Koninklijk Besluit van 08 april 2002
gepubliceerd op 04 juni 2002
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Koninklijk besluit tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van socia

bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
numac
2002022267
pub.
04/06/2002
prom.
08/04/2002
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

8 APRIL 2002. - Koninklijk besluit tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van sociale zekerheid


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het besluit waarvan wij de eer hebben aan uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, heeft als hoofddoel een aantal bepalingen uit te voeren van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, dat in de sociale zekerheid het concept van bestuursovereenkomsten invoert.

Sinds de jaren '80 is de responsabilisering van de actoren van de sociale zekerheid een belangrijke politieke bekommernis. Het gaat om het bewaren van de verworvenheden van de sociale zekerheid, terwijl een duurzame financiering verzekerd blijft. Een nieuwe stap zal gezet worden in 2002 met de inwerkingtreding van de eerste bestuursovereenkomsten, gesloten tussen de Belgische Staat en de sociale parastatalen. De doelstelling is de sociale zekerheid uit te rusten met een nieuw werkkader, dat dankzij een responsabilisering van het administratief beheer zal toelaten de efficiency van de aangeboden diensten te verhogen.

Algemene beginselen van de bestuursovereenkomsten In het verslag aan de Koning van het voornoemde besluit van 3 april 1997 wordt een bestuursovereenkomst bepaald als zijnde « een contract tussen het orgaan dat delegeert (de Staat) en het orgaan dat de taak uitvoert (de instelling van sociale zekerheid : het beheerscomité en persoon belast met het dagelijks bestuur), waarbij deze laatste een bepaalde output (d.i. dienstverlening) moet leveren en daartoe over voldoende ruimte beschikt in de inrichting van de interne organisatie en in de aanwending van het hem toegemeten budget ». Er wordt ook gepreciseerd dat « de bestuursovereenkomsten met instellingen van sociale zekerheid enkel betrekking hebben op het beheer van de instellingen en niet op de inhoud van de sociale programma's. De algemene veranderingen t.o.v. de vroegere bestuurlijke situatie behelzen hierbij : - uitdrukkelijk omschrijven van producten en diensten (output); - daaraan gekoppeld toekennen van middelen (input); - toekennen van grotere bevoegdheden inzake het gebruik van middelen; - afspraken over bewaking van voortgang en verantwoording; - één en ander vastgelegd in expliciete contracten.

De belangrijkste voordelen van dit soort overeenkomst zijn : een efficiëntere bedrijfsvoering door de instelling, een grotere mate van kostenbewustheid, met als gevolg besparingen, een betere arbeidsvoldoening en snellere besluitvormingsprocedures ».

De politieke overheid blijft dus bevoegd voor het bepalen van het sociaal beleid, met eerbiediging van de overlegprocedures met de sociale partners en om opdrachten toe te kennen aan de parastatale instellingen. Zodra deze opdrachten bepaald zijn, zullen deze instellingen verantwoordelijk worden gehouden voor hun uitvoering en de graad van doeltreffendheid van deze uitvoering in het kader van de bestuursautonomie die hen zal worden toegekend. Het doel van de bestuursovereenkomsten is de openbare instellingen van sociale zekerheid te responsabiliseren inzake administratieve efficiëntie.

De relatie van toezicht die heden bestaat tussen een Minister en een instelling zal worden vervangen door een contractuele relatie die ieders verplichtingen bepaalt. Dit betekent concreet dat de bestuursovereenkomst de opdrachten van de instelling bepaalt, de doelstellingen inzake administratieve efficiëntie vaststelt, evenals een beheersbegroting die haar in staat moet stellen deze doelstellingen te bereiken. Bovendien zorgt een nieuw wettelijk en reglementair kader ervoor dat de instelling over een grotere autonomie beschikt inzake begroting en personeel.

De bestuursovereenkomst regelt de volgende aangelegenheden (artikel 5, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997) : « 1° de taken die de instelling op zich neemt ter vervulling van de opdrachten die haar door of krachtens de wet, of bij Regeringsbeslissing zijn toevertrouwd; 2° de gekwantificeerde doelstellingen inzake efficiëntie en kwaliteit met betrekking tot deze taken;3° in de mate dat de instellingen rechtstreeks contact hebben met het publiek, de gedragsregels ten aanzien van het publiek;4° de methodes voor het meten en het opvolgen van de mate waarin de doelstellingen en gedragsregels worden nageleefd;5° de berekeningswijze en de vaststelling van de beheerskredieten die voor de uitvoering van deze taken ter beschikking worden gesteld;6° de berekeningswijze en de vaststelling van het maximaal bedrag aan personeelskredieten dat betrekking heeft op statutaire ambtenaren;7° binnen het kader bepaald door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit, de positieve sancties voor de instelling bij naleving van de verbintenissen uit de bestuursovereenkomst;8° binnen het kader bepaald door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit, de oplossende maatregelen of sancties bij niet-naleving door één der partijen van haar verbintenissen uit hoofde van de bestuursovereenkomst. § 2, 7° en 8° treden in werking op een door de Koning te bepalen datum. » De eerste bestuursovereenkomsten zullen voor een duur van drie jaar worden afgesloten.

De graad van verwezenlijking van de doelstellingen zal worden bepaald op basis van indicatoren die periodiek zullen gemeten worden en die opgenomen zullen worden in dashbords. Hiernaast zullen de openbare instellingen van sociale zekerheid een bestuursplan opmaken waarin de wijze wordt uiteengezet waarop de toegekende taken zullen worden uitgevoerd met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn bepaald in de bestuursovereenkomst.

De begroting van de openbare instellingen van sociale zekerheid die een overeenkomst hebben afgesloten zal bestaan uit twee delen : - een opdrachtenbegroting, die de ontvangsten en de uitgaven bevat betreffende de wettelijke opdrachten van de instelling; - een beheersbegroting, die de ontvangsten en de uitgaven bevat betreffende het beheer van de instelling.

In de beheersbegroting wordt een onderscheid gemaakt tussen : - de personeelsuitgaven; - de werkingsuitgaven; - de investeringsuitgaven.

De beheersbegroting kan slechts limitatieve kredieten bevatten, met uitzondering van de kredieten betreffende belastingen, verschuldigde bijdragen krachtens fiscale bepalingen of uitgaven ingevolge gerechtelijke procedures of beslissingen. Het beheersorgaan kan echter beslissen kredieten in de beheersbegroting van eenzelfde boekjaar over te dragen mits het gunstig advies van de regeringscommissaris die de Minister van Begroting vertegenwoordigt. De kredieten die voorzien zijn voor de investeringsuitgaven of voor de met het investeringsprogramma verbonden werkingsuitgaven, die niet tijdens het begrotingsjaar zullen opgebruikt zijn, zullen opnieuw worden ingeschreven in de beheersbegroting van het volgende begrotingsjaar, voor zover dit nodig is voor de uitvoering van het investeringsprogramma. De opdrachtenbegroting, daarentegen, zal niet-limitatieve kredieten mogen bevatten.

Inzake personeel zal het beheersorgaan zelfstandig het organieke kader mogen vaststellen. Hierin zal het geheel worden beschreven van de betrekkingen die bekleed worden of bekleed kunnen worden door het statutair of het contractueel personeel. Een verhouding zal worden vastgesteld tussen het organieke kader en het functionele organigram van de instelling, wat zodoende de basis vormt voor een echt beleid inzake personeel.

De controle zal zoals voorheen worden uitgeoefend door middel van twee regeringscommissarissen : één die de toezichthoudende Minister vertegenwoordigt en een ander die de Minister van Begroting vertegenwoordigt. De rol van deze commissarissen is echter belangrijker geworden : « De commissarissen moeten voornamelijk gezien worden als de vertegenwoordigers van een andere partij in een contractuele relatie, waarbij beide partijen gezamenlijk streven naar het bereiken van de vooropgestelde doelstellingen op de meest efficiënte manier. Dit impliceert een grotere betrokkenheid van de regeringscommissarissen bij de werking van de instelling en het opnemen, door deze laatsten, van een aantal verantwoordelijkheden inzake het tijdig aangeven van risico's tot niet-naleving van de bestuursovereenkomst » (commentaar bij de artikelen van het koninklijk besluit van 3 april 1997). Jaarlijks zal er een overleg moeten plaatsvinden tussen de regeringscommissarissen, het beheersorgaan en de administrateur-generaal van de instelling, ten einde de goede uitvoering van de bestuursovereenkomst te evalueren.

De bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers.

Een bilaterale vergadering werd met de R.K.W. op 12 november 2001 gehouden. Benevens een afvaardiging van de instelling, waren op deze vergadering aanwezig, vertegenwoordigers van de verschillende betrokken Kabinetten, vertegenwoordigers van het Ministerie van Financiën en van het ministerie van Sociale Zaken, een vertegenwoordiger van de Regeringscommissaris voor de sociale zekerheid en de Regeringscommissarissen en/of afgevaardigden van het Ministerie van Financiën bij de instelling. Voor de overeenkomst werd nagegaan of ze in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen, inzonderheid artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met het economisch, sociaal en financieel beleid van de Staat, met het Handvest van de sociaal verzekerde en met de administratieve vereenvoudiging.

Ingevolge de beslissingen van de Ministerraad van 7/12/2001 werd de overeenkomst aangepast wat betreft de gemeenschappelijke bepalingen inzake de verbintenissen van de Staat en de wijze van berekening van de beheerskredieten, met dien verstande dat : - de kost van de nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst « Maatschappij voor mechanografie voor de toepassing van de sociale wetten - Société de mécanographie pour l'application des lois sociales » (de zgn. « MvM-Smals ») gecompenseerd wordt binnen de toegekende kredieten « MvM-Smals »; - de kost van de sociale programmatie, voorgesteld door de Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen, gecompenseerd wordt binnen de goedgekeurde personeelskredieten.

Voor de genormeerde kosten (personeelskosten, werkingskosten en investeringen uitgezonderd informatica), is de toegestane verhoging in 2003 en 2004 in principe de gezondheidsindex en de door de Regering weerhouden verhoging in het kader van zijn stabiliteitsprogramma.

De Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers is de sociale parastatale die : 1. 28 instellingen, die geresponsabiliseerd zijn om correct en stipt aan meer dan 1.100.000 gezinnen kinderbijslag te betalen, stuurt en controleert; 2. rechtstreeks kinderbijslag betaalt voor een jaarlijks bedrag van 27 miljard BEF en hiervoor 275.000 dossiers beheert. De gezinnen behoren tot de meest behartigenswaardige categorieën van de samenleving; 3. op vraag en uit eigen beweging het beleid ondersteunt;4. langs het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en diensten 423 promotoren van buitenschoolse opvang aanvullend subsidieert. De Rijksdienst plaatst sinds lang de burger in het centrum van zijn aandacht. Daarom gaat het onderzoek van het recht op kinderbijslag gepaard met een minimale bevraging van de sociaal verzekerde en gebeurt dit in een begrijpbare vorm. Er wordt maximaal gebruik gemaakt van elektronische gegevensuitwisseling en er staat een performante frontdesk ter beschikking van de gezinnen om snel en accuraat te antwoorden op al hun vragen. De Rijksdienst streeft telkens naar het garanderen van het volledig recht op kinderbijslag voor de sociaal verzekerde zonder aanvraag.

De Rijksdienst biedt op dit ogenblik reeds een behoorlijk en door eenieder gewaardeerd niveau van dienstverlening aan. Het behoud van het huidige kwaliteitsniveau is reeds een belangrijke doelstelling.

Bij de appreciatie van de concrete en nieuwe engagementen dient bijgevolg rekening te worden gehouden met de reeds bereikte kwaliteit.

De doelstellingen van de overeenkomst zijn : 1. De RKW als betalingsinstelling De RKW verbindt zich er toe de kinderbijslag terecht, snel, stipt en correct te betalen op een doeltreffende, klantvriendelijke en heldere wijze.Hiertoe worden zeven doelstellingen vastgesteld. 1. Volle legitimiteit van het recht op kinderbijslag Het pro-actief zoeken naar mogelijke rechten op kinderbijslag maakt deel uit van de cultuur van de Rijksdienst.Doel is steeds dat de sociaal verzekerde het volledige bedrag aan kinderbijslag ontvangt waarop hij aanspraak kan maken. In het kader van dit beleid worden langdurig werklozen en invaliden thans reeds automatisch individueel geïnformeerd, wanneer ze eventueel aanspraak kunnen maken op verhoogde bijslag.

In de bestuursovereenkomst wordt het streven naar de mogelijkheid om de effectiviteit van de kinderbijslag te bevorderen, bv. door het ambtshalve onderzoek, als doelstelling gesteld. Deze verbintenis sluit aan bij het regeringsbeleid betreffende de doelstellingen tot vereenvoudiging van de sociale zekerheid (Mevr. de regeringscommissaris, G. Van Gool). Voorbeeld : onderzoek naar de mogelijkheden tot elektronische gegevensuitwisseling met O.C.M.W.'s om het recht op gewaarborgde gezinsbijslag vast te stellen (tegen eind 2004). 2. Snelle betalingen De doorlooptijd voor het onderzoek van de nieuwe gevallen bedraagt thans in 81,83 % van de gevallen maximum 3 maanden.Als doelstelling wordt voor het eerste jaar van de bestuursovereenkomst voor 82 % van de gevallen een doorlooptijd van 3 maanden vooropgesteld. Voor de volgende jaren van de bestuursovereenkomst wordt een nog hoger percentage voorzien (2003 : 84 %; 2004 : 85 %).

Met de doorlooptijd wordt de termijn bedoeld die verloopt tussen de aanvraag om kinderbijslag en de uiteindelijke beslissing over de toekenning van de rechten en de betaling in geval van een goedkeuring.

Deze verbintenis staat in schril contrast met andere instellingen waar de doorlooptijd pas aanvangt bij de indiening van een volledig aanvraagdossier. 3. Stipte doorbetaling De gezinnen die door de Rijksdienst worden bediend, behoren dikwijls tot de meest behartigenswaardige in onze samenleving.Het is van essentieel belang dat ze regelmatig en op vaste maandelijkse datum de kinderbijslag ontvangen. Thans gebeurt dit reeds in meer dan 97 % van de gevallen.

Dit cijfer is moeilijk op een algemene wijze te verbeteren. Nochtans bestaan er tussen de verschillende categorieën van gezinnen nog belangrijke schommelingen (bv. meer dan 99 % voor de definitieve leerkrachten; ruim minder dan 97 % voor de gewaarborgde gezinsbijslag). Om die reden zal de RKW vóór eind 2004 een studie verrichten om na te gaan of een minder stipte betaling in relatie staat tot het profiel van de gezinnen en op welke wijze de performantie voor deze gezinnen zou kunnen verbeterd worden. 4. Correcte betaling De Rijksdienst heeft als doelstelling een correcte en kwaliteitsvolle vaststelling van de rechten op kinderbijslag. Daartoe wordt het opstellen van een interne auditcel in het vooruitzicht gesteld vanaf 2003.

Tegen het einde van 2004 zal de Rijksdienst tevens een studie uitvoeren om aan de hand van de nieuwe technologieën een nieuw verificatiemodel te ontwikkelen. 5. Efficiëntie van de betalingen In deze verbintenis wordt tot doel gesteld de werklast per gezinstype te objectiveren en te kwantificeren.Een inzicht in deze werklast moet toelaten om in functie ervan de allocatie van de middelen op de meest efficiënte wijze te organiseren zodanig dat een kwaliteitswinst en produktiviteitsstijging worden gerealiseerd. (Doelstelling te realiseren vóór eind 2004) 6. Klantvriendelijkheid van de dienst De verbintenis wordt aangegaan het gebruik van formulieren verder te optimaliseren en inhoudelijk alle formulieren en standaardbrieven voortdurend te actualiseren en te toetsen aan de eisen van klantvriendelijkheid.Daarnaast wordt gestreefd naar het verder beperken van de bevragingen van de actoren in een kinderbijslagdossier door het gebruik van elektronische gegevensstromen van andere informatiebronnen. (cf. initiatieven van de regeringscommissaris, Mevr. Van Gool) 7. Terugvordering van de betaling Op jaarbasis wordt door de Rijksdienst een bedrag van 27 miljard BEF uitgekeerd aan kinderbijslag.Vanzelfsprekend werd de prioriteit gelegd bij deze kernopdracht namelijk een stipte en correcte betaling van de gezinsbijslag en de continuïteit van de betalingen. De Rijksdienst kende inmiddels een gestage toename van het aantal schuldvorderingen die parallel verloopt met de aangroei van het aantal gezinnen die voor de betaling van de gezinsbijslag afhangen van de Rijksdienst. Zo steeg het aantal terugvorderingsdossiers in de periode van 1985 tot 2000 van 2.202 tot 5.004.

