Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 08 oktober 1998
gepubliceerd op 29 oktober 1998

Koninklijk besluit houdende organisatie van het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie

bron
ministerie van landsverdediging
numac
1998007228
pub.
29/10/1998
prom.
08/10/1998
ELI
eli/besluit/1998/10/08/1998007228/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

8 OKTOBER 1998. - Koninklijk besluit houdende organisatie van het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op artikel 167 van de Grondwet;

Gelet op het koninklijk besluit van 7 februari 1957 betreffende de herhalingen gehouden in de tweede taal in de scholen van de krijgsmacht en de rijkswacht, inzonderheid op artikel 5;

Gelet op het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst, inzonderheid op artikel 66, vervangen bij het koninklijk besluit van 7 januari 1964 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 maart 1974, 27 oktober 1976, 7 februari 1994, 13 juni 1995 en 28 juli 1995;

Gelet op het koninklijk besluit van 1 oktober 1973 tot vaststelling van de bezoldiging van de personen belast met een leeropdracht aan sommige scholen voor vorming en voortgezette opleiding van officieren en tot toekenning van een toelage aan de titularissen van sommige betrekkingen bij die scholen, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 november 1978 en 21 augustus 1980;

Gelet op het koninklijk besluit van 12 juli 1993 houdende toekenning van toelagen voor leeropdrachten en aan bekleders van bepaalde betrekkingen in bepaalde scholen voor opleiding en voortgezette opleiding van officieren, inzonderheid op artikel 1, § 1;

Gelet op het koninklijk besluit van 7 februari 1994 betreffende de voortgezette vorming van de lagere officieren van het actief kader van de krijgsmacht en de beroepsproeven, door de beroepsofficieren van de krijgsmacht af te leggen met het oog op de bevordering tot de graad van majoor of tot een gelijkwaardige graad, inzonderheid op artikel 45;

Gelet op het advies van de commissie van advies voor het militair personeel van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst;

Gelet op het protocol van de onderhandelingen van Sectorcomité XIV van 15 maart 1995;

Gelet op het advies van de inspecteur van financiën, gegeven op 1 april 1998;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Landsverdediging, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Opdracht van het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie

Artikel 1.Het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie, hierna te noemen « het Instituut », is belast : 1° als instelling aan hoger onderwijs, met het verstrekken van de volgende cursussen, in het kader van de voortgezette vorming van de officieren van het actief kader : a) de cursus staftechniek;b) de cursus voor kandidaat-hoofdofficier;c) de hogere stafcursus; d)de hogere cursus voor militair administrateur; 2° als Defensiestudiecentrum, de gemeenschappelijke gedachten bijeenbrengen van officieren van de Krijgsmacht en van burgerkaders aangaande de veiligheids- en defensievraagstukken. Op voorstel van de chef van de generale staf kan de Minister van Landsverdediging het instituut belasten met de organisatie van andere cursussen.

Art. 2.Het instituut ressorteert rechtstreeks onder de Minister van Landsverdediging die de chef van de generale staf raadpleegt over alle problemen in verband met het Instituut HOOFDSTUK II. - Organisatie

Art. 3.Het organiek kader van het Instituut omvat : 1° een commando bestaande uit : a) een commandant;b) een directiecomité;2° een studiedirectie bestaande uit : a) een directeur van de studies;b) een adjunct-directeur van de studies;c) een studiesecretariaat;d) een onderwijsgroep bestaande uit militaire hoogleraren en uit militaire docenten;3° een Defensiestudiecentrum, bestaande uit : a) een directeur;b) een adjunct-directeur;c) analisten;4° een administratieve en technische directie, bestaande uit : a) een directeur;b) een informaticacentrum;c) een documentatie- en informatiecentrum;d) een cel didactische steun;e) administratief personeel De samenstelling van het directiecomité bedoeld in het eerste lid, 1°, b), wordt bepaald door de commandant van het Instituut.

Art. 4.De commandant van het Instituut is een opperofficier. De directeur en de adjunct-directeur van de studies, de directeur en de adjunct-directeur van het Defensiestudiecentrum zijn hoofdofficieren.

Deze officieren mogen hun functie cumuleren met de functie van hoogleraar of docent.

