Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 07 mei 2010
gepubliceerd op 04 juni 2010

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen

bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
numac
2010014104
pub.
04/06/2010
prom.
07/05/2010
ELI
eli/besluit/2010/05/07/2010014104/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

7 MEI 2010. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, artikel 1, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1990, 5 april 1995, 4 augustus 1996, 27 november 1996, en bij koninklijk besluit van 20 juli 2000;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;

Gelet op het advies van de Raadgevende Commissie « Administratie - Nijverheid », gegeven op 23 juli 2009;

Gelet op de omstandigheid dat de Gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;

Gelet op het advies nr. 47.603/4 van de Raad van State, gegeven op 25 januari 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Eerste Minister en de Staatssecretaris voor Mobiliteit, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Dit besluit voorziet in de omzetting van Richtlijn 2007/35/EG van de Commissie van 18 juni 2007 tot wijziging, met het oog op de aanpassing aan de technische vooruitgang, van Richtlijn 76/756/EEG van de Raad betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan.

Dit besluit strekt ook tot gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2008/89/EG van de Commissie van 24 september 2008 tot wijziging, met het oog op de aanpassing aan de technische vooruitgang, van Richtlijn 76/756/EEG van de Raad betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan.

Art. 2.Aan artikel 28 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, vervangen door het koninklijk besluit van 12 december 1975 en gewijzigd door de koninklijke besluiten van 11 augustus 1976, 11 maart 1977, 21 december 1979, 16 november 1984, 13 september 1985, 9 mei 1988, 23 september 1991, 10 april 1995, 17 maart 2003 en 13 september 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° Aan paragraaf 1 worden vijf nieuwe punten toegevoegd, luidende als volgt : « 25° « Opvallende markering » : een inrichting die dient om een voertuig van de zij- of achterkant gezien meer zichtbaarheid te geven, door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichtbron bevindt;26° « Contourmarkering » : een opvallende markering die dient om de horizontale en verticale dimensie (lengte, breedte en hoogte) van een voertuig aan te geven;27° « Volledige contourmarkering » : een contourmarkering die de omtrek van het voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn;28° « Gedeeltelijke contourmarkering » : een contourmarkering die de horizontale dimensie van het voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn en de verticale dimensie door middel van markering van de bovenhoeken;29° « Lijnmarkering » : een opvallende markering die dient om de horizontale dimensie (lengte en breedte) van een voertuig aan te geven door middel van een doorlopende lijn.» 2° Het opschrift van paragraaf 5 wordt vervangen als volgt : « Opvallende markering ».3° Aan paragraaf 5, 1°, wordt het eerste lid, vervangen door acht nieuwe leden, luidende als volgt : « 1° voertuigen die breder zijn dan 2 100 mm en behoren tot de volgende categorieën : a) N2 met een maximummassa van meer dan 7,5 ton en N3 (met uitzondering van chassiscabines, incomplete voertuigen en trekkers voor opleggers);b) O3 en O4; moeten achteraan met een volledige contourmarkering in het rood, het geel of het wit zijn uitgerust.

De voertuigen die langer zijn dan 6 000 mm, inclusief de dissel voor aanhangwagens, behorende tot dezelfde categorieën als deze vermeld in het vorige lid, moeten aan de zijkant met een gedeeltelijke contourmarkering in het geel of in het wit zijn uitgerust.

Indien het wegens de vorm, structuur, constructie of het gebruik van het voertuig onmogelijk is de verplichte contourmarkering aan te brengen, dan mag een lijnmarkering worden aangebracht.

De aanwezigheid van opvallende markeringen is verboden op voertuigen van de categorieën M1 en O1. De voertuigen bedoeld in paragraaf 2, 1°, c), 4, mogen er echter wel mee worden uitgerust.

Alle andere voertuigen behorend tot categorieën waarvoor opvallende markeringen noch verboden noch verplicht zijn, mogen ermee worden uitgerust.

In plaats van verplichte lijnmarkeringen mag een gedeeltelijke contourmarkering worden aangebracht, en in plaats van verplichte gedeeltelijke contourmarkering mag een volledige contourmarkering worden aangebracht.

De opvallende markeringen moeten ook voldoen aan de voorschriften vermeld in de bijlagen 18 en 18bis.