In de bestuursovereenkomst worden doelstellingen opgenomen inzake het tijdig (3 maanden) betekenen en zo nodig herinneren (3 maanden) van de schuldvordering en het optimaliseren van het debiteurenbeheer binnen het workflowproject (stijging van het percentage van 2002 tot 2004 van 45 % naar 65 %). 2. De RKW als regelend en toezichthoudend orgaan De Rijksdienst verbindt er zich toe voor de gezinnen de exacte en volledige gegevens te verzamelen en die als authentieke gegevens ter beschikking te stellen.Hij wil de efficiënte en doelmatige werking van de regeling garanderen en onregelmatigheden voorkomen door regelmatig controles uit te voeren, in alle neutraliteit en billijkheid.

Hij stelt tenslotte alles in het werk om de gezinnen op klantvriendelijke wijze te informeren en hen te helpen bij de uitoefening van hun rechten.

Concreet worden vijf doelstellingen vastgesteld : 1. Administratief toezicht Zonder enige toelaatbaarheidscontrole vooraf, wil de Rijksdienst elk jaar de kwaliteit van de dienstverlening in alle 74 betaalkantoren van het land garanderen en wel op alle punten die voor de gerechtigden risico's inhouden. 21 sociale controleurs doen in alle betaalkantoren onderzoek op steekproeven genomen volgens de DULBEA-methode (ULB), zodat de vaststellingen een getrouw beeld geven van de kwaliteit van de gehele dienstverlening. 64.000 gevallen op een totaal van bijna één miljoen dossiers worden elk jaar gecontroleerd. De kinderbijslagsector beschikt dus over een pertinente kwaliteitsbarometer. 2. Monitoring van de regeling De Rijksdienst stuurt een telematicanetwerk waarmee de 74 betaalkantoren verbonden zijn en via hetwelk hij zich ertoe verbindt dadelijk alle gekwalificeerde gegevens met betrekking tot de drie actoren van de kinderbijslagregeling te leveren. De Rijksdienst gaat in dat verband de volgende verbintenissen aan : - opzetten van een nieuw werkgeversrepertorium; - implementatie van een repertorium van de dossiers in onderzoek; - elektronische toegang tot de database loon - en arbeidstijdsgegevens (LATG) van de RSZ; - opzetten van een elektronische gegevensstroom op basis van de multifunctionele aangifte; - ontwikkeling van een file transfersysteem; - aanpassing van de motiveringsmodules voor het meedelen van genomen beslissingen; - integratie van de 985.000 actoren van de kinderbijslagdossiers van de overheidssector in het Nationaal Repertorium van de Kinderbijslag en in het telematicanetwerk; - opzetten van een nieuw nationaal repertorium van de kinderbijslag (volledig kadaster). 3. Financieel toezicht Om na te gaan of de kinderbijslagfondsen oordeelkundig gebruik maken van de beschikbare middelen gaat de Rijksdienst de volgende verbintenissen aan : - ontwikkeling van een controle-architectuur geconcentreerd rond de belangrijkste financiële transacties van de kinderbijslagfondsen en opmaken van de inventaris van de concrete aspecten van de controle (check-list); - ontwikkeling van een boekhoudplan; - de duur van de controlecyclus tot 12 maanden terugbrengen; - toekenning van de responsabiliseringsenveloppe aan de vrije kinderbijslagfondsen (evaluatie van de werking, bepalen van de toelage, mededeling van omstandige verslagen en betaling). 4. Sociaal toezicht bij de gezinnen De Rijksdienst wil dicht bij de gezinnen staan.Voor 275.000 beheerde dossiers zijn 14 controleurs ter beschikking om de bijslagtrekkenden ter plaatse te informeren en te helpen bij de uitoefening van hun rechten.

De Rijksdienst neemt verbintenissen aan wat betreft sociale controles en ontwikkeling van een geïntegreerd controleproject gericht op bijstand. 5. Mediatie De samenleving geeft blijk van een groeiende behoefte aan gekwalificeerde informatie.De Rijksdienst heeft voor zichzelf een infrastructuur willen opzetten waarmee niet alleen met spoed en op adequate wijze antwoord kan gegeven worden op de vragen van de gezinnen (jaarlijks 140.000) maar deze laatste ook begeleid kunnen worden tot de volledige uitoefening van hun rechten op kinderbijslag.

De Rijksdienst gaat de volgende verbintenissen aan : - oordeelkundige oriëntatie van de correspondentiestukken zonder referentie binnen 5 dagen; - volledige informatie binnen 30 dagen na de vraag; - beheer van de klachten binnen 45 dagen; - ontwikkeling van een methode voor het volgen van de afhandeling van de dossiers. 3. Het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD) Om te garanderen dat de toelagen correct worden berekend en dat de bedragen die toekomen aan de promotoren van buitenschoolse kinderopvang tijdig worden gestort, gaat de Rijksdienst de volgende verbintenissen aan : 1.administratief onderzoek van de aanvraag van nieuwe promotoren : - ontvankelijkheidsonderzoek binnen een maand na ontvangst van de aanvraag; - termijn tussen het ontvankelijkheidsonderzoek en de beslissing terugbrengen tot 3 maanden. 2. Toekennen van voorschotten Er wordt gegarandeerd dat alle aanvragers een voorschot ontvangen in de loop van het betrokken kwartaal.3. Administratieve en financiële controle van de gesubsidieerde promotoren Bijhouden van een jaarlijks projectenregister en waarborgen dat alle promotoren hun definitieve subsidie, na controle, ontvangen in de loop van het volgende jaar.4. Beleidsvoorbereiding, -ondersteuning en -advisering Zowel uit eigen beweging als op vraag van de toezichthoudende overheid draagt de Rijksdienst eraan bij dat de regelgeving zo dicht mogelijk aansluit op de sociale ontwikkelingen.Hij heeft bijvoorbeeld het initiatief genomen voor het schrappen van elke discriminatie tussen gezinnen op basis van het geslacht van de partners. Hij heeft bijgedragen aan de stabilisering van het recht op kinderbijslag en op de sociale toeslagen.

De bijdrage van het departement Controle is van doorslaggevend belang voor het permanente toezicht inzake eventuele dysfuncties.

Kwaliteitsdienstverlening aan de gezinnen impliceert dat zij toegang hebben tot transparante informatie, duidelijk gemotiveerde beslissingen en een klantvriendelijk en ruim beschikbaar onthaalcentrum.

Om deze meervoudige doelstelling te realiseren gaat de Rijksdienst de volgende verbintenissen aan : - informeren en bijstaan van de regeling; - rendabilisering van de gegevensinzameling; - motivering van de beslissingen; - rechtszekerheid en uniforme toepassing van de regelgeving; - verbetering van het onthaal.

De verbintenissen van de Staat, gemeenschappelijk aan alle bestuursovereenkomsten, houden in : - het overleg van de Staat met de instellingen van sociale zekerheid naar aanleiding van wijzigingen van de wetgeving; - het eerbiedigen van een thesaurieplan voor de storting van de subsidies en van de alternatieve financiering; - het in rekening brengen, tijdens de evaluatie van de overeenkomst, van gebeurtenissen van overmacht of van politieke beslissingen die gevolgen zouden kunnen hebben op de verwezenlijking van de overeenkomst; - de verzekering van een doeltreffende samenwerking van de federale ministeries in de opdrachten waar een samenwerking met een instelling noodzakelijk is.

In het hoofdstuk dat handelt over de beheerskredieten, wordt er voor alle instellingen eenzelfde bedrag voorzien waarboven elke beslissing om een onroerend goed te verwerven, te bouwen, te renoveren of te vervreemden, onderworpen wordt aan een voorafgaande machtiging. Er wordt eveneens een voorafgaande machtiging voorzien van de voogdijminister en van de minister van begroting voor de affectatie van de opbrengst van de verkoop van roerende of onroerende goederen.

Het besluit werd aangepast aan de bemerkingen geformuleerd door de Raad van State in zijn advies 32.853/1 van 7 februari 2002.

Wij hebben de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Begroting, J. VANDE LANOTTE De Minister van Sociale Zaken, F. VANDENBROUCKE De Minister van Ambtenarenzaken en modernisering van de openbare besturen, L. VAN DEN BOSSCHE

ADVIES 32.850/1, 32.851/1, 32.852/1, 32.853/1, 32.854/1, 32.855/1, 32.856/1, 32.857/1, 32.872/1, VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 10 januari 2002 door de Minister van Sociale Zaken verzocht hem van advies te dienen over : 1° een ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van het Fonds voor Arbeidsongevallen en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoeld Fonds bij de openbare instellingen van sociale zekerheid » (32.850/1), 2° een ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Kruispuntbank voor sociale zekerheid en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde instelling bij de openbare instellingen van sociale zekerheid » (32.851/1), 3° een ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van sociale zekerheid » (32.852/1), 4° een ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van sociale zekerheid » (32.853/1), 5° een ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor Pensioenen en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van sociale zekerheid » (32.854/1), 6° een ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor sociale zekerheid en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van sociale zekerheid » (32.855/1), 7° een ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van sociale zekerheid » (32.856/1), 8° een ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Instituut bij de openbare instellingen van sociale zekerheid » (32.857/1), en op 11 januari 2002 door de Minister van Werkgelegenheid verzocht haar van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van sociale zekerheid » (32.872/1), heeft op 7 februari 2002 het volgende advies gegeven : STREKKING VAN DE ONTWERPEN De om advies voorgelegde ontwerpen van koninklijk besluit strekken tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomsten die zijn gesloten tussen de Belgische Staat en negen openbare instellingen van sociale zekerheid (artikel 1 van de ontwerpen). Tevens bevatten de ontwerpen een aantal wijzigingen van wetstechnische aard, die het gevolg zijn van de met de bestuursovereenkomsten samenhangende omvorming van de betrokken instellingen van openbaar nut tot openbare instellingen van sociale zekerheid.

De ontworpen wijzigingen zijn parallel in de negen om advies voorgelegde ontwerpbesluiten. Zo wordt de vermelding van de betrokken instelling telkens ingeschreven in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (artikel 2).

Samenhangend daarmee wordt de vermelding van de betrokken instellingen geschrapt in artikel 1, D, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut (artikel 3).

De wijziging van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken strekt ertoe de betrokken instellingen over te hevelen van de lijst van instellingen van openbaar nut, vermeld in artikel 1, § 1, tweede lid, 2°, van die wet naar de lijst van openbare instellingen van sociale zekerheid, bedoeld in artikel 1, § 1, tweede lid, 3°, van dezelfde wet (artikel 4).

Voorts wordt de vermelding van de ambtenaren van de onderscheiden instellingen geschrapt in artikel 1, § 1, I of II, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut (artikel 5).

De ontworpen wijzigingen hebben uitwerking met ingang van de datum van inwerkingtreding van de betrokken bestuursovereenkomsten, zijnde 1 januari 2002 (artikel 6).

ONTVANKELIJKHEID VAN DE ADVIESAANVRAGEN Artikel 5, § 4, van het reeds genoemde koninklijk besluit van 3 april 1997 bepaalt dat « de bestuursovereenkomst (...) geen akte of reglement (is) bedoeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 » en dat « alle clausules in de bestuursovereenkomst worden geacht contractueel te zijn ».

De onderscheiden bestuursovereenkomsten bevestigen hetzij in een considerans van hun aanhef, hetzij in een algemene bepaling, dat ermee geen afbreuk kan worden gedaan aan wettelijke en verordenende teksten, zoals aan onder meer de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

Uit wat voorafgaat volgt dat, indien in een goed te keuren bestuursovereenkomst desondanks bepalingen zouden voorkomen die bij een eerste lezing een normatieve draagwijdte lijken te hebben, die bepalingen niet als zodanig mogen worden gelezen omdat zulks niet verenigbaar is met de aard van de bestuursovereenkomst, zoals deze uitdrukkelijk is bevestigd in het koninklijk besluit van 3 april 1997 en in de bestuursovereenkomst zelf. In overeenstemming hiermee zullen dergelijke bepalingen van de bestuursovereenkomst uiteraard niet kunnen afwijken van de bestaande wetten en besluiten.

Ermee rekening houdend dat de betrokken bestuursovereenkomsten geen normatieve draagwijdte kunnen hebben, vallen deze niet te beschouwen als zijnde van reglementaire aard en zijn de ontwerpen van koninklijk besluit die tot goedkeuring van dergelijke overeenkomsten strekken geen ontwerpen van « reglementair besluit » in de zin van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

De Raad van State, afdeling wetgeving, kan derhalve geen advies verlenen over de ontwerpen van koninklijk besluit in zoverre deze ertoe strekken de desbetreffende bestuursovereenkomst goed te keuren.

Dat houdt in dat de Raad zich van een onderzoek van artikel 1 van de onderscheiden ontwerpbesluiten en van de tekst van de in bijlage gevoegde bestuursovereenkomsten zal onthouden. De hiernavolgende opmerkingen hebben derhalve uitsluitend betrekking op de artikelen 2 tot 7 van de om advies voorgelegde ontwerpbesluiten.

RECHTSGROND VAN DE ONTWERPEN De artikelen 2 van de om advies voorgelegde ontwerpbesluiten beogen uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 3, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 3 april 1997. Die bepaling draagt de Koning op om, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het betrokken organisme met ingang van de datum van inwerkingtreding van zijn eerste bestuursovereenkomst in te delen bij de openbare instellingen van sociale zekerheid, die gerangschikt worden in artikel 3, § 2, van dat koninklijk besluit.

Met artikel 3 van de ontwerpbesluiten wordt uitvoering gegeven aan artikel 3, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 3 april 1997. Die bepaling draagt de Koning op om, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, met ingang van de datum van inwerkingtreding van zijn eerste bestuursovereenkomst, de vermelding van het betrokken organisme te schrappen in artikel 1 van de reeds genoemde wet van 16 maart 1954. De artikelen 4 en 5 van de onderscheiden ontwerpbesluiten vinden telkens rechtsgrond in artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 3 april 1997. Deze laatste bepaling maakt de Koning bevoegd om, in het in de Ministerraad overlegde besluit tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van het betrokken organisme, de wetsbepalingen die het organiek statuut, de financiering en de werking van het organisme regelen, op te heffen, aan te vullen, te wijzigen of te vervangen, teneinde de daarin vervatte regelen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het koninklijk besluit van 3 april 1997.

ONDERZOEK VAN DE TEKST VAN DE ONTWERPEN Aanhef 1. In de aanhef van ontwerpbesluiten dient in beginsel enkel te worden verwezen naar de normatieve teksten die deze tot rechtsgrond strekken, of die erdoor worden gewijzigd of opgeheven. Hiermee rekening houdend, volstaat het om de verwijzing naar de rechtsgrond en naar de bepalingen die worden gewijzigd in de aanhef van de om advies voorgelegde ontwerpbesluiten te beperken tot wat volgt : « Gelet op het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gewijzigd bij de wetten van 13 februari 1998, 22 februari 1998, 22 maart 1999, 12 augustus 2000, 2 januari 2001, 19 juli 2001 en 30 december 2001;

Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 1, zoals gewijzigd tot op heden (1);

Gelet op de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, inzonderheid op artikel 1, § 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 april 1997 en de wetten van 22 maart 1999 en 30 december 2001;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 1, § 1, I, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 6 juni 1991, 25 november 1993 en 19 mei 1995 (2); ».

