Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 08 maart 2007
gepubliceerd op 09 maart 2007

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk van 15 juli 2004 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's « cardiale pathologie » moeten voldoen om erkend te worden

bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
numac
2007022333
pub.
09/03/2007
prom.
08/03/2007
ELI
eli/besluit/2007/03/08/2007022333/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

8 MAART 2007. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk van 15 juli 2004 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's « cardiale pathologie » moeten voldoen om erkend te worden


VERSLAG AAN DE KONING. Sire, De « programmatie », met name het maximum aantal zorgprogramma's « cardiale pathologie » B dat kan worden uitgebaat en de programmatiecriteria, toepasbaar op deze zorgprogramma's programma's, wordt vastgesteld door een koninklijk besluit van 16 juni 1999, dat één centrum voorziet per ziekenhuis met minimum 300 universitaire bedden en, bovenop dit criterium, één centrum per begonnen schijf van 800.000 inwoners.

Anderzijds maakt de cardiologische activiteit ook sedert het koninklijk besluit van 16 juni 1999 en dat van 15 juli 2004 het voorwerp uit van erkenningsnormen waaraan de zorgprogramma's « cardiale pathologie » moeten voldoen.

Deze besluiten voorzagen dat de centra erkend voor een programma B drie soorten activiteiten verrichten : diagnostische coronarografieën (B1), percutane behandeling van letsels via dilatatie (B2) en hartchirurgie (B3). Als uitzondering, lieten deze besluiten B1-activiteiten toe op een geïsoleerde vestigingsplaats.

De erkenningsvoorwaarden zijn het onderwerp geweest van een reeks kritieken : 1. Artikel 11 van het koninklijk besluit van 15 juli 2004 stipuleerde dat de activiteiten B1, B2 en B3 gezamenlijk als globaal zorgprogramma op één enkele vestigingsplaats moeten worden aangeboden.Enkel via een afwijking op dit artikel heeft artikel 23, in het kader van een moratorium, toegelaten dat een B1-activiteit op een geïsoleerde vestigingsplaats kon worden behouden.

De huidige geïsoleerde diagnostische (B1) programma's kunnen derahalve niet instaan voor de behandeling van een coronair letsel dat tijdens dat onderzoek zou zijn vastgesteld. Er is dus een nieuwe procedure nodig voor de behandeling van dit soort letsel. Het Federaal Kenniscentrum erkent in haar verslag van juni 2005 over de variaties in de ziekenhuispraktijk bij acuut myocardinfarct dat dit niet optimaal is, en deze mening wordt gedeeld door de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen. 2. Het minimum activiteitenvolume voorzien in het besluit van 15 juli 2004 kan geen voldoende veiligheid verzekeren voor patiënten die worden behandeld in centra die enkel deze activiteit aantonen.De internationale publicaties en vooral de ervaring van het register beheerd door het Belgisch College voor Cardiologie tonen de significante stijging aan van het risico op mortaliteit en morbiditeit voor gelijkaardige patiënten die behandeld worden in centra die niet een substantieel activiteitsniveau vertonen of door artsen die niet over voldoende ervaring beschikken. 3. Zelfs al is dit vooral de bevoegdheid van de overheden die gemachtigd zijn de erkenningen te verlenen, toch is de geografische spreiding van de centra die cardiologische zorgprogramma's uitoefenen, niet optimaal, met in het bijzonder in bepaalde regio's een volledig gebrek aan zorgaanbod, terwijl men in andere gebieden twee volledige programma's terugvindt om minder dan 3 km afstand van elkaar.Er moet namelijk worden benadrukt dat het aantal erkende centra bij toepassing van de programmatie zoals vastgesteld door de federale overheid, zeer aanzienlijk is in vergelijking met het aantal centra in de buurlanden.

