Koninklijk Besluit van 09 december 2014
gepubliceerd op 19 december 2014
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2014022558
pub.
19/12/2014
prom.
09/12/2014
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

9 DECEMBER 2014. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat ik de eer heb ter ondertekening aan Uwe Majesteit voor te leggen, heeft als doel de huidige reglementering inzake het gewaarborgd minimumpensioen in het werknemersstelsel aan te passen. 1. Opzet van het koninklijk besluit Voorliggend ontwerp van koninklijk besluit wijzigt het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector. Het bevestigt dat het aantal kalenderjaren dat elk minimum 208 voltijdse dagequivalenten omvat (dat twee derde van een volledige loopbaan dient te bereiken opdat het gewaarborgd minimumpensioen krachtens het strikt criterium kan worden toegekend) wordt vastgesteld vóór de toepassing van de bepalingen betreffende de eenheid van loopbaan (intern en extern).

Het gewaarborgd minimumpensioen vastgesteld krachtens het strikt criterium wordt voortaan enkel toegekend voor de kalenderjaren opgenomen in de pensioenberekening (namelijk na toepassing van de bepalingen betreffende de eenheid van loopbaan) die elk ten minste 52 voltijdse dagequivalenten omvatten. 2. Commentaar van de artikelen Artikel 1 vervangt het tweede lid van het artikel 8 van het voormeld koninklijk besluit van 28 september 2006. Dit lid voorziet in de berekeningsmodaliteiten van het gewaarborgd minimumpensioen van een rustpensioen of van een overlevingspensioen uitsluitend gegrond op basis van een loopbaan als werknemer wanneer de kalenderjaren die ten minste 208 voltijdse dagequivalenten bevatten toelaten om twee derden van de vereiste loopbaan te bereiken. Het basisbedrag van het gewaarborgd minimumpensioen wordt momenteel vermenigvuldigd met de breuk van het toegekende pensioen als werknemer (na de beperking tot de eenheid van loopbaan). Voortaan zal de teller van deze breuk beperkt zijn tot enkel de kalenderjaren die ten minste 52 voltijdse dagequivalenten omvatten, zonder dat deze teller de noemer kan overschrijden.

Bijvoorbeeld : Een werknemer geboren in mei 1952 heeft zijn volledige beroepsloopbaan gepresteerd als werknemer : Deze verliep als volgt : - 50 voltijdse dagequivalenten van 1969 tot 1971; - 280 voltijdse dagequivalenten van 1972 tot 1980; - 312 voltijdse dagequivalenten van 1981 tot 2014; - 104 voltijdse dagequivalenten in 2015.

Ofwel een loopbaan van 47 jaar (waarvan 43 jaar ten minste 208 voltijdse dagequivalenten bevatten) ten belope van 13.382 voltijdse dagequivalenten. Hij voldoet dus aan de voorwaarden om aanspraak te maken op het genot van het gewaarborgd minimumpensioen krachtens het strikt criterium.

Het jaarlijks basisbedrag voor een gewaarborgd minimumpensioen gebaseerd op een volledige loopbaan als alleenstaande bedraagt 13.480,03 EUR (index 136,09).

Zonder de hervorming had hij aanspraak kunnen maken op een minimumpensioen van 13.480,03 EUR X 45/45 = 13.480,03 EUR. Krachtens deze hervorming, kan hij aanspraak maken op een uitkering van 13.480,03 EUR X (47-3)/45 = 13.180,47 EUR. Artikel 2 vervangt het tweede lid van het artikel 9 van het voormeld koninklijk besluit van 28 september 2006 dat voorziet in dezelfde werkwijze wanneer, om van dit gewaarborgd minimumpensioen te genieten, de loopbaanjaren als zelfstandige en de loopbaanjaren als werknemer opgeteld worden. Het basisbedrag van het gewaarborgd minimumpensioen voor een gemengde loopbaan wordt momenteel vermenigvuldigd met de breuk van het toegekende pensioen als werknemer (na de beperking tot de eenheid van loopbaan). Voortaan zal de teller van deze breuk beperkt zijn tot enkel de kalenderjaren van de loopbaan als werknemer die ten minste 52 voltijdse dagequivalenten omvatten, zonder dat deze teller de noemer kan overschrijden.