De opvallende markeringen worden goedgekeurd volgens de regels bepaald door Reglement nr. 104 houdende de uniforme eisen betreffende de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor voertuigen van de categorieën M, N en O, dat het addendum 103 vormt bij de Overeenkomst van Genève van 20 maart 1958, herzien op 10 november 1967 en op 16 oktober 1995, betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen. »

Art. 3.In bijlage 18 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 17 maart 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° Het opschrift van de bijlage wordt vervangen als volgt : « Eenvormige voorschriften betreffende de goedkeuring van opvallende markeringen voor voertuigen van de categorieën M, N en O (*) ». De tekst van de voetnoot wordt vervangen als volgt : « (*) de tekst stemt overeen met Reglement nr. 104 - Herziening 2 + amendementen 1, 2, 3 (met inbegrip van rechtzetting 1), 4 (met inbegrip van rechtzetting 1) en 5 die respectievelijk in werking zijn getreden op 13 januari 2000, 10 december 2002, 2 februari 2007, 18 juni 2007 en 11 juli 2008 en die addendum 103 vormen bij de overeenkomst van Genève van 20 maart 1958 betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen, herzien op 10 november 1967 en op 16 oktober 1995. » 2° In de inhoudstafel wordt, onder « BIJLAGEN », de verwijzing naar bijlage 9, met inbegrip van appendix 1 en 2, opgeheven.3° Punt 1 wordt vervangen als volgt : « 1.TOEPASSINGSGEBIED Dit reglement geldt voor de opvallende markeringen op voertuigen van de categorieën M2, M3, N, O2, O3 en O4 (1). » Een nieuwe voetnoot wordt ingevoegd, luidende als volgt : « (1) Zoals gedefinieerd in bijlage 7 bij de Geconsolideerde Resolutie betreffende de Constructie van Voertuigen (R.E.3) (TRANS/WP.29/78/Rev.1/Amend.2, laatst gewijzigd door Amend. 4). » 4° De punten 2.1.1, 2.1.2, 2.1.3 en 2.1.4 worden vervangen door drie nieuwe punten, luidende als volgt : « 2.1.1. Staal-eenheid : het geheel of een gedeelte van het retroreflecterende materiaal dat geacht wordt te worden gebruikt om de markeringen te verkrijgen zoals bepaald in paragraaf 2.2.1.; 2.1.2. kenmerkende markeringen en grafische afbeeldingen : kleurmarkeringen waarvan de retroreflectiecoëfficiënt voldoet aan de voorschriften van de paragrafen 7.2.1 en 7.2.2 hieronder; 2.1.3 De definities die gegeven worden in Reglement nr. 48 en in de reeks amendementen die van kracht zijn op het ogenblik van de aanvraag van de typegoedkeuring gelden tevens voor dit Reglement. 5° De voetnoot bij punt 5.4.1. draagt voortaan het nummer (2) en wordt gewijzigd als volgt : « (2) 1 voor Duitsland, 2 voor Frankrijk, 3 voor Italië, 4 voor Nederland, 5 voor Zweden, 6 voor België, 7 voor Hongarije, 8 voor Tsjechië, 9 voor Spanje, 10 voor Servië, 11 voor het Verenigd Koninkrijk, 12 voor Oostenrijk, 13 voor Luxemburg, 14 voor Zwitserland, 15 (niet gebruikt), 16 voor Noorwegen, 17 voor Finland, 18 voor Denemarken, 19 voor Roemenië, 20 voor Polen, 21 voor Portugal, 22 voor de Russische Federatie, 23 voor Griekenland, 24 voor Ierland, 25 voor Kroatië, 26 voor Slovenië, 27 voor Slowakije, 28 voor Belarus, 29 voor Estland, 30 (vrij), 31 voor Bosnië-Herzegovina, 32 voor Letland, 33 (vrij), 34 voor Bulgarije, 35 (vrij), 36 voor Litouwen, 37 voor Turkije, 38 (vrij), 39 voor Azerbeidzjan, 40 voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, 41 (vrij), 42 voor de Europese Gemeenschap (De goedkeuringen worden verleend door de lidstaten door middel van hun respectieve ECE-symbool), 43 voor Japan, 44 (vrij), 45 voor Australië, 46 voor Oekraïne, 47 voor Zuid-Afrika, 48 voor Nieuw-Zeeland, 49 voor Cyprus, 50 voor Malta, 51 voor de Republiek Korea, 52 voor Maleisië, 53 voor Thailand, 54 en 55 (vrij) en 56 voor Montenegro. De daaropvolgende nummers zullen worden toegekend aan andere landen in de chronologische volgorde waarin zij de Overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische voorschriften die van toepassing zijn op voertuigen op wielen, uitrustingsstukken en onderdelen die in een voertuig op wielen kunnen worden gemonteerd of gebruikt en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van overeenkomstig deze voorschriften verleende goedkeuringen ratificeren of tot deze overeenkomst toetreden. De aldus toegekende nummers zullen door de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties aan de overeenkomstsluitende partijen worden meegedeeld. » 6° De voetnoot bij punt 7.2 draagt voortaan het nummer (3) en wordt gewijzigd als volgt : « (3) Niets in dit Reglement belet de nationale overheden om reclame te verbieden onder de vorm van logos of merktekens, kenmerkende retroreflecterende letters of karakters zoals bepaald in het punt 2.1.2 ». 7° In bijlage 6 worden de volgende wijzigingen aangebracht : Punt 2., met inbegrip van tabel 1 wordt opgeheven.