Er is dus wel degelijk een hervorming nodig om de kwaliteit van de zorgen en de geografische spreiding beter te kunnen verzekeren over het volledige Belgische grondgebied. Dit zijn de voornaamste doelstellingen beoogd door het koninklijk besluit van 1 augustus 2006, dat het onderwerp was van een schorsingsarrest door de afdeling administratie van de Raad van State. Naast het behouden van de basisprincipes van de bestaande programmatie en het niet wijzigen van de verplichte samenhang tussen de activiteiten van dilatatie (B2) en cardiochirurgie (B3), voorzag dit koninklijk besluit : 1. Een verhoogde activiteitsdrempel, zowel voor de dilataties (400) als voor de cardiochirurgie (250 voor één enkele vestigingsplaats), alsook een minimumaantal procedures per operator.2. Een afwijking voor het cumuleren van B2 en B3 in de situaties waar de geografische isolatie van die aard is dat deze ze ertoe leidt dat de tijd die nodig is om toegang te krijgen tot de technieken van interventionele cardiologie (B2) op onaanvaarbare wijze zou verlengd worden.Daarom werd deze afwijking voorgesteld voor ziekenhuizen die zich op meer dan 60 km van een erkend centrum bevinden. Deze uitzonderlijke afwijking moet strikt worden geïnterpreteerd en kan enkel worden toegepast in de hypothese dat de bevoegde gewesten en gemeenschappen geen optimale en adequate verdeling hebben kunnen verzekeren van de volledige centra in het kader van de programmatie vastgesteld door de federale overheid.

Dit koninklijk besluit wijzigt de verplichting tot cumul van de interventionele (B2) en chirurgische (B3) activiteiten niet. De Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen heeft zich uitgebreid over deze kwestie gebogen maar om verschillende redenen lijkt het niet opportuun om de reglementering op dit punt te wijzigen.

Inderdaad, zelfs indien de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen dit standpunt niet deelt, blijft deze cumul een aanbeveling van vele Belgische en internationale wetenschappelijke verenigingen Zelfs al zijn de risico's verbonden aan percutane dilataties verminderd, toch kunnen ze niet als onbestaande worden beschouwd. Het uitvoeren van een dilatatie zonder chirurgische dekking moet dus een strikt te interpreteren uitzondering blijven die gerechtvaardigd is door het geografische isolement. Zoals een recent verslag (januari 2007) van de Nederlandse Gezondheidsraad benadrukt, biedt het feit dat de centra voor cardiale pathologie, onder het toezicht van één enkel diensthoofd, beschikken over de interventionele en chirurgische capaciteit de garantie, en dit is belangrijk, dat er over de weerhouden therapeutische indicaties wordt beslist, onafhankelijk van de beschikbare technologie.Het ter beschikking stellen van volledige centra aan patiënten is dus ontegensprekelijk voor hen een meerwaarde.

Dat is niet zo wanneer dit verband de toegang van de patiënt tot zo'n centrum binnen een redelijke termijn, namelijk meer dan 90 minuten, onmogelijk maakt. Gezien het aanzienlijke aantal complete centra waarover België beschikt, kan een situatie in dit land enkel uitzonderlijk zijn.

Ten slotte zou de eventuele scheiding van de zorgprogramma's B2 en B3 niet afzonderlijk mogen worden onderzocht van de kwestie van de programmatie en dus in het kader van een meer uitgebreide procedure dan deze van een besluit dat erkenningsnormen vaststelt.

Ingevolge een beroep tot vernietiging en schorsing, ingesteld door de vzw Centre hospitalier chrétien en anderen, werd bedoeld koninklijk besluit van 1 augustus 2006 op 21 februari jongstleden geschorst door de Raad van State. Naar aanleiding van een bepaling uit het koninklijk besluit van 1 augustus 2006, heeft de Raad van State geoordeeld dat deze niet in staat was na te gaan of de federale overheid een manifeste appreciatiefout heeft begaan door de erkenning toe te staan van een centrum waarvan de activiteit was beperkt tot de zorgprogramma's B1 en B2 in functie van een afstandscriterium in plaats van volgens een tijdscriterium Het behoort niet tot de bevoegdheid van de uitvoerende macht om in discussie te treden over een dergelijke interpretatie. Deze kon hoogstens de aandacht vestigen op het feit dat het risico van « een manifeste appreciatiefout - met name « een beslissing (...) die op het eerste zicht onbegrijpelijk is en (...) die a prioiri lijkt op een aberratie » (D. LAGASSE, L'erreur manifeste d'appréciation en droit administratif - essai sur les limites du pouvoir discrétionnaire de l'administration, Bruxelles, Bruylant, 1986, p. 376) - noch eerder was opgeworpen door de Afdeling Wetgeving van de Raad van State, noch door de auditeur die elke afwezigheid van enig ernstig middel had vastgesteld.

