van toepassing op deze bedienden overeengekomen. Deze betreffen ondermeer de concrete uurroosters, de referteperiode voor de berekening van de gemiddelde arbeidstijd, de verwittigingstijd,...

Indien de onderneming bovenstaand model wenst toe te passen wordt het arbeidsreglement aangepast conform de bepalingen van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen. Deze aanpassing geldt tot uiterlijk 31 december 1998. Als de speciale uurroosters niet verlengd worden op sector- of op ondernemingsvlak, dan worden vanaf 1 januari 1999 automatisch de aangepaste bepalingen inzake jaartijd uit het arbeidsreglement geschrapt.

De aangepaste bepalingen inzake jaartijd worden eveneens uit het arbeidsreglement geschrapt bij herstructurering, tenzij anders wordt overeengekomen. HOOFDSTUK IV. - Syndicale rechten Syndicale waarborgen

Art. 11.§ 1. De jaarlijkse bijdragen aan het "Fonds voor syndicale waarborgen en het Speciaal Fonds voor bedienden", waarvan sprake in de artikelen 5 en 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 april 1985 en 14 april 1986 betreffende bovengenoemde fonds, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 7 mei 1986, worden vanaf het jaar 1998 als volgt verhoogd : - voor ondernemingen van 100 en meer bedienden : van 2 000 BEF naar 2 200 BEF; - voor ondernemingen met minder dan 100 bedienden : van 1 220 BEF naar 1 350 BEF. Het bedrag van deze bijdrage aan het "Fonds voor syndicale waarborgen en het Speciaal Fonds voor bedienden" dat de 1 200 BEF overschrijdt voor ondernemingen van 100 en meer bedienden en de 520 BEF voor ondernemingen met minder dan 100 bedienden, komt niet in aanmerking voor de berekening van de afhoudingen wegens het uitbreken van onregelmatige stakingen, zoals bepaald in het artikel 8 van bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst. § 2. Partijen komen overeen stakingen als gevolg van sluitingen of herstructureringen, indien de werkgever de wettelijke en conventionele procedures niet volgt, niet te beschouwen als onregelmatige stakingen die aanleiding kunnen geven tot afhoudingen op syndicale waarborgen, zoals bepaald in de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 april 1985 en 14 april 1986 inzake het "Fonds voor syndicale waarborgen en het Speciaal Fonds voor de bedienden". § 3. De bepalingen van dit artikel gelden voor onbepaalde duur.

Statuut van de vakbondsafvaardiging

Art. 12.§ 1. De eerste alinea van artikel 8 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 februari 1996 inzake het statuut van syndicale afvaardiging van het bediendepersoneel van ondernemingen van de metaalfabrikatennijverheid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Het aantal effectieve afgevaardigden wordt bepaald op basis van het aantal in de onderneming tewerkgestelde gebaremiseerde en baremiseerbare bedienden : tot 124 bedienden : 2 of 3 afgevaardigden; 125 tot 249 bedienden : 4 afgevaardigden; 250 tot 499 bedienden : 5 afgevaardigden; 500 en meer bedienden : 6 afgevaardigden. » § 2. Aan artikel 15 van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst wordt de volgende bepaling toegevoegd : « In geval van herstructurering echter zal de syndicale afvaardiging voor bedienden in de onderneming het recht krijgen voorlichtingsvergaderingen voor het bediendepersoneel te organiseren in de onderneming en tijdens de werkuren, mits toestemming van de werkgever. De werkgever mag zich hiertegen niet op willekeurige wijze verzetten. De duur van de vergadering mag één uur niet overschrijden.

Dagen, uren en plaatsen zullen in gemeenschappelijk overleg worden bepaald en het gekozen uur moet gelegen zijn hetzij op het einde van de werkdag, hetzij tijdens de onderbreking of in de onmiddellijke verlenging ervan. » § 3. Deze bepalingen worden ingevoerd voor onbepaalde duur. HOOFDSTUK V. - Koopkracht Weddeverhogingen

Art. 13.§ 1. In de ondernemingen zonder vakbondsafvaardiging voor bedienden worden de wedden van de voltijds tewerkgestelde gebaremiseerde en baremiseerbare bedienden vanaf 1 januari 1998 verhoogd met 650 BEF bruto per maand, na verrekening van alle andere verhogingen dan deze op basis van conventionele barema's in functie van leeftijd en anciënniteit.

Voor de deeltijds tewerkgestelde gebaremiseerde en baremiseerbare bedienden worden de effectieve wedden pro rata hun arbeidsprestaties en onder dezelfde voorwaarden als de voltijdsen verhoogd. § 2. Een enveloppe ten belope van 1 pct. van de totaliteit van de brutolonen van de gebaremiseerde en baremiseerbare bedienden wordt in de ondernemingen met een vakbondsafvaardiging van de bedienden onderhandeld. Deze onderhandeling zal op ondernemingsvlak gevoerd worden vanaf 1 september 1997. De op ondernemingsvlak tot stand gekomen afspraken worden toegepast op 1 januari 1998.

