Koninklijk Besluit van 09 januari 2014
gepubliceerd op 23 april 2014

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 maart 2013, gesloten in het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking, betreffende de vaststelling van het bedrag en de wijze van toekenn

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2013206009
pub.
23/04/2014
prom.
09/01/2014
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

9 JANUARI 2014. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 maart 2013, gesloten in het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking, betreffende de vaststelling van het bedrag en de wijze van toekenning en uitkering van de aanvullende sociale voordelen door het "Fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking" (1)


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking;

Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 6 maart 2013, gesloten in het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking, betreffende de vaststelling van het bedrag en de wijze van toekenning en uitkering van de aanvullende sociale voordelen door het "Fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking".

Art. 2.De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 9 januari 2014.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking Collectieve arbeidsovereenkomst van 6 maart 2013 Vaststelling van het bedrag en de wijze van toekenning en uitkering van de aanvullende sociale voordelen door het "Fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking" (Overeenkomst geregistreerd op 26 maart 2013 onder het nummer 114280/CO/126)

Artikel 1.Bij toepassing van artikel 2 van de statuten vastgesteld bij de beslissing van 29 juli 1964 tot oprichting van een fonds voor bestaanszekerheid en tot vaststelling van zijn statuten, laatst gewijzigd bij collectieve arbeidsovereenkomst van 19 juni 2007, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 21 oktober 2007, worden, ten laste van het fonds, de volgende aanvullende sociale voordelen toegekend : 1. een getrouwheidspremie;2. een sociaal voordeel aan de leden van een representatieve werknemersorganisatie;3. een aanvullende werkloosheidsvergoeding;4. een aanvullende vergoeding voor gelijkgestelde dagen voor economische of technische werkloosheid, tijdelijke werkloosheid wegens overmacht, arbeidsongeschiktheid en verlof om dwingende reden;5. een bijzondere vergoeding bij collectief ontslag;6. een aanvullende vergoeding aan de slachtoffers van een arbeidsongeval;7. een aanvullende vergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid;8. een vergoeding aan de weduwe(naar) van een gepensioneerde arbeider(ster);9. een vergoeding aan de werknemers die, tengevolge van een fysische handicap, lange tijd volledig arbeidsongeschikt zijn;10. een vergoeding aan de weduwe(naar) van een fysisch gehandicapte;11. een bijzondere tegemoetkoming, toe te kennen aan sommige oudere werknemers die elke beroepsactiviteit hebben stopgezet en die noch een stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (het vroegere brugpensioen) kunnen genieten, noch de anciënniteitstoeslag in uitvoering van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houden de werkloosheidsreglementering. Deze aanvullende sociale voordelen worden toegekend aan de werknemers tewerkgesteld in de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking.

Met "werknemer" worden : de arbeiders en de arbeidsters bedoeld. HOOFDSTUK I. - Getrouwheidspremie

Art. 2.Een getrouwheidspremie wordt toegekend aan de werknemers die tijdens de referteperiode tewerkgesteld waren in één of meer ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking.

Onder "referteperiode" wordt verstaan : de periode vanaf 1 juli van het voorgaande jaar tot en met 30 juni van het lopende jaar.

De getrouwheidspremie wordt elk jaar toegekend in de maand december van het lopende jaar.

Art. 3.Tot en met toekenningsjaar 2011 werd de getrouwheidspremie berekend op basis van 8,55 pct. van de onbegrensde brutolonen aan 108 pct. verdiend tijdens de referteperiode.

Vanaf het toekenningsjaar 2012 wordt de getrouwheidspremie berekend op basis van 8,85 pct. van de onbegrensde brutolonen aan 108 pct. verdiend tijdens de referteperiode.

Art. 4.Het bedrag van de getrouwheidspremie wordt berekend op de brutolonen aan 108 pct., vermeld op de driemaandelijkse aangifte voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Het minimumbedrag per betalingsmandaat is vastgesteld op 24,78 EUR netto. Wanneer de getrouwheidspremie 24,78 EUR netto niet bereikt, wordt er geen betalingsmandaat opgemaakt.

Art. 5.Voor iedere rechthebbende maakt het fonds een persoonlijke titel op. De titels worden vóór 5 december van het lopende jaar gestuurd aan de laatst gekende werkgever waarbij de werknemer op de laatste dag van de referteperiode in dienst was. De werkgever overhandigt de titel, onmiddellijk na ontvangst, aan de rechthebbende.

Deze titels vermelden de onbegrensde brutolonen, die de werknemer in de referteperiode verdiende bij de betrokken werkgevers van de sector.

Art. 6.De getrouwheidspremie is in beginsel uitbetaalbaar vanaf 6 december van het jaar waarvoor het voordeel verschuldigd is. De effectieve uitbetalingsdatum wordt voor elk lopend jaar vastgelegd door het paritair beheerscomité.

Art. 7.De rechthebbenden die lid zijn van één van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties die op nationaal niveau zijn verbonden en die in het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking zijn vertegenwoordigd, leggen hun titel ter betaling voor aan hun werknemersorganisatie. De andere rechthebbenden dienen hun titel rechtstreeks bij het fonds in.

