Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 09 april 2007
gepubliceerd op 03 mei 2007

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 juni 2000, gesloten in het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen, betreffende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de instellingen en diensten die erkend en/of gesubsidieerd zijn door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest "Sociale Maribel 4"

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2007200946
pub.
03/05/2007
prom.
09/04/2007
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

9 APRIL 2007. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 juni 2000, gesloten in het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen, betreffende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de instellingen en diensten die erkend en/of gesubsidieerd zijn door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest "Sociale Maribel 4" (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, gewijzigd bij latere koninklijke besluiten;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen;

Op de voordracht van Onze Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 26 juni 2000, gesloten in het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen, betreffende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de instellingen en diensten die erkend en/of gesubsidieerd zijn door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest "Sociale Maribel 4".

Art. 2.Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 9 april 2007.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Koninklijk besluit van 5 februari 1997, Belgisch Staatsblad van 27 februari 1997.

Bijlage Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen Collectieve arbeidsovereenkomst van 26 juni 2000 Maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de instellingen en diensten die erkend en/of gesubsidieerd zijn door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest "Sociale Maribel 4" (Overeenkomst geregistreerd op 31 juli 2000 onder het nummer 55402/CO/319) HOOFDSTUK I. - Juridisch kader

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is gesloten overeenkomstig de bepalingen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en het koninklijk besluit van 5 februari 1997, 16 april 1998 en volgende, houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.

Deze collectieve arbeidsovereenkomst is gesloten gelet op de noodzakelijkheid om de toegekende verhoging van de dotatie van bijdrageverminderingen door middel van deze collectieve arbeidsovereenkomst om te zetten in bijkomende tewerkstelling in de sector. HOOFDSTUK II. Toepassingsgebied

Art. 2.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en op de werknemers van de instellingen en diensten die ressorteren onder het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en die erkend en/of gesubsidideerd zijn door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Art. 3.Onder "werknemers" wordt verstaan : het mannelijk en vrouwelijk werklieden- en bediendepersoneel.

Onder "partijen" wordt verstaan : de werkgevers- en werknemersorganisaties die deze collectieve arbeidsovereenkomst hebben gesloten en de werkgevers en de werknemers die door de algemeen verbindend verklaring ervan zullen gebonden zijn.

Onder "sector" wordt verstaan : de sector als bedoeld in artikel 2 van deze overeenkomst.

Onder "koninklijk besluit" wordt verstaan : het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, het koninklijk besluit van 16 april 1998 en volgende met betrekking tot dit onderwerp.

Onder "bevoegde ministers" wordt verstaan : de federale Minister van Tewerkstelling en Arbeid, de federale Minister van Sociale Zaken en de Ministers van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd voor de instellingen en diensten die ressorteren onder het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en die erkend en/of gesubsidieerd zijn door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Onder" instelling" wordt verstaan : de instelling welke van het Maribelfonds een toekenning betekend krijgt om bijkomende financiële middelen te verwerven met het oog op de bevordering van de tewerkstelling.

Onder "Maribelfonds" wordt verstaan : het "Fonds Sociale Maribel voor de instellingen en diensten behorend tot de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest" en die ressorteren onder het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen. HOOFDSTUK IV. - Patronale RSZ-bijdrageverminderingen

Art. 4.Overeenkomstig het koninklijk besluit en conform de beschikkingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst kan de sector genieten van een forfaitaire vermindering van de werkgeversbijdragen in de sociale zekerheid.

Art. 5.De verhoging van de bijdrageverminderingen vanaf 1 juli 2000 bedraagt : - 1 875 BEF per rechtgevende werknemer per kwartaal, zijnde 7 500 BEF op jaarbasis.

Het globale bedrag van de bijdrageverminderingen per rechtgevende werknemer bedraagt aldus 11 625 BEF per kwartaal, zijnde 46 500 BEF op jaarbasis, rekening houdend evenwel met de reeds eerder getroffen beslissingen bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij ministerieel besluit. HOOFDSTUK V. - Aantal gesubsidieerde/niet-gesubsidieerde werknemers

Art. 6.De werkgevers die behoren tot het toepassingsgebied van deze collectieve arbeidsovereenkomst stellen in principe geen werknemers tewerk waarvoor zij geen subsidiëring ontvangen voor de personeelskosten. HOOFDSTUK VI. - Verbintenis inzake tewerkstelling

Art. 7.De sector verbindt er zich toe de opbrengsten van de forfaitaire vermindering van de werkgeversbijdragen aan te wenden voor de aangroei van het totaal arbeidsvolume en van reguliere tewerkstelling.

Art. 8.In uitvoering van artikel 7 zal een bijkomende tewerkstelling gerealiseerd worden aan een maximale bruto-jaarloonkost van 1 272 000 BEF (dit bedrag wordt automatisch aangepast indien het wijzigt bij koninklijk besluit). Als bruto-loonkost wordt verstaan : de bruto-lonen overeenstemmend met de sectorale conventionele baremieke loonschalen en loonvoorwaarden voor de uitgeoefende functies, verhoogd met de patronale bijdragen aan de sociale zekerheid.