Het arrest nr. 168.067 van 21 februari 2007 « verbaast zich over de enige voorgestelde uitzonderingsmaatregel betreffende de toegangkelijkheid welke is uitgedrukt in afstand » en voegt eraan toe dat « de noodzaak om op een nuttige of vitale manier te interveniëren met een coronaire angioplastie eerder zou moeten worden uitgedrukt volgens de factor « tijd » en acht de gelijkstelling in het kader van de dringende medische hulpverlening, die de tijd die in het algemeen nodig is om een kilometer af te leggen, op één minuut vaststelt, onvoldoende gerechtvaardigd.

De Raad van State erkent het ernstig en moeilijk te herstellen nadeel voor cardiologen die « blootgesteld zijn aan grote moeilijkheden als zij een dienst van dezelfde kwaliteit moeten vervoegen in een ander ziekenhuis ». Dit element dat wordt aangehaald met betrekking tot het risico tot ernstig en moeilijk te herstellen nadeel, kan niet worden geanalyseerd als een schending van de wet door het geschorste besluit.

Daarenboven dient nog te worden opgemerkt dat deze geciteerde moeilijkheid geen onmogelijkheid is en dat het wegvallen van erkenningen of het ongemak dat de cardiologen ondervinden, zoals geciteerd, krachtens het proportionaliteitsbeginsel niet mogen van aard zijn om een hervorming onmogelijk te maken die gerechtvaardigd is door de noodzaak om een betere kwaliteit van de gezondheidszorgen en een betere geografische spreiding over het gehele land te garanderen.

Het nieuwe ontwerp van besluit dat wordt voorgelegd aan Uw Handtekening, omvat uiteraard de lessen van het arrest van de afdeling administratie van de Raad van State en, in het kader van de intrekking van het geschorste besluit, door het nemen van een nieuw besluit dat de geografische uitzondering, die afwijkt van de regel van de B2-B3 cumul, uitdrukt in tijd. Deze factor 'tijd' houdt rekening met het advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen en met de internationale aanbevelingen in deze materie, die het cijfer van 90 minuten weerhouden tussen het eerste medische contact en de dilatatie in een erkend zorgprogramma B2. Deze tijdsspanne van 90 minuten is samengesteld uit twee onderdelen, met name enerzijds de tijd tussen het eerste medische contact met de MUG en de aankomst in het ziekenhuis en anderzijds de tijdsspanne tussen de aankomst in het ziekenhuis en de uitvoering van de dilatatie. De eerste tijdsspanne mag niet langer bedragen dan 60 minuten terwijl dit voor de eerste tijdsspanne 30 minuten bedraagt.

De overheden die bevoegd zijn voor het afleveren van de erkenningen zullen moeten beoordelen of deze voorwaarde voor de ontvankelijkheid van een erkenningsaanvraag op basis van deze uitzondering, vervuld is.

Voor de uitoefening deze bevoegdheid door de gefedereerde overheden, kunnen de databanken en informaticamiddelen waarover het eengemaakte oproepcentrum 100 beschikt, om te beslissen welke de meest geschikte en meest snelle middelen zijn in het kader van de dringende medische hulpverlening. Bij wijze van voorbeeld. De databank van het hulpcentrum van Bergen, dat bevoegd is voor de gehele provincie Henegouwen, op 6000 opdrachten heeft in 2006 vastgesteld dat een opdracht die zich op 13 km afstand bevindt, door een ziekenwagen op gemiddeld 13 minuten en 22 seconden wordt afgelegd.

Een hulpmiddel dat door de Universiteit Gent ter beschikking wordt gesteld, laat toe om de tijd te evalueren die een ziekenwagen nodig heeft om vanuit om het even welke gemeente van het Rijk een ziekenhuis te bereiken.

Ten slotte, wordt een nieuwe overgangsperiode aangeboden aan de centra die over een activiteitenprogramma B1 beschikken, om hun activiteiten te kunnen stopzetten.