Art. 8.De titel blijft geldig gedurende 5 jaar. De titels die ter betaling worden aangeboden na 15 december van het vijfde jaar dat volgt op het lopende jaar waarop de titel slaat, zijn met meer geldig. HOOFDSTUK II. - Sociaal voordeel aan de leden van een representatieve werknemersorganisatie

Art. 9.Een sociaal voordeel wordt toegekend aan de in de ondernemingen van de sector stoffering en houtbewerking tewerkgestelde werknemers die het recht verworven hebben op de getrouwheidspremie zoals voorzien in hoofdstuk I, artikelen 2 en 3 van deze collectieve arbeidsovereenkomst, en/of aan de werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst aan een onderneming van de sector stoffering en houtbewerking, die opgeroepen zijn onder de wapens en/of aan langdurige arbeidsongeschikten en/of aan de werknemers getroffen door een arbeidsongeval en die lid zijn van één van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties die op nationaal niveau verbonden zijn en die in het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking zijn vertegenwoordigd.

Art. 10.De toepassingsmodaliteiten, alsmede het bedrag van dit sociaal voordeel worden in een aparte collectieve arbeidsovereenkomst vastgelegd. HOOFDSTUK III. - Aanvullende werkloosheidsvergoeding

Art. 11.Opening van het recht § 1. Een aanvullende werkloosheidsvergoeding wordt toegekend aan de werknemers die in toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake werkloosheid, recht hebben op uitkeringen voor volledige of tijdelijke werkloosheid, inschakelingsuitkeringen (de vroegere wachtuitkeringen) of uitkeringen in het kader van jeugdvakantie of seniorvakantie.

Om recht te hebben op deze vergoeding moeten zij in het bezit zijn van een prestatiekaart zoals gesteld in § 2 of van een attest van rechthebbende zoals gesteld in § 3 en vóór de aanvang van de periode van werkloosheid in dienst zijn geweest van een onderneming uit de sector voor de stoffering en de houtbewerking.

De werknemer die in de periode gelegen tussen het einde van zijn arbeidsovereenkomst en de aanvang van de werkloosheid, zijn jaarlijkse vakantie neemt of arbeidsongeschikt is, wordt geacht aan deze laatste voorwaarde te beantwoorden. § 2. De administratie van het fonds reikt aan elke werknemer een prestatiekaart uit waarop het aantal bezoldigde dagen van de referteperiode wordt vermeld. Indien op de prestatiekaart minstens 130 dagen worden vermeld, opent deze het recht op aanvullende werkloosheidsuitkeringen gedurende het dienstjaar dat volgt op de referteperiode.

Onder "dienstjaar" wordt verstaan : de periode van 1 januari tot en met 31 december van het kalenderjaar dat volgt op de einddatum van het refertejaar.

Onder "referteperiode" wordt verstaan : de periode van 1 juli tot en met 30 juni van het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het dienstjaar.

Onder "bezoldigde dagen" wordt verstaan : de gewerkte dagen, de dagen gedekt door gewaarborgd weekloon (eerste 7 dagen), klein verlet, compensatiedagen wegens arbeidsduurvermindering, inhaalrustdagen voor overuren, betaalde feestdagen en syndicaal verlof.

Met "bezoldigde dagen" worden gelijkgesteld : de 12 eerste maanden arbeidsongeschiktheid wegens ongeval of ziekte van gemeen recht of wegens arbeidsongeval.

Voorbeeld : 130 bezoldigde of gelijkgestelde dagen bewezen in de periode van 1 juli 2011 tot en met en 30 juni 2012 geven recht op aanvullende vergoedingen in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013. § 3. Afwijkingen 1. Indiensttreding tijdens de referteperiode 1.1. Voor de werknemer die in dienst treedt tijdens de referteperiode en aan de voorwaarden onder § 1 voldoet, doch niet aan de voorwaarden onder § 2, wordt het recht op aanvullende vergoeding geopend vanaf de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal tijdens hetwelk de 130 bezoldigde of ermee gelijkgestelde dagen worden bereikt.

Voorbeeld : de werknemer treedt in dienst op 5 oktober 2012 en bewijst 130 bezoldigde dagen op 18 april 2013. Opening van het recht vanaf 1 juli 2013. 1.2. Het bewijs van 130 bezoldigde of ermee gelijkgestelde dagen wordt geleverd aan de hand van het door de werkgever ingevulde inlichtingenblad, waarvan het model wordt vastgesteld door het paritair beheerscomité van het fonds. 2. Werknemers die de 130 bezoldigde of ermee gelijkgesteld dagen niet kunnen bewijzen tijdens de referteperiode, maar die een loopbaan bewijzen in de sector van de stoffering en de houtbewerking De werknemers die voldoen aan de voorwaarden onder artikel 11, § 1, doch niet aan de voorwaarden onder artikel 11 § 2, kunnen het recht op de aanvullende uitkering openen, onder de hierna vermelde voorwaarden : - een bepaalde loopbaan in de sector bewijzen, volgens het aantal bezoldigde of ermee gelijkgestelde dagen. Aantal te bewijzen jaren tewerkstelling in de sector

Aantal bezoldigde dagen of ermee gelijkgestelde dagen

Nombre d'années de service dans le secteur à prouver

Nombre de jours rémunérés ou assimilés

25 jaar dienst

65

25 années de service

65

20 jaar dienst

75

20 années de service

75

15 jaar dienst

85

15 années de service

85

10 jaar dienst

95

10 années de service

95

9 jaar dienst

105

9 années de service

105

8 jaar dienst

115

8 années de service

115

7 jaar dienst

125

7 années de service

125


De samenstelling van de loopbaan wordt berekend van datum tot datum.