Punt 3. wordt het punt 2. en de verwijzing naar tabel 2 wordt een verwijzing naar tabel 1.

Tabel 2 van punt 3. wordt tabel 1 (de opmerking onder de tabel blijft ongewijzigd). 8° In bijlage 8 worden de volgende wijzigingen aangebracht : In punt 1.3. worden de woorden « in de tabellen 1 en 2 » vervangen door de woorden « in tabel 1 ».

Het punt 5. wordt onderverdeeld en aangevuld als volgt : a) Een titel « 5.1. Manuele reiniging » wordt ingevoegd en de tekst van het punt 5. wordt de tekst van het punt 5.1.1. b) Een nieuw punt 5.2. wordt toegevoegd, luidende als volgt : « 5.2. Hogedrukreiniging 5.2.1. Het staal dat in normale omstandigheden is aangebracht, mag na blootstelling aan een ononderbroken straal gedurende 60 seconden geen enkele schade vertonen aan het retroreflecterende oppervlak. Het staal mag bovendien ook niet loskomen van de onderlaag of van de oppervlakte waarop het is aangebracht, en dit bij de onderstaande regelparameters : (a) druk van het water of van de reinigingsoplossing : 8 + 0,2 MPa;(b) temperatuur van het water of van de reinigingsoplossing : 60° - 5 °C;(c) debiet van het water of van de reinigingsoplossing : 7 + 1 liter/minuut;(d) het uiteinde van de spuitlans moet op een afstand van 600 + 20 mm van de retroreflecterende oppervlakte worden gehouden;(e) de spuitlans moet een hoek van minder of ten hoogste 45° vormen ten opzichte van de loodlijn op het retroreflecterende oppervlak;(f) er moet een mondstuk met een hoek van 40° worden gebruikt die een waaiervormige straal creëert.» Een nieuw punt 8 wordt toegevoegd, luidende als volgt : « 8. Kleefvermogen (in geval van zelfklevende materialen) 8.1. Het kleefvermogen van de retroreflecterende materialen wordt bepaald na 24 uur uithardingstijd en met behulp van een testmachine die een loodrechte trekkracht kan uitoefenen. 8.2. de retroreflecterende materialen mogen niet gemakkelijk of zonder beschadigingen kunnen worden verwijderd. 8.3. De retroreflecterende materialen mogen pas van de basisondergrond loskomen bij een kracht van minstens 10 N per 25 mm breedte en uitgeoefend met een constante snelheid van 300 mm per minuut. » Een nieuw punt 9 wordt toegevoegd, luidende als volgt : « 9. Buigzaamheid 9.1. Voor de stalen die op een flexibele ondergrond worden gekleefd, meer bepaald op het dekzeil, gelden de onderstaande bepalingen : 9.1.1. Een staal van 50 mm op 300 mm moet gedurende een seconde (in de lengterichting) rond een cilinder van 3.2 mm worden gedraaid, waarbij het zelfklevende deel de cilinder met een interval van een seconde moet raken.

De testtemperatuur moet 23 °C + 2 °C bedragen.

Opmerking : om de test te vergemakkelijken, zal het zelfklevende gedeelte met talk worden bestrooid om te vermijden dat het zich aan de cilinder vasthecht. 9.1.2. Na deze test mag het staal geen barstjes of zichtbare vervormingen vertonen die de prestaties ervan aantasten. » 9° In de bijlagen 1 tot en met 8 en voor zover nodig, worden de volgende wijzigingen aangebracht : De aanduiding « retroreflecterende markering » wordt systematisch vervangen door de aanduiding « opvallende markering »; In de Franstalige tekst wordt de aanduiding « marquage périphérique » systematisch vervangen door de aanduiding « marquage de gabarit ». 10° Bijlage 9, met inbegrip van appendix 1 en 2, wordt opgeheven.