Het is niet noodzakelijke om opnieuw het advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen, Afdeling Programmatie en Erkenning, in te winnen. Inderdaad, krachtens een vaste rechtspraak moet aan dit orgaan niet opnieuw een advies worden gevraagd wanneer deze reeds advies heeft verleend met betrekking tot een vernietigd besluit en zelfs wanneer dit besluit geen rekening hield met de aanbevelingen van deze raad en voor zover er geen substantiële wijzigingen werden aangebracht aan het nieuwe besluit. (R.v.S., nr 102.421 van 8 januari 2002 - zie eveneens R.v.S., nr. 136.962 van 3 november 2004). Het spreekt vanzelf dat dezelfde redenering kan worden gevolgd wanneer een besluit niet is vernietigd, doch ingetrokken ingevolge een schorsingsarrest. Er wordt eveneens algemeen aanvaard dat niet opnieuw advies moet worden gevraagd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State wanneer een besluit rekening houdt met diens opmerkingen bij het aanpassen van de eindversie (R.v.S., nr. 126.616 van 22 september 2006). Mutatis mutandis dient aan de Raad van State niet opnieuw een advies te worden gevraagd indien een besluit wordt ingetrokken met als enig doel rekening te houden met de lessen van een schorsingsarrest van de afdeling administratie.

Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uw Majesteit, De zeer eerbiedige En zeer getrouwe dienaar, De Minister van Volksgezondheid, R. DEMOTTE

ADVIES 39.283/3 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, derde kamer, op 20 oktober 2005 door de Minister van Volksgezondheid verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 juli 2004 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's « cardiale pathologie » moeten voldoen om erkend te worden », heeft op 17 november 2005 het volgende advies gegeven : 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft de afdeling wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de te vervullen vormvereisten. Daarnaast bevat dit advies ook een aantal opmerkingen over andere punten. Daaruit mag echter niet worden afgeleid dat de afdeling wetgeving binnen de haar toegemeten termijn een exhaustief onderzoek van het ontwerp heeft kunnen verrichten.

Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 2. Het om advies voorgelegde ontwerpbesluit strekt tot het aanbrengen van een aantal wijzigingen in de erkenningsnormen voor het zorgprogramma cardiale pathologie B, bepaald in het koninklijk besluit van 15 juli 2004 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's « cardiale pathologie » moeten voldoen om erkend te worden.3. Rechtsgrond daartoe wordt in de eerste plaats geboden door de artikelen 9quater en 68 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 (hierna ziekenhuiswet), gelezen in samenhang met artikel 2bis, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de lijst van zorgprogramma's zoals bedoeld in artikel 9ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 en tot aanduiding van de artikelen van de wet op de ziekenhuizen die op hen van toepassing zijn.Bij dat koninklijk besluit wordt immers, in uitvoering van artikel 9quater van de ziekenhuiswet, artikel 68 van die wet van toepassing verklaard op de zorgprogramma's cardiale pathologie. In dat laatste artikel wordt de Koning gemachtigd de erkenningsnormen vast te stellen die de ziekenhuizen moeten naleven.

Voor de artikelen 5 en 6 van het ontwerp dient bijkomend rechtsgrond te worden gezocht in artikel 69, eerste lid, 3°, van de ziekenhuiswet, op grond waarvan bijzondere normen kunnen worden vastgesteld voor groeperingen, fusies en associaties van ziekenhuizen, zoals deze door de Koning nader worden omschreven. Het inroepen van die rechtsgrond is noodzakelijk nu in artikel 5 van het ontwerp wordt beoogd een bepaling die betrekking heeft op de associaties van ziekenhuizen buiten werking te stellen wat betreft de zorgprogramma's cardiale pathologie en artikel 6 de opheffing betreft van een regeling die ter uitvoering van de voormelde wetsbepaling werd vastgesteld en die overigens een met artikel 5 vergelijkbare draagwijdte heeft.

Voorafgaande vormvereisten 4. Krachtens artikel 5, 2°, van het koninklijk besluit van 16 november 1994 betreffende de administratieve en begrotingscontrole worden onder meer de ontwerpen van koninklijk besluit die een budgettaire weerslag kunnen hebben, onderworpen aan de voorafgaande akkoordbevinding van de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort.Dat vormvereiste dient ook te worden nageleefd warmeer er een mogelijke positieve budgettaire weerslag is.