Alle overige verwijzingen naar wetten en besluiten die in de aanhef van de ontwerpen voorkomen dienen, voorzover ze geen betrekking hebben op teksten die de desbetreffende ontwerpen tot rechtsgrond strekken, op teksten die worden gewijzigd of opgeheven of op teksten die verband houden met de nageleefde vormvereisten (zie hierna onder 2), te worden geschrapt. 2. In de aanhef van alle ontwerpbesluiten wordt in algemene zin verwezen naar de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg.Naar het zeggen van de gemachtigde van de regering strekt die verwijzing ertoe te verduidelijken dat de ontwerpbesluiten, gelet op het spoedeisende karakter ervan, niet om advies werden voorgelegd aan de onderscheiden beheerscomités van de instellingen die met de latere toepassing ervan zijn belast.

In het betrokken lid van de aanhef van de ontwerpbesluiten zal derhalve telkens uitdrukkelijk moeten worden verwezen naar artikel 15 van de genoemde wet van 25 april 1963 en zal, in een afzonderlijk lid van de aanhef dat onmiddellijk volgt op dat waarin wordt gerefereerd aan artikel 15 van de wet van 25 april 1963, moeten worden geschreven : « Gelet op de dringende noodzakelijkheid; ».

Ermee rekening houdend dat de Rijksdienst voor Pensioenen niet onder de toepassing van de wet van 25 april 1963 valt, dient, wat het ontwerp 32.854/1 betreft (3), de verwijzing naar de wet van 25 april 1963 en naar de daarop betrekking hebbende dringende noodzakelijkheid, te worden vervangen door de volgende twee leden : « Gelet op het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen van werknemers, inzonderheid op artikel 54, gewijzigd bij de wet van 20 juli 1990;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid; ». 3. Indien ervoor wordt geopteerd in de aanhef van de ontwerpbesluiten te verwijzen naar de goed te keuren bestuursovereenkomst, wordt dit bij voorkeur niet door middel van een considerans gedaan.Tevens kan volledigheidshalve telkens ook de datum worden vermeld waarop de desbetreffende bestuursovereenkomst werd gesloten (niet : afgesloten).

De betrokken verwijzing, die beter wordt opgenomen in een lid van de aanhef dat aan de verwijzing naar het advies van de inspecteur van financiën voorafgaat, kan voor wat bijvoorbeeld het ontwerp 32.850/1 betreft (4), luiden als volgt : « Gelet op de eerste bestuursovereenkomst die op ... werd gesloten tussen, enerzijds, de Belgische Staat en, anderzijds, het Fonds voor Arbeidsongevallen; ».

Artikel 3 Men schrijve in artikel 3 van de diverse ontwerpbesluiten : « In artikel 1, D, van de wet... betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, zoals gewijzigd tot op heden, vervallen ... ».

Artikel 4 In artikel 4 van de ontwerpbesluiten dienen na de woorden « bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken » telkens de woorden « , vervangen bij de wet van 22 maart 1999, » te worden toegevoegd.

Artikel 5 1. In artikel 5 van het ontwerp 32.851/1 wordt bepaald dat de woorden « Kruispuntbank van de sociale zekerheid » vervallen in artikel 1, § 1, I, 14°, van het reeds genoemde koninklijk besluit van 8 januari 1973 (5).

Er dient evenwel te worden opgemerkt dat in de laatstgenoemde bepaling van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 geen melding wordt gemaakt van de « Kruispuntbank van de sociale zekerheid », doch wel van de « Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid ». De Kruispuntbank van de sociale zekerheid valt onder de algemene bepaling van artikel 1, § 1, I, 16°, van hetzelfde koninklijk besluit, waarin melding wordt gemaakt van « alle andere instellingen onder toezicht van de Minister van Sociale Voorzorg die onderworpen zullen worden aan de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut » (6).

Aangezien de Kruispuntbank van de sociale zekerheid niet nominatim wordt vermeld in artikel 1, § 1, I, 14°, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 en de betrokken instelling evenmin nog onder de toepassing zal vallen van artikel 1, § 1, I, 16°, van dat koninklijk besluit, gelet op het bepaalde in artikel 3 van het ontwerp 32.851/1, dient artikel 5 uit dat laatste te worden weggelaten. 2. In artikel 5 van het ontwerp 32.852/1 wordt bepaald dat de woorden « Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie » vervallen in artikel 1, § 1, I, 14°, van het genoemde koninklijk besluit van 8 januari 1973 (7). Er dient echter te worden opgemerkt dat de « Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie » niet wordt vermeld in artikel 1, § 1, I, 14°, maar in artikel 1, § 1, I, 15°, van dat koninklijk besluit. Bijgevolg vervange men « 14° » door « 15° ». 3. In artikel 5 van het ontwerp 32.854/1 dient te worden vermeld dat artikel 1, § 1, I, 13°, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 werd « vervangen bij het koninklijk besluit van 25 november 1993 ». 4. In de Nederlandse tekst van artikel 5 van het ontwerp 32.855/1 wordt bepaald dat de woorden « Rijksdienst voor sociale zekerheid » vervallen in artikel 1, § 1, I, 14°, van het reeds genoemde koninklijk besluit van 8 januari 1973 (8). In deze laatste bepaling wordt evenwel nog melding gemaakt van de benaming « Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid ». De redactie van artikel 5 van het ontwerp dient, rekening houdend hiermee, te worden aangepast. 5. In artikel 5 van het ontwerp 32.856/1 (9) dient te worden vermeld dat artikel 1, § 1, I, 6°, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 werd « vervangen bij het koninklijk besluit van 25 november 1993 ».

Bijlage De toevoeging van de tekst van de goed te keuren bestuursovereenkomsten in bijlage bij het desbetreffende ontwerpbesluit dient uiteraard te gebeuren door middel van een formeel van het bepalend gedeelte afgescheiden bijlage die wordt afgesloten met de passende slotformule en die wordt ondertekend door dezelfde personen als die welke het koninklijk besluit hebben ondertekend waarbij de bijlage wordt gevoegd.

De kamer was samengesteld uit : de heren : M. Van Damme, kamervoorzitter;

J. Baert, J. Smets, staatsraden;

G. Schrans, A. Spruyt, assessoren van de afdeling wetgeving;

Mevr. A.-M. Goossens, toegevoegd griffier.

De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer M. Van Damme.

De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en het verslag werd uitgebracht door de heer G. De Bleeckere, adjunct-referendaris.

De griffier, De voorzitter, A.-M. Goossens. M. Van Damme. _______ Nota's (1) Gelet op het grote aantal wijzigende teksten van artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 kan het gebruik van de algemene formule « zoals gewijzigd tot op heden » worden gebillijkt. (2) In de aanhef van het ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van sociale zekerheid » (ontwerp 32.872/1), dient te worden verwezen naar « artikel 1, § 1, II, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 november 1993 ». (3) Ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor Pensioenen en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van sociale zekerheid ».(4) Ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van het Fonds voor Arbeidsongevallen en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoeld Fonds bij de openbare instellingen van sociale zekerheid ».(5) Ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde instelling bij de openbare instellingen van sociale zekerheid ».(6) Voor wat betreft de Kruispuntbank van de sociale zekerheid is zulks gebeurd bij artikel 72 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.(7) Ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie en betreffende de vastelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van sociale zekerheid ».(8) Ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor sociale zekerheid en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van sociale zekerheid ».(9) Ontwerp van koninklijk besluit « tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van sociale zekerheid ». 8 APRIL 2002. - Koninklijk besluit tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Rijksdienst bij de openbare instellingen van sociale zekerheid ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gewijzigd bij de wetten van 13 februari 1998, 22 februari 1998, 22 maart 1999, 12 augustus 2000, 2 januari 2001, 19 juli 2001 en 30 december 2001;

Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 1, zoals gewijzigd tot op heden;

Gelet op de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, inzonderheid op artikel 1, § 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 april 1997 en de wetten van 22 maart 1999 en 30 december 2001;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 1, § 1, I, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 6 juni 1991, 25 november 1993 en 19 mei 1995;

Gelet op de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, inzonderheid op artikel 15;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Gelet op het advies van de inspecteur van financiën, gegeven op 17 december 2001;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 20 december 2001;

Gelet op het besluit van de Ministerraad, over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van één maand;

Gelet op advies 32.853/1 van de Raad van State, gegeven op 7 februari 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Begroting, Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Ambtenarenzaken en modernisering van de openbare besturen en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.De bij dit besluit gevoegde bestuursovereenkomst wordt goedgekeurd.

Art. 2.Artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt aangevuld als volgt : « Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers ».

Art. 3.In artikel 1, littera D , van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, zoals gewijzigd tot op heden, vervallen de woorden « Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers ».

Art. 4.In artikel 1, § 1, tweede lid, 2°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, vervangen bij de wet van 22 maart 1999, vervallen de woorden « Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers ».

Art. 5.In artikel 1, § 1, I, 12°, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut vervallen de woorden « Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers ».

Art. 6.Dit besluit en de bijgevoegde bestuursovereenkomst hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2002.

Art. 7.Onze Minister van Begroting, Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Ambtenarenzaken en modernisering van de openbare besturen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 8 april 2002.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Begroting, J. VANDE LANOTTE De Minister van Sociale Zaken, F. VANDENBROUCKE De Minister van Ambtenarenzaken en modernisering van de openbare besturen, L. VAN DEN BOSSCHE

Bijlage bij het koninklijk besluit van 8 april 2002 BESTUURSOVEREENKOMST TUSSEN DE STAAT EN DE RIJKSDIENST VOOR KINDERBIJSLAG VOOR WERKNEMERS (RKW) INHOUDSOPGAVE PREAMBULE De RKW, een instelling van de sociale zekerheid OVEREENKOMST INLEIDENDE BEPALINGEN Artikel 1.Begripsbepalingen

Artikel 2.Fundamentele uitgangspunten HOOFDSTUK 1 : OPDRACHTEN EN DOELSTELLINGEN AFDELING 1 : Toekennen en betalen van kinderbijslag

Artikel 3.Omschrijving van de opdracht

Artikel 4.Doelstellingen van de opdracht per deelaspect

Artikel 5.Volle legitimiteit van het recht op kinderbijslag

Artikel 6.Snelle betalingen

Artikel 7.Stipte doorbetaling

Artikel 8.Juiste betaling

Artikel 9.Efficiëntie van de betaling

Artikel 10.Klantvriendelijkheid van de dienst of « voorrang van de burger op de administratie »

Artikel 11.Terugvordering van de betaling AFDELING 2 : Controle

Artikel 12.Omschrijving van de opdracht

Artikel 13.Doelstellingen van de opdracht per deelaspect

Artikel 14.Monitoring

Artikel 15.Administratief toezicht

Artikel 16.Financieel toezicht

Artikel 17.Sociaal toezicht bij de gezinnen

Artikel 18.Mediatie

Artikel 19.Onthaal AFDELING 3 : Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD)

Artikel 20.Omschrijving van de opdracht

Artikel 21.Doelstellingen van de opdracht per deelaspect

Artikel 22.Administratief onderzoek van de nieuwe promotoren

Artikel 23.Het toekennen van voorschotten

Artikel 24.Administratief en financieel toezicht op de betoelaagde promotoren AFDELING 4 : Beleidsvoorbereiding, -advisering en -ondersteuning

Artikel 25.Omschrijving van de opdracht

Artikel 26.Doelstellingen van de opdracht per deelaspect

Artikel 27.Voorbereiden van het beleid

Artikel 28.Adviseren van het beleid

Artikel 29.Ondersteunen van het beleid HOOFDSTUK 2 : GEDRAGSREGELS TEN AANZIEN VAN HET PUBLIEK

Artikel 30.Omschrijving van de opdracht AFDELING 1 : Communicatie- en informatiebeleid

Artikel 31.Informeren en bijstaan door de RKW voor het stelsel

Artikel 32.Informatie op maat AFDELING 2 : Administratieve vereenvoudiging

Artikel 33.Rendabilisering van de gegevensverzameling AFDELING 3 : Gemotiveerde beslissingen

Artikel 34.Motivering

Artikel 35.Rechtszekerheid en uniforme toepassing AFDELING 4 : Onthaal

Artikel 36.Openingsuren

Artikel 37.Lokale contactpunten HOOFDSTUK 3 : MEETINSTRUMENTEN VAN DE OPVOLGING VAN DE VERWEZENLIJKING VAN DE DOELSTELLINGEN EN DE GEDRAGSREGELS

Artikel 38.Meetinstrumenten HOOFDSTUK 4 : VERBINTENISSEN VAN DE STAAT Artikel 39.

Artikel 40.

Artikel 41.

Artikel 42. HOOFDSTUK 5 : BEHEERSKREDIETEN

Artikel 43.Globale beheerskredieten Artikel 44.

Artikel 45.

Artikel 46.Financiering

Artikel 47.Boekhoudplan HOOFDSTUK 6 : POSITIEVE EN NEGATIEVE SANCTIES Artikel 48. HOOFDSTUK 7 : SLOTBEPALINGEN Artikel 49.

PREAMBULE De RKW, een instelling van de sociale zekerheid Binnen de Belgische sociale zekerheid is de RKW belast met de organisatie van de sector gezinsbijslag , die 128 miljard BEF per jaar vertegenwoordigt, ten gunste van meer dan 2.000.000 kinderen, of 8,6 % van het totaal van de socialezekerheidsuitgaven.

In de hoedanigheid van betalingsinstelling van kinderbijslag kent de RKW gezinsbijslag toe aan 213.416 gezinnen, met 372.960 kinderen voor een jaarlijks bedrag van ruim 27 miljard BEF. Tenslotte speelt de RKW een aanvullende rol in de financiering van de buitenschoolse opvang, de flexibele of urgentie-opvang evenals de opvang van zieke kinderen, in het raam van het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten .

De kinderbijslag vormt een vitaal element in het gezinsinkomen , aangezien ze voor een gezin waarvan het gezinshoofd werkloos is 34 % van het inkomen vertegenwoordigt wanneer er twee kinderen zijn, en zelfs 59 % als er drie kinderen zijn, en aangezien kinderbijslag in de regeling van de gewaarborgde gezinsbijslag, die veel eenoudergezinnen en gezinnen met meer kinderen dan het gemiddelde telt, zelfs bijna de totaliteit van het inkomen vormt.

De RKW die zich terdege bewust is van dit belang, vervult dan ook zijn opdracht vanuit een streven naar dienstverlening dat exclusief gericht is op de noden van de gezinnen . Iedere actie is bedoeld om zijn sociale legitimiteit te verhogen door snelle beslissingen, regelmatige betalingen, de stabilisering van het recht en een verhoogde klantvriendelijkheid.

Zijn opdrachten Een eerste fundamentele opdracht van de RKW is de toekenning en de betaling van kinderbijslag aan gezinnen met in hoofdzaak een atypisch profiel , zowel op gezins- als op beroepsvlak, wat leidt tot een grote instabiliteit en bijgevolg tot een veel intensere opvolging van de dossiers. Voor 52 % van de gezinnen (nationale verdeling) is het recht gebaseerd op een andere situatie dan arbeid , en 70 % hiervan geniet een sociale toeslag , onderworpen aan talrijke voorwaarden.

Sommige gezinnen zijn zelfs bijzonder behartigenswaardig , omdat ze maar een strikt residuair recht hebben (gewaarborgde gezinsbijslag, gehandicapten, studenten,...), een recht dat dus zeer precair is en een voorafgaand onderzoek naar een potentieel recht in alle andere regelingen impliceert.

De bij de RKW aangesloten werkgevers onderscheiden zich evenzo door een kleinere grootte en door een mindere graad van organisatie dan de werkgevers aangesloten bij de vrije kinderbijslagfondsen.

Het sterke verloop van de dossiers bij de RKW is er een natuurlijk gevolg van : om de betaling aan 213.416 gezinnen te verzekeren moet de RKW jaarlijks meer dan 75.000 beslissingen inzake toekenning of weigering onderzoeken en treffen.

