Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 08 augustus 1997
gepubliceerd op 30 augustus 1997

Koninklijk besluit genomen in toepassing van de artikelen 2 en 3, § 1, 1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie tot wijziging van het artikel 22, § 6, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving

bron
ministerie van financien
numac
1997003444
pub.
30/08/1997
prom.
08/08/1997
ELI
eli/besluit/1997/08/08/1997003444/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

8 AUGUSTUS 1997. Koninklijk besluit genomen in toepassing van de artikelen 2 en 3, § 1, 1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie tot wijziging van het artikel 22, § 6, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving


VERSLAG AAN DE KONING Sire, In het kader van de wet van 29 mei 1959 betreffende de onderwijswetgeving, gewijzigd door de wet van 11 juli 1973, heeft de Staat, vertegenwoordigd door de Ministers van Nationale Opvoeding en Financiën en het Nationaal Waarborgfonds voor schoolgebouwen, in 1978 overeenkomsten afgesloten met kredietinstellingen, met het oog op het toekennen van leningen aan scholen van het vrij, provinciaal en gemeentelijk onderwijs voor het investeren in gebouwen.

De taak van het Nationaal Waarborgfonds was tweeledig : - waarborg van de terugbetaling in hoofdsom, de interesten en de kosten verbonden aan de leningen aangegaan door de scholen bij de erkende kredietinstellingen, - toekenning van een rentetoelage ten belope van het verschil tussen de rentevoet van de lening en 1,25 %.

De kosten van het Waarborgfonds werden gedragen door de begrotingen van de departementen van Nationale Opvoeding.

Voor de nieuwe leningen toegekend vanaf 1 januari 1989 zijn de Gemeenschappen bevoegd geworden. De federale overheid is bevoegd gebleven voor de op dat ogenblik uitstaande verbintenissen aan staatswaarborg en rentetoelagen.

Het betreft +/- 3 500 leningen met meestal een looptijd van 30 jaar,5-jaarlijkse renteherziening en aflossing in vaste annuïteiten; het uitstaande bedrag is momenteel +/- 40 miljard BEF. Het Waarborgfonds is niet meer operationeel. De uitgaven zijn sedertdien ten laste van de begroting van de Diensten van de Eerste Minister.

In de overeenkomsten met de kredietinstellingen werden de belangrijkste voorwaarden en modaliteiten van deze leningen vastgesteld. Wat de rentevoet betreft werd het volgende overeengekomen : - de rentevoet van de lening is gelijk aan het "hoogste rendementspercentage dat aan de banken en spaarbanken werd toegekend bij de meest recente openbare lening van de overheidssector"; - indien geen openbare lening werd uitgegeven gedurende6 maanden, komen de partijen overeen een rentevoet vast te stellen overeenkomstig de voorwaarden van de markt; - het maximum van de rentevoet is deze van de hypotheekleningen van de ASLK en het minimum de reële rentevoet van de kasbons uitgegeven door de openbare kredietinstellingen; - de rentevoet is vijfjaarlijks herzienbaar volgens dezelfde formule.

Sedert er geen klassieke leningen meer worden uitgegeven die als referentie kunnen dienen is er een discussie aan de gang tussen de overheid en de financiële instellingen over een aanvaardbare referentierentevoet.

Tussen de verschillende partijen, nl. de Belgische Vereniging van Banken, de Gemeenschappen en de Schatkist, kwam een consensus tot stand rond het volgende voorstel : 1. Alle bedoelde kredieten zouden in de toekomst renten op basis van de Bibor op 1 jaar (365/365) vermeerderd met een marge van 35 bp.2. Teneinde te zware aflossingslasten voor de scholen ingevolge lagere rentevoeten te vermijden zal worden afgestapt van het principe van de vaste annuïteiten.De huidige aflossingstabellen zullen een definitief karakter krijgen en dus niet meer aangepast worden in functie van intrestwijzigingen.

De implementatie van dit voorstel vereist wel een aanpassing van artikel 22, 6, van de wet van 29 mei 1959 en van artikel 11, 7, van het decreet van 5 februari 1990 van de Franse Gemeenschap, waarin bepaald wordt dat de scholen hun kredieten moeten aflossen d.m.v. constante annuïteiten.

Dat is het voorwerp van onderhavig koninklijk besluit.