Bijvoorbeeld : Een werknemer geboren in maart 1950 heeft zijn volledige beroepsloopbaan gepresteerd als werknemer en zelfstandige.

Deze verliep als volgt : - 312 voltijdse dagequivalenten van 1971 tot 1990 als werknemer; - 16 voltijdse dagequivalenten als werknemer in 1991; - 40 voltijdse dagequivalenten van 1992 tot 2014 als werknemer; - 3 trimesters van 1991 tot 2014 als zelfstandige.

Deze loopbaan van 44 jaar voldoet dus aan de voorwaarden om aanspraak te maken op het genot van het gewaarborgd minimumpensioen krachtens het strikt criterium voor een gemengde loopbaan.

Het jaarlijks basisbedrag voor een gewaarborgd minimumpensioen gebaseerd op een volledige gemengde loopbaan als alleenstaande bedraagt 11.452,34 EUR (index 136,09).

Zonder de hervorming had hij aanspraak kunnen maken op een minimumpensioen van 11.452,34 EUR X 44 (jaren als werknemer)/45 = 11.198,84 EUR. Krachtens deze hervorming, kan hij aanspraak maken op een uitkering van 11.452,34 EUR X (44-24)/45 = 5.089,93 EUR. Er dient bijgevolg opgemerkt te worden dat in dit voorbeeld, de pensioengerechtigde aanspraak kan maken op een gewaarborgd minimumpensioen krachtens het soepel criterium (verwijzing naar dagequivalenten geregistreerd in het werknemersstelsel). Het gewaarborgd minimumpensioen wordt derhalve als volgt vastgesteld : 11.452,34 EUR X (7176/312)/45 = 11.452,34 EUR X 23/45 = 5.853,42 EUR. Artikel 3 voorziet in de opheffing van de artikelen 4, 2° en 5, 2° van het koninklijk besluit van 18 maart 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector. Deze artikelen brachten wijzigingen aan in artikelen 8, tweede lid en 9, tweede lid van het voormeld koninklijk besluit van 28 september 2006 die echter overbodig zijn geworden in het kader van de tekst voorgesteld in de artikelen 1 en 2 van dit ontwerp.

Artikel 4 voorziet dat de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2015 ingaan. Het betreft de rustpensioenen die aan dit criterium beantwoorden en de overlevingspensioenen toegekend ten gevolge het overlijden na 31 december 2014 van een werknemer die nog niet van een pensioen genoot.

Artikel 5 legt de datum van inwerkingtreding van dit besluit vast op 1 januari 2015 met uitzondering van artikel 3 dat in werking treedt op 31 december 2014.

Artikel 6 preciseert dat de minister bevoegd voor Pensioenen belast is met de uitvoering van dit besluit.

Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Pensioenen, D. BACQUELAINE

Raad van state, afdeling Wetgeving advies 56.774/1 van 19 november 2014 over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector' Op 12 november 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Pensioenen verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector'.

Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 13 november 2014. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Wilfried VAN VAERENBERGH en Wouter PAS, staatsraden, en Wim GEURTS, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Wendy DEPESTER, adjunct-auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wouter PAS, staatsraad.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 19 november 2014. 1. Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan. In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd "par le fait que la mesure adoptée est prévue par l'accord du gouvernement et que les effets de cette mesure ont été [pris] en compte pour le budget 2015. Il importe que le citoyen soit fixé aussi rapidement que possible sur cette matière et que les programmes des institutions de pension puissent être adaptés aux modifications de la réglementation. 2. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan.3. Artikel 3 van het ontwerp heft twee bepalingen op van het koninklijk besluit van 18 maart 2014 `tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector'.De op te heffen bepalingen zijn op hun beurt wijzigingsbepalingen van het koninklijk besluit van 28 september 2006, en treden pas in werking op 1 januari 2015.

