Koninklijk Besluit van 09 juni 1999
gepubliceerd op 26 juni 1999
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
1999012496
pub.
26/06/1999
prom.
09/06/1999
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

9 JUNI 1999. - Koninklijk besluit houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het koninklijk besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd beoogt uitvoering te geven aan de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. De datum van inwerkingtreding van voormelde wet, namelijk 1 juli 1999, wordt eveneens door dit koninklijk besluit vastgesteld.

Dit koninklijk besluit beoogt vooreerst een coördinatie van de reglementering op het vlak van de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. Deze materie wordt momenteel immers geregeld door een aantal koninklijke en ministeriële besluiten en door een reeks ministeriële omzendbrieven.

De regeling voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers vervat in al deze teksten is ondoorzichtig en onlogisch opgebouwd. Dit leidt tot rechtsonzekerheid bij al diegenen die met deze reglementering te maken hebben.

Daarnaast beoogt dit besluit eveneens een actualisering van deze reglementering. De huidige teksten dateren immers nog uit het eind van de jaren '60 en werden tot op heden weinig of niet aangepast aan een aantal evoluties op de arbeidsmarkt met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.

Bespreking van de artikelen.

Artikel 1 In de punten 3°, 4° en 5° worden de definities hernomen uit de wet bedoeld in punt 2.

Het punt 6° geeft de definitie van het wettig verblijf (dat het begrip van regelmatig verblijf vervangt dat in de vroegere reglementering niet werd gedefinieerd). Men verwijst hiermee naar de wet van 15 december 1980.

De definities onder punt 7° (arbeidsmarkt) en punt 8° (schouwspelartiesten) bestonden niet in de oude reglementering, zomin als die van beroepssportlui (punt 11°).

De definities onder punt 9° en 10° daarentegen (cabaret en cabaretpersoneel) werden sedert 1993 in de reglementering opgenomen.

Artikel 2 Het eerste lid van dit artikel geeft in uitvoering van artikel 7 van de wet, de lijst van vrijstellingen van de verplichting een arbeidskaart te verkrijgen.

Het punt 3° bevindt zich reeds in de huidige reglementering.

In punt 4° wordt op het einde « voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten » toegevoegd. Een gelijkaardige toevoeging werd gedaan in het punt 6° (bedienaars van de eredienst) waar ook het woord « erkend » werd toegevoegd.

In punt 5° wordt een nieuwe categorie van vrijstelling ingevoerd voor de vluchtelingen.

Het punt 7° is een bepaling die reeds in de reglementering bestaat; hetzelfde geldt voor de punten 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14° en 15°.

In punt 12° wordt de verwijzing naar artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 november 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones toegevoegd. Het betreft daar een rechtzetting van een weglating.

Het punt 16° is quasi identiek aan de bestaande wetgeving; enkel de woorden « en/of erkend » werden toegevoegd.

In punt 17° werd de vrijstelling die reeds werd toegekend aan schouwspelartiesten met internationale faam, uitgebreid tot hun begeleiders en, bovendien, uit de overweging te harmoniseren, werd de formulering van de verblijfsvoorwaarde overgenomen van deze opgenomen in punt 15° en 16° « voor zover hun verblijf in het land drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt ».

In punt 18° werd het woord « hoger » weggelaten. De bedoeling is om de jonge buitenlandse onderdanen die wettig in België verblijven en die les volgen in het secundair onderwijs niet te bestraffen, temeer daar het al dikwijls over een benadeelde categorie gaat.

In punt 19° heeft men « die wettig verblijven » toegevoegd.

De punten 20° en 21° beogen bepaalde categorieën van stagiairs en zijn nieuwe bepalingen.

In punt 22° (leerlingen) zijn de woorden « die wettig in België verblijven » vervangen door « die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden in België ».

Het laatste lid van artikel 2 laat de Minister toe het begrip internationale faam, bedoeld in punt 17°, verder te definiëren.

Artikel 3 Dit artikel bepaalt de categorieën van arbeidskaarten. In vergelijking met de huidige wetgeving herneemt men niet langer de arbeidskaart C die totaal in onbruik is geraakt.

Anderzijds, de definitie van de arbeidskaart B is enigszins gewijzigd : men bepaalt een maximum duur van twaalf maanden en de kaart is beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever (en niet langer in één bedrijfstak).

Artikel 4 Paragraaf 1 herneemt, in zijn eerste en tweede lid, reeds bestaande bepalingen. Men heeft nochtans op het einde van het tweede lid het volgende eraan toegevoegd : « behalve indien deze afwezigheid niet het verlies van het recht op of machtiging tot verblijf, overeenkomstig artikel 39, § 3 of § 5 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, tot gevolg had ». Het doel is om de tegenstellingen tussen het arbeidsrecht en verblijfsrecht te vermijden.

Het eerste en tweede lid van paragraaf 2 stemmen overeen met het artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Het derde lid is een nieuwe bepaling ingevoegd met de bedoeling een eventuele discordantie te vermijden tussen de reglementering van het verblijf van vreemdelingen en deze op hun toegang tot werk.

Artikel 5 Dit artikel voorziet de afwijkingen op artikel 4, paragraaf 2, eerste lid van de wet. Worden bedoeld, de personen voor wie geen rekening wordt gehouden met de arbeidsmarkt bij het afleveren van de arbeidskaart.

Aangezien artikel 4, § 2, eerste lid van de wet enkel handelt over de arbeidsvergunning en niet over de voorlopige arbeidsvergunning (artikel 4, § 4 van de wet en artikel 4, § 3 van dit besluit), moet er geen afwijking voorzien worden in dit artikel 5.

Artikel 6 Dit artikel beantwoordt aan artikel 9 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.