Een tweede kernopdracht van de RKW is de organisatie, het beheer en de controle van een stelsel met 27 medewerkende instellingen, gericht op efficiëntie en vooral op effectiviteit .

Logische en consistente procedures worden opgesteld om een unieke bevoegdheid te waarborgen, de informatie bij de bevoegde bron in te zamelen zonder bevraging van de sociaal verzekerde, de kinderbijslagfondsen op het juiste ogenblik de financiële middelen te bezorgen in functie van de werkelijke behoeften en hen te controleren.

Met beperkte middelen en zonder voorafgaandelijk toelaatbaarheidsonderzoek , wordt op relevante wijze permanent de kwaliteit van de dienstverlening in alle kinderbijslagfondsen geëvalueerd.

Met gerichte kwaliteitscontroles worden de rechten van de gezinnen opgevolgd, met waar mogelijk begeleiding bij de volledige uitoefening van hun recht.

Naast de twee kernopdrachten vervult de RKW tal van ondersteuningsopdrachten bij de beleidsvoorbereiding, -advisering en -ondersteuning via spontane analyse van disfuncties en aanpassingen van regelgeving en financiële ramingen om een betrouwbaar steunpunt van het kinderbijslagstelsel te zijn. Tenslotte publiceert de RKW kwaliteitsvolle informatie voor diverse doelgroepen.

Een specifieke kernopdracht is tenslotte het beheer van het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten met de aanvullende financiering van projecten voor buitenschoolse opvang die een aanzienlijk aandeel analyse en studie ter ondersteuning van de administratieve rechtspraak omvatten.

Zijn « acquis » Sedert 1986 nam de RKW op eigen initiatief een aanvang met een permanent proces van verandering . In 1987 onderwierp de RKW zich vrijwillig aan een audit met benchmarking , waarbij de instelling vergeleken werd met de drie beste vrije fondsen. Sedert 1988 werden de aanbevelingen van de audit vertaald in concrete acties en in verwezenlijkingen waarvan de resultaten gunstig werden ontvangen door het Beheerscomité, de regering, de vertegenwoordigers van de burgers, van de wetenschappelijke wereld en de media en gelukkig vooral door de gezinnen zelf.

Zo worden door de RKW vandaag ruim 97 % van de gezinnen betaald op de 10e van de maand in plaats van 16 % in 1987, zijn slechts 3,2 % van de dossiers (in 1998, 2,3 %) in onderzoek op het einde van het jaar tegen 15,4 % in 1987, en zijn 45 % van de aanvragen (in 1998, 46 %) minder dan een maand in behandeling tegen 26 % in 1987.

Voor gans het stelsel is het aantal formulieren verminderd met 63,5 % , er werden elektronische fluxen voor de uitwisseling van gegevens gecreëerd voor 6.689.882 mededelingen in 2000, de kinderbijslagfondsen werden geresponsabiliseerd , de controlecyclus herleid van 40 tot 12 maanden, het aantal sociale controles verhoogd met 50 %.

De RKW ontdeed zich van zijn zuiver bureaucratische eigenschappen en profileert zich dag na dag als een moderne, dynamische, soepele, sociaal bewogen instelling, die gekenmerkt wordt door haar professionalisme, haar soberheid en haar loyaliteit .

Zijn correctie van de middelen De RKW spaarde zijn inspanningen niet : de index van zijn productiviteit en zijn prestaties steeg naar 1.065 in 2000 op een basis van 100 in 1986, terwijl de human resources met minder dan 7 % stegen in dezelfde periode en de werkingskosten geheel en al de lineaire maatregelen van de begrotingsmatiging ondergingen.

De RKW heeft nooit mechanische, gestage middelenaanpassingen gevraagd noch verkregen. Het onevenwicht is echter duidelijk te groot geworden om verbintenissen die vatbaar zijn voor sancties te wettigen .

Een correctie van de beheerskredieten die aan de RKW worden toegekend is bijgevolg onontbeerlijk.

OVEREENKOMST Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1.Begripsbepalingen In deze bestuursovereenkomst wordt verstaan onder : 1. De RKW : de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers (RKW) zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 26 juli 1960 tot herinrichting van de instellingen voor kinderbijslag. 2. Het Beheerscomité : het Beheerscomité zoals bedoeld in de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg (Hoofdstuk 2, Afdeling 1). 3. De kinderbijslagfondsen : de fondsen zoals bedoeld in de artikelen 19 en 31 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders. 4. Het FCUD : het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD) ingesteld door de wet van 20 juli 1971 tot wijziging van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en door de wet van 22 februari 1998 houdende sociale bepalingen. 5. De boordtabellen : de gevalideerde boordtabellen zoals bedoeld in artikel 10 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. 6. Het bestuursplan : het bestuursplan zoals bedoeld in artikel 10 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. 7. Het doorlichtingsmodel « Dulbea » : een wetenschappelijk onderbouwde steekproefmethode in het kader van de controle op de kinderbijslagfondsen die het mogelijk maakt de resultaten te extrapoleren. 8. Het logboek : de inventaris van alle vragen en klachten met hun kenmerken : aard van de vraag of klacht, betrokken partijen, doorlooptijd tot de oplossing, welke oplossing, over welk soort probleem het gaat en welke betaalinstelling erbij betrokken is.

Artikel 2.Fundamentele uitgangspunten 1. De bestuursovereenkomst wil alleen de wijze regelen waarop de instelling op efficiënte en kwaliteitsvolle wijze uitvoering geeft aan het beleid zoals het door de politieke overheden wordt gedefinieerd. Dit impliceert de inbreng van ervaring en deskundigheid in de ontwikkeling, de evaluatie en de bijsturing van het beleid. 2. De overeenkomstsluitende partijen engageren zich om de beschikkingen te respecteren inzake het paritair beheer, in een geest van open en permanent overleg.Het Beheerscomité is samen met het dagelijks bestuur een volwaardige partner in de bestuursovereenkomst.

Aldus wordt de rol en de verantwoordelijkheid van het paritair beheer in de uitvoering van de sociale zekerheid benadrukt en versterkt. 3. De beleidskeuze voor de rechtsfiguur van de overeenkomst leidt tot een vervanging van de klassieke gezagsverhouding door een meer contractuele.Beide partijen verbinden zich derhalve tot structureel overleg en wederzijds akkoord als gelijkwaardige partners. 4. De RKW en de medewerkende instellingen zetten het positieve en vruchtbare samenwerkingsverband in het belang van de gezinnen verder en diepen het verder uit. 5. Beide overeenkomstsluitende partijen engageren zich om een optimale omgeving te creëren voor de realisatie van de specifieke verbintenissen, meer bepaald door overleg tot stand te brengen met de Gemeenschappen in het kader van het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten. 6. Opdat de RKW zijn opdracht ten gunste van de gezinnen, de medewerkende instellingen, de regering en alle andere doelgroepen op een kwaliteitsvolle wijze kan uitvoeren, verbindt de Staat er zich toe de RKW de verantwoorde en overeengekomen middelen ter beschikking te stellen.Dit is een substantiële voorwaarde opdat de RKW tot de verbintenissen van de huidige overeenkomst zou kunnen gehouden zijn. 7. De verbintenissen die uit deze bestuursovereenkomst voortvloeien gelden bij ongewijzigde opdracht.Met gewijzigde opdracht wordt gelijkgesteld elke betekenisvolle aangroei in volume en complexiteit te wijten aan exogene factoren. Bij de evaluatie ervan zal dan ook enkel rekening gehouden worden met de beleidsbeslissingen die genomen zijn ter uitvoering van de opdracht zoals vastgelegd op de datum van de ondertekening van deze overeenkomst. 8. Elk van beide partijen heeft het recht om aan de andere een herziening van de overeenkomst voor te stellen voor die ten einde loopt.Dat voorstel moet dezelfde basisprocedure doorlopen als die welke heeft geleid tot het sluiten van de overeenkomst. De beide contracterende partijen zien erop toe dat ze van die mogelijkheid geen gebruik maken zonder een voldoende ernstige reden. Ze doen al het nodige om het voorstel op constructieve wijze en met spoed te onderzoeken. 9. De in deze bestuursovereenkomst aangegane verbintenissen doen geen afbreuk aan de plicht van de RKW om zijn andere wettelijke opdrachten waarvoor geen specifieke doelstellingen bepaald zijn, op efficiënte wijze uit te voeren. HOOFDSTUK 1. - Opdrachten en doelstellingen Afdeling 1. - Toekennen en betalen van kinderbijslag

Artikel 3.Omschrijving van de opdracht De Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers betaalt gezinsbijslag aan 213.416 gezinnen.

Het aantal betalingen alleen vormt geen getrouwe weergave van de omvang van de opdracht of van de grootte van de werklast : verschillende indicatoren spelen daarbij een rol zoals de nieuwe aanvragen die 76.773 bedroegen in het jaar 2000.

Naast de nieuwe aanvragen leidt ook iedere verandering in de situatie van een van de actoren (werkgever, rechthebbende, bijslagtrekkende, rechtgevend kind, of een derde persoon) tot een geheel nieuw onderzoek van het dossier.

De door de RKW behandelde dossiers betreffen vier verschillende types van gezinnen : de gezinnen waarvan de gezinsbijslag ten laste komt van de algemene regeling voor sociale zekerheid van de werknemers, de gezinnen die een beroep doen op de aanvullende regeling van de gewaarborgde gezinsbijslag, de gezinnen van derde instellingen, namelijk leden van de overheidssector waarvoor de RKW de betaling van de gezinsbijslag verzekert, en de gezinnen waarvoor het recht op kinderbijslag op internationaal gebied moet worden onderzocht. |B4 Algemene regeling 114.829 gezinnen genoten gezinsbijslag op 31 december 2000. Dit betekent nogmaals een stijging van 587 gezinnen in vergelijking met 1999. Sommige gezinnen genieten gezinsbijslag via de RKW omdat hun werkgever zich vrijwillig bij de RKW heeft aangesloten of er ambtshalve is aangesloten wegens nalatigheid of wegens de aard van zijn activiteit;bij anderen is dit het geval bij gebrek aan een ander bevoegd fonds. |B4 Gewaarborgde gezinsbijslag Op 31 december 2000 maakten 7.469 gezinnen aanspraak op gewaarborgde gezinsbijslag, voor de toekenning waarvan enkel de RKW bevoegd is.

Het aantal uitgevoerde betalingen is geen indicator voor de werklast.

Het recht op gewaarborgde gezinsbijslag is zuiver residuair, en is ondergeschikt aan elk Belgisch of buitenlands recht.

In 2000 werden 7.286 eerste aanvragen ingediend. Van de afgehandelde aanvragen gaven er 3.918 aanleiding tot een betaling en werden er 3.338 geweigerd. Voor een groot aantal van deze laatste werd een voorrangsrecht ontdekt. |B4 Overheden De RKW is bevoegd om gezinsbijslag toe te kennen en te betalen aan sommige gezinnen van personeelsleden van overheden : enerzijds de voormalige personeelsleden van overheidsdiensten (gepensioneerden, invaliden,...), waarvoor de RKW exclusief bevoegd is, en anderzijds het personeel van de overheden die vrijwillig deze taak toevertrouwden aan de RKW met als ondersteuning een protocol van efficiënte taakverdeling. Zo beheerde de RKW op het einde van 2000 de kinderbijslagdossiers van de gezinnen van tijdelijke en vaste leerkrachten van het onderwijs georganiseerd en gesubsidieerd door de Gemeenschappen, die van het personeel van het UZ Gent, van de VDAB, van de Comités P en I, van Kind en Gezin, van de RTBF, van de Vlaamse Landmaatschappij en van het College van de federale ombudsmannen.

Op 31 december 2000 ontvingen 83.080 gezinnen in dit bestek kinderbijslag, terwijl er dit in 1999 nog 85.228 waren. De daling van het aantal gezinnen situeert zich hoofdzakelijk bij de definitieve leerkrachten. |B4 Grensoverschrijdende rechten Voor bepaalde gezinnen waarvan een lid werkt of verblijft in het buitenland kan de Rijksdienst maar gezinsbijslag uitbetalen na een onderzoek van de bevoegdheid van België krachtens een Europese verordening of een bilaterale overeenkomst. In geval van cumulatie met een buitenlands recht wordt de Belgische gezinsbijslag volledig betaald of per verschil met het in het buitenland betaalde bedrag, afhankelijk van het feit of het Belgisch recht voorrang heeft of niet.

Op 31 december 2000 ontvingen 8.038 gezinnen in dit bestek kinderbijslag.

Artikel 4.Doelstellingen van de opdracht per deelaspect De RKW verbindt zich ertoe de kinderbijslag terecht, snel, stipt en correct te betalen op een doeltreffende, klantvriendelijke en heldere wijze.

Artikel 5.Volle legitimiteit van het recht op kinderbijslag De RKW biedt aan een dienstverlening aan de gezinnen die hen garandeert dat ze geheel de gezinsbijslag ontvangen waarop ze terecht aanspraak kunnen maken.

Zo ontvangen de langdurig werklozen die de sociale toeslag niet genieten jaarlijks informatie over de voorwaarden van het recht, vergezeld van een aanvraag om herziening. Als dat nodig is levert een sociale controle bijstand aan de gezinnen.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 tegen het einde van 2004, een geïntegreerd project uit te werken om de effectiviteit van de kinderbijslag te verhogen, door gebruik te maken van alle gegevens afkomstig van de fluxen zoals bedoeld in artikel 14 van de huidige bestuursovereenkomst, door het optimaliseren van de systeeminformatie en door het cibleren van het sociale toezicht conform artikel 17 van onderhavige bestuursovereenkomst.

Artikel 6.Snelle betalingen De snelheid van de betaling betreft de termijn tussen de datum van ontvangst van de aanvraag en de datum van de betaling, met inbegrip van alle stappen die noodzakelijk zijn voor de samenstelling van het dossier voor de vestiging van het recht. Aangezien de meeste van deze gezinnen geen bemiddelingsstructuur kennen (werkgever, sociaal secretariaat,...), is de RKW verplicht om de betrokkenen, die minder bekwaam zijn om de gepaste inlichtingen te verstrekken, individueel te ondervragen.

De RKW biedt aan sinds 1986, een significante daling van deze termijn ondanks de gelijktijdige indrukwekkende aangroei van het aantal rechthebbende gezinnen en ondanks het atypische profiel van zijn gezinnen.

Het aantal dossiers in onderzoek is inderdaad sterk afgenomen, en bedraagt 6.858 in 2000 (in 1998, 4.894) tegen 17.798 in 1987. Dit betekent 3,2 % van het aantal gezinnen (2,3 % in 1998) tegen 15 % van het aantal gezinnen in 1987. In termen van de kwaliteit van de dienstverlening zijn de volgende cijfers veelzeggend : in 1987 waren 58 % van de dossiers sedert meer dan drie maanden in onderzoek en 19 % sedert meer dan zes maanden, terwijl deze percentages in 2000 waren teruggebracht tot respectievelijk 18,7 % en 6,7 % (in 1998 respectievelijk 11 % en 1,75 %).

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 voor de in de navolgende tabel opgenomen percentages de maximale doorlooptijd van 3 maanden voor het onderzoek van de nieuwe gevallen te respecteren.

Voor de berekening van alle percentages moet men rekening houden met : - de betalingen na de definitieve vaststelling van het recht; - de provisionele betalingen in gevallen waar sommige elementen (met name van bevoegdheid tot betalen) nog definitief moeten vastgesteld worden; - de behoorlijk gemotiveerde kennisgevingen van weigeringen in gevallen waar het recht niet kon worden vastgesteld. Het percentage van deze gezinnen bedroeg 81,3 % op jaarbasis in 2000 en wordt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Artkel 7. Stipte doorbetaling Een stipte doorbetaling is de betaling van de kinderbijslag op vaste datum, in principe uiterlijk de tiende van de maand.