In deze enveloppe kan rekening gehouden worden met de overeenkomsten die de evolutie van de wedden regelen op ondernemingsvlak en zal de verrekening van de "merit" alleszins toegelaten zijn.

Nationale minimumweddeschalen

Art. 14.De geldende nationale minimumweddeschalen zoals bepaald door de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 april 1993 worden verhoogd met 1 pct. op 1 oktober 1997.

Nationaal plafond vervoerskosten

Art. 15.Het in artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 15 februari 1973 inzake de tussenkomst in de vervoerskosten van bedienden bepaald plafond wordt gebracht op 91 000 BEF bruto per maand op 1 september 1997 en op 95 000 BEF bruto per maand op 1 september 1998.

Deze aanpassing geldt voor onbepaalde duur.

Index

Art. 16.De collectieve arbeidsovereenkomst van 24 januari 1974 houdende koppeling van de wedden aan het prijsindexcijfer bij consumptie zal vanaf 1 mei 1997 voor onbepaalde duur aangepast worden.

In uitvoering van deze aanpassing zullen : - op 1 mei 1997 alle effectieve en baremieke wedden aangepast worden aan het indexcijfer van de consumptieprijzen op basis van de formule "viermaandelijks gemiddelde van april 1997/huidige spilindex 119,35".

Dit betekent dat op 1 mei 1997 de effectieve en baremieke wedden aangepast worden met 1,93 pct.; - op 1 juli 1998 alle effectieve en baremieke wedden aangepast worden aan het indexcijfer van de consumptieprijzen op basis van de formule "viermaandelijks gemiddelde van juni 1998/viermaandelijks gemiddelde van april 1997. » Aan de bedienden die hun hoofdvakantie nemen na de jaarlijkse indexering en die reeds hun dubbel vakantiegeld hebben ontvangen voor deze datum wordt een aanvulling betaald conform de wettelijke bepalingen.

Uitzonderingen

Art. 17.De in deze overeenkomst overeengekomen weddeverhogingen, bedoeld in artikel 14, zijn niet van toepassing op de ondernemingen die reeds door een akkoord gedekt zijn voor de jaren 1997 en 1998. De gewestelijke verzoeningscomités zijn bevoegd om de eventuele toepassingsmoeilijkheden te regelen.

Deze bepalingen zijn evenmin van toepassing op de ondernemingen die zich in de economische onmogelijkheid bevinden deze voordelen toe te passen. De gewestelijke verzoeningscomités zijn belast met de bepaling van de ondernemingen die zich volledig of gedeeltelijk in deze toestand bevinden. Zij dienen daarbij rekening te houden met duidelijk aanwijsbare feiten en de toestand van de onderneming.

Ondernemingen getroffen door ingrijpende reorganisatie en/of herstructurering kunnen zich tot de gewestelijke verzoeningscomités wenden om, op aanwijsbare feiten, een afwijking of een herschikking van de voordelen te bekomen. HOOFDSTUK VI. - Diverse bepalingen Bevoegdheidsomschrijving Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid

Art. 18.Een paritaire werkgroep wordt opgericht die de problemen zal onderzoeken met betrekking tot de bevoegdheidsomschrijving van het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid.

Sociale vrede

Art. 19.De sociale vrede in de sector zal gedurende de duur van de huidige collectieve arbeidsovereenkomst verzekerd zijn.

Bijgevolg zal op provinciaal, gewestelijk of op ondernemingsvlak geen enkele eis van algemene of collectieve aard gesteld of ondersteund worden die van aard zou zijn de verbintenissen van de ondernemingen voorzien in deze collectieve arbeidsovereenkomst uit te breiden.

De huidige overeenkomst werd gesloten in een geest van wederzijdse rechten en verplichtingen.

Bijgevolg is de naleving van de verplichtingen van elk van de partijen afhankelijk van de eerbiediging door de andere ondertekenaars van hun verplichtingen.

Duur

Art. 20.Deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten voor bepaalde duur vanaf 1 januari 1997 tot 31 december 1998, tenzij anders bepaald werd.

Voor de bepalingen van onbepaalde duur gelden de opzegtermijnen van de collectieve arbeidsovereenkomsten waarin deze bepalingen wijzigingen aanbrengen.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 7 januari 2002.

De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX

Toetredingsakte tot arbeidsherverdeling. - Maatregelen voorzien in het nationaal akkoord 1997-1998 van 15 mei 1997 gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid Terug te sturen aan de voorzitter van het bevoegde gewestelijk verzoeningscomité (zie bijlage) Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 7 januari 2002.

De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX

^