Nochtans, om de controle te vergemakkelijken, heeft men de mogelijkheid om de bijzondere voorwaarden bij ter post aangetekende brief te betekenen niet weerhouden.

De woorden « indien mogelijk » worden nader verklaard door de toekomstige formaten van de documenten betreffende de arbeidskaart (formaat van de identiteitskaart).

Artikel 7 Dit artikel stemt overeen met artikel 13bis, eerste lid van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Om practische reden wordt het niet opportuun geacht sancties te voorzien.

Artikel 8 Deze fundamentele bepaling is bijna identiek aan artikel 5 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Er dient echter op gewezen te worden dat men nu spreekt van « arbeidsmarkt » (zie artikel 1, 7°) en niet langer van « nationale arbeidsmarkt ».

Artikel 9 Dit artikel stemt overeen, zij het met meerdere wijzigingen, met artikel 1 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969.

Het betreft de bepaling van de categorieën buitenlandse werknemers voor wie, in afwijking van artikel 8, geen rekening moet worden gehouden met de situatie van de arbeidsmarkt voor de uitreiking van de arbeidsvergunning.

Men dient in het bijzonder op te merken dat men het niet nuttig heeft geacht in deze lijst de inwonende dienstboden en dienstmeiden nog langer op te nemen en dat, voor de studenten, de beperking van een 20-uren week, die reeds krachtens een omzendbrief werd toegepast, wordt bevestigd. Deze beperking is logisch in de mate dat het gaat om personen waarvan het verblijf wordt gerechtvaardig om studies te volgen in België.

Overigens verenigt dit artikel alle gevallen waar geen rekening wordt gehouden met de arbeidsmarkt, waar vroeger een deel van de vrijstellingen her en der verspreid stonden in de reglementering (stagiairs, au pair-jongeren, gespecialiseerde techniekers).

Om reden van duidelijkheid krijgt de term « gespecialiseerde technieker » (punt 9) de voorkeur op « monteerders-specialisten » daar de praktijk heeft aangetoond dat het niet enkel om industriële installaties gaat.

De punten 11°, 12° en 13° (beroepssportlui, personen met een verantwoordelijkheidsfunctie in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij of een toeristische dienst van hun land) zijn eveneens een bevestiging van vrijstellingen die voorheen in omzendbrieven waren voorzien.

De omschrijvingen van « navorser » en van « gasthoogleraar », vermeld onder de leden 2° en 4°, werden opgesteld na raadpleging van de Gemeenschappen.

Artikel 10 Dit artikel stemt overeen met artikel 6 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.

Artikel 11 Dit artikel stemt overeen met artikel 2 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969. Omdat men verwijst naar artikel 9, geldt het commentaar gegeven bij dit artikel eveneens voor artikel 11.

Artikel 12 Het eerste lid van dit artikel stemt overeen met artikel 2bis van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Het tweede tot vijfde lid voeren de verplichting in van een specifiek contract voor bepaalde categorieën (artiesten, stagiairs, au pair-jongeren, voorlopige arbeidsvergunning).

Artikel 13 Dit artikel stemt overeen met artikel 3bis van het ministerieel besluit van 15 juli 1969. Dezelfde opmerking als voor artikel 11 kan hier worden gemaakt.

Voor stagiairs en au pair-jongeren zijn bijzondere contracten voorzien.

Artikel 14 Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met artikel 2 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Men heeft er een bepaling aan toegevoegd (lid 3) waarin de termijn wordt gepreciseerd binnen dewelke het geneeskundig getuigschrift moet worden opgesteld om de voorlegging van te oude getuigschriften te vermijden.

Overigens blijkt uit ervaring de noodzakelijkheid van de invoering van het vierde lid dat desnoods de vertaling eist van het geneeskundig getuigschrift in één van de talen van het bevoegd Gewest.

Artikel 15 In combinatie met artikel 14 stemt dit artikel overeen met artikel 2 van het koninklijk besluit van 6 november 1967 (voor punt 1°) en met artikel 21 van hetzelfde besluit (voor punt 2°).

Artikel 16 Dit artikel bepaalt de categorieën van vreemdelingen die recht hebben op een arbeidskaart A en stemt overeen met artikel 13 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.

Het punt 1° behandelt het recht een arbeidskaart A te verkrijgen op basis van het aantal jaren arbeid met een arbeidskaart B. Het aantal arbeidsjaren is teruggebracht op vier in plaats van vroeger vijf maar, in feite betreft het een bevestiging van wat reeds van toepassing was krachtens artikel 10, 2° van het ministerieel besluit van 15 juli 1969.

Let bovendien op het gebruik van de term « wettig verblijf », gedefinieerd in artikel 1 (in plaats van « regelmatig verblijf »).

Het punt 2° behandelt het recht om de arbeidskaart A te verkrijgen op basis van het aantal jaren « wettig » (in plaats van « regelmatig ») en « ononderbroken verblijf ».

Het punt 3° voorziet het recht op een arbeidskaart A voor de echtgenoot van een persoon die ingevolge 1° of 2° recht heeft op een arbeidskaart A. Met de bedoeling de reglementering in overeenstemming te brengen met de verblijfsreglementering, heeft men er aan toegevoegd dat de echtgenoot moet beschikken over een verblijfstitel op basis van artikel 10, eerste lid, 1° of 4° van de wet van 15 december 1980.

De bedoeling is te vermijden dat een persoon een arbeidskaart A ontvangt zolang hij enkel over een voorlopige verblijfstitel beschikt die slechts kan worden bevestigd na één jaar samenwonen.

In punt 4°, buiten de invoering van het begrip van verblijf overeenkomstig artikel 10, eerste lid, 1° of 4° van de wet van 15 december 1980, past het het gebruik op te merken van het begrip « kinderen » zonder nog een onderscheid te maken tussen wettige, natuurlijke of geadopteerde kinderen.