De RKW biedt aan een fundamentele verbetering op dit vlak : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 teneinde te streven naar een verhoging van dit reeds uitzonderlijke percentage, een studie uit te voeren om de bestaande verschillen in de stiptheid van betaling volgens de aard van de gezinnen te onderzoeken, door de profielen van de betrokken gezinnen beter te bepalen, evenals de middelen ter remediëring. Artkel 8. Juiste betaling De RKW biedt aan een op volledige wijze gecontroleerde toekenning en betaling van de kinderbijslag omdat de controle ex ante integrerend deel uitmaakt van elke rechtsvaststelling.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 een studie uit te voeren om, steunend op de nieuwe technologieën van het workflow project, tegen het einde van 2004 een nieuw model van verificatie te ontwikkelen; |B4 gezien de uitstaande voorgeschreven uitgaven, een interne auditcel op te stellen. De RKW zoekt daarvoor de medewerking van relevante referentie-instellingen zoals de Commissie van het Bank- en Financiewezen, het Instituut van Bedrijfsrevisoren of de Controledienst voor de Ziekenfondsen. Deze auditcel zal vanaf 2003 opgericht worden op een progressieve wijze, rekening houdend met de beperking t.o.v. de werkelijke personeelsbehoeften.

Artkel 9. Efficiëntie van de betaling De RKW biedt aan tegelijk met een marginale aangroei van het personeel en een ruime verdubbeling in arbeidsvolume, een uitzonderlijke verbetering van snelheid en stiptheid van betaling.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 tegen het einde van 2004 een model van objectivering en kwantificering van de werklast te ontwikkelen naar gezinstype. Voor de ontwikkeling van dit model wordt beroep gedaan op het project workflow.

Artikel 10.Klantvriendelijkheid van de dienst of « voorrang van de burger op de administratie » De RKW biedt aan |B4 een vermindering van het aantal naar de gezinnen verstuurde periodieke controleformulieren van 354.000 in 1995 naar 192.312 in 2000; |B4 het inwinnen van inlichtingen bij de sociaal verzekerde, de werkgever of een andere betrokkene te vermijden door informatie aan de bron te verzamelen; |B4 indien informatie bij de sociaal verzekerde, de werkgever of een andere betrokkene dient opgevraagd, dat dit gebeurt in een klare en begrijpelijke taal, overzichtelijk en op een klantvriendelijke wijze.

De sociaal verzekerde, de werkgever of een andere betrokkene moet slechts feiten meedelen. De kwalificatie ervan binnen de reglementering is een taak van de overheidsdienst. De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 verder het gebruik van formulieren te optimaliseren door aanpassing van de frequentie van verzending, een inhoudelijke herziening en hergroepering ervan, en een betere afstemming op de doelgroepen; |B4 de bevraging van de sociaal verzekerde, de werkgever of een andere betrokkene verder te beperken door het gebruik van de fluxen komende van de andere bevoegde informatiebronnen te optimaliseren.

Artikel 11.Terugvordering van de betaling De RKW biedt aan een bijzondere zorg om de onverschuldigde betalingen snel en correct vast te stellen en over deze vaststelling aan de debiteuren een duidelijke mededeling met een begrijpelijke motivering en overzichtelijke berekening te verstrekken.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 voor de navolgende percentages van de terugvorderingen, aan de bijslagtrekkende binnen de drie maanden na vaststelling van de onverschuldigde betaling, een betekening te sturen met een duidelijke berekening, de motivatie ervan en de modaliteiten van de terugbetaling : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld |B4 de terugbetaling van de ingevorderde bedragen nauwgezet op te volgen en bij gebreke van betaling of reactie voor navolgende percentages aan de bijslagtrekkende binnen drie maanden een herinnering te sturen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld |B4 bij de ontwikkeling van het workflowsysteem een bijzondere aandacht en zorg te besteden aan een adequaat debiteurenbeheer. Afdeling 2. - Controle

Artikel 12.Omschrijving van de opdracht Deze taak behelst : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor de uitvoering van zijn wettelijke controleopdracht doet de RKW een beroep op een aantal instrumenten : monitoring, administratieve en financiële controle op de kinderbijslagfondsen, de sociale controle bij de gezinnen, de mediatiedienst en het onthaal.

Artikel 13.Doelstellingen van de opdracht per deelaspect De RKW zorgt ervoor juiste en volledige gegevens te verzamelen en die op een veilige manier beschikbaar te stellen.

Door op geregelde tijdstippen en op neutrale en rechtmatige wijze controles uit te voeren, wil de RKW de efficiëntie en de effectiviteit van de kinderbijslagregeling waarborgen en anomalieën voorkomen.

Hij stelt alles in het werk om de gezinnen op een klantvriendelijke manier te informeren en hen bij te staan bij de uitoefening van hun recht.

Artikel 14.Monitoring De RKW biedt aan |B4 een bevoegdheidsregeling, bijgesteld om de verandering van kinderbijslagfonds ingevolge een andere tewerkstelling te vereenvoudigen en het recht te stabiliseren; |B4 een inventaris van alle sociale gegevens van persoonlijke aard nodig voor een snelle en correcte rechtsvaststelling met opgave van de bevoegde informatiebron; |B4 een Nationaal Repertorium van de Kinderbijslag (NRK) waarin alle actoren geregistreerd zijn; |B4 elektronische gegevensfluxen, onder andere m.b.t. de wijzigingen aan de negen wettelijke gegevens in het Rijksregister, de werkloosheid, de loopbaanonderbreking, de werkzoekende schoolverlaters en de ziekte. Deze fluxen genereerden in 2000 bijna 6.689.882 berichten. Bij de huidige stand van zaken komt ongeveer 90 % van deze berichten automatisch op zijn bestemming terecht; voor de overige 10 % is sturing noodzakelijk; |B4 een rationeel gebruik van de periodieke controleformulieren. In vier jaar tijd werd het aantal gebruikte formulieren gebracht van 1.416.208 op + 515.000, wat een daling is van + 63,50 %. Enkel de informatie die alleen bij het gezin verkrijgbaar is wordt nog opgevraagd via formulieren die in klare en begrijpelijke taal zijn opgesteld; |B4 een permanente audit en analyse van de werking van de kinderbijslagregeling op basis waarvan voor recurrente disfuncties correctieve maatregelen kunnen worden voorgesteld. Elke reglementaire bijsturing gaat gepaard met de ontwikkeling van een haalbare toepassingsprocedure.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 tegen het einde van 2002 in samenwerking met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) het co-beheer van het Repertorium voor werkgevers operationeel te maken; |B4 tegen het einde van 2002 in samenwerking met de privé-kinderbijslagfondsen een Repertorium van de dossiers in onderzoek (RIO) in gebruik te nemen; |B4 tegen het einde van 2002 in samenwerking met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ) een elektronische toegang tot de loon- arbeid en tijdsgegevensbank (LATG) te verwezenlijken; |B4 onder de leiding van de KSZ en in samenwerking met de RSZ zich maximaal in te spannen om tegen het begin van 2003 een flux te ontwikkelen ter vervanging van de werkgeversverklaring (multifunctionele aangifte); dit project kan slechts voltooid worden voor zover de werkgeversgegevens vóór het einde van 2002 in het telematisch netwerk van de sociale zekerheid beschikbaar zijn en daarvoor een wettelijk referentiekader bestaat; |B4 in uitvoering van artikel 85 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, op vraag van de circa 212 bedoelde openbare instellingen of diensten, de gegevens van + 985.000 actoren (rechthebbenden, bijslagtrekkenden en rechtgevende kinderen) te integreren in het Nationaal Repertorium van de Kinderbijslag en deze ter raadpleging ter beschikking te stellen. Het betreft een nieuwe toegevoegde opdracht. |B4 een nieuw nationaal repertorium van de kinderbijslag aan te leggen om de integratie van de identificatiegegevens van de + 985.000 dossiers van de openbare instellingen mogelijk te maken. Deze doelstelling kan slechts parallel met de uitvoering van het betreffende project van het Centrum voor Informatieverwerking gerealiseerd worden; |B4 het beheer van de elektronische gegevensfluxen, uitgebreid met de + 985.000 actoren van de openbare instellingen, te waarborgen; |B4 de niet-aangekomen mailboxberichten door steekproeven te analyseren. In overleg met de betrokken partners wordt getracht de structuur van de informatie te verbeteren en de mededeling sluitender te maken (file transfer) tegen eind 2003; |B4 jaarlijks in overleg met de kinderbijslagfondsen de motiveringsmodules te actualiseren die de betaalinstellingen ondersteuning bieden bij het verstrekken van een passende motivering van de genomen beslissingen aan de gezinnen, conform de voorschriften van het « Handvest van de Sociaal Verzekerde »; |B4 zijn inspanningen om de procedures te vereenvoudigen onverminderd voort te zetten, o.a. door de jaarlijkse evaluatie van de behoeften inzake de aan de sociaal verzekerden voorgelegde vragenlijsten.

Artikel 15.Administratief toezicht De RKW biedt aan |B4 elk jaar, in alle regionale betaalkantoren van alle autonome privé-kinderbijslagfondsen de correcte toepassing van de reglementering en het kwaliteitspeil van de dienstverlening aan de gezinnen te onderzoeken. Deze kinderbijslagfondsen betaalden in 2000 samen + 106,5 miljard BEF kinderbijslag aan + 899.000 gezinnen (in 1999 106 miljard BEF aan 888.900 gezinnen); |B4 door zijn productiviteit aanzienlijk te verhogen en de steekproef beter af te stemmen op het profiel van de kinderbijslagfondsen, een controlecyclus die herleid werd van 40 tot 12 maanden; |B4 sinds 1998, een wetenschappelijk onderbouwde steekproefmethode (doorlichtingsmodel « Dulbea ») die het mogelijk maakt de controleresultaten te extrapoleren en een kwaliteitsindicator op te bouwen die een objectieve maatstaf vormt voor de performantie van de kinderbijslagfondsen.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 jaarlijks de controle-architectuur te optimaliseren en de controlethema's aan te passen aan de maatschappelijke evoluties om zo de efficiëntie en de effectiviteit van de controle permanent te waarborgen; |B4 tegen het einde van 2004 de volledige controlecyclus over een dienstjaar uit te voeren binnen het kalenderjaar; |B4 jaarlijks de controlehandleiding en de checklist met de controle-aspecten te actualiseren om aldus de uniforme uitvoering van de controle te waarborgen.

Artikel 16.Financieel toezicht De RKW biedt aan |B4 een controle ex ante op de toekenning van de financiële middelen aan de kinderbijslagfondsen. De liquiditeiten worden telkens slechts ter beschikking gesteld op het gepaste tijdstip op basis van de werkelijk gerechtvaardigde maandelijkse behoeften. Elke aanvraag wordt getoetst aan de uitgaven over de referentieperiode, de demografische statistieken en het saldo op de financiële rekening; |B4 een toelagensysteem dat de vrije kinderbijslagfondsen responsabiliseert. Sinds 1999 wordt de toelage berekend volgens objectieve parameters, zodat ze beter is afgestemd op de werklast die voortvloeit uit de toekenning en de betaling van de kinderbijslag. In 2000 ontvingen de kinderbijslagfondsen voor de uitbetaling van de kinderbijslag + 2.673 miljoen BEF administratiekosten (2.633 miljoen BEF in 1999); |B4 een financiële controle die met het beperkte controlepersoneel per jaar de exhaustieve verificatie waarborgt van één van de vier volledig willekeurig en zonder voorkennis van de kinderbijslagfondsen geselecteerde trimestriële aangiften inzake betaalde en onverschuldigde bijslagen.

Daarnaast wordt met dat controlepotentieel minstens 25 % van de willekeurig gekozen verrichtingen inzake de beheersinkomsten en -uitgaven gecontroleerd. De duur van deze controlecyclus bedraagt 24 maanden.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 tegen het einde van 2002 een controle-architectuur uit te bouwen die toegespitst is op de cruciale financiële transacties van de kinderbijslagfondsen, zoals de aanrekening aan de RKW van de verschuldigde en niet-verschuldigde bijslagen, de gevraagde toelagen en de aanwending van de ter beschikking gestelde middelen; |B4 ter concretisering van deze controle-architectuur zal voor het waarborgen van de uniforme toepassing ervan ten behoeve van de sociaal controleurs een handleiding tegen eind 2002 worden opgesteld met de concrete controle-aspecten; |B4 tegen het einde van 2003 een aangepast en doorzichtig boekhoudplan te ontwikkelen conform artikel 154 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, met het oog op een degelijke analyse van de financiële fluxen; |B4 tegen het einde van 2003 de duur van de controlecyclus te herleiden tot 12 maanden; |B4 conform het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende het Fonds voor administratiekosten en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen jaarlijks de responsabiliseringsenveloppe aan de vrije kinderbijslagfondsen toe te kennen. Dit houdt met name in voor 30 september van elk dienstjaar de werking van elk kinderbijslagfonds te evalueren op basis van een gemotiveerd verslag, voorgelegd aan het Beheerscomité, voor 31 oktober van elk dienstjaar het gedeelte van de toelage dat aan elk kinderbijslagfonds wordt toegekend, vast te stellen en voor te leggen aan het Beheerscomité, voor 30 november van elk dienstjaar aan elk kinderbijslagfonds het bedrag mee te delen, met een omstandig verslag, dat wordt toegekend en in december van elk dienstjaar de responsabiliseringsenveloppe aan elk kinderbijslagfonds te storten.

Artikel 17.Sociaal toezicht bij de gezinnen De RKW biedt aan |B4 het sociaal toezicht van de 213.416 gezinnen (215.965 in 1999) voor wie de kinderbijslag door de RKW wordt betaald. Hij gaat zonodig na bij de sociaal verzekerde thuis of de wettelijke en reglementaire toekenningsvoorwaarden vervuld zijn.

Daarnaast onderzoekt hij de klachten van de gezinnen via een huisbezoek.

Bij de uitvoering van zijn controleopdracht legt de RKW het hoofdaccent op het bijstaan van de gezinnen bij de rechtsvaststelling, het veilig stellen van hun rechten en het voorkomen van onterechte betalingen; |B4 dankzij een steeds betere technische uitrusting en een oordeelkundige verdeling van de onderzoeken ter plaatse, met een ongewijzigd personeelseffectief sedert 1994 een verhoging van zijn productiviteit met + 50 %, namelijk van 10.000 naar 15.260 controles (14.803 controles in 1999).

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 op jaarbasis de volgende aantallen sociale controles uit te voeren : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld |B4 tegen het einde van 2004 een geïntegreerd project uit te werken om de sociale controle nog beter te cibleren op de categorieën van gezinnen die het minst in staat zijn hun rechten te laten gelden. Deze studie verdient desgevallend wetenschappelijke ondersteuning.

Artikel 18.Mediatie De RKW biedt aan |B4 sinds 1997, teneinde dichter bij de burger te staan, een « universele » mediatiedienst met een « groen » telefoonnummer, waarbij de gezinnen terecht kunnen met elke vraag of klacht over de kinderbijslag. Eenieder die zich aanmeldt wordt begeleid bij de complete uitoefening van zijn recht.

Deze mediatie omvat verschillende aspecten : - mensen oriënteren en informeren; - klachten beheren; - optreden als verbindingsorgaan met kinderbijslagdiensten die buiten België gevestigd zijn. |B4 een logboek als inventaris van deze bemiddeling. De registratie laat toe correctieve maatregelen voor te stellen voor recurrente problemen.

De sociale relevantie van deze dienstverlening blijkt uit volgende tabel : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 voor de navolgende percentages de brieven en documenten zonder referenties die niet onmiddellijk identificeerbaar zijn binnen vijf werkdagen na hun ontvangst door te sturen aan de bestemmeling : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld |B4 voor de navolgende percentages de nodige informatie te verstrekken binnen 30 dagen na ontvangst van de vraag : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld |B4 voor de navolgende percentages de klachten binnen 45 dagen na hun ontvangst te analyseren en op een probleemoplossende wijze tussen te komen bij de bevoegde kas of dienst : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld |B4 een methodologie van dossieropvolging te ontwikkelen teneinde de antwoordtijden ten opzichte van de gezinnen, de Belgische kinderbijslaginstellingen en de buitenlandse kinderbijslagdiensten te meten en bij te sturen.