De loopbaan wordt bewezen op 1 januari van ieder dienstjaar. 3. Deeltijdse tewerkstelling tijdens de referteperiode Voor de werknemer die deeltijds tewerkgesteld was tijdens de referteperiode en niet voldoet aan de voorwaarde bepaald onder artikel 11, § 2 kan het attest van rechthebbende worden toegekend onder de hiernavolgende voorwaarden : 1) de deeltijdse arbeid is tenminste gelijk aan 50 pct.van een voltijdse betrekking in de onderneming; 2) voor de periode van deeltijdse tewerkstelling bewijst de werknemer een aantal dagen dat, omgezet naar een voltijdse tewerkstelling, wel tenminste een eindresultaat van 130 bezoldigde of ermee gelijkgestelde dagen tijdens de gehele referteperiode oplevert. Voorbeeld : - een werknemer werkt 32 uur per week van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010; - de voltijdse betrekking = 40 uur per week; - aantal bewezen dagen (of uren : 8) = 104; - formule van omzetting : 104 x 40 = 130 dagen. 32 4. Attest van rechthebbende Het fonds levert een attest van rechthebbende af aan de werknemer die in toepassing van artikel 11, § 3 de vergoedingen kan ontvangen.

Art. 12.Vergoedbare dagen § 1. Het aantal vergoedbare dagen is vastgesteld op 130 per dienstjaar in de regeling van 6 vergoedbare dagen per week. Wordt bij volledige werkloosheid gedurende het eerste dienstjaar het maximum aantal te vergoeden dagen niet uitgeput, dan wordt het saldo overgedragen naar het volgende dienstjaar. § 2. Voor een werknemer tewerkgesteld in een deeltijds uurrooster op het ogenblik dat hij werkloos wordt gesteld, wordt het aantal vergoedbare dagen berekend conform de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de werkloosheidsuitkeringen. § 3. Na uitputting van het maximum aantal vergoedbare dagen tijdens het eerste jaar van volledige werkloosheid, kan de volledig uitkeringsgerechtigde werkloze gedurende een tweede dienstjaar aanspraak maken op het maximum aantal vergoedbare dagen zoals voorzien in artikel 12, § 1. Hij moet hiervoor gedurende tenminste 10 jaar tewerkgesteld zijn geweest in een onderneming die ressorteert onder het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking. Deze 10 jaar moeten zich situeren in de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de werkloosheid en van deze 10 jaar moet hij tenminste 5 jaar effectieve prestaties bewijzen.

Deze voorwaarde moet vervuld zijn bij de aanvang van de werkloosheid. § 4. De toekenning van de aanvullende werkloosheidsvergoeding wordt gedurende maximum 2 maanden opgeschort wanneer de werkloze op initiatief van de VDAB, Actiris, Forem of Arbeitsamt of op eigen initiatief ingeschakeld wordt in een tewerkstellingsprogramma van de overheid. Dit geldt eveneens voor de werkloze die met de bedoeling om aan de werkloosheid te ontsnappen een betrekking aanvaardt.

Tijdens deze schorsingsperiode(s) heeft de betrokken werknemer geen recht op de aanvullende werkloosheidsvergoeding.

Indien de werknemer na deze schorsingsperiode(s) opnieuw werkloos wordt, kan hem het overblijvend saldo van de 130 vergoedbare dagen worden toegekend, na aftrek van het aantal dagen waarvan hij/zij van het fonds voor bestaanszekerheid van een andere sector een aanvullende werkloosheidsvergoeding zou hebben ontvangen.

Art. 13.Uitsluitingen § 1. De werknemer kan slechts aanspraak maken op de aanvullende vergoeding voor werkloosheid (volledig of tijdelijk) in de mate dat hij ook recht heeft op werkloosheidsuitkeringen (volledig of tijdelijk), op inschakelingsuitkeringen (de vroegere wachtuitkeringen) of op uitkeringen in het kader van jeugdvakantie of seniorvakantie. § 2. De werknemer die werkloosheidsuitkeringen wegens werkloosheid met bedrijfstoeslag (het vroegere brugpensioen) geniet, heeft geen recht op de aanvullende vergoeding zoals bepaald in dit hoofdstuk.

Hetzelfde geldt voor de werknemer die een anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen kan genieten, in uitvoering van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. § 3. De aanvullende werkloosheidsvergoeding wordt met toegekend op de dagen waarvoor de werknemer recht heeft op een vergoeding toegekend door een ander fonds voor bestaanszekerheid.