De directeur van de studies en de directeur van het Defensiestudiecentrum moeten houder zijn van het hogere stafbrevet of van het hogere brevet van militair administrateur. Bovendien moet ten minste één lid van het directiecomité houder zijn van het hogere brevet van militair administrateur. HOOFDSTUK III. - Het onderwijzend personeel

Art. 5.Buiten de militaire hoogleraren en de militaire docenten van het organiek kader, kan het Instituut een beroep doen op andere militaire hoogleraren, die deze functie dan cumuleren met hun hoofdfunctie, en op burgerhoogleraren.

Het Instituut kan ook een beroep doen op tijdelijke medewerkers, militairen of burgers, die belast worden met een leer-, studie- of informatieopdracht.

Art. 6.§ 1. Niemand kan tot burgerhoogleraar benoemd worden indien hij niet aan één van de volgende voorwaarden voldoet : 1° houder zijn van een in België erkend diploma van doctor, van ingenieur of van geaggregeerde van het hoger onderwijs;2° blijk gegeven hebben van zeer grote bekwaamheid hetzij door zijn geschriften, hetzij bij het onderwijzen of het beoefenen van de te doceren leerstof. § 2. Op de voordracht van de commandant van het Instituut wordt de kandidatuur van de burgerhoogleraren aan de Minister van Landsverdediging voorgedragen door de chef van de generale staf die een advies uitbrengt.

De burgerhoogleraar wordt door de Koning benoemd voor een onbepaalde duur. Hij kan door de Koning te allen tijde ontslagen worden, na het advies ingewonnen te hebben van de commandant van het Instituut.

Art. 7.§ 1. In geval van onbeschikbaarheid van een burgerhoogleraar, kan de Minister van Landsverdediging, op de voordracht van de commandant van het Instituut, tot op het einde van het academisch jaar een plaatsvervangend burgerhoogleraar benoemen.

De plaatsvervangende hoogleraar moet voldoen aan één van de voorwaarden bepaald in artikel 6, § 1. § 2. Wanneer de titularis in staat is om vóór het einde van het academisch jaar zijn functies te hervatten, wordt er een einde gemaakt aan de opdracht van de plaatsvervanger. Nochtans kan de Minister van Landsverdediging, op de voordracht van de commandant van het instituut, de plaatsvervanger tijdeljk verder met zijn opdracht belasten wanneer het normale verloop van de cursus en het eventuele erop betrekking hebbend examen dit rechtvaardigen.

Art. 8.Niemand kan tot militair hoogleraar aangewezen worden indien hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° officier van het actief kader zijn in werkelijke dienst;2° houder zijn van één van de volgende brevetten : a) het hogere stafbrevet;b) het hogere brevet van militair administrateur;c) het brevet van ingenieur van het militair materieel. De officier die geen houder is van een dergelijk brevet kan evenwel aangewezen worden als militair hoogleraar, voor zover hij voldoet aan één van de volgende voorwaarden : 1° houder zijn van een in België erkend diploma van doctor, van ingenieur of van geaggregeerde van het hoger onderwijs;2° blijk gegeven hebben van zeer grote bekwaamheid, hetzij door zijn geschriften, hetzij bij het onderwijzen of het beroefenen van de te doceren leerstof en de functie van docent aan het Instituut vervuld hebben gedurende ten minste twee academiejaren.

Art. 9.Niemand kan tot docent aangewezen worden indien hij niet officier van het actief kader in werkelijke dienst is.

Art. 10.De militaire hoogleraren en de docenten worden aangewezen door de chef van de generale staf, na raadpleging van de commandant van het Instituut.

Art. 11.De tijdelijke militaire medewerkers worden aangewezen door de stafchef van het krijgsmachtdeel waartoe zij behoren, op aanvraag van de commandant van het Instituut.

De tijdelijke militaire medewerkers evenwel die tewerkgesteld zijn op een divisie of op een aangehechte dienst van de generale staf worden aangewezen door de chef van hun divisie of van hun aangehechte dienst, op aanvraag van de commandant van het Instituut.