Artikel 19.Onthaal In een omgeving die oog heeft voor de gesprekspartners en een lage toegangsdrempel heeft, stelt de RKW deskundigheid, luisterbereidheid en sociale gedrevenheid ter beschikking van eenieder die zich aanmeldt.

Voor de beschrijving van de opdracht en de verbintenissen wordt verwezen naar hoofdstuk 2 - artikelen 36 en 37. Afdeling 3. - Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD)

Artikel 20.Omschrijving van de opdracht Het FCUD werd in de schoot van de RKW opgericht door de wet van 20 juli 1971 tot wijziging van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders met de bedoeling de toegang van de op kinderbijslag gerechtigde werknemersgezinnen tot bepaalde voordelen van collectieve aard te vergemakkelijken.

De betoelaging van de kinderopvang in het kader van de patronale bijdrage 0,05 % is de enige opdracht van het FCUD en bevat enkel projecten die één of meer van volgende activiteiten organiseren : |B4 de buitenschoolse opvang van werknemerskinderen van 2,5 tot 12 jaar gedurende de schoolvakanties, voor en na de school en op woensdagnamiddag; |B4 de opvang van werknemerskinderen van 0 tot 12 jaar die te ziek zijn om in hun normale locatie opgevangen te worden; |B4 de flexibele opvang van werknemerskinderen van 0 tot 12 jaar buiten de normale openingstijden van de instelling (voor 7 uur 's morgens of na 18 uur 's avonds); |B4 de urgentieopvang van werknemerskinderen van 0 tot 3 jaar. Dit is de opvang in specifieke omstandigheden waarbij de ouders een sollicitatie hebben, een beroepsopleiding volgen bij een erkende instelling of bij herintreden in het beroepsleven.

Naast de financiële middelen beschikt het FCUD over de in het koninklijk besluit van 19 augustus 1997 tot vaststelling van de wijze waarop het FCUD de opbrengst van de ontvangen bijdragen toewijst aan de toekenning van subsidies voor projecten voor de opvang van kinderen van 2,5 tot 12 jaar en sommige projecten voor de opvang van kinderen van 0 tot 3 jaar, voorziene mogelijkheden van administratieve en financiële controle op de promotoren en de mogelijkheid om de promotoren voorschotten toe te kennen op hun subsidies.

Artikel 21.Doelstellingen van de opdracht per deelaspect |B4 De financiële steun aan de promotoren heeft de bedoeling om subsidiair de loon- en werkingskosten van de promotoren te helpen dragen. |B4 Door de punctuele betaling van de voorschotten wordt bijgedragen tot de financiële stabiliteit van de promotoren.

Artikel 22.Administratief onderzoek van de nieuwe promotoren De RKW biedt aan |B4 een beslissing rond de goedkeuring van nieuwe projecten of nieuwe locaties van projecten gebaseerd op een voorafgaand positief kwaliteitsadvies van Kind en Gezin of l'Office de la naissance et de l'enfance en een positief opportuniteitsadvies van het Subregionaal Tewerkstellingscomité. Binnen de maand na ontvangst van de positieve adviezen van beide instanties wordt ter plaatse een ontvankelijkheidsonderzoek georganiseerd ter verificatie van de eigen voorwaarden; |B4 een bespreking van het dossier op de eerstvolgende Adviescommissie FCUD na ontvangst van de conventie met scholen of de rechtzetting van andere tijdens het onderzoek vastgestelde gebreken.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 het eigen ontvankelijkheidsonderzoek reeds te organiseren binnen de maand na ontvangst van de aanvraag ongeacht de ontvangst van de adviezen van de bevoegde derden; |B4 door een betere informatieverstrekking op het ogenblik van de aanvraag enerzijds en de organisatie van voldoende vergaderingen van de Adviescommissie anderzijds er naar te streven om de tijdsduur tussen ontvankelijkheidsonderzoek en de beslissing van het Beheerscomité te herleiden tot maximaal 3 maanden.

Artikel 23.Het toekennen van voorschotten De RKW biedt aan de mogelijkheid aan elke promotor om bij het FCUD een kwartaalvoorschot ten belope van 80 % te bekomen op de definitieve subsidie. Hiervoor dient de promotor voor het einde van de maand volgend op het kwartaal een overzicht te bezorgen van de prestaties en de inkomsten en uitgaven van het project. Deze dienen dan als referentie voor de berekening van het voorschot van het volgende kwartaal. Momenteel slaagt de RKW er in om voor 90 % van de aanvragen effectief een voorschot te betalen in de loop van het kwartaal zelf.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 er naar te streven dat tegen eind 2004 elke aanvragende promotor ook effectief een kwartaalvoorschot uitbetaald krijgt in de loop van het kwartaal zelf. Hiervoor is de dienst wel afhankelijk van de gegevens van de promotor. Dit streven zal progressief gerealiseerd worden volgens volgend schema : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Artikel 24.Administratief en financieel toezicht op de betoelaagde promotoren De RKW biedt aan |B4 een betoelaging in het kader van de patronale bijdrage 0,05 % voor momenteel 423 promotoren. In deze projecten betoelaagt het FCUD subsidiair de loonkosten en de werkingskosten van de tewerkstelling van 2.132,63 voltijdse equivalenten. Via deze interventie van het FCUD worden dagelijks gemiddeld 20.848 kinderen (4.586.560 opvangdagen op jaarbasis) opgevangen in de buitenschoolse opvang, 755 kinderen (166.100 opvangdagen op jaarbasis) in de flexibele opvang, 314 kinderen (69.080 opvangdagen op jaarbasis) in de urgentieopvang en worden 37.579 opvangdagen voor zieke kinderen gerealiseerd op jaarbasis. Het geraamde uitgavenbudget voor het dienstjaar 2001 bedraagt 1 739,90 miljoen BEF; |B4 rechtszekerheid aan de promotoren door het verstrekken van een handleiding en instructies over berekeningswijze van de subsidies, administratieve verplichtingen en betalingsmodaliteiten; |B4 een jaarlijks projectenregister dat de aanbodgegevens, de tewerkstelling en de voorziene uitgaven van de promotoren repertorieert op basis van hun jaarlijkse budgetten en exploitatierekeningen; |B4 een omzetting van de voorschotten in een definitieve subsidie na controle ter plaatse van boekhouding en administratie in de loop van het jaar volgend op het dienstjaar voor 90 % van de projecten.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 te realiseren dat tegen einde 2004 elke promotor zijn definitieve subsidie na controle ontvangt in het jaar volgend op het dienstjaar.

Deze realisatie zal progressief verlopen volgens het hiernavolgende schema : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld |B4 het huidige systeem te evalueren en voorstellen ter vereenvoudiging van toekenningsvoorwaarden, berekeningswijze en definitieve afrekening te onderzoeken. Afdeling 4. - Beleidsvoorbereiding, -advisering en -ondersteuning

Artikel 25.Omschrijving van de opdracht Deze opdracht behelst het formuleren van adviezen, het opmaken en opvolgen van de begroting, het analyseren van de kosten via een analytische boekhouding, het verwezenlijken van studies en het uitwerken van voorstellen ter ondersteuning, voorbereiding en eventueel ter bijsturing van het beleid op organisatorisch, regelgevend en financieel vlak en dit zowel op initiatief van de RKW als op vraag van de voogdijoverheid. In ruime zin richt deze opdracht van beleidsondersteuning zich ook tot het Parlement, de medewerkende instellingen en tot alle instellingen en personen die met de toepassing en de uitbouw van de kinderbijslagregeling te maken hebben.

Artikel 26.Doelstellingen van de opdracht per deelaspect De RKW wil door zijn belangrijke knowhow die hij dankzij een jarenlange ervaring opgebouwd heeft, ertoe bijdragen de regelgeving maximaal af te stemmen op de maatschappelijke evoluties en op de terechte verwachtingen van de burger, terwijl hij ook op een loyale wijze wil meewerken aan de uitbouw van een regeling waarin de actuele tendensen en politieke klemtonen zo getrouw mogelijk worden omgezet in concrete voorstellen en studies.

Meer in het bijzonder betreft het : |B4 het voorbereiden van het beleid door het verlenen van medewerking aan de redactie of door het opmaken van voorontwerpen van wetten en besluiten, het uitwerken van onderrichtingen, het uitdiepen via studies van probleemgebieden en specifieke thema's, alsook het participeren aan studiedagen en conferenties in binnen- en buitenland; |B4 het adviseren van het beleid , op vraag of op eigen initiatief, via het formuleren van adviezen en het uitwerken van voorstellen waarvan de budgettaire weerslag op een systematische en wetenschappelijke wijze wordt berekend, terwijl de motieven op een omstandige en heldere manier worden toegelicht, waarbij desgevallend de diverse zienswijzen van de bij het beheer betrokken partners op een objectieve wijze worden weergegeven; |B4 het ondersteunen van het beleid door de regelmatige opmaak van begrotingsvoorstellen, een kostenefficiënt beheer van de regeling alsook door het verschaffen van antwoorden op vragen over specifieke aangelegenheden, het samenbrengen, ordenen, structureren en duiden van statistische gegevens, het verstrekken van informatie over algemene en actuele items en dit zowel op nationaal als op internationaal vlak, over elke aangelegenheid die de RKW wordt voorgelegd.

Artikel 27.Voorbereiden van het beleid De RKW biedt aan |B4 een pro-actieve en loyale medewerking bij het opmaken en het uitwerken van voorontwerpen van wetten en besluiten, waarbij op een creatieve wijze aan rechtsvinding wordt gedaan, zodat de regelgeving wordt afgestemd op de actuele maatschappelijke noden, alle elementen worden aangereikt om de budgettaire impact juist te kunnen inschatten en eventueel door breed overleg met de diensten en instellingen die onstaan voor de uitvoering, de doenbaarheid wordt gewaarborgd; |B4 een kennismanagement dat maximaal zijn knowhow en ervaring overdraagt via algemene informatieverschaffing, periodieke en punctuele studies, antwoorden op specifieke en categoriële vraagstukken waarbij deze op een gepersonaliseerde en gerichte wijze aan de betrokken en geïnteresseerde professionele en andere milieus bezorgd worden.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 de voogdijoverheid optimaal te ondersteunen. Te dien einde zal hij de maatschappelijke evoluties op de voet blijven volgen en deze vertalen in passende ontwerpen van regelgeving. Tevens zal hij disfuncties in de regeling opsporen en deze op een pro-actieve wijze verhelpen door concrete, toepasbare en haalbare oplossingen voor te stellen. Verder zal hij zijn medewerking verlenen bij de opmaak van voorontwerpen van wetten of besluiten of de redactie ervan op zich nemen, die de regelgeving en de organisatie aanpassen aan de verwachtingen van de gezinnen, sociale bijsturingen aanbrengen, toepassingsmoeilijkheden of het onaangepast zijn van de regelgeving aan de ontwikkelingen in de samenleving wegwerken, alsook de toegankelijkheid en de toepassing van de teksten vergemakkelijken.

Artikel 28.Adviseren van het beleid De RKW biedt aan een instelling die alert en sociaal bewogen, de complexe kinderbijslagregeling alsook haar organisatie voortdurend en nauwlettend evalueert en de voogdijoverheid daarover zowel op vraag als op eigen initiatief op een omstandige alsook met motieven en een financiële raming ondersteunde wijze adviseert. Maandelijks worden daartoe alle aangelegenheden waarover zijn beheersorgaan een advies moet uitbrengen of een voorstel moet formuleren, onderzocht zodat de wettelijke opdracht ter zake op een systematische wijze wordt vervuld.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 de antwoorden op punctuele vragen en aangelegenheden binnen de 30 dagen en alleszins binnen de gestelde termijn te verstrekken. Indien deze termijn niet kan gerespecteerd worden zal de vrager hiervan in kennis worden gesteld, vóór het verstrekken van de termijn en zal de vertraging hem gemotiveerd worden; |B4 de adviezen binnen de 15 dagen na de beraadslaging van het Beheerscomité aan de Minister te bezorgen; |B4 de studies, kwaliteitsvol, actueel en doelgericht af te leveren.

Artikel 29.Ondersteunen van het beleid De RKW biedt aan |B4 een methodologisch inzicht in de wijze waarop de RKW zijn wettelijke opdrachten uitvoert, wat wordt uitgedrukt in geaggregeerde boordtabellen die maandelijks op een gestructureerde wijze de werking van de RKW en de evolutie ervan afbeelden; |B4 de opmaak van periodieke begrotingsvoorstellen volgens de wettelijke vereisten en voorziene termijnen die worden ondersteund door budgettaire implementatieplannen die de uitvoeringsmodaliteiten en de herkomst van de beheerde kredieten en hun aanpassingen omschrijven; |B4 de berekening van de kostprijs van de door de RKW uit te voeren wettelijke opdrachten die middels een door SAP ondersteunde analytische boekhouding wordt uitgevoerd en uitgediept over de nodige horizontale en verticale dimensies.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 een doelgerichte organisatie en sturing van de regeling te verrichten, de inzameling van statistische gegevens op een elektronische wijze te leveren, zodat de correctheid van de brongegevens wordt gewaarborgd en de verwerking op een kostenefficiënte wijze kan verricht worden en dit zodra alle medewerkende instellingen daartoe op voldoende wijze zijn geïnformatiseerd. HOOFDSTUK 2. - Gedragsregels ten aanzien van het publiek Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Artikel 30.Omschrijving van de opdracht De RKW levert voortdurend inspanningen om de gezinnen een kwaliteitsvolle dienstverlening met een verlaagde toegangsdrempel aan te bieden. Zijn gedrag ten aanzien van het publiek wordt gekenmerkt door het voeren van een transparant, efficiënt en effectief communicatie- en informatiebeleid, het doorvoeren van een verdere administratieve vereenvoudiging, het afdoende motiveren van zijn beslissingen, het verzekeren van een klantvriendelijk en gemakkelijk toegankelijk onthaal. Afdeling 1. - Communicatie- en informatiebeleid

Artikel 31.Informeren en bijstaan door de RKW voor het stelsel De RKW verstrekt verschillende soorten informatie met name : |B4 algemene informatie; |B4 specifieke gestructureerde informatie; |B4 gepersonaliseerde informatie.

Algemene informatie Worden hierbij bedoeld informatiebrochures, folders en barema's welke voor het grote publiek bestemd zijn (bv. folder over leeftijdsbijslagen, kraamgeld,...).

De RKW biedt aan |B4 een gratis verspreiding en terbeschikkingstelling van een reeks informatiebrochures, folders en barema's; |B4 een marketingcampagne in de verschillende media ter begeleiding van deze publicaties. Deze campagnes leveren honderden vragen en bestellingen op, welke onmiddellijk uitgevoerd worden.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 jaarlijks zijn brochures en folders bij te werken en doelgericht in een klare taal te verspreiden; |B4 de barema's van de kinderbijslagbedragen ter beschikking te stellen en er een mailing naar media, sociale partners, enz. voor te verrichten (binnen de maand na de goedkeuring van de nieuwe bedragen door de Minister); |B4 volgende folders te publiceren en verspreiden : - het eerste semester van 2002 : Omschakeling naar de euro; - het eerste semester van 2002 : het kraamgeld; - het tweede semester van 2002 : het in toepassing stellen van de anti-discriminatiemaatregelen tussen mannen en vrouwen; - het eerste semester van 2003 : studenten (werkzoekenden); - het tweede semester van 2003 : Co-ouderschap; - het eerste semester van 2004 : de groepering van kinderen. |B4 zijn brochures, folders en barema's tegen het einde van het jaar 2004 via het internet te verspreiden en na elke wijziging binnen de week te actualiseren.