Art. 4.Een bijlage 18bis wordt toegevoegd aan het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Art. 5.Overgangsbepaling Vanaf 10 juli 2011 worden, om redenen die verband houden met de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen, de certificaten van overeenstemming die overeenkomstig Richtlijn 2007/46/EG nieuwe voertuigen vergezellen als niet meer geldig beschouwd voor de toepassing van artikel 14 van het besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, als niet aan de voorschriften van dit besluit is voldaan.

Art. 6.De Minister bevoegd voor het Wegverkeer is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 7 mei 2010.

ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, Y. LETERME De Staatssecretaris voor Mobiliteit, E. SCHOUPPE

Bijlage bij het koninklijk besluit van 7 mei 2010 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen Bijlage 18bis Andere voorschriften van toepassing op opvallende markeringen (*). 1. Aantal : Overeenkomstig de aanwezigheid.2. Opstelling : De opvallende markeringen worden zo horizontaal en verticaal mogelijk aangebracht, aansluitend op de vorm, structuur, constructie en het gebruik van het voertuig. 3. Plaats : 3.1. In de breedte 3.1.1. De opvallende markering wordt zo dicht mogelijk bij de rand van het voertuig aangebracht. 3.1.2. De cumulatieve horizontale lengte van de elementen voor opvallende markering bedraagt, zoals aangebracht op het voertuig, ten minste 80 % van de totale breedte van het voertuig, met uitzondering van horizontale overlapping van afzonderlijke elementen. 3.1.3. Als de fabrikant echter tot tevredenheid van de instantie die verantwoordelijk is voor typegoedkeuring kan aantonen dat de in punt 3.1.2. bedoelde waarde niet kan worden bereikt, mag de cumulatieve lengte worden verminderd tot 60 % en wordt dit aangegeven in het mededelingenformulier en het testrapport (De voorschriften van punt 3.1.3. zijn slechts van toepassing tot en met 9 oktober 2011). 3.2. In de lengte 3.2.1. De opvallende markering wordt zo dicht mogelijk bij de uiteinden van het voertuig aangebracht en reikt tot minder dan 600 mm van ieder uiteinde van het voertuig (of de cabine in het geval van trekkereenheden voor opleggers) : 3.2.1.1. voor motorvoertuigen, ieder uiteinde van het voertuig, of in het geval van trekkers voor opleggers ieder uiteinde van de cabine; 3.2.1.2. voor opleggers, ieder uiteinde van het voertuig (exclusief de dissel). 3.2.2. De cumulatieve horizontale lengte van de elementen voor opvallende markering bedraagt, zoals aangebracht op het voertuig, met uitzondering van horizontale overlapping van afzonderlijke elementen, ten minste 80 % van : 3.2.2.1. voor motorvoertuigen, de lengte van het voertuig exclusief de cabine, of in het geval van trekkers voor opleggers, indien gemonteerd, de lengte van de cabine; 3.2.2.2. voor opleggers, de lengte van het voertuig (exclusief de dissel). 3.2.3. Als de fabrikant echter tot tevredenheid van de instantie die verantwoordelijk is voor typegoedkeuring kan aantonen dat de in punt 3.2.2. bedoelde waarde niet kan worden bereikt, mag de cumulatieve lengte worden verminderd tot 60 % en wordt dit aangegeven in het mededelingenformulier en het testrapport (De voorschriften van punt 3.2.3. zijn slechts van toepassing tot en met 9 oktober 2011). 3.3. In de hoogte 3.3.1. Lijnmarkeringen en onderste elementen van contourmarkeringen : Zo laag mogelijk binnen het bereik : Minimum : ten minste 250 mm boven het wegdek.

Maximum : ten hoogste 1 500 mm boven het wegdek.