Met uitzondering van punten 6° en 8° bestonden de overige punten reeds. Het punt 8° heeft eveneens tot doel verblijfsrecht en arbeidsrecht te harmoniseren. In uitvoering van artikel 19, derde lid van de wet van 15 december 1980 werd het koninklijk besluit van 7 augustus 1995 houdende vaststelling van de gevallen waarin en van de voorwaarden waaronder een vreemdeling, wiens afwezigheid uit het Rijk langer dan één jaar duurt, kan gemachtigd worden er terug te keren gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 september 1995.

Artikel 17 Dit artikel voorziet, in paragraaf 1, in de gevallen waar de termijn van vier jaar, voorzien in artikel 16, 1° kan worden ingekort. Deze paragraaf stemt overeen met artikel 10, 1° van het ministerieel besluit van 15 juli 1969 en met het tweede lid van artikel 13, 1° van het koninklijk besluit van 6 november 1967.

Paragraaf 2 stemt overeen met het laatste lid van artikel 13 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.

Artikel 18 Het punt 1° van dit artikel behandelt de gelijkstellingen met de arbeidsperioden voor de toepassing van de artikelen 16, 1° en 17, paragraaf 1. Deze bepaling stemt overeen met artikel 13, 1°, vierde lid van het koninklijk besluit van 6 november 1967.

Het artikel 18, 2° beschrijft de gevallen waar het verblijf geacht wordt ononderbroken te zijn en stemt overeen met artikel 13, 1°, derde lid en 2°, tweede lid van het koninklijk besluit van 6 november 1967.

Nochtans werd artikel 18, 2°, a) uitgebreid tot artikel 16, 2°.

De punten 3° en 4° van artikel 18 stemmen overeen met respectievelijk artikel 13, 1°, vijfde lid en 2°, derde lid van het koninklijk besluit van 6 november 1967.

Artikel 19 Dit artikel behandelt de contingenten en stemt overeen met artikel 13 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969.

Er dient te worden opgemerkt dat men de verplichting heeft ingevoerd om het bevoegde paritaire comité te raadplegen.

Artikel 20 tot 23 Deze artikelen stemmen overeen met artikel 17, paragrafen 1 tot 4 van het koninklijk besluit van 6 november 1967 (wijziging van 16 februari 1998).

Paragraaf 5 van voormeld artikel 17 betreffende de mogelijkheid om af te wijken inzake de leeftijd van de stagiair en de duur van de stage is voortaan voorzien in artikel 38, paragraaf 2.

Artikel 24 tot 29 Deze artikelen betreffen de au pair-jongeren. Zij stemmen overeen met artikel 18 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Zij wijzigen grondig deze bepaling zoals ze toen werd opgesteld. Zij hernemen integraal de voorstellen die het voorwerp uitmaakten van het advies 97/1 van de Adviesraad voor buitenlandse arbeidskrachten maar die nog niet werden aangenomen.

Met betrekking tot meer bepaald artikel 26, 2° dient te worden opgemerkt dat deze bepaling tot doel heeft te beletten dat de au pair-jongere onthaald wordt in een gastgezin dat niet één van de drie nationale talen als omgangstaal gebruikt (bijvoorbeeld Zweeds of Japanees). In dergelijk geval zou het oogmerk de taalkennis van de au pair-jongere te vervolmaken niet bereikt worden daar er geen overeenstemming zou zijn tussen de taalcursussen die de au pair-jongere zou volgen en de omgangstaal gebruikt in het gastgezin.

Artikel 30 Dit artikel betreft het cabaretpersoneel. De definitie van « cabaret » en « cabaretpersoneel » wordt gegeven in artikel 1, 9°en 10°. Het artikel 30 stemt overeen met artikel 4 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969 (versie van 19 maart 1993).

Artikel 31 Dit artikel geeft, in lid 1, een definitie van hernieuwing, wat nog niet bestond in deze reglementering. Men preciseert vooral dat de hernieuwing het voortduren betreft van de tewerkstelling van eenzelfde werknemer in eenzelfde beroep (maar niet noodzakelijk bij dezelfde werkgever).

De artikelen 31 tot 33 stemmen overeen met de artikelen 5 tot 9 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969.

Het tweede lid van artikel 31 voert een minimumtermijn in voor het inleiden van de hernieuwingsaanvraag voor het verstrijken van de lopende arbeidsvergunning en arbeidskaart.

Artikel 32 Dit artikel preciseert dat de artikelen 8 tot 11 en 12, eerste lid, betreffende de verplichting van een overeenkomst, van toepassing zijn op de hernieuwingsaanvragen.

A contrario betekent dit dat de voorwaarde van het geneeskundig getuigschrift niet moeten worden vervuld.

Artikel 33 Dit artikel voorziet, om sociale redenen, afwijkingen die reeds bestaan in artikel 31, eerste lid. In deze afwijkingen worden echter de onvrijwillig werklozen niet meer hernomen. Inderdaad lijkt het onlogisch de hernieuwing voor een ander werk in dat geval toe te staan wanneer in principe de eerste arbeidskaart werd toegestaan juist omdat er een tekort op de arbeidsmarkt bestond van het beroep dat voorwerp uitmaakte van de arbeidskaart.

Artikel 34 Dit artikel stemt overeen met de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. De gebruikte formulering bovenaan het artikel is echter duidelijker : « de arbeidsvergunning en de arbeidskaart worden geweigerd » in plaats van « worden niet toegekend » of « kunnen worden geweigerd ».

Het punt 1° betreft een nieuwe bepaling die zal toelaten de arbeidsvergunning en de arbeidskaart te weigeren om reden dat de aanvraag onvolledige of onjuiste gegevens bevat.