Art. 14.Bedrag en toekenningsvoorwaarden § 1. De vergoeding in geval van volledige werkloosheid bedraagt 4,12 EUR per uitkeringsdag en de vergoeding in geval van tijdelijke werkloosheid bedraagt 2,48 EUR per uitkeringsdag. § 2. Om de uitbetaling van de aanvullende werkloosheidsvergoeding te krijgen : - richten de rechthebbenden die lid zijn van één van de bij artikel 7 bedoelde werknemersorganisaties zich tot hun werknemersorganisatie welke de hoofdwerkloosheidsuitkeringen heeft uitbetaald; - dienen de andere rechthebbenden bij het fonds een attest van de uitbetalingsinstelling in. § 3. Het recht op deze vergoeding verjaart na het verstrijken van een periode van vijf jaar die aanvangt in de maand waarop de werkloosheidsvergoeding betrekking heeft. HOOFDSTUK IV. - Aanvullende vergoeding voor gelijkgestelde dagen voor economische of technische werkloosheid, tijdelijke werkloosheid wegens overmacht, arbeidsongeschiktheid en verlof om dwingende redenen

Art. 15.Er wordt een aanvullende vergoeding voor gelijkgestelde dagen voor economische of technische werkloosheid, tijdelijke werkloosheid wegens overmacht, arbeidsongeschiktheid en verlof om dwingende redenen uitbetaald aan de werknemers tewerkgesteld in de ondernemingen die ressorteren onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking.

Art. 16.Deze aanvullende vergoeding bedraagt 2,28 EUR per dag.

In het geval van economische of technische werkloosheid, tijdelijke werkloosheid wegens overmacht of in geval van arbeidsongeschiktheid wordt de hier bedoelde aanvullende vergoeding uitbetaald, samen met de hoofdvergoeding die door het fonds voor bestaanszekerheid wordt toegekend.

In het geval van verlof om dwingende redenen in het kader van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 45, gebeurt de uitbetaling na indiening van een aanvraagdocument waarvan het model door het beheerscomité is goedgekeurd. HOOFDSTUK V. - Bijzondere vergoeding bij collectief ontslag

Art. 17.§ 1. De aanvullende werkloosheidsvergoeding ten laste van het fonds wordt aan de werknemers, die recht hebben op de vergoeding verschuldigd bij collectief ontslag, bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op 8 mei 1973 in de Nationale Arbeidsraad betreffende het collectief ontslag, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 6 augustus 1973, toegekend als volgt : de helft van het verschil tussen het netto referteloon en de normale werkloosheidsuitkeringen wordt bij werkloosheid in geval van collectief ontslag gedekt door de aanvullende werkloosheidsvergoeding toegekend door het fonds.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt het begrip collectief ontslag zoals omschreven in voormelde collectieve arbeidsovereenkomst van 8 mei 1973 van de Nationale Arbeidsraad uitgebreid tot de ontslagen om economische redenen die in een ononderbroken periode van 120 dagen een bij voormelde collectieve arbeidsovereenkomst bepaald aantal werknemers treft.

Wanneer de helft van het verschil niet wordt gedekt door de bedoelde uitkering, betaalt het fonds aan de werknemers het verschuldigde bedrag op basis van de nodige bewijsstukken. § 2. De aanvullende werkloosheidsvergoeding ten laste van het fonds wordt eveneens toegekend aan de werknemers tewerkgesteld in ondernemingen met minder dan 20 werknemers op voorwaarde dat : - tenminste zes werknemers worden ontslagen in de tot 120 dagen uitgebreide tijdsspanne bepaald in de collectieve arbeidsovereenkomst van 8 mei 1973, indien de onderneming tussen 12 en 20 werknemers tewerkstelt; - tenminste de helft van de werknemers wordt ontslagen in de tot 120 dagen uitgebreide tijdspanne bepaald in de collectieve arbeidsovereenkomst van 8 mei 1973, indien de onderneming minder dan 12 werknemers tewerkstelt. § 3. Mits voorlegging van het bewijs dat de werknemer is getroffen door een collectief ontslag zoals hierboven omschreven, betaalt het fonds gedurende maximaal 4 maanden de aanvullende werkloosheidsuitkering. De periode van 4 maanden vangt aan daags na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst of eventueel daags na het verstrijken van de periode die is gedekt door een opzeggingsvergoeding of door een inschakelingsvergoeding, toegekend in het kader van een tewerkstellingscel.

Dit neemt niet weg dat de belanghebbende het recht behoudt op de aanvullende werkloosheidsvergoeding voor de jaarlijkse periode voorzien in geval van werkloosheid die geen betrekking heeft op een collectief ontslag.

Art. 18.De rechthebbenden dienen de aanvraag tot toekenning van de bedoelde vergoeding in bij het fonds op een daartoe bestemd formulier.

Art. 19.De bepalingen van de artikelen 17 en 18 zijn alleen van toepassing op de werknemers die getroffen zijn door collectief ontslag en werkloosheidsuitkeringen genieten.

Art. 20.De laatste werkgever blijft evenwel de vergoeding verschuldigd voor een periode van vier maanden zoals voorzien in het koninklijk besluit van 6 augustus 1973 voor de volgende gevallen : a. de werkloze werknemers die om redenen onafhankelijk van hun wil uit het genot van de werkloosheidsuitkeringen zijn gesloten;b. de werknemers die een nieuwe betrekking bekleden waar zij een loon ontvangen dat lager ligt dan het loon dat zij voordien verdienden;c. de werknemers die een beroepsopleiding, ingericht of erkend door de VDAB, Actiris, Forem of Arbeitsamt doorlopen en een vergoeding ontvangen die lager ligt dan het loon dat zij voorheen verdienden. Voor deze gevallen is de vergoeding gelijk aan : - geval a : de helft van het verschil tussen het nettoloon en de werkloosheidsvergoeding waarop de werknemer aanspraak had kunnen maken; - gevallen b en c : de helft van het verschil tussen het netto referteloon en het totaal van de netto-inkomsten verkregen uit hoofde van de nieuwe betrekking of van de beroepsopleiding. HOOFDSTUK VI. - Aanvullende vergoeding aan de slachtoffers van een arbeidsongeval

Art. 21.Een aanvullende vergoeding wordt toegekend aan de werknemers die door een arbeidsongeval tijdens het werk of op de weg naar en van het werk zijn getroffen.