De Vlaamse Gemeenschap heeft in haar decreet van 5 juli 1989 deze clausule niet hernomen.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Vice-Eerste Minister en de Minister van Begroting, H. VAN ROMPUY ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 10 juli 1997 door de Minister van Financiën verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "genomen in toepassing van de artikelen 2 en 3, 1, 1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie tot wijziging van het artikel 22, 6, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving", heeft op 15 juli 1997 het volgende advies gegeven : Onderzoek van het ontwerp Opschrift Het opschrift zou als volgt gesteld moeten worden : « Koninklijk besluit vastgesteld met toepassing van de artikalen 2 en 3, 1, 1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie, betreffende de wijziging van artikel 22, 6, van de wet van... ».

Aanhef Eerste lid : De woorden "tot wijziging van de wet van 29 mei 1959" dienen te vervallen.

Vierde lid : Men schrijve : "... het akkoord van de Minister van Begroting van...".

Vijfde lid (nieuw) : Na het ontworpen vierde lid, waarin wordt verwezen naar het akkoord van de Minister van Begroting, dient een nieuw lid te worden ingevoegd, luidende : "Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotivoerd door de omstandigheid dat... (men voege hier letterlijk de bijzondere motivering in die is opgegeven in de tot de Raad van State gerichte adviesaanvraag)".

Vijfde lid (dat het zesde lid wordt) : Men schrijve "met toepassing van" in plaats van "in toepassing van".

Zesde lid : Het ontworpen zesde lid dient te vervallen.

Zevende lid : Men schrijve "Begroting" in plaats van "Begrotinting".

Bepalend gedeelte Artikel 1 Teneinde elke twijfel over de bevoegdheid van de steller van de handeling op te heffen, dient in de ontworpen paragraaf 6 te worden aangegeven dat die bepaling alleen betrekking heeft op de leningen waarvoor het Nationaal Waarborgfonds voor schoolgebouwen voor 1 januari 1989 zijn waarborg heeft verstrekt en de rente heeft gesubsidieerd.

Artikel 2 In plaats van "zij" behoort "het" te worden geschreven.

De kamer was samengesteld uit : De heren : J.-J. Stryckmans, voorzitter;

Y. Kreins en P. Lienardy, staatsraden;

Mevr. J. Gielissen, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer E. Thibaut, adjunct- auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer C. Amelynck, adjunct-referendaris.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J.-J. Stryckmans.

De griffier, J. Gielissen.

De voorzitter, J.-J. Stryckmans. 8 AUGUSTUS 1997. Koninklijk besluit genomen in toepassing van de artikelen 2 en 3, 1, 1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie tot wijziging van het artikel 22, 6, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, inzonderheid op artikel 22, 6, ingevoegd bij de wet van 11 juli 1973 tot wijziging van de wet van 29 mei 1959;

Gelet op de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, inzonderheid op de artikelen 2 en 3, 1, 1°;

Gelet op de adviezen van de bevoegde Inspecties van Financiën van 2 en 23 juni 1997;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 2 juli 1997;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 15 juli 1997, in toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Gelet op de hoogdringendheid die voortvloeit uit het feit dat het noodzakelijk is om de aflossingswijze van de leningen door de scholen aangegaan vóór 1989 aan te passen om te zware aflossingslasten te vermijden bij de invoering van een nieuwe referentiebasis voor de herziening van de rentevoeten van de betrokken leningen; dat de mogelijkheid voor de Koning dit te doen in toepassing van de wet van 26 juli 1996 op 31 augustus 1997 verstrijkt;

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, van Onze Minister van Begroting en van Onze Minister van Wetenschapsbeleid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Artikel 22, 6, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, wordt vervangen door de volgende bepaling : " 6. De leningen worden terugbetaald in jaarlijkse schijven. De duur van de aflossing mag niet meer dan veertig jaar bedragen. De leningen die bedoeld worden zijn degene waarvoor het Nationaal Waarborgfonds voor schoolgebouwen zijn waarborg heeft gegeven vóór 1 ja-nuari 1989 en de intresten heeft gesubsidieerd."

Art. 2.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 3.Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Begroting en Onze Minister van Wetenschapsbeleid zijn ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 8 augustus 1997.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, Ph. MAYSTADT De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting, H. VAN ROMPUY De Minister van Wetenschapsbeleid, Y. YLIEFF

^