Op grond van het punt 2° zal het bv. mogelijk zijn de arbeidsvergunning en de arbeidskaart te weigeren wanneer niet voldaan wordt aan de vereisten inzake de gereglementeerde beroepen.

Het punt 6° laat niet langer toe de arbeidsvergunning en de arbeidskaart te weigeren omdat het geen voltijdse tewerkstelling zou betreffen; alleen wanneer onvoldoende inkomsten zouden worden verworven door deze tewerkstelling wordt dit voortaan geweigerd.

Artikel 35 Dit artikel betreft het terug intrekken van de arbeidsvergunning (paragraaf 1) en de arbeidskaart (paragraaf 2). Het stemt overeen met artikel 11 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.

Ook hier is de formulering bij de aanvang van de paragraaf duidelijker : « de arbeidsvergunning (of de arbeidskaart) wordt ingetrokken » in plaats van « kan worden ingetrokken ».

Artikel 36 Dit artikel stemt overeen met artikel 29 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.

Artikel 37 Dit artikel voorziet een voorlopige arbeidsvergunning voor de slachtoffers van de mensenhandel. Hiermee wordt een juridische basis gegeven in de reglementering voor wat tot nu voorzien werd bij de ministeriële omzendbrieven, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 juli 1994 en 21 februari 1997.

Artikel 38 Paragraaf 1 legt aan de Minister de verplichting op om, wanneer hij algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers te raadplegen. Deze raad wordt geïnstalleerd bij artikel 19 van de wet.

Wanneer de dringende noodzakelijkheid wordt ingeroepen om dit advies niet te vragen zal deze zoals steeds gemotiveerd moeten worden.

Paragraaf 2 hergroepeert de afwijkingsmogelijkheden. De beslissing moet worden gemotiveerd. Onder « bevoegde overheid » dient te worden verstaan de bevoegde gewestelijke Minister inzake tewerkstelling.

Artikel 39 Dit artikel geeft de lijst van opgeheven bepalingen.

Artikel 40 De huidige procedureregels worden behouden tot uiterlijk 31 december 2000. Dit moet toelaten een nieuwe procedure voor de uitreiking van een beveiligde arbeidskaart te kunnen ontwikkelen. Gevolg gevend aan het advies van de Raad van State werd besloten § 2 van het ontwerp betreffende de omzendbrief inzake de kandidaat-vluchtelingen niet nu te hernemen, aangezien deze overgangsbepaling toegevoegd werd nadat het ontwerp in de Ministerraad werd besproken en betrekking heeft op een materie die krachtens de artikelen 4, § 4 en 8, § 1 van de wet van 30 april 1999 in de Ministerraad overlegd dienen te worden.

Krachtens artikel 8, § 2 van de wet van 30 april 1999 geldt dezelfde redenering niet voor artikel 40, § 1.

Om aan het advies van de Raad van State te voldoen zal een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden opgesteld om het voorliggend koninklijk besluit aan te vullen met de inhoud van bovengenoemde omzendbrief.

Artikel 41 De datum van inwerkingtreding van de wet en van dit besluit wordt bepaald op 1 juli 1999.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET

9 JUNI 1999. - Koninklijk besluit houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;

Gelet op het advies van de Adviesraad voor buitenlandse arbeidskrachten van 13 april 1994 en 30 juni 1998;

Gelet op het advies van de inspecteur van financiën, gegeven op 14 juli 1998 en op 19 april 1999;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 23 juli 1998 en van 7 mei 1999;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid dat de coördinatie en de harmonisering van deze reglementering, vervat in de nieuwe wet van 30 april 1999 enerzijds en in voorliggend ontwerp van uitvoeringsbesluit anderzijds, zo spoedig mogelijk in werking moeten kunnen treden; dat de betrokken administraties en personen zo snel mogelijk op de hoogte moeten worden gebracht van een aantal nieuwe bepalingen inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers; dat het o.a. dringend noodzakelijk is dat een juridische basis kan ingevoerd worden voor het verlenen van een voorlopige arbeidsvergunning voor slachtoffers van mensenhandel, dat de mogelijkheid om een buitenlandse werknemer voorlopig te werk te stellen nog vóór een arbeidsvergunning en -kaart wordt aangevraagd moet worden afgeschaft om misbruiken te voorkomen en dat erkende vluchtelingen en personen die in België een stage lopen in het kader van een uitwisselingsprogramma of bij internationale instellingen van publiek recht moeten kunnen vrijgesteld worden van de verplichting een arbeidskaart te bekomen; dat een aantal van deze bepalingen op 1 juli 1999 in werking moeten kunnen treden, o.a. wat betreft de stagiairs in het kader van de uitwisselingsprogramma's, aangezien een groot deel van deze stages loopt tijdens de vakantiemaanden, en ook wat betreft de bepalingen inzake de au pair-jongeren;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 20 mei 1999, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vervangen door de wet van 4 augustus 1996;

Op de voordracht van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten verstaat men onder : 1° wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;2° de wet : de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;3° buitenlandse onderdanen en werknemers : de onderdanen en werknemers die de Belgische nationaliteit niet bezitten;4° de Minister : de Minister van Tewerkstelling en Arbeid;5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd krachtens artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, 6° wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980;7° arbeidsmarkt : de arbeidsmarkt van de drie Gewesten, evenals de markt van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte;8° schouwspelartiest : de personen die het beroep van schouwspelartiest uitoefenen zoals omschreven in artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers;9° cabaret : wat ook de benaming, juridische vorm en sociale doelstelling zij, elke instelling waarvan de reële hoofd- of bijactiviteit bestaat in het organiseren van spektakels onder de vorm van dans, zang of striptease;10° cabaretpersoneel : elke met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen persoon om tewerkgesteld te zijn in een cabaret;11° beroepssportlui : de sportlui aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars. HOOFDSTUK II. - Vrijstellingen