Specifieke informatie Hiermee worden tal van statistische publicaties en studies bedoeld (bv. omtrent de geografische verdeling van de rechtgevende kinderen in het stelsel van de werknemers; de kinderen opgevoed buiten het Rijk, het « Bulletin van de RKW », de « Halfjaarlijkse Mededeling »,...).

De RKW biedt aan |B4 gratis verstrekte informatie in een klare taal, in een bescheiden maar aantrekkelijke presentatie en telkens aangepast aan het doelpubliek; |B4 studies en statistische publicaties met duiding en ruime verspreiding (sociale partners, universiteiten, kabinetten, O.C.M.W.'s,...).

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 snel, verstaanbaar, selectief, actueel, juist en doelgericht te informeren; |B4 het « Bulletin van de RKW » 3 maal per jaar te laten verschijnen, ten laatste respectievelijk in de maanden april, augustus en december; |B4 de « Halfjaarlijkse Mededelingen » tweemaal per jaar te laten verschijnen (juni en december); |B4 de « Statistische Reeksen » jaarlijks te publiceren.

Gepersonaliseerde informatie Het betreft zowel individuele vragen van personen of instellingen omtrent algemene inlichtingen over het stelsel, vragen om documentatie, vragen om verduidelijkingen over gepubliceerde studies of barema's, enz. als het gepersonaliseerd versturen naar specifieke doelgroepen (de verschillende bevoegde instanties, sociale partners, pers,...) van documentatie. Hiertoe heeft de RKW een gegevensbank aangelegd met ongeveer 3.000 bijgewerkte adressen, waarmee gepersonaliseerde en doelgerichte verzendingen mogelijk zijn.

De RKW biedt aan |B4 vlugge, correcte antwoorden in een verstaanbare, klare taal.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 vragen om inlichtingen en documentatie binnen de week te beantwoorden en, als dit niet mogelijk is, minstens de vrager de ontvangst te melden en het niet tijdig beantwoorden te motiveren.

Artikel 32.Informatie op maat De RKW biedt aan een gebruiksvriendelijke toegang aan de klant bediend door de RKW door vermelding op de formulieren van de naam van de dossierbeheerder en zijn rechtstreeks telefoonnummer. Indien de sociaal verzekerde geen klant is bij de RKW wordt zijn vraag beantwoord en zijn dossier verder georiënteerd door de mediatiedienst zoals vermeld in artikel 18 van hoofdstuk 1 - afdeling 2.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 op vraag van de sociaal verzekerde alle nuttige inlichtingen te verstrekken betreffende zijn rechten en verplichtingen en uit eigen beweging alle bijkomende informatie te verstrekken nodig voor het bekomen of behoud van zijn recht; |B4 de inlichtingen duidelijk, nauwkeurig en volledig te verstrekken binnen 45 dagen na de ontvangst van de vraag. Afdeling 2. - Administratieve vereenvoudiging

Artikel 33.Rendabilisering van de gegevensverzameling De RKW biedt aan een inventaris van alle sociale gegevens van persoonlijke aard nodig voor een snelle en correcte rechtsvaststelling met opgave van de bevoegde informatiebron. Waar mogelijk worden deze relevante inlichtingen rechtstreeks via elektronische gegevensfluxen ingezameld bij de bron van hun kwalificatie, zonder bevraging van de sociaal verzekerde. Enkel de informatie die alleen bij de gezinnen verkrijgbaar is wordt nog opgevraagd via formulieren die in een klare en begrijpelijke taal zijn opgesteld. Bij de vraagstelling wordt vertrokken vanuit de denkwereld van de sociaal verzekerde. Open vragen werden vervangen door keuzeantwoorden. De invuller moet niet langer zelf de reglementen interpreteren, maar feiten meedelen die door de dossierbeheerders aan de wetsbepalingen worden getoetst. Bij bevraging door middel van in het stelsel algemeen geldende typeformulieren, voegt de RKW begeleidende en verklarende informatiebladen over de gevraagde inlichtingen bij. Daarin wordt niet alleen het doel van de bevraging uitgelegd, maar ook de weerslag van de feitelijke situatie op het voortbestaan van het recht op kinderbijslag.

Niet de administratie maar de burger staat « centraal » bij de gegevensvergaring.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 de strategie om zo min mogelijk gegevens voor de vaststelling van het recht op kinderbijslag bij de sociaal verzekerde zelf in te zamelen, voort te zetten door permanent te streven naar de ontwikkeling van nieuwe elektronische gegevensstromen; |B4 continu een analyse van de efficiëntie van deze instrumenten uit te voeren teneinde de circuits verder te optimaliseren; |B4 - alle formulieren en standaardbrieven voortdurend te actualiseren en blijvend te toetsen aan de eisen van klantvriendelijkheid; |B4 tegen het einde van 2004 de aanvraag- en periodieke formulieren die betrekking hebben op de rechthebbende mindervaliden, studenten, mindervalide kinderen en huispersoneel eveneens te herwerken in een duidelijke en begrijpelijke taal en eenvoudig te beantwoorden vragen; |B4 deze vragenlijsten tegen het einde van 2004 ook elektronisch aan te bieden. Afdeling 3. - Gemotiveerde beslissingen

Artikel 34.Motivering De RKW biedt aan |B4 een ontvangstmelding van elke aanvraag om kinderbijslag met vermelding van het dossiernummer, naam van de dossierbeheerder en rechtstreeks telefoonnummer om het contact te optimaliseren; |B4 elke beslissing inzake terugvordering van een onverschuldigde betaling met een schriftelijke kennisgeving aan de bijslagtrekkende te betekenen. In de motiveringsbrief wordt begrijpelijk uitgelegd op basis van welke feiten de beslissing is genomen, welke wettelijke bepalingen zijn toegepast, de berekeningswijze van het betaalde bedrag toegelicht en de beroepsmogelijkheden vermeld waarover het gezin beschikt wanneer het niet akkoord gaat; |B4 op individuele vraag de feiten, de wettelijke bepalingen waarop een beslissing is gesteund, de berekeningswijze van het bedrag en de beroepsmogelijkheden eveneens mee te delen bij toekenning van een recht; |B4 in een aantal gevallen op een systematische wijze de motivering over de toegekende rechten en betalingen; |B4 op vraag, de bijslagtrekkenden die geen sociale toeslag verkrijgen in te lichten over de reden hiervan, hen eveneens te verklaren onder welke voorwaarden zij deze kunnen verkrijgen en ze periodiek uit te nodigen desgevallend een aanvraag in te dienen.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven en alles in het werk te stellen om de ca. 2.800.000 beslissingen die de Rijksdienst en de kinderbijslagfondsen jaarlijks nemen op passende wijze te motiveren; |B4 tegen het einde van 2003, het aantal gevallen van gemotiveerde mededeling van beslissingen van de RKW waarbij een recht op kinderbijslag wordt toegekend, geweigerd, gewijzigd of een betaling wordt teruggevorderd, te verhogen; |B4 tegen het einde van 2004, in alle gevallen gemotiveerde mededelingen te verstrekken door bij de ontwikkeling van het workflowsysteem in de integratie van deze taak te voorzien; |B4 voor deze motivering, correcte en in begrijpelijke taal gestelde motiveringsmodules te ontwikkelen om integraal deel uit te maken van een geïndividualiseerde kennisgeving aan de sociaal verzekerde van de genomen beslissingen; |B4 deze motiveringsmodules actueel te houden.

Artikel 35.Rechtszekerheid en uniforme toepassing De RKW biedt aan duidelijke en uniforme onderrichtingen die de dossierbeheerders in staat stellen een correcte toepassing van de regelgeving te waarborgen. Bij telefonische en schriftelijke contacten of bij bezoeken ten huize wordt gestreefd naar een menselijke en begripvolle benadering waarbij bijstand aan het gezin prioritair is.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 snel klare en uniforme onderrichtingen uit te werken betreffende wijzigingen in de reglementering; |B4 systematisch overleg te plegen met het Departement van Sociale Zaken en/of andere socialezekerheidsinstellingen telkens de te regelen materie raakpunten heeft met hun respectieve bevoegdheden. Afdeling 4. - Onthaal

Artikel 36.Openingsuren De RKW biedt aan een optimale beschikbaarheid om te beantwoorden aan de legitieme eisen van de burgers. Elke werkdag van 8 u.30 m. tot 16 u. 30 m. kan eenieder er terecht, zowel in de centrale diensten in Brussel als in de provinciale kantoren behoudens het regionaal kantoor van Eupen.

Een bezoek op afspraak is eveneens mogelijk rekening houdende met de veiligheidsvoorschriften. Zoals vermeld in artikel 18 van de huidige bestuursovereenkomst, waarborgt een « universele » mediatiedienst met een groen telefoonnummer maximaal de toegankelijkheid. In 2000 hebben 57.388 bezoekers zich op de verschillende onthaaldiensten van de Rijksdienst aangeboden. Er werden 107.504 telefoonoproepen op het algemeen nummer van de hoofdzetel behandeld.

De RKW verbindt er zich toe om |B4 het huidige kwaliteitsniveau te handhaven; |B4 er alles aan te doen om de klantentevredenheid te waarborgen; |B4 alle opvangopdrachten (telefonisch en fysiek onthaal) samen te brengen in één sociale Front-Desk. In een omgeving met geavanceerde technologie en een vormgeving die oog heeft voor de gesprekspartners zullen de gezinnen in de centrale diensten elke werkdag van 8 uur tot 17 uur, snel een deskundig antwoord krijgen op hun vragen; |B4 voor de navolgende percentages de bezoekers binnen de 10 minuten na hun aankomst te ontvangen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Artikel 37.Lokale contactpunten De RKW biedt aan een kantoor in elke provincie en een regionaal kantoor in Eupen.

De RKW verbindt er zich toe om te onderzoeken hoe hij het onthaal nog dichter bij de burger kan brengen. Gebruik makend van de infrastructuur van andere diensten of instellingen zal hij streven naar de oprichting van lokale antennes waar de gezinnen op geregelde tijdstippen terecht kunnen voor hun vragen over de kinderbijslag. HOOFDSTUK 3. - Meetinstrumenten van de opvolging van de verwezenlijking van de doelstellingen en de gedragsregels

Artikel 38.Meetinstrumenten De in deze bestuursovereenkomst opgenomen doelstellingen en gedragsregels worden op de hierna vermelde wijze opgevolgd en gemeten : 1. Door boordtabellen worden 34 eindproducten van de operationele activiteiten, en meer bepaald de mate waarin de doelstellingen en de gedragsregels bereikt worden gemeten aan de hand van kwantificeerbare indicatoren.Het geheel van de boordtabellen omtrent de operationele opdrachten werd door PricewaterhouseCoopers op 3 juli 1995 gevalideerd.

Via deze boordtabellen zullen per eindproduct gebruikte indicatoren als daar zijn volume, saldi, doorlooptijden, ouderdomsbalans, correctheid, stiptheid, klantvriendelijkheid en kostprijs gemeten worden. Deze boordtabellen worden permanent up to date gehouden en worden geïntegreerd in een datawarehouse, die de consultatie en analyse van alle gegevens mogelijk maakt op het gewenste detailniveau. 2. Door een logboek waarin alle vragen en klachten over de kinderbijslag met hun significante kenmerken zoals naam, datum ontvangst, datum oplossing, typevraag en betrokken kinderbijslagfonds, zijn opgenomen.Het doel is permanent de efficiëntie en de effectiviteit van het kinderbijslagstelsel te evalueren. Op die wijze worden de reglementering en de procedures bijgestuurd om ze dichter te laten aansluiten op sociologische mutaties. 3. Door een kwaliteitsbarometer per betaalkantoor van de vrije kinderbijslagfondsen gebaseerd op een wetenschappelijk verantwoord controlestaal (doorlichtingsmodel Dulbea) dat inzicht biedt in het bereikte kwaliteitsniveau (technische competentie en klantvriendelijkheid).4. Door steekproeven die naargelang het geval, specifiek en ad hoc worden opgezet, of periodiek systematisch worden uitgevoerd, zal de klantvriendelijkheid gemeten worden. Deze meetinstrumenten stellen de RKW in staat de procedures te optimaliseren en het beleid te adviseren, telkens als dat nodig is.

Het voortschrijdend bestuursplan, het jaarverslag of een specifieke rapportering terzake zullen de inzet van actiemiddelen en de engagementen tot uitvoering van de bestuursovereenkomst opvolgen en meten. HOOFDSTUK 4. - Verbintenissen van de Staat Artikel 39.

Overeenkomstig het artikel 15 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de sociale zekerheidsinstellingen, legt de Staat aan het advies van het beheersorgaan van de Rijksdienst elk voorontwerp van wet of besluit voor, dat de wetgeving die de instelling moet toepassen beoogt te wijzigen. De hoogdringendheid kan door de Staat slechts worden ingeroepen, indien zijn begrotingsbeleid of sociaal beleid zulke modaliteit noodzakelijk maakt.

De Staat verbindt er zich ook toe om contacten te leggen met de betrokken diensten van de RKW om, enerzijds, rekening te houden met de technische aspecten voor het toepassen van de overwogen wijzigingen en, anderzijds, om hen toe te laten tijdig de veranderingen voor te bereiden. Behoudens gemotiveerde hoogdringendheid wordt de datum van inwerkingtreding van de bedoelde wijzigingen of nieuwe maatregelen in overleg met de instelling vastgelegd.

Artikel 40;

Na voorafgaandelijk overleg met de instellingen en met respect voor het begrotingsbeleid van de Staat en voor het stabiliteitspact verbindt de Staat er zich toe het thesaurieplan na te leven dat jaarlijks opgesteld wordt voor de storting van de subsidies aan het Globaal Beheer en voor de alternatieve financiering voorzien in de begroting; het Globaal Beheer zal dan deze middelen moeten verdelen tussen de verschillende instellingen in functie van hun behoeften zodat ze de continuïteit in de uitoefening van hun opdrachten kunnen waarborgen.

Artikel 41.

Tijdens de eindevaluatie van de overeenkomst en in de mate de Staat tijdig verwittigd is geweest verbindt de Staat er zich toe rekening te houden met gebeurtenissen van overmacht die eventueel de verwezenlijking van de overeenkomst hebben belemmerd evenals met de besluiten van de regering, genomen na afsluiting van de overeenkomst en die zouden hebben geleid tot een merkelijke verzwaring van de taken of van zekere uitgaven.

Artikel 42.

Indien de RKW in het kader van een wettelijke opdracht moet samenwerken met een federaal ministerie zal dit laatste erover waken van doeltreffend samen te werken.

Zowel de Rijksdienst als de federale overheidsdienst zullen pro-actief reageren met name wanneer de samenwerking de overdracht van informatie vereist.

Dit laatste impliceert een voortdurend overleg tussen de federale overheidsdienst en de betrokken instelling.

Dit voortdurend overleg zal in werking gesteld worden op initiatief van de instelling. HOOFDSTUK 5. - Beheerskredieten

Artikel 43.Globale beheerskredieten Het beheerskrediet dat aan de RKW toegekend wordt omvat alle kredieten inzake personeel, werking en investeringen zoals ze zullen deel uitmaken van de beheersbegroting en houdt rekening met de doelstelling om voldoende personeelskredieten te voorzien voor statutaire ambtenaren.

In zijn vergadering van 7 december 2001 heeft de Ministerraad de globale kredieten vastgelegd voor het jaar 2002 die in onderstaande tabel worden opgenomen. (in EUR) Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor het jaar 2002 zijn de beheerskredieten definitief.

Voor de meerjarenraming 2003-2004 zijn de kredieten eveneens vastgelegd voor de werkingskredieten informatica en de investeringsuitgaven voor informatica en patrimonium.

Voor de personeelskredieten, de functionele werkingskredieten en investeringen (uitgezonderd informatica en patrimonium) is de toegestane verhoging in 2003 en 2004 in principe de gezondheidsindex en de door de Regering weerhouden verhoging in het kader van zijn stabiliteitsprogramma.

Artikel 44.