Te dezen ontbreekt het akkoord van de Minister van Begroting, wat dient te worden verholpen. 5. Voor het overige zijn de voorafgaande vormvereisten vervuld. Onderzoek Van De Tekst Aanhef 6. Conform hetgeen werd opgemerkt omtrent de rechtsgrond van het ontworpen besluit, dient in het eerste lid van de aanhef ook te worden verwezen naar artikel 69, eerste lid, 3°, van de ziekenhuiswet, met vermelding van de wijzigende wet van 21 december 1994.7. In het tweede lid van de aanhef kan meer specifiek worden verwezen naar artikel 2bis, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 februari 1999.In dat geval dient de wetshistoriek van die bepaling te worden vermeld (invoeging bij het koninklijk besluit van 16 juni 1999), en niet de wetshistoriek van het gehele koninklijk besluit van 15 februari 1999. 8. Aan de aanhef dient een lid te worden toegevoegd waarin wordt verwezen naar artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit van 15 maart 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 1997 (1), dat bij artikel 6 van het besluit dat thans in ontwerpvorm voorligt, wordt opgeheven. 9. Het huidige zevende lid van de aanhef (dat het achtste lid wordt) redigere men als volgt : « Gelet op advies 39.283/3 van de Raad van State, gegeven op 17 november 2005, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; ».

Artikel 1 10. In de Nederlandse tekst van de inleidende zin van artikel 1 schrijve men « wordt vervangen als volgt » in plaats van « wordt vervangen door de volgende bepalingen », en in de Franse tekst van die zin « est remplacé par la disposition suivante » in plaats van « est remplacé par les dispositions suivantes ». Eenzelfde opmerking geldt ten aanzien van de artikelen 4 en 5.

Artikel 2 11. In het ontworpen artikel 15, § 2, derde lid (artikel 2, 5°, van het ontwerp), wordt de - overbodige - verwijzing naar de artikelen 2 en 3 van de Grondwet beter weggelaten. Eenzelfde opmerking geldt ten aanzien van het ontworpen artikel 23, tweede lid (artikel 4 van het ontwerp). 12. In het ontworpen artikel 15, § 3, eerste lid (artikel 2, 6°, van het ontwerp), schrijve men « vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van... tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 juli 2004 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's « cardiale pathologie » moeten voldoen om erkend te worden » in plaats van « voor de inwerkingtreding van Ons besluit van... », en « §§ 1 en 2 » in plaats van « artikel 15 ». 13. Er bestaat een discordantie tussen de Nederlandse en de Franse tekst van artikel 2, 6°, waar in de Nederlandse tekst in de inleidende zin en in de erin opgenomen ontworpen bepalingen gewag wordt gemaakt van een paragraaf 4, die niet wordt aangegeven in de Franse tekst. Die discordantie dient te worden verholpen, waarbij de Franse tekst wellicht dient te worden aangepast aan de Nederlandse tekst. 14. Met betrekking tot het ontworpen artikel 15, § 4 (artikel 2, 6°, van het ontwerp), verschafte de gemachtigde de volgende toelichting : « De stopzetting betreft de zogenaamde geïsoleerde B1-centra.Dit zijn centra die uitsluitend diagnostische catheterisatie verrichten (in het kader van een samenwerkingsakoord met een volledig B-programma).

Deze geïsoleerde zorgprogramma's betekenen geen meerwaarde voor de volksgezondheid en impliceren een budgettaire meerkost; inderdaad, telkens bij een B1-onderzoek de tussenkomst van een B2-centrum noodzakelijk [is] (interventionele catheterisatie door dilatatie/stem), wordt in dat B2-centrum het eerst uitgevoerde onderzoek opnieuw overgedaan. In een volledig B1-B2-B3-centrum gebeurt alles in één maal.

Om deze reden bestaat een quasi-consensus dat deze Bl-centra mogen afgeschaft worden.

De bedoelde maatregel is reeds de facto aangekondigd aan de verenigingen van ziekenhuisbeheerders en is reeds gedurende weken in de pers besproken.

Er weze opgemerkt dat deze geïsoleerde B 1-centra een beperkte activiteit hebben en dat er derhalve geen ziekenhuispersoneel alleen aan dit zorgprogramma is toegewezen.

Dit is de context waarin de - korte - overgangsregeling kan geplaatst worden. [...] Het is ook voor ons evident dat we deze slechts kunnen aanhouden voorzover het koninklijk besluit vóór 1/1/2005 [lees : 1/1/2006] wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ».