Art. 22.De in artikel 21 beoogde aanvullende vergoeding wordt toegekend vanaf de eenendertigste kalenderdag.

Enkel de normale activiteitsdagen geven aanleiding tot de betaling van de aanvullende vergoeding. Voor de werknemers in een atypisch tewerkstellingsregime gebeurt de uitbetaling volgens het regime waarin zij aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn aangegeven.

Art. 23.De vergoeding wordt berekend door het fonds, na de werkhervatting of na uitputting van het totaal aantal dagen door het fonds voorzien in geval van ononderbroken periode van arbeidsongeschiktheid.

Art. 24.Het aantal te vergoeden dagen is vastgesteld op 200 dagen per arbeidsongeval.

Art. 25.De vergoeding bedraagt 3,70 EUR per dag, vermeerderd met het sociaal voordeel voorzien in artikel 10.

Art. 26.De rechthebbenden dienen de aanvraag tot toekenning van de bedoelde aanvullende vergoeding in bij het fonds op een daartoe bestemd formulier.

De rechthebbenden die lid zijn van één van de in artikel 7 bedoelde werknemersorganisaties dienen hun aanvraag in door toedoen van hun werknemersorganisatie.

De andere rechthebbenden dienen hun aanvraag rechtstreeks bij het fonds in.

Art. 27.Voor de rechthebbenden die de aanvraag hebben ingediend door toedoen van één van de in artikel 7 bedoelde werknemersorganisaties geschiedt de betaling door toedoen van hun werknemersorganisatie; voor de anderen geschiedt de betaling rechtstreeks door het fonds.

Art. 28.Bij dodelijk ongeval, overkomen tijdens het werk of op de weg naar en van het werk, wordt een forfaitaire vergoeding van 5.578 EUR, verhoogd met een forfaitaire vergoeding van 744 EUR per kind waarvoor gezinsvergoeding wordt genoten, aan de rechthebbenden van het slachtoffer betaald.

Aan de slachtoffers van een arbeidsongeval, met als gevolg een blijvende arbeidsongeschiktheid van 66 pct. en meer, wordt een éénmalige vergoeding toegekend van 744 EUR, verhoogd met 558 EUR per kind waarvoor gezinsvergoeding wordt genoten. HOOFDSTUK VII. - Aanvullende vergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid

Art. 29.Opening van het recht § 1. Een aanvullende vergoeding wordt toegekend aan de werknemers die langdurig arbeidsongeschikt zijn, zodra zij, bij toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, de uitkeringen hebben genoten wegens arbeidsongeschiktheid. Arbeidsongeval, beroepsziekte en de wettelijke bevallingsrust worden bijgevolg van dit voordeel uitgesloten.

Om recht te hebben op deze vergoeding, moeten deze werknemers verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst met een werkgever van de sector stoffering en houtbewerking bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid en moeten zij tenminste 130 bezoldigde dagen in de sector tijdens de laatste vijf jaar kunnen bewijzen. § 2. Onder "bezoldigde dagen" wordt verstaan : de gewerkte dagen, de dagen gedekt door gewaarborgd weekloon (eerste zeven dagen), klein verlet, compensatierustdagen wegens arbeidsduurvermindering, inhaalrustdagen voor overuren, betaalde feestdagen en dagen syndicaal verlof. § 3. Afwijkingen De periode gedurende dewelke de werknemer in de onderneming als uitzendkracht wordt tewerkgesteld door de curator, aangesteld bij het gerechtelijk akkoord of faillissement van een werkgever van de sector stoffering en houtbewerking, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met het "verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst" zoals omschreven in de eerste alinea.

Art. 30.De aanvullende vergoeding § 1. De in artikel 29 beoogde aanvullende vergoeding wordt toegekend vanaf de eenendertigste kalenderdag vanaf de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid. § 2. Voor het bepalen van de aanvangsdatum van een periode van arbeidsongeschiktheid worden de begrippen "hervalling", "dezelfde arbeidsongeschiktheid" of "andere arbeidsongeschiktheid" gehanteerd zoals in de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 met betrekking tot de ziekte- en invaliditeitsverzekering.

Art. 31.Ogenblik van de berekening De vergoeding wordt berekend door het fonds voor bestaanszekerheid, na de werkhervatting of na uitputting van het totaal aantal dagen door het fonds voorzien in geval van ononderbroken periode van arbeidsongeschiktheid.

Art. 32.Vergoedbare periode § 1. De vergoedbare periode per arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 365 kalenderdagen, verminderd met de eerste 30 kalenderdagen van de arbeidsongeschiktheid.

Deze periode wordt verlengd met de periode van jaarlijkse vakantie waarop de werknemer bij de aanvang van of gedurende zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft.

De vergoedbare periode blijft doorlopen voor iedere arbeidsongeschiktheid waarvan het recht werd geopend vóór het einde der arbeidsovereenkomst.