Een maximumhoogte van 2 100 mm is toegestaan wanneer het door technische omstandigheden onmogelijk is aan de maximumwaarde van 1 500 mm te voldoen; of, in voorkomend geval, de voorschriften van de punten 3.1.2., 3.1.3., 3.2.2. en 3.2.3. na te leven; of aan de horizontale plaatsing van de lijnmarkering of de onderste elementen van de contourmarkering te voldoen. 3.3.2. Bovenste elementen van contourmarkeringen : Zo hoog mogelijk, maar binnen 400 mm van de bovenkant van het voertuig. 4. Zichtbaarheid : De opvallende markering wordt als zichtbaar beschouwd wanneer ten minste 80 % van het lichtdoorlatende gedeelte van de markering zichtbaar is voor een waarnemer op enig punt binnen onderstaande waarnemingsvlakken : 4.1. voor opvallende markeringen aan de achterkant (zie punt 7, fig. 1) staat het waarnemingsvlak loodrecht op de lengteas van het voertuig, bevindt het zich op 25 m van het uiteinde van het voertuig en is het begrensd door : 4.1.1. in de hoogte door twee horizontale vlakken respectievelijk op 1 m en op 3 m boven de grond, 4.1.2. in de breedte door twee verticale vlakken die een hoek van 15° naar buiten vormen ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig en die door het snijpunt gaan van de verticale vlakken evenwijdig aan het middenlangsvlak en de grootste breedte van het voertuig afbakenen, en het vlak loodrecht op de lengteas van het voertuig dat het uiteinde van het voertuig afbakent; 4.2. Voor opvallende markeringen aan de zijkant (zie punt 7, fig. 2) is het waarnemingsvlak evenwijdig aan het middenlangsvlak van de voertuigen, bevindt het zich op 25 m van het punt van de grootste breedte van het voertuig en is het begrensd door : 4.2.1. in de hoogte door twee horizontale vlakken respectievelijk op 1 m en op 3 m boven de grond, 4.2.2. in de breedte door twee verticale vlakken die een hoek van 15° naar buiten vormen ten opzichte van een vlak loodrecht op de lengteas van het voertuig en die door het snijpunt gaan van de verticale vlakken loodrecht op de lengteas van het voertuig en de totale lengte en het punt van de grootste breedte van het voertuig afbakenen. 5. Richting : 5.1. Aan de zijkant : Zo evenwijdig mogelijk aan het middenlangsvlak van het voertuig, aansluitend op de vorm, structuur, constructie en het gebruik van het voertuig. 5.2. Aan de achterkant : Zo evenwijdig mogelijk aan het dwarsvlak van het voertuig, aansluitend op de vorm, structuur, constructie en het gebruik van het voertuig. 6. Andere voorschriften : 6.1. Opvallende markeringen worden als doorlopend beschouwd als de afstand tussen naastgelegen elementen zo klein mogelijk is en niet meer dan 50 % van de lengte van het kortste naastgelegen element bedraagt. 6.2. In het geval van gedeeltelijke contourmarkering wordt iedere bovenhoek beschreven door twee lijnen op 90° ten opzichte van elkaar en ieder ten minste 250 mm lang. 6.3. De afstand tussen de opvallende markering aan de achterkant van een voertuig en ieder verplicht stoplicht moet ten minste 200 mm bedragen. 6.4. Wanneer achtermarkeringsplaten overeenkomstig wijzigingenreeks 01 van Reglement nr. 70 houdende uniforme voorschriften voor de goedkeuring van de achtermarkeringsplaten voor zware en lange voertuigen, houdende addendum 69 aan de Overeenkomst van Geneve van 20 maart 1958, betreffende de goedkeuring van eenvormige technische voorschriften voor voertuigen, materialen en onderdelen ervan en de voorwaarden voor wederkerige erkenning van de goedkeuring die op basis van deze voorschriften wordt verleend, herzien op 10 november 1967 en op 16 oktober 1995, zijn geïnstalleerd, mogen deze naar keuze van de fabrikant van het voertuig als deel van de opvallende markering aan de achterkant worden beschouwd bij de berekening van de lengte van de opvallende markering en de nabijheid tot de zijkant van het voertuig. 6.5. De locaties voor opvallende markeringen worden zodanig gekozen dat markeringen van ten minste 60 mm breed kunnen worden aangebracht. 7. Zichtbaarheid van opvallende markeringen aan de achter- en zijkant van een voertuig Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 7 mei 2010 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. De Eerste Minister, Y. LETERME De Staatssecretaris voor Mobiliteit, E. SCHOUPPE _______ Nota (*) De tekst stemt overeen met de punten 6.21.2 tot 6.21.7.5 van Reglement nr. 48 houdende uniforme voorschriften betreffende de goedkeuring van voertuigen inzake de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen, dat het addendum 47 vormt bij de Overeenkomst van Genève van 20 maart 1958, herzien op 10 november 1967 en op 16 oktober 1995, betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen.

^