Art. 9.De aangroei van de tewerkstelling, alsmede de toename van het arbeidsvolume dienen gerealiseerd te worden op het vlak van de instellingen en diensten die bijkomende financiële middelen voor tewerkstelling toegekend hebben gekregen.

Elke onderneming verbindt er zich toe de ter beschikking gestelde middelen integraal om te zetten in bijkomende tewerkstelling.

Art. 10.De werknemers bedoeld in artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit worden niet beschouwd als nieuw aangeworven werknemers. HOOFDSTUK VII. - Inning en toewijzing

Art. 11.Het Maribelfonds ontvangt via de Rijksdienst voor sociale zekerheid de opbrengsten van de bijdrageverminderingen. Het Maribelfonds wordt belast met de toewijzing van de bijkomende arbeidsplaatsen volgens de modaliteiten bepaald bij collectieve arbeidsovereenkomst in het bevoegd paritair comité en volgens de uitvoeringsmodaliteiten beslist door het fonds. HOOFDSTUK VIII. - Waarborgen voor de aanwending van de RSZ-bijdrageverminderingen ten voordele van de tewerkstelling

Art. 12.In uitvoering van het koninklijk besluit zal elke werkgever om de zes maanden een verslag bezorgen aan het Maribelfonds, volgens het door het fonds opgestelde model.

De instelling verbindt er zich toe alle gegevens in verband met de sociale maribeltewerkstelling, die door het fonds worden opgevraagd, te verstrekken.

Art. 13.Het verslag moet ten laatste op de door het fonds gestelde datum worden terugbezorgd. Het dient geattesteerd te zijn door de werkgever en door alle leden van de ondernemingsraad, of bij ontstentenis door alle leden van de syndicale afvaardiging, bij ontstentenis door het personeel en door de regionale vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties. De leden ontvangen minstens 14 dagen voor de attestatie een exemplaar van het verslag.

Zij kunnen alle inlichtingen verkrijgen om een goed begrip van de sociale maribeltewerkstelling in de instelling mogelijk te maken.

Art. 14.Indien gelden zouden ontvangen zijn waar geen tewerkstelling tegenover staat overeenkomstig de toekenning, of waarvoor niet de noodzakelijke inlichtingen en/of bewijsstukken voorgelegd worden, zullen de gelden teruggevorderd worden of in mindering gebracht worden van te ontvangen middelen.

Art. 15.Het Maribelfonds stelt zesmaandelijks een globaal verslag op dat aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen wordt bezorgd. De voorzitter bezorgt het aan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, de Minister van Sociale Zaken en de bevoegde Ministers van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. HOOFDSTUK IX. - Voltijds en deeltijds personeel

Art. 16.Wat de indeling van voltijds en deeltijds tewerkgestelde werknemers betreft heeft de sector voldaan aan de verplichtingen gezien deze gemiddeld meer dan 40 pct. deeltijdse werknemers telt. HOOFDSTUK X. - Kalender voor de verwezenlijking van de bijkomende tewerkstelling

Art. 17.De sector verbindt er zich toe 100 pct. van de bijkomende tewerkstelling te realiseren op 31 december 2000.

De kalender kan aangepast worden door het Maribelfonds indien het Maribelfonds niet tijdig over de nodige financiële middelen beschikt. HOOFDSTUK XI. - Modaliteiten van toewijzing van de netto-bijkomende tewerkstelling

Art. 18.Bij de aanwervingen zal uitvoering worden gegeven aan de bestemming die door de sociale partners bij collectieve arbeidsovereenkomst is overeengekomen of die bepaald wordt bij beslissing van het bevoegde beheerscomité van het Maribelfonds.

Art. 19.De functies die in aanmerking komen voor de bijkomende aanwervingen, vergoed volgens de vigerende baremieke loonschalen en voorwaarden, behoren, met uitzondering van het directiepersoneel, tot de functiecategorieën zoals bepaald in de geldende collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de loonvoorwaarden.

Art. 20.Er wordt een overleg op instellingsniveau gevoerd in de ondernemingsraad, of bij ontstentenis met de syndicale afvaardiging, of bij ontstentenis met het personeel om te bepalen in welke diensten en functies de bijkomende tewerkstelling moet ingevuld worden en onder welke arbeidsvoorwaarden dit zal gebeuren. Indien deze bespreking niet leidt tot een akkoord, kan door de werknemersvertegenwoordigers of door het personeel beroep worden gedaan op de regionale vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Het dossier moet vergezeld zijn van een kopie van het verslag van voornoemde bespreking.

Art. 21.Bij vaststelling van gebreke aan akkoord zal het Maribelfonds de toewijzing van de ter beschikking staande middelen bepalen. HOOFDSTUK XII. - Inwerkingtreding en duurtijd

Art. 22.Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 juli 2000 en is gesloten voor onbepaalde duur. Zij kan worden opgezegd door elk van de partijen mits een opzegging van zes maanden betekend bij aangetekend schrijven aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 9 april 2007.

De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN

^