De gelijkstelling zoals bedoeld bij artikel 29, § 3 geldt eveneens voor de toepassing van deze paragraaf. § 2. Het aantal vergoedingen kan maximum 6 per week bedragen en 287 per arbeidsongeschiktheid. § 3. De aanvullende vergoeding wordt niet toegekend op de dagen waarvoor de werknemer recht heeft op een vergoeding toegekend door een ander fonds voor bestaanszekerheid.

Art. 33.Bedragen § 1. De vergoeding voor de hierna vermelde perioden bedraagt : - vanaf de 31e kalenderdag na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid tot en met de 150e kalenderdag : 4,26 EUR per vergoedbare dag; - vanaf de 151e kalenderdag na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid tot en met de 365ste kalenderdag : 4,86 EUR per vergoedbare dag.

Voormelde bedragen worden verhoogd met het sociaal voordeel, zoals bepaald in artikel 10 en met de aanvullende vergoeding zoals bepaald in artikel 16. § 2. Deeltijdse tewerkstelling Wanneer een werknemer deeltijds is tewerkgesteld bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, wordt de aanvullende vergoeding volgens een van de volgende formules berekend : a) dagbedrag x aantal werkdagen per week = vijf dagen ...EUR per dag gedurende het maximum aantal dagen. b) deeltijdse tewerkstelling = ... pct. van een voltijdse. Dan wordt de dagvergoeding vermenigvuldigt met dit percentage. § 3. Gedeeltelijke werkhervatting Indien een werknemer met instemming van de medisch adviseur van het ziekenfonds het werk gedeeltelijk hervat, vertegenwoordigt de aanvullende vergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid een percentage van het dagbedrag dat overeenstemt met de overblijvende graad van arbeidsongeschiktheid.

Voorbeeld : Betrokkene wordt ziek op 16 november 2012. Hij is voor 100 pct. werkonbekwaam voor de periode 16 november 2012 tot en met 27 mei 2013.

Vanaf 28 mei 2013 mag hij van de medische adviseur van het ziekenfonds het werk gedeeltelijk hervatten, namelijk voor 40 pct.. Vanaf 28 mei 2013 ontvangt betrokkene 60 pct. van het totale dagbedrag.

Art. 34.Aanvraag De rechthebbenden die langer dan 30 kalenderdagen arbeidsongeschikt zijn geweest en hiervoor ziekte- en invaliditeitsuitkeringen hebben genoten, dienen hun aanvraag tot toekenning van de aanvullende vergoeding in bij het fonds, op het daartoe bestemde formulier.

De rechthebbenden die lid zijn van één van de in artikel 7 bedoelde werknemersorganisaties dienen hun aanvraag in door toedoen van hun werknemersorganisatie. De andere rechthebbenden dienen hun aanvraag rechtstreeks in bij het fonds.

Art. 35.Uitbetaling Voor de rechthebbenden die de aanvraag hebben ingediend door toedoen van één van de in artikel 7 bedoelde werknemersorganisaties geschiedt de uitbetaling ook door toedoen van de werknemersorganisatie. Voor de andere rechthebbenden betaalt het fonds het verschuldigde bedrag rechtstreeks uit aan de rechthebbende. HOOFDSTUK VIII. - Vergoeding aan de weduwe(naar) van een gepensioneerde

Art. 36.§ 1. Een vergoeding wordt toegekend aan de weduwe(naar) van een gepensioneerde. Die gepensioneerde moet op het ogenblik van zijn overlijden rechthebbende zijn op de vergoeding in toepassing van artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 september 2009, koninklijk besluit van 30 juli 2010, Belgisch Staatsblad van 11 oktober 2010 tot vaststelling van de overgangsregeling in het kader van de invoering van de sectorale tweede pensioenpijler.

Deze vergoeding bedraagt 743,68 EUR en is gebonden aan de persoon van de weduwe(naar) van de gepensioneerde. § 2. Daarnaast ontvangt de weduwe(naar) van een gepensioneerde, overleden tijdens het jaar voorafgaand (dit is het refertejaar) aan het jaar van uitbetaling, nog de volgende vergoeding : - x/12 van het volledige bedrag dat de gepensioneerde nog zou hebben ontvangen indien hij op de datum van uitbetaling van de vergoeding aan gepensioneerden nog in leven zou zijn geweest. x komt overeen met het aantal volledige maanden dat de gepensioneerde nog heeft geleefd tijdens het refertejaar. § 3. Bij ontstentenis van een weduwe(naar) vervalt het recht op de vergoeding. Wordt beschouwd als weduwe(naar) : de rechthebbende volgens de criteria van de wettelijke bepalingen betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.

Art. 37.§ 1. De vergoeding zoals bepaald in dit hoofdstuk wordt toegekend aan de weduwe(naar) wier (wiens) echtgeno(o)t(e) overleed na 30 juni 1997. § 2. De in artikel 36 bedoelde vergoeding is éénmalig en wordt uitgekeerd in de loop van het kwartaal volgend op de datum waarop het overlijden ter kennis van het fonds wordt gebracht zoals voorzien in artikel 38. § 3. De vergoeding is persoonsgebonden. Het recht op de vergoeding vervalt indien de begunstigde weduwe(naar) overlijdt vóór de voorziene uitbetalingsdatum.