Het is inderdaad slechts voorzover het besluit dat in ontwerpvorm voorligt effectief wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad vóór 1 januari 2006, en bovendien de ziekenhuizen daadwerkelijk op de hoogte zijn gebracht van de voorgenomen maatregelen, dat het ontworpen artikel 15, § 4, doorgang kan vinden. 15. In het ontworpen artikel 15, § 4 (2), worden de woorden « en dient uiterlijk op deze datum te worden stopgezet », die overbodig zijn, beter weggelaten. De kamer was samengesteld uit : de heren : D. Albrecht, staatsraad, voorzitter;

J. Smets, B. Seutin, staatsraden;

Mevr. G. Verberckmoes, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer J. Van Nieuwenhove, auditeur. ...

De griffier, G. VERBERCKMOES. De voorzitter, D. ALBRECHT _______ Nota's (1) Ondanks het opschrift van het koninklijk besluit van 15 maart 2000, is artikel 3, § 3, een autonome bepaling.(2) In de huidige Franse tekst, het ontworpen artikel 15, § 3, derdelid. ADVIES 40.070/3 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, derde kamer, op 17 maart 2006 door de Minister van Volksgezondheid verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 juli 2004 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's « cardiale pathologie » moeten voldoen om erkend te worden », heeft op 3 april 2006 het volgende advies gegeven : 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft de afdeling wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de te vervullen vormvereisten. Daarnaast bevat dit advies ook een aantal opmerkingen over andere punten. Daaruit mag echter niet worden afgeleid dat de afdeling wetgeving binnen de haar toegemeten termijn een exhaustief onderzoek van het ontwerp heeft kunnen verrichten.

Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 2. Het om advies voorgelegde ontwerpbesluit strekt tot het aanbrengen van een aantal wijzigingen in de erkenningsnormen voor het zorgprogramma cardiale pathologie B, bepaald in het koninklijk besluit van 15 juli 2004 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's « cardiale pathologie » moeten voldoen om erkend te worden.3. Rechtsgrond daartoe wordt geboden door de artikelen 9quater en 68 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 (hierna ziekenhuiswet), gelezen in samenhang met artikel 2bis, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de lijst van zorgprogramma's zoals bedoeld in artikel 9ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 en tot aanduiding van de artikelen van de wet op de ziekenhuizen die op hen van toepassing zijn.Bij dat koninklijk besluit wordt immers, ter uitvoering van artikel 9quater van de ziekenhuiswet, artikel 68 van die wet van toepassing verklaard op de zorgprogramma's cardiale pathologie. In dat laatste artikel wordt de Koning gemachtigd de erkenningsnormen vast te stellen die de ziekenhuizen moeten naleven.

Vormvereisten 4. De Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen heeft slechts geadviseerd over de vorige versie van het ontwerp.Om te voldoen aan het bij artikel 9quater, § 1, van de ziekenhuiswet opgelegde vormvereiste, dient advies van die Raad te worden ingewonnen over de gewijzigde versie van het ontwerp. 5. Indien het ontwerp ten gevolge van de aangebrachte wijzigingen een ander budgettair gevolg zou hebben of kunnen hebben dan de vorige versie ervan, zal ook opnieuw het advies van de Inspecteur van Financiën dienen te worden ingewonnen en zal eventueel, in het licht van de opmerkingen van de Inspecteur van Financiën, opnieuw het akkoord van de Minister van Begroting dienen te worden gevraagd.6. Mocht de tekst ten gevolge van het vervullen van de zo-even genoemde vormvereisten nog wijzigingen ondergaan, dan zullen die wijzigingen om advies aan de Raad van State, afdeling wetgeving, moeten worden voorgelegd. Onderzoek van de tekst Algemene opmerking 7. Het om advies voorgelegde ontwerpbesluit is een aangepaste versie van het ontwerpbesluit waarover de Raad van State, afdeling wetgeving, op 17 november 2005 advies 39.283/3 heeft gegeven. Ten aanzien van dat laatste ontwerpbesluit zijn enkel de artikelen 1 (partim), 2, 6°, 4 (partim) en 5 tot 7 nieuw.

In dit advies worden enkel die artikelen onderzocht. Voor het overige wordt verwezen naar advies 39.283/3.

Artikel 2 8. Volgens de Nederlandse tekst van het inleidende zinsdeel van artikel 2, 6°, zou die bepaling twee paragrafen invoegen, en volgens de Franse tekst ervan één paragraaf.In de ontworpen bepaling wordt dan weer gewag gemaakt van « het vorige lid » (en wordt geen paragraafteken geplaatst), waaruit zou kunnen worden afgeleid dat beoogd wordt de bestaande tekst aan te vullen met een lid.