Binnen de grenzen van zijn doel kan de RKW beslissen over de verwerving, de aanwending en de vervreemding van hun lichamelijke en onlichamelijke goederen en de vestiging of de opheffing van zakelijke rechten op deze goederen, alsmede over de uitvoering van dergelijke beslissingen.

In afwijking van het eerste lid is elke beslissing tot verwerving, oprichting, renovatie of vervreemding van een onroerend goed of recht, waarvan het bedrag 5 miljoen euro overschrijdt onderworpen aan de voorafgaande machtiging van de voogdijminister en de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort. Om zich uit te spreken beschikt de minister van begroting over een termijn van één maand vanaf de ontvangst van het gegeven akkoord van de voogdijminister.

De reglementering inzake overheidsopdrachten is in voorkomend geval van toepassing inzonderheid bij renovatie van gebouwen.

Artikel 45.

Inzake de bepaling van de beheersontvangsten vereist de affectatie van de opbrengst van een vervreemding van onroerende goederen of de verkoop van roerende goederen het voorafgaande akkoord van de voogdijminister en van de minister van begroting. Om zich uit te spreken beschikt de minister van begroting over een termijn van een maand vanaf de ontvangst van het gegeven akkoord van de voogdijminister.

Artikel 46.Financiering De beheerskredieten van de RKW zoals bepaald in artikel 41 van de huidige bestuursovereenkomst worden gefinancierd conform de bepalingen van artikel 1 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen en de artikelen 3 en 8 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 houdende maatregelen met het oog op de uitbouw van het globaal beheer van de sociale zekerheid.

De verdeling van de geldmiddelen van het Globaal Beheer gebeurt op basis van de te financieren thesauriebehoeften van de regeling voor gezinsbijslagen. De te financieren behoeften worden vastgesteld als zijnde het verschil tussen de uitgaven - lopende en kapitaalsverrichtingen - en de eigen inkomsten, die in de RKW voor het dienstjaar 2000 een bedrag van 171,7 miljoen BEF vertegenwoordigen (tegen 181,5 miljoen BEF in 1999).

Artikel 47.Boekhoudplan De RKW verbindt er zich toe over te gaan tot de ontwikkeling en implementatie van een boekhoudplan gebaseerd op het nieuw genormaliseerd boekhoudplan voor de openbare instellingen van sociale zekerheid.

Dit nieuwe boekhoudplan zal in voege zijn het jaar volgend op de publicatie van het koninklijk besluit houdende de goedkeuring van het nieuw genormaliseerd boekhoudplan voorgesteld door de Commissie voor de Normalisatie van de Boekhouding van de Openbare Instellingen van Sociale Zekerheid. HOOFDSTUK 6. - Positieve en negatieve sancties Artikel 48. (Pro memorie) HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen Artikel 49. (Pro memorie) De slotbepalingen worden besloten in een gemeenschappelijk akkoord voor alle instellingen van de sociale zekerheid.

GEMEENSCHAPPELIJKE BIJLAGE VOOR DE INSTELLINGEN VAN SOCIALE ZEKERHEID inzake verwerking van de aanvragen en gedragsregels ten opzichte van het publiek 1. PLICHTEN VAN DE INSTELLINGEN VAN SOCIALE ZEKERHEID 1.1. Plicht tot informatieverstrekking Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) Op schriftelijk verzoek van de sociaal verzekerde moeten de instellingen van sociale zekerheid : - hem binnen een termijn van 45 werkdagen elke "nuttige" informatie verstrekken over zijn rechten en verplichtingen. De informatie moet duidelijk, precies, volledig en in principe gratis zijn. Zij moet bovendien de kenmerken van het behandelde dossier en de dienst die het beheert vermelden. - brochures ter beschikking stellen die regelmatig zijn bijgewerkt en de rechten en verplichtingen geldend in de wetgeving die ze toepassen omschrijven. - hem een overzichtsdocument over alle instellingen verstrekken (basisinformatie over de werking van de sociale zekerheid in het algemeen).

Op eigen initiatief moeten de instellingen van sociale zekerheid aan de sociaal verzekerde elke bijkomende informatie verstrekken nodig voor het onderzoek van zijn aanvraag of het behoud van zijn rechten.

Te vermelden valt dat de plicht tot informatieverstrekking ook ten opzichte van de andere instellingen geldt. 1.2. Plicht tot adviesverstrekking Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) Onder dezelfde voorwaarden als die voor de plicht tot informatieverstrekking moeten de instellingen van sociale zekerheid, voor wat de materie betreft die hen aanbelangt, elke sociaal verzekerde die erom vraagt advies verstrekken over de uitoefening van zijn rechten of de uitvoering van zijn plichten en verplichtingen (verplichting van middel). 1.3. Overdracht van de verzoeken om informatie of advies bestemd voor een andere instelling Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) Handvest van de gebruiker van de overheidsdiensten, deel 1, Hoofdstuk II, Sectie 2, punt 3 Wanneer de sociaal verzekerde een verzoek om informatie of advies richt aan een onbevoegde instelling, dient deze ervoor te zorgen dat zij dit verzoek zo vlug mogelijk aan de bevoegde instelling toezendt en tegelijkertijd de sociaal verzekerde daarvan in kennis stelt. 1.4. Verplichting om een duidelijke en begrijpelijke taal te gebruiken Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) Handvest van de gebruiker van de overheidsdiensten, deel 1, Hoofdstuk II, Sectie 1, punt 2 De instellingen van sociale zekerheid moeten een voor het publiek begrijpelijke taal gebruiken. 1.5. Openingstijden Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) Handvest van de gebruiker van de overheidsdiensten, deel 1, Hoofdstuk II, Sectie 1, punt 1 en omzendbrief nr. 443 van 17 december 1996 Een bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de versoepeling van de openingstijden. Dienovereenkomstig kunnen de openingstijden op dinsdag en vrijdag tot 20 uur worden uitgebreid. De bedoeling is dat de burgers die zich niet tijdens de normale kantooruren naar de administratie kunnen begeven telefonisch kunnen afspreken om te worden gehoord door het personeelslid wiens naam is vermeld in de briefwisseling die hen is toegestuurd of door een ander personeelslid op de dagen dat de administratie later open blijft. Dit sluit niet uit dat een afspraak kan worden gemaakt voor een andere dag en een ander uur. 2. TOEKENNINGSPROCEDURES 2.1. Automatische toekenning of op verzoek Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) De sociale uitkeringen worden automatisch toegekend telkens als dit materieel mogelijk blijkt. 2.2. Bericht van ontvangst Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) De instelling van sociale zekerheid moet een bericht van ontvangst uitreiken waarop de onderzoekstermijn van de aanvraag alsook de geldende verjaringstermijn is vermeld.

Het Handvest verleent aan de Koning de mogelijkheid om bijkomende modaliteiten te bepalen of gevallen vast te stellen waarin het bericht van ontvangst niet moet worden uitgereikt, wat het geval is geweest in de sector van de arbeidsongevallen. 2.3. Overdracht van de aanvragen om uitkeringen die door de sociaal verzekerde verkeerd zijn geadresseerd Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) Handvest van de gebruiker van de overheidsdiensten, deel 1, Hoofdstuk II, Sectie 2, punt 3 Alle aanvragen gericht aan ongeacht welke instelling van sociale zekerheid moeten naar de bevoegde instelling worden overgedragen en de aanvrager moet van de verzending van de aanvraag in kennis worden gesteld.

De wet van 11 april 1995 bepaalt bovendien de mogelijkheid om de datum van indiening van de oorspronkelijke, verkeerd geadresseerde aanvraag te valideren. 2.4. Polyvalentie van de aanvragen Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) De Koning bepaalt welke aanvraag, ingediend met het oog op de toekenning van een uitkering die onder een sociale zekerheidsregeling ressorteert, als aanvraag geldt tot het bekomen van dezelfde uitkering ten laste van een andere regeling. 3. BESLISSING 3.1. Onderzoek van de aanvraag Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) Behalve de verplichting om binnen de vereiste termijnen te beslissen, legt het Handvest aan de instelling op om actief bij te dragen tot het onderzoek van het dossier en uit eigen initiatief de ontbrekende inlichtingen te verzamelen. 3.2. Termijnen Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) Het Handvest bepaalt dat de instelling van sociale zekerheid uiterlijk binnen 4 maanden volgend op de ontvangst van de aanvraag of op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot een automatisch onderzoek dient te beslissen.

Wanneer de instelling van sociale zekerheid binnen de termijn geen beslissing kan nemen, stelt zij de betrokkene daarvan in kennis en geeft zij hem de redenen op.

Indien de aanvraag de tussenkomst vergt van een andere instelling van sociale zekerheid, wordt deze tussenkomst gevraagd door de instelling waaraan de aanvraag werd gericht. De aanvrager wordt daarvan in kennis gesteld, maar dit zal de toegekende termijn niet verlengen.

De termijn van 4 maanden wordt opgeschort zolang de betrokkene of een vreemde instelling de gevraagde inlichtingen, vereist om de beslissing te nemen, niet volledig aan de instelling van sociale zekerheid hebben verstrekt.

Indien ondanks de aanmaning die hem is toegestuurd de aanvrager gedurende meer dan een maand nalaat de bijkomende inlichtingen die de instelling van sociale zekerheid heeft gevraagd op te sturen, mag deze, nadat zij elke stap heeft gezet die nuttig is met het oog op het bekomen van de genoemde inlichtingen, een beslissing nemen waarbij zij zich baseert op de inlichtingen waarover zij beschikt, behalve indien de aanvrager een motief laat kennen dat een langere antwoordtermijn wettigt. 4. UITVOERING VAN DE BESLISSING 4.1. Kennisgeving Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) De beslissingen moeten gemotiveerd zijn, bepaalde vermeldingen bevatten (met betrekking tot de bestaande mogelijkheden van beroep alsmede tot de met het oog hierop na te leven vormen en termijnen) en de kennisgeving moet gebeuren met naleving van bepaalde vormen.

Het Handvest schrijft voor dat in principe de kennisgeving uiterlijk plaats vindt op het ogenblik van de uitvoering en via een gewone brief of het overhandigen van een document aan de betrokkene gebeurt.

Verschillende uitvoeringsbesluiten werden echter genomen om de modaliteiten van de kennisgeving of de uitzonderingen op het principe vast te leggen (sector van de ziekteverzekering, sector van de beroepsziekten, sector van de kinderbijslag, pensioenen van de overheidssector, sector van de arbeidsongevallen). Evenzo, werden bepaalde vermeldingen in bepaalde sectoren aangepast (arbeidsongevallen). 4.2. Motivering - verplichte vermeldingen Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) Wet van 29 juli 1991 (uitdrukkelijke motivering van de administratieve handelingen) De beslissingen moeten gemotiveerd worden. De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn (de beslissing moet in elk geval de feiten bevatten eigen aan de bijzondere toestand en de wettelijke en reglementaire grondslagen die aan de grondslag liggen van de beslissing).

De motiveringsplicht is niet van toepassing indien de aanduiding van de motieven inzonderheid de openbare orde kan verstoren, afbreuk kan doen aan het recht op eerbied voor het privé-leven of afbreuk kan doen aan de bepalingen inzake de zwijgplicht.

De beslissing inzake toekenning of weigering moet noodzakelijk de volgende vermeldingen bevatten : |B4 de mogelijkheid om voor de bevoegde rechtbank een voorziening in te stellen (in de meeste gevallen de arbeidsrechtbank); |B4 het adres van de bevoegde rechtbanken (een lijst met de adressen van al de bevoegde rechtbanken volstaat); |B4 de termijn om een voorziening in te stellen en de wijze waarop dat moet gebeuren (3 maanden krachtens het Handvest behoudens gunstiger termijn); |B4 de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek; |B4 de refertes van het dossier en van de dienst die het beheert; |B4 de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing bij de dienst die het dossier beheert of bij een aangewezen voorlichtingsdienst.

Bij afwezigheid van deze vermeldingen, gaat de termijn voor het beroep tot vernietiging niet in.

Als de beslissing betrekking heeft op geldbedragen moet ze de wijze van berekening ervan vermelden. Deze mededeling geldt dan als motivering en kennisgeving. 4.3. Betaling van de sociale prestatie Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) Eenmaal dat de beslissing genomen werd in overeenstemming met wat voorafgaat, moet de betaling van de prestaties gebeurd zijn binnen 4 maanden na de kennisgeving van de toekenningsbeslissing, natuurlijk op voorwaarde dat de uitkeringsvoorwaarden op dat ogenblik vervuld zijn en tenzij er in de desbetreffende wetgeving een kortere termijn voorzien is.

Als de betaling niet kan gebeuren binnen de toegestane termijn, dan brengt de instelling belast met de uitbetaling van de prestaties de verzoeker hiervan in kennis, met vermelding van de redenen van de vertraging.

Zolang de betaling niet is gedaan, wordt de verzoeker om de vier maanden van de reden van de vertraging in kennis gesteld.

De overschrijding van de termijn brengt echter geen werkelijke sanctie mee maar kan een weerslag hebben op het vaststellen van de verwijlintresten. 4.4. Intresten Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) Het Handvest beslist dat de prestaties van rechtswege intresten opbrengen. Gewoonlijk, zijn de intresten verschuldigd vanaf het verstrijken van de termijn van 4 maand (of een kortere termijn bepaald door een specifieke wetgeving) na het nemen van de beslissing, maar ten vroegste vanaf de datum van opeisbaarheid van de uitkering, als de vertraging te wijten is aan de betaalinstelling zelf of aan een andere Belgische instelling van sociale zekerheid.

De intresten zijn enkel verschuldigd aan de sociale verzekerden en in geen enkel geval aan hen die in hun rechten gesteld worden.

Indien de vertraging echter te wijten is aan de betrokkene zelf of aan een buitenlandse instelling zal er geen enkele intrest verschuldigd zijn, aangezien de termijn voor het nemen van een beslissing opgeschort wordt. Als de vertraging te wijten is aan een andere Belgische instelling, doch die geen instelling van sociale zekerheid is, is dezelfde regel van toepassing.

Als de voorschotten, onverschillig het bedrag ervan, binnen de opgelegde termijn worden uitgekeerd, is er geen intrest verschuldigd op het verschil tussen het definitief bedrag en het bedrag van de gestorte voorschotten hetzij : |B4 zo de definitieve beslissing afhankelijk is van inlichtingen die door de aanvrager zelf of door een andere instelling dan een instelling van sociale zekerheid moeten meegedeeld worden; |B4 zo de definitieve beslissing afhankelijk is van de beslissingen van twee of meer pensioeninstellingen en voor zover dat de aanvragen om pensioenen ingediend werden binnen de termijn van 8 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van het pensioen; |B4 zo men slechts bij de definitieve beslissing kan vaststellen dat de sociaal verzekerde aan de vereiste voorwaarden voldoet om op een minimumprestatie recht te hebben. 4.5. Termijnen van beroep Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) Onverminderd gunstiger bepalingen voor de sociaal verzekerde, wordt de termijn van beroep tegen de beslissingen inzake toekenning, betaling of inzake terugvordering van prestaties op drie maanden vastgesteld. 4.6. Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen Toepasbare wetgeving Wet van 11 april 1995 (Handvest) De beslissingen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen moeten, benevens de algemene bovenbedoelde vermeldingen, de specifieke vermeldingen bevatten : - de vaststelling dat er onverschuldigde bedragen zijn betaald; - het totale bedrag van wat onverschuldigd is betaald, alsmede de berekeningswijze ervan; - de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de bepalingen zijn gedaan; - de in aanmerking genomen verjaringstermijn; - in voorkomend geval, de mogelijkheid voor de instelling van sociale zekerheid om van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen af te zien en de procedure die hiervoor moet worden gevolgd; - de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven voor te leggen.

Als de beslissing deze vermeldingen niet overneemt, gaat de termijn van beroep niet in.

Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 8 april 2002.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Begroting, J. VANDE LANOTTE De Minister van Sociale Zaken, F. VANDENBROUCKE De Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Besturen, L. VAN DEN BOSSCHE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^