Art. 38.De rechthebbende dient een aanvraag in bij het fonds voor bestaanszekerheid. Bij de aanvraag wordt een akte van overlijden en een erfrechtverklaring gevoegd.

Indien de overleden gepensioneerde was aangesloten bij één van de in artikel 7 bedoelde werknemersorganisaties, dan wordt de aanvraag via zijn respectieve organisatie ingediend. De anderen dienen hun aanvraag rechtstreeks in bij het fonds voor bestaanszekerheid.

Art. 39.De vergoeding wordt uitbetaald - hetzij via de werknemersorganisatie die de aanvraag heeft ingediend; - hetzij rechtstreeks aan de betrokkene die de aanvraag rechtstreeks indiende. HOOFDSTUK IX. - Vergoeding aan de werklieden die, tengevolge van een fysische handicap, lange tijd volledig arbeidsongeschikt zijn

Art. 40.Een vergoeding wordt toegekend aan de werknemers van de ondernemingen welke ressorteren onder het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking die, als gevolg van een fysische handicap, lange tijd volledig arbeidsongeschikt zijn.

Art. 41.Kunnen aanspraak maken op deze vergoeding, de werknemers die de volgende voorwaarden vervullen : 1. het bewijs leveren van een arbeidsongeschiktheid van tenminste 66 pct., ongeacht hun leeftijd, mits voorlegging van een attest van de adviserende geneesheer van het ziekenfonds, verzekeringsmaatschappij of Fonds voor beroepsziekten.

De werkloze werknemers die de anciënniteitstoeslag genieten zoals voorzien in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering kunnen geen aanspraak maken op de vergoeding aan fysisch gehandicapten; 2. het bewijs leveren dat hun laatste werkgever onder het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking ressorteerde;3. het bewijs leveren dat zij, gedurende de laatste 10 jaar die de stopzetting van het werk voorafgaan of sinds het verlaten van de school, nergens anders tewerkgesteld zijn geweest dan in één of meer ondernemingen die onder het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking ressorteren. Alle gevallen van wettelijke schorsing en verbreking van de arbeidsovereenkomst worden, voor de toepassing van dit artikel, met tewerkstelling gelijkgesteld, voor zover het aantal van deze inactiviteitsjaren het aantal activiteitsjaren niet overtreft, dit wil zeggen dat de betrokkenen minstens 5 jaar effectieve activiteit moeten bewijzen en dat de andere 5 jaar inactiviteitsjaren in de sector mogen zijn.

Uitzondering wordt gemaakt voor de fysisch gehandicapten die de laatste 10 jaar niet volledig kunnen rechtvaardigen; zij moeten gedurende de 25 jaar die de stopzetting van hun werk voorafgaan, 15 jaar in de sector tewerkgesteld zijn geweest, waarvan minstens 7,5 jaar effectieve activiteit; de andere 7,5 jaar mogen inactiviteitsjaren in de sector zijn; 4. hun rechten op bijkomende vergoedingen, hetzij van werkloosheid, hetzij van ziekte of arbeidsongeval, toegekend door het "Fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking", hebben uitgeput.

Art. 42.Vanaf het ogenblik dat de werknemer in werkloosheid met bedrijfstoeslag is (het vroegere brugpensioen), heeft hij geen recht meer op deze vergoeding.

Art. 43.Het bedrag is vastgesteld op 495,79 EUR per jaar.

Art. 44.Rechthebbenden dienen de aanvraag tot toekenning van de bedoelde vergoeding in bij het fonds op een daartoe bestemd formulier in de loop van het dienstjaar dat volgt op dat tijdens hetwelk zij hun rechten op de bijkomende vergoedingen toegekend door het fonds voor bestaanszekerheid hebben uitgeput.

De rechthebbenden die lid zijn van één van de in artikel 7 bedoelde werknemersorganisaties, dienen hun aanvraag in door toedoen van hun werknemersorganisatie.

De andere rechthebbenden dienen hun aanvraag rechtstreeks bij het fonds in.

Tot staving van hun aanvraag moeten de rechthebbenden het bewijs leveren dat zij, sinds het begin van de stopzetting van het werk, ononderbroken de uitkeringen voor werkloosheid, ziekte, arbeidsongeval of van het Fonds voor beroepsziekten, hebben genoten.

Art. 45.De uitkering van de vergoeding gebeurt door het fonds naar verhouding van 1/12 van het totaal jaarbedrag per maand werkelijke ongeschiktheid.

De uitbetalingsmodaliteiten worden door het paritair beheerscomité bepaald.

Voor de rechthebbenden die hun aanvraag hebben ingediend door toedoen van één van de in artikel 7 bedoelde werknemersorganisaties, geschiedt de betaling door toedoen van hun werknemersorganisatie; voor de anderen geschiedt de betaling rechtstreeks door het fonds.

Art. 46.De rechthebbenden die de vergoeding een eerste maal hebben ontvangen, moeten de daaropvolgende jaren geen nieuwe aanvraag indienen.

In de maand december stuurt het fonds voor bestaanszekerheid een formulier "hernieuwing" aan diegenen die reeds deze vergoeding ontvingen.

Dit hernieuwingsformulier, tot staving van de voortzetting van de arbeidsongeschiktheid van tenminste 66 pct. (ziekenfonds, verzekeringsmaatschappij of Fonds voor beroepsziekten), moet behoorlijk ingevuld en ondertekend rechtstreeks of door de werknemersorganisatie aan het fonds worden teruggestuurd.