Artikel 2, 6°, dient, zo het behouden blijft (zie opmerking 11), te worden aangepast in het licht van de bedoeling van de stellers van het ontwerp. In voorkomend geval zal daarbij rekening moeten worden gehouden met opmerking 12 van dit advies.

Artikel 5 9. De draagwijdte van het ontworpen artikel 24 is op een aantal punten niet duidelijk, wat dient te worden verholpen. Vooreerst moet worden gepreciseerd met welke ziekenhuizen een samenwerkingsovereenkomst moet worden gesloten (niet : afgesloten).

Wellicht gaat het om alle ziekenhuizen binnen één « lokale entiteit » die geen zorgprogramma B uitbaten, maar zulks zou dan duidelijker dienen te worden bepaald.

Ten tweede moet worden verduidelijkt wat moet worden verstaan onder het begrip « lokale entiteit ».

Voorts is het niet duidelijk waarom de in het artikel bedoelde patiënten in het betrokken ziekenhuis moeten zijn opgenomen via de dringende geneeskundige hulpverlening. Het is zeer de vraag of dit criterium wel pertinent kan worden geacht, zeker wanneer het niet duidelijk is voor welke aandoeningen die patiënten werden opgenomen.

Tenslotte moet worden opgemerkt dat in het ontworpen artikel gewag wordt gemaakt van « de vestigingsplaats waar het zorgprogramma B wordt uitgebaat », terwijl het gaat om een aanvraag tot erkenning.

Conclusie is derhalve dat het ontworpen artikel 24 grondig dient te worden herwerkt.

Artikel 6 10. Het lijkt niet in de bedoeling te liggen om artikel 6 toepassing te laten vinden op artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 15 juli 2004.Zulks dient uitdrukkelijk in artikel 6 te worden bepaald. 11. Artikel 6 van het ontwerp overlapt wellicht met de ontworpen bepaling onder artikel 2, 6°.Zo dit effectief het geval is, zal één van beide bepalingen dienen te worden weggelaten. 12. In artikel 6 moet worden gepreciseerd of de erin bedoelde « eerste toepassing » betrekking heeft op het jaar 2007 (het eerste jaar na de inwerkingtreding van de ontworpen regeling), dan wel op het eerste jaar na een erkenning. De kamer was samengesteld uit : de heren : M. Van Damme, kamervoorzitter, voorzitter;

D. Albrecht, kamervoorzitter;

J. Smets, staatsraad, Mevr. A.-M. Goossens, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer J. Van Nieuwenhove, auditeur. ...

De griffier, A.-M. GOOSSENS. De voorzitter, M. VAN DAMME.

8 MAART 2007. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk van 15 juli 2004 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's « cardiale pathologie » moeten voldoen om erkend te worden ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, inzonderheid op artikel 9quater, ingevoegd door het koninklijk besluit van 25 april 1997 en vernummerd bij de wet van 25 januari 1999, artikel 68 en artikel 76sexies, ingevoegd bij de wet van 27 april 2005;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de lijst van zorgprogramma's zoals bedoeld in artikel 9ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 en tot aanduiding van de artikelen van de wet op de ziekenhuizen die op hen van toepassing zijn, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 16 juni 1999 en 21 maart 2003;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 juli 2004 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's « cardiale pathologie'' moeten voldoen om erkend te worden, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 augustus 2006;

Gelet op het koninklijk besluit van 1 augustus 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 juli 2004 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's « cardiale pathologie'' moeten voldoen om erkend te worden;

Gelet op de adviezen van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen, Afdeling Programmatie en Erkenning van 9 december 2004 en 8 juni 2006;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 13 juli 2005;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting van 29 juni 2006;

Gelet op de adviezen nr. 39.283/3 en 40.070/3 van de Raad van State, gegeven op 17 november 2005, 3 april 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd bij de wet van 2 april 2003;

Op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Artikel 11, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2004 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's « cardiale pathologie'' moeten voldoen om erkend te worden, wordt vervangen door de volgende bepalingen : « De deelprogamma's B1, B2 en B3 mogen slechts gezamenlijk op eenzelfde vestigingsplaats worden uitgebaat.