Art. 2.Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart : 1° de onderdaan van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en, mits zij zich met hem vestigen of komen vestigen : a) zijn echtgenoot;b) zijn bloedverwanten in de nederdalende lijn of die van zijn echtgenoot, beneden 21 jaar of die te hunnen laste zijn;c) zijn bloedverwanten in de opgaande lijn of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn, met uitzondering van de bloedverwanten in opgaande lijn van de studenten of die van hun echtgenoot;d) de echtgenoot van de personen bedoeld in b) en c);2° de echtgenoot van een Belg en, mits zij zich vestigen of komen vestigen met één van hen : a) de bloedverwanten in de nederdalende lijn, beneden 21 jaar of ten laste, van de Belg of zijn echtgenoot;b) de bloedverwanten in de opgaande lijn, ten laste, van de Belg of zijn echtgenoot;c) de echtgenoot van de personen bedoeld in a) en b);3° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;5° de in België erkende vluchteling;6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr.187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone; 13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat : a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;d) deze werknemers sedert ten minste een jaar ononderbroken in dienst zijn bij de onderneming;e) deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning beschikken geldig tot het einde van de dienstverlening vermeerderd met een periode van drie maanden, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;16° personen die in het buitenland verblijven en naar België komen om aan sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;18° de studenten die wettig in België verblijven en die in een onderwijsinrichting in België ingeschreven zijn voor het volgen van onderwijs met een volledig leerplan, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties;19° de studenten, die wettig in België verblijven en die ten behoeve van hun studies in België, stages moeten verrichten;20° personen, waaronder de studenten, die in België een stage verrichten die niet langer dan twaalf maanden duurt en werd goedgekeurd door de bevoegde overheid in het kader van ontwikkelingssamenwerking of van uitwisselingsprogramma's gebaseerd op wederkerigheid;21° stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een inwerking getreden verdrag, voor zover de duur van de stage de 12 maanden niet overschrijdt;22° leerlingen die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden in België, aangeworven met een leerovereenkomst die, in voorkomend geval, moet zijn erkend door één van de Gemeenschappen. De Minister kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen. HOOFDSTUK III. - Categorieën van arbeidskaarten en algemene bepalingen

Art. 3.De arbeidskaart behoort tot een van de volgende categorieën : 1° de arbeidskaart A : de arbeidskaart voor onbepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt;2° de arbeidskaart B : de arbeidskaart voor bepaalde tijd, van ten hoogste twaalf maanden en beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever;

Art. 4.§ 1 - Wanneer de werknemer houder is van een arbeidskaart A, is geen arbeidsvergunning vereist in hoofde van de werkgever.

De arbeidskaart A verliest alle geldigheid als de houder van die kaart gedurende een periode van meer dan een jaar uit het land afwezig blijft, behalve indien deze afwezigheid niet het verlies van zijn recht op of machtiging tot verblijf, overeenkomstig artikel 39, § 3 of § 5 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, tot gevolg had. § 2 - De toekenning aan de werkgever van de arbeidsvergunning, heeft automatisch tot gevolg dat ook de arbeidskaart B aan de betrokken werknemer wordt toegekend.

De geldigheidsduur van de arbeidskaart stemt overeen met de geldigheidsduur van de aan de werkgever toegekende arbeidsvergunning.

De arbeidskaart B verliest alle geldigheid indien de houder ervan zijn recht op of machtiging tot verblijf verliest. § 3 - Indien een voorlopige arbeidsvergunning aan de werkgever wordt toegekend overeenkomstig dit besluit, wordt door de bevoegde overheid aan de werknemer een afschrift van de voorlopige arbeidsvergunning overhandigd.

Art. 5.In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de arbeidsvergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 9 die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.

Art. 6.De arbeidsvergunning en de arbeidskaart kunnen aan bijzondere voorwaarden worden verbonden. Die voorwaarden worden in het formulier van toekenning van de arbeidsvergunning en indien mogelijk op de arbeidskaart aangegeven.

Art. 7.De buitenlandse onderdaan die het land voorgoed verlaat, moet vóór zijn vertrek de arbeidskaart teruggeven aan het gemeentebestuur van zijn hoofdverblijfplaats. HOOFDSTUK IV. - Toekenningsvoorwaarden voor de arbeidsvergunning en voor de arbeidskaart Afdeling 1. - De arbeidsvergunning

Onderafdeling 1. - De arbeidsmarkt

Art. 8.De arbeidsvergunning wordt alleen dan toegekend wanneer het niet mogelijk is binnen een redelijke termijn onder de werknemers op de arbeidsmarkt een werknemer te vinden die, al of niet door een nog te volgen gepaste beroepsopleiding, geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een billijke termijn te bekleden.