Zo bij ontvangst van het formulier "hernieuwing", de rechthebbende overleden is, moet(en) de weduwe(naar) of de erfgena(a)m(en) bij het formulier een uittreksel van de akte van overlijden voegen.

Indien de rechthebbende gehandicapte overleden is vóór 1 januari, vervalt het recht op de vergoeding.

Art. 47.Met ingang van de betaling van deze vergoeding in 2013 wordt het aantal uitkeringen beperkt tot 15. HOOFDSTUK X. - Vergoeding aan de weduwe(naar) van een fysisch gehandicapte

Art. 48.Een vergoeding wordt toegekend aan de weduwe(naar) van een fysisch gehandicapte. Die fysisch gehandicapte moet op het ogenblik van zijn/haar overlijden rechthebbende zijn op een vergoeding in toepassing van artikel 41.

Wordt beschouwd als weduwe(naar) : de rechthebbende volgens de criteria van de wettelijke bepalingen betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.

Art. 49.De vergoeding bedraagt 495,79 EUR.

Art. 50.De in artikel 49 bedoelde vergoeding is éénmalig en wordt uitgekeerd in de loop van het kwartaal volgend op de datum waarop het overlijden ter kennis van het fonds voor bestaanszekerheid wordt gebracht zoals voorzien in artikel 38.

De vergoeding is persoonsgebonden. Het recht op de vergoeding vervalt indien de begunstigde weduwe(naar) overlijdt vóór de voorziene uitbetalingsdatum.

Art. 51.De rechthebbende dient een aanvraag in bij het fonds voor bestaanszekerheid. Bij de aanvraag wordt een akte van overlijden en een erfrechtverklaring gevoegd.

Wanneer de overledene lid was van één van de in artikel 7 bedoelde werknemersorganisaties, wordt de aanvraag ingediend door toedoen van zijn/haar werknemersorganisatie.

De andere rechthebbenden dienen hun aanvraag rechtstreeks bij het fonds voor bestaanszekerheid in.

Art. 52.De vergoeding wordt uitbetaald - hetzij via de werknemersorganisatie die de aanvraag heeft ingediend; - hetzij rechtstreeks aan betrokkene die de aanvraag rechtstreeks indiende. HOOFDSTUK XI. - Bijzondere tegemoetkoming toe te kennen aan sommige oudere werknemers die elke beroepsactiviteit hebben stopgezet en die noch een stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (het vroegere brugpensioen), noch de anciënniteitstoeslag in uitvoering van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering kunnen genieten

Art. 53.De bijzondere tegemoetkoming wordt vanaf de leeftijd van 50 jaar toegekend aan de werknemers die ontslagen worden in een onderneming die ressorteert onder het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking en die elke beroepsactiviteit definitief stopzetten.

Art. 54.Om de bijzondere tegemoetkoming te genieten, moeten de in artikel 53 bedoelde werknemers aan de volgende voorwaarden voldoen : - volledig uitkeringsgerechtigde werkloze zijn en op het tijdstip van de toekenning de werkloosheidsuitkering genieten; - geen aanvullende vergoeding genieten, uitgekeerd door het "Fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking"; - de anciënniteitstoeslag in uitvoering van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering noch een stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag genieten.

Art. 55.Het bedrag van de bijzondere tegemoetkoming bedraagt 49,58 EUR per maand. Het paritair beheerscomité van het fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking stelt het tijdstip en de wijze van betaling vast.

Art. 56.De aanvraag tot toekenning van de bijzondere tegemoetkoming moet worden ingediend bij het fonds voor bestaanszekerheid door toedoen van de syndicale organisaties die de collectieve arbeidsovereenkomst hebben ondertekend of door de betrokkene rechtstreeks bij middel van een daartoe bestemd formulier. Het paritair beheerscomité van het fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking bepaalt de praktische modaliteiten en de procedure die moeten gevolgd worden bij het indienen en het behandelen van de aanvragen tot toekenning. HOOFDSTUK XII. - Algemene werkingstoelagen

Art. 57.De algemene werkingstoelagen worden jaarlijks door het paritair beheerscomité van het "Fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking" bepaald. HOOFDSTUK XIII. - Bijzondere gevallen

Art. 58.Alle bijzondere gevallen resulterend uit de toepassing van de hierboven voorziene schikkingen kunnen worden voorgelegd aan het paritair beheerscomité van het "Fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking". HOOFDSTUK XIV. - Geldigheidsduur

Art. 59.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is voor onbepaalde tijd gesloten en treedt in werking op 1 januari 2012, uitgenomen voor de artikelen waarvoor een andere toepassingsdatum wordt vermeld. De algemeenverbindendverklaring wordt aangevraagd.

Zij kan door één der partijen worden opgezegd mits een opzegging van zes maanden, betekend bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking.

De organisatie die het initiatief van opzegging neemt, verbindt er zich toe de reden ervan bekend te maken.

Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 april 2012 (109682) tot vaststelling van het bedrag en de wijze van toekenning en uitkering van de aanvullende sociale voordelen door het "Fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking" en tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 2005 en de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 2005 (78229) tot vaststelling van het bedrag en de wijze van toekenning en uitkering van de aanvullende sociale voordelen.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 9 januari 2014.

De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^