Naast het voorzien in de inwerkingtreding van de opheffing de dag vóór de dag van inwerkingtreding van de wijzigingsbepalingen die worden opgeheven, zoals wordt bepaald in artikel 5 van het ontwerp, dient er ter wille van de rechtszekerheid eveneens over te worden gewaakt dat het ontwerp tijdig wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, namelijk uiterlijk de dag van inwerkingtreding van de ontworpen opheffing.

De griffier : Wim GEURTS De voorzitter : Marnix VAN DAMME

9 DECEMBER 2014. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, artikel 33, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, artikel 33bis, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2004 en 23 december 2005, artikel 34, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, en artikel 34bis, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2004 en 23 december 2005;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector;

Gelet op het koninklijk besluit van 18 maart 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector;

Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Pensioenen, gegeven op 25 november 2013;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 5 november 2014;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 6 november 2014;

Gelet op de hoogdringendheid gemotiveerd door de omstandigheid dat de genomen maatregel voorzien is in het regeerakkoord en dat de budgettaire effecten van deze maatregel in rekening gebracht zijn voor de begroting van 2015. Het is belangrijk dat de burger zo snel mogelijk op de hoogte is van deze materie en dat de programma's van de pensioeninstellingen aangepast kunnen worden aan de wijzigingen van de reglementering;

Gelet op het advies nr. 56774/1 van de Raad van State, gegeven op 19 november 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Pensioenen en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 8 van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector, wordt het tweede lid vervangen als volgt : "In afwijking van het vorige lid, wanneer, onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 5, § 3, het aantal kalenderjaren dat in aanmerking genomen wordt en dat voor elk kalenderjaar ten minste 208 voltijdse dagequivalenten omvat vóór toepassing van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 en, naargelang het geval, van artikel 5, § 1, derde lid en van artikel 7, § 1, vierde lid van het koninklijk besluit van 23 december 1996, de twee derden bereikt van de noemer van de breuk waarin het pensioen als werknemer is uitgedrukt, is de breuk gelijk aan deze welke gebruikt werd voor de berekening van het pensioen toegekend in de regeling voor werknemers. De teller is echter beperkt tot het aantal kalenderjaren die elk ten minste 52 voltijdse dagequivalenten bevatten en hij kan de noemer niet overschrijden.".

Art. 2.In artikel 9 van hetzelfde besluit, wordt het tweede lid vervangen als volgt : "In afwijking van het vorige lid, wanneer, onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 5, § 3, het totaal van de kalenderjaren die in aanmerking worden genomen in de regeling voor werknemers en dat voor elk kalenderjaar ten minste 208 voltijdse dagequivalenten omvat vóór toepassing van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 en, naargelang het geval, van artikel 5, § 1, derde lid en van artikel 7, § 1, vierde lid van het koninklijk besluit van 23 december 1996 en de kalenderjaren in aanmerking genomen in de regeling voor zelfstandigen vóór toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 de twee derden bereikt van de noemer van de breuk waarin het pensioen als werknemer is uitgedrukt, is de breuk gelijk aan deze welke gebruikt werd voor de berekening van het pensioen toegekend in de regeling voor werknemers. De teller is echter beperkt tot het aantal kalenderjaren die elk ten minste 52 voltijdse dagequivalenten bevatten en hij kan de noemer niet overschrijden.".

Art. 3.In het koninklijk besluit van 18 maart 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector worden opgeheven : 1° artikel 4, 2° ;2° artikel 5, 2°.

Art. 4.De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2015.

Art. 5.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2015, met uitzondering van artikel 3 dat in werking treedt op 31 december 2014.

Art. 6.De minister bevoegd voor Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 9 december 2014.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Pensioenen, D. BACQUELAINE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^