In afwijking tot het tweede lid, mogen de deelprogramma's B1-B2, gezamenlijk worden erkend en uitgebaat zonder deelprogramma B3, voor zover wordt aangetoond dat : 1° vanuit bepaalde gemeenten in het Rijk de erkende zorgprogramma's B die tenminste de deelprogramma's B1-B2 omvatten, niet binnen de 60 minuten kunnen worden bereikt door een ambulancedienst bij toepassing van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening en diens uitvoeringsbesluiten;2° de uitbating van bedoelde deelprogramma's B1-B2 een einde stelt aan de situatie bedoeld in 1°.

Art. 2.In artikel 15 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht : In § 2, eerste en tweede lid, worden telkens de cijfers 500 en 200 vervangen door respectievelijk 650 en 400; 2° in § 2, eerste lid, wordt tussen « 229611-229622 » en » 239072-239083 », « 229633-229644 » ingevoegd;3° in § 2, eerste lid, worden de woorden « gedurende het laatste jaar of » geschrapt ».4° in § 2, laatste lid, worden de woorden « hetzij » en « hetzij het laatste jaar » geschrapt.5° § 2, wordt aangevuld met het volgende lid : « De bestaande behoefte, zoals bedoeld in het tweede lid, kan meerdere gemeenschappen of gewesten, zoals bedoeld in respectievelijk de artikelen 2 en 3 van de Grondwet, bestrijken.».

Art. 3.§ 1. In artikel 18, § 1, van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in 1 ° wordt het woord « twee » vervangen door « drie »;2° 1° wordt aangevuld met de woorden « en die jaarlijks tenminste 125 van laatst genoemde verstrekkingen uitvoeren »;3° in 2° wordt tussen de woorden « twee cardiochirurgen » en de woorden « voltijds en exclusief », de woorden « waarvan tenminste één » ingevoegd. § 2. Artikel 18 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een § 3, luidend als volgt : « § 3. Het zorgprogramma B moet een gezamenlijk diensthoofd hebben. ».

Art. 4.Afdeling 7 van hoofdstuk III van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepalingen : « Afdeling 7. - Bijkomende erkenningen en uitbatingen van het zorgprogramma B

Art. 23.Alvorens op een vestigingsplaats voor het eerst een zorgprogramma « cardiale pathologie B » wordt erkend en uitgebaat, moet met het oog op de uitbating een akkoord worden afgesloten met alle overige ziekenhuizen uit hetzelfde gebied, zoals bedoeld in artikel 23 van de ziekenhuiswet, gecoördineerd op 7 augustus 1987, en die geen zorgprogramma B uitbaten.

Het in het eerste lid bedoelde gebied mag meerdere gemeenschappen of gewesten, zoals bedoeld in respectievelijk de artikelen 2 en 3 van de Grondwet, bestrijken.

Art. 5.Afdeling 8 van Hoofdstuk III van hetzelfde besluit, wordt vervangen door de volgende bepalingen : « Afdeling 8. - Samenwerkingsovereen-komsten

Art. 24.De overheid die bevoegd is voor de toekenning van erkenningen kan de ontvankelijkheid van een aanvraag tot erkenning afhankelijk maken van het feit dat wordt aangetoond dat de aanvrager van een dergelijke erkenning een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten met de overige ziekenhuizen die geen zorgprogramma B uitbaten en waarin gedurende drie jaar vóór de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van Ons besluit van 1 augustus 2006, in het kader van een erkend zorgprogramma « cardiale pathologie » prestaties zijn verricht zoals bedoeld in artikel 15 en die zich bevinden in het gebied waarbinnen de aanvrager van de erkenning zal moeten instaan voor de verzorging van de bevolking bij toepassing van de artikelen 23 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987. ».

Art. 6.De eerste toepassing van artikel 15, § 2, van hetzelfde besluit, zoals gewijzigd bij artikel 2, die plaats zal hebben in 2007, geschiedt op basis van de prestaties verricht in 2003, 2004 en 2005.

Art. 7.De deelprogramma's B1 die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit afzonderlijk werden erkend en uitgebaat bij toepassing van artikel 23 zoals dit van kracht was, mogen verder worden uitgebaat tot en met 31 december 2007.

Art. 8.Het koninklijk besluit van 1 augustus 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 juli 2004 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's « cardiale pathologie » moeten voldoen om erkend te worden, wordt ingetrokken.

Art. 9.Dit besluit ingang van 1 januari 2007.

Art. 10.Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 8 maart 2007.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE

^