Art. 9.In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om : 1° voor zover zij op wettige wijze in België verblijven, werknemers die de Belgische nationaliteit hebben verloren krachtens artikel 22 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, hun echtgenoot, evenals hun kinderen, op voorwaarde dat deze laatsten ongehuwd zijn, en minder dan 18 jaar oud zijn en deel uitmaken van het gezin;2° de echtgenoot, die op wettige wijze in België verblijft, van een werknemer die in België tewerkgesteld is geweest en die, terwijl hij er op wettige wijze verbleef, hetzij overleden, hetzij onbekwaam tot werken geworden is, evenals om hun kinderen die op wettige wijze in België verblijven, op voorwaarde dat deze laatsten ongehuwd en minder dan 18 jaar oud zijn en deel uitmaken van het gezin;3° de kinderen, die op wettige wijze in België verblijven, van de werknemer die op wettige wijze in België verblijft of van zijn echtgenoot, op voorwaarde dat deze kinderen ongehuwd en minder dan 18 jaar oud zijn en deel uitmaken van het gezin;4° studenten die op wettige wijze in België verblijven en die gedurende de periode van hun studies wensen tewerkgesteld te worden, op voorwaarde dat zij ingeschreven zijn in een onderwijsinrichting om er de cursussen te volgen die in de dag gegeven worden, dat die tewerkstelling buiten de vakantieperioden twintig uur per week niet overschrijdt en voor zover deze verenigbaar is met hun studies;5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofstuk VI;6° hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 67 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten aangegeven bedrag.Het voornoemde bedrag is berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet; 7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden in een bijhuis of een filiaal van een firma uit hun land voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van dezelfde wet aangegeven bedrag.Het voornoemde bedrag is berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet; 8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan tot de montage en het op gang brengen of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde installatie voor een periode van maximum 6 maanden;10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;11° beroepssportlui van minstens 18 jaar oud en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het dubbele bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;15° personen die in het kader van de maatregelen in de strijd tegen de mensenhandel op wettige wijze in België verblijven;16° personen die gemachtigd zijn tot een verblijf in toepassing van artikel 9, lid 3 van de wet van 15 december 1980, voorzover de verlenging van de machtiging tot verblijf afhankelijk wordt gemaakt van tewerkstelling;17° personen die gemachtigd of toegelaten zijn tot een verblijf bij toepassing van artikel 9 of 10 van de wet van 15 december 1980, tenzij het verblijf beperkt is tot een bepaalde duur, zonder dat hierbij uitdrukkelijk de mogelijkheid voor een machtiging tot verblijf voor onbepaalde duur wordt voorzien. Voor de toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die : - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling; - door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd; - voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering; - een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.

Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die : - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling; - uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling; - worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs; - een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.

Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.

Onderafdeling 2. - De internationale overeenkomsten of akkoorden

Art. 10.De arbeidsvergunning wordt alleen voor die werknemers toegekend die onderdaan zijn van de landen waarmede België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.

Art. 11.In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9.

Onderafdeling 3. - De overeenkomst

Art. 12.Voor de toekenning van de arbeidsvergunning dienen de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst te ondertekenen die de vermeldingen en de bepalingen bevat die voorkomen in bijlage I van dit besluit.

Wanneer het schouwspelartiesten, met of zonder internationale faam, betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en de bepalingen die voorkomen in bijlage II van dit besluit.

Wanneer het stagiairs betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in het artikel 22, 3° en 4° van dit besluit.

Wanneer het au pair-jongeren betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in bijlage III van dit besluit.

Wanneer het de voorlopige arbeidsvergunning betreft, geldt als voorwaarde voor de toekenning ervan dat werkgever en werknemer een geschreven arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ondertekenen.

Art. 13.In afwijking van artikel 12, eerste lid, wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet afhankelijk gesteld van de ondertekening van de overeenkomst bedoeld in hetzelfde artikel wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9.

Onderafdeling 4. - Het geneeskundig getuigschrift

Art. 14.De aanvraag om een arbeidsvergunning voor een buitenlandse werknemer die voor de eerste keer tewerkgesteld wordt in België, moet vergezeld gaan van een geneeskundig getuigschrift waarbij verklaard wordt dat niets erop wijst dat de werknemer, wegens zijn gezondheidstoestand, in de nabije toekomst arbeidsongeschikt zal worden.

Zo de werknemer zich in het buitenland bevindt, moet dit geneeskundig getuigschrift afgegeven worden door een geneesheer erkend door de Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaren in het buitenland.

Het geneeskundig getuigschrift moet ten vroegste drie maanden voor de indieningsdatum van de aanvraag worden opgesteld.

Het geneeskundig getuigschrift zal desnoods, door een beëdigd vertaler, in een van de talen van het Gewest, dat bevoegd is voor het afleveren van de arbeidskaart, moeten worden vertaald.

Art. 15.De bepalingen van artikel 14 zijn niet van toepassing op de tewerkstelling : 1° van personen die minstens 2 jaar wettig in België verblijven;2° van personen bedoeld in artikel 9, 9° en 10°. Afdeling 2. - De arbeidskaart A

Art. 16.De arbeidskaart A wordt toegekend : 1° aan de werknemer die bewijst dat hij, in de periode die onmiddellijk aan de datum van indiening van de aanvraag voorafgaat, vier jaar arbeid met een arbeidskaart B heeft verricht in de loop van een wettig en ononderbroken verblijf;2° aan wie bewijst dat hij, in de periode die onmiddellijk aan de datum van de indiening van de aanvraag voorafgaat, vijf jaar wettig en ononderbroken heeft verbleven;3° aan de echtgenoot van een persoon die ingevolge 1° of 2° recht heeft op een arbeidskaart A op voorwaarde dat die echtgenoot recht heeft op een verblijf op basis van artikel 10, eerste lid 1° of 4° van de wet van 15 december 1980;4° aan de kinderen van de persoon die ingevolge 1°, 2° of 3°, recht heeft op een arbeidskaart A, op voorwaarde dat die kinderen recht hebben op een verblijf op basis van artikel 10, eerste lid, 1° of 4° van de wet van 15 december 1980 en ongehuwd en minder dan 18 jaar oud zijn;5° aan de in 3° en 4° genoemde echtgenoot en kinderen, van de persoon die op wettige wijze in België verbleef en op het ogenblik dat hij overleed, recht had op de arbeidskaart A ingevolge 1° of 2°;6° op voorwaarde dat ze op wettige wijze in België verblijven, aan de echtgenoot van de in België erkende vluchteling en aan hun kinderen;7° aan de personen die voldoen aan de wettelijke voorwaarden, met uitzondering van die betreffende het verblijf, om de Belgische nationaliteit door een nationaliteitsverklaring of een nationaliteitskeuze te verkrijgen of om ze te herkrijgen;8° aan de personen die gemachtigd zijn om terug te keren in het Rijk, in toepassing van artikel 19, lid 3 van de wet van 15 december 1980;9° onder voorbehoud van de toepassing van artikel 2, § 1, 2° of 3°, aan de Turkse onderdanen die één of meer kinderen van Belgische nationaliteit hebben die op regelmatige wijze in België verblijven.

Art. 17.§ 1. De termijn van vier jaar arbeid bepaald in artikel 16, 1° wordt teruggebracht tot drie jaar voor de onderdanen van de landen waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is. De termijn van vier jaar arbeid bedoeld in artikel 16, 1° en de termijn van drie jaar arbeid bedoeld in § 1, lid 1 van dit artikel worden respectievelijk verminderd met één jaar, indien de echtgenote of de kinderen van de werknemer samen met hem wettig verblijven. § 2. In individuele behartigenswaardige gevallen kan de bevoegde overheid de leeftijdsgrens van 18 jaar, die in artikel 16, 4° en 5° vastgesteld wordt, op 25 jaar brengen.

Art. 18.Voor de toepassing van respectievelijk de artikelen 16, 1° en 2° en 17, § 1 : 1° worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld;2° wordt het verblijf geacht ononderbroken te zijn : a) wanneer de onderbreking tussen twee opeenvolgende verblijfsperioden niet meer dan een jaar beloopt;b) wanneer de afwezigheid het gevolg is van de dienstplicht, op voorwaarde dat de betrokkene binnen zestig dagen na het volbrengen van de dienstperiode naar België terugkeert;3° komen niet in aanmerking de jaren arbeid gedekt door arbeidskaarten die werden toegekend : a) aan de gespecialiseerde techniekers, bedoeld in artikel 9, 9°;b) aan de stagiairs, bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;c) aan de au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI;d) tijdens een verblijf dat werd toegestaan om studies te doen;e) aan werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven;f) om te werken als navorser of gasthoogleraar aan een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;g) om te werken als hooggeschoold personeel, bedoeld bij artikel 9, 6°;h) tijdens een verblijf dat werd toegestaan om de persoon te vergezellen bedoeld in a) tot en met g).4° komen niet in aanmerking, de periodes waarvoor het verblijf werd toegestaan om de arbeid, de prestaties of de studies te verrichten, bedoeld in 3°, a) tot en met g) of om de in deze littera vermelde persoon te vergezellen, zoals bedoeld in 3°, h). HOOFDSTUK V. - Contingenten

Art. 19.Onverminderd de bepalingen van de wet en van dit besluit, is de toekenning van een arbeidsvergunning aan een contingent van minstens vijftien werknemers eveneens onderworpen aan een voorafgaandelijke schriftelijke aanvraag gericht aan de bevoegde overheid.

Het voorgaande lid is niet van toepassing wanneer het de werknemers betreft, bedoeld in artikel 9.

De bevoegde overheid vraagt het advies van het bevoegde paritaire comité. HOOFDSTUK VI. - Bijzondere categorieën van werknemers Afdeling 1. - De stagiairs

Art. 20.Voor de toepassing van deze afdeling verstaat men onder stagiairs, de personen die een stage volgen, d.w.z. de opleiding, bij een werkgever, als voortzetting van een voorafgaandelijke vorming bevestigd door een diploma of een studiegetuigschrift.

Art. 21.De arbeidsvergunning en de arbeidskaart met betrekking tot een stagiair worden slechts toegekend op voorwaarde dat de betrokkene : 1° minstens achttien jaar oud en niet meer dan dertig jaar oud op de datum van toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart;2° gaat de verbintenis aan gedurende de stageperiode geen dienstbetrekking in België uit te voeren;

Art. 22.De stage moet beantwoorden aan de volgende voorwaarden : 1° ze dient voltijds te zijn;2° de duur mag de twaalf maanden niet overschrijden en mag desgevallend slechts worden verlengd voor zover de totale tewerkstellingsduur de twaalf maanden niet overschrijdt;3° ze dient het voorwerp uit te maken van een stageovereenkomst vertaald in de moedertaal van de betrokkene, of een andere taal die hij begrijpt, en die met name het aantal uren van opleiding vermeldt alsook het bedrag van het loon dat niet lager mag zijn dan het toepasselijk wettelijk gewaarborgd minimumloon, hierbij inbegrepen het bedrag van eventuele beurzen;4° ze dient vergezeld te zijn van een opleidingsprogramma.

Art. 23.Het artikel 21, 1° is niet van toepassing op stagiairs aangeworven door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling; Afdeling 2. - De au pair-jongeren

Art. 24.Deze afdeling regelt de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten die betrekking hebben op een au pair-jongere.

Onder au pair-jongere verstaat men, de jongere die tijdelijk in een gastgezin wordt opgenomen waar hij kost en inwoning geniet in ruil voor lichte dagdagelijkse huishoudelijke taken, om zijn taalkennis te vervolmaken en zijn algemene ontwikkeling te verruimen door een betere kennis van het land door deel te nemen aan het gezinsleven van het gastgezin.

Art. 25.De au pair-jongere moet : 1° tenminste achttien jaar en niet ouder dan drieëntwintig jaar oud zijn bij de datum van toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart;2° zich ertoe verbinden in België geen dienstbetrekking uit te voeren gedurende de au pair-plaatsing;3° over een diploma beschikken dat gelijkwaardig werd erkend aan het diploma van het hoger secundair onderwijs;4° een basiskennis bezitten van één van de drie nationale talen waarvan hij de kennis komt vervolmaken;5° gedurende de au pair-plaatsing cursussen volgen in een erkende instelling, erkend of gesubsidieerd door één van de Gemeenschappen of bepaald door de Gewestminister die de tewerkstelling onder zijn bevoegdheid heeft, en die de gewesttaal of -talen onderwijst waarvan hij de kennis komt vervolmaken door trimestrieel een bewijs voor te leggen waaruit blijkt dat hij regelmatig deze lessen volgt;6° nog geen arbeidskaart hebben verkregen in België, uit welke hoofde dan ook behalve het geval bepaald in art.28, 4°.

Art. 26.Het gastgezin moet : 1° de au pair-jongere een persoonlijke kamer ter beschikking stellen en hem de vrije toegang tot de woning verzekeren;2° één van de drie nationale talen waarvan de au pair-jongere zijn kennis komt vervolmaken, als omgangstaal gebruiken;3° ten gunste van de au pair-jongere een verzekering gesloten hebben voor het waarborgen van de risico's inzake de medische, farmaceutische en hospitalisatiekosten in geval van ziekte of ongeval;4° de au pair-jongere minstens over een volledige vrije dag per week laten beschikken en alle mogelijkheid geven deel te nemen aan de oefening van zijn eredienst of van zijn levensbeschouwingen;5° de au pair-jongere maandelijks, per overschrijving op zijn bankrekening, een bedrag als zakgeld uitkeren van ten minste twaalfduizend frank;6° zich er toe verbinden de kosten te betalen die voor de Staat eventueel voortvloeien uit het verblijf van de au pair-jongere of zijn repatriëring.

Art. 27.De deelneming van de au pair-jongere aan de dagdagelijkse taken waarvan sprake in artikel 24, tweede lid, de kinderoppas inbegrepen, mag niet meer dan vier uur per dag en twintig uur per week bedragen; zij mag niet het hoofddoel van het verblijf uitmaken.

Art. 28.De toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart is afhankelijk van de volgende voorwaarden : 1° de naleving van de voorwaarden bedoeld bij de artikelen 24 tot en met 27;2° het gastgezin heeft geen geldige arbeidsvergunning voor een andere au pair-jongere;3° het gastgezin heeft vroeger nog geen drie arbeidsvergunningen met betrekking tot au pair-jongeren toegekend gekregen;4° de geldigheidsduur van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart betreffende de au pair-jongere mag één jaar niet overschrijden;5° de arbeidsvergunning en de arbeidskaart met betrekking tot de au pair-jongere mogen slechts eenmaal worden vernieuwd voor zover de plaatsingsperiode geen volledig jaar overschrijdt;6° een wijziging van gastgezin is slechts eenmaal mogelijk voor zover de totale duur van plaatsing van de au pair-jongere nog geen volledig jaar overschrijdt en indien aan alle andere toekenningsvoorwaarden van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart bedoeld in deze afdeling eveneens voldaan is;7° de aankomst in België van de au pair-jongere mag slechts tijdens de maanden juli, augustus en september plaatshebben.

Art. 29.Bij niet-naleving van de voorwaarden bepaald in deze afdeling, wordt de au pair-jongere ten opzichte van het gastgezin beschouwd als te zijn aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor dienstboden, zoals bedoeld in artikel 5 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Afdeling 3. - Cabaretpersoneel

Art. 30.De arbeidsvergunning en de arbeidskaart B voor het cabaretpersoneel worden slechts afgeleverd op voorwaarde dat de in België gelegen woonplaats van het cabaretpersoneel zich in een ander gebouw dan dat van de arbeidsplaats bevindt. HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart B

Art. 31.Onder hernieuwing wordt verstaan, het afleveren van een nieuwe arbeidsvergunning en een nieuwe arbeidskaart B, met het oog op een verdere tewerkstelling van dezelfde werknemer in hetzelfde beroep, al dan niet bij dezelfde werkgever.

De aanvraag tot hernieuwing dient door de werkgever te worden ingediend, uiterlijk één maand voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende arbeidsvergunning en arbeidskaart B.

Art. 32.De bepalingen van artikelen 8 tot 11 en 12, eerste lid zijn van toepassing op de aanvragen om hernieuwing van de arbeidsvergunningen of van de arbeidskaarten.

Art. 33.In afwijking van artikel 31, eerste lid, is men niet verplicht hetzelfde beroep uit te oefenen waarvoor de eerste arbeidskaart B werd toegekend, wanneer het gaat om werknemers die een opleiding of herscholing genieten of genoten hebben, verstrekt in een centrum van een Gewestelijke dienst voor arbeidsvoorziening of in een erkend centrum, of een beroepsherscholing verstrekt door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. HOOFDSTUK VIII. - Weigering en intrekking van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart

Art. 34.De arbeidsvergunning en de arbeidskaart worden geweigerd wanneer : 1° de aanvraag onvolledige of onjuiste gegevens bevat of wanneer de voorwaarden vermeld in de wet of in de uitvoeringbesluiten niet zijn vervuld;2° de tewerkstelling strijdig is hetzij met de openbare orde of de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake de indienstneming en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;3° redenen van openbare orde of openbare veiligheid die gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de werknemer het noodzakelijk maken;4° de werkgever de wettelijke en de reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet naleeft;5° de tewerkstelling niet geschiedt overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die voor de tewerkstelling van Belgische werknemers gelden;6° zij worden aangevraagd voor een betrekking wanneer aan deze tewerkstelling geen inkomsten verbonden zijn die de werknemer in staat stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien.

Art. 35.§ 1. De arbeidsvergunning wordt ingetrokken, wanneer : 1° de werkgever gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om ze te verkrijgen;2° de tewerkstelling strijdig is, hetzij met de openbare orde of openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij nog met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake indienstneming en tewerkstelling van werknemers van buitenlandse nationaliteit;3° de werkgever de wettelijke en reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet nakomt;4° de werknemer niet is tewerkgesteld overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de Belgische werknemers;5