Art. 12.De leeropdracht van een hoogleraar omvat de werkzaamheden van onderwijs en van examen en desgevallend de deelname aan de werkzaamheden van een examencommissie HOOFDSTUK IV. - Het Defensiestudiecentrum

Art. 13.Het Defensiestudiecentrum heeft als opdracht de gemeenschappelijke gedachten bijeen te brengen van officieren van de krijgsmacht, van kaders van het Openbaar Ambt en van kaders van terzake relevante Belgische, buitenlandse of internationale instellingen, aangaande veiligheidsvraagstukken vanuit een nationale, Europese, Atlantische en mondiale invalshoek, door : 1° een forum voor studie, onderzoekswerk en informatie-uitwisseling te vormen;2° colloquia, seminaries en conferenties te beleggen;3° de resultaten van het werk te publiceren.

Art. 14.Op de voordracht van de commandant van het Instituut legt de chef van de generale staf voor goedkeuring aan de Minister van Landsverdediging voor : 1° het programma van de studies en van de werken;2° de thema's van de colloquia, conferenties en seminaries;3° de jaarlijkse activiteitenkalender.

Art. 15.Naargelang van de te behandelen onderwerpen, kan de Minister van Landsverdediging aan een vooraanstaand burgerlijke persoonlijkheid het voorzitterschap toevertrouwen van activiteiten die door het Defensiestudiecentrum georganiseerd worden. HOOFDSTUK V. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen

Art. 16.In artikel 66 van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst, vervangen bij het koninklijk besluit van 7 januari 1964 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 maart 1974, 27 oktober1976, 7 februari 1994, 13 juni 1995 en 28 juli 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° onderdeel 10° wordt vervangen door de volgende tekst : « 10° de commandant, de tweede commandant en de burgerhoogleraren van het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie.» ; 2° onderdeel 13° wordt geschrapt.

Art. 17.In artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 oktober 1973 tot vaststelling van de bezoldiging van de personen belast met een leeropdracht aan sommige scholen voor vorming en voortgezette opleiding van officieren en tot toekenning van een toelage aan de titularissen van sommige betrekkingen bij die scholen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 november 1978 en 21 augustus 1980, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de onderdelen 2° en 3° worden geschrapt;2° onderdeel 6° wordt vervangen door de volgende tekst : « 6° het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie.».

Art. 18.In artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 12 juli 1993 houdende toekenning van toelagen voor leeropdrachten en aan bekleders van bepaalde betrekkingen in bepaalde scholen voor opleiding en voortgezette opleiding van officieren worden de woorden « 3° de School der Militaire Administrateurs » geschrapt.

Art. 19.Opgeheven worden : 1° artikel 5 van het koninklijk besluit van 7 februari 1957 betreffende de herhalingen gehouden in de tweede taal in de scholen van de krijgsmacht en de rijkswacht;2° het koninklijk besluit van 21 juni 1960 houdende inrichting van de Krijgsschool, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 februari 1962, 19 december 1966, 3 december 1970 en 1 oktober 1973;3° het koninklijk besluit van 20 november 1978 houdende inrichting van het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 juni 1985, 18 februari 1987 en 20 juli 1998;4° het koninklijk besluit van 18 oktober 1982 betreffende de school der militaire administrateurs;gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 juni 1991; 5° artikel 45 van het koniklijk besluit van 7 februari 1994 betreffende de voortgezette vorming van de lagere officieren van het actief kader van de krijgsmacht en de beroepsproeven, door de beroepsofficieren van de krijgsmacht af te leggen met het oog op de bevordering tot de graad van majoor of tot een gelijkwaardige graad;6° het ministerieel besluit van 20 november 1978 houdende inrichting van het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie, gewijzigd bij de ministeriele besluiten van 3 juni 1985 en 20 juli 1998. HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 20.De commandant en de tweede commandant van de school der militaire administrateurs worden uit hun ambt ontslagen op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling.

De burgerprofessoren van deze school worden overgeplaatst naar het instituut.

Art. 21.Telkens als er in dit besluit melding gemaakt wordt van het hogere stafbrevet, wordt het stafbrevet eveneens in aanmerking genomen.

Telkens als er in dit besluit melding gemaakt wordt van het hogere brevet van militair administrateur, wordt het brevet van militair administrateur in aanmerking genomen.

Art. 22.Onze Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 8 oktober 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landsverdediging, J.-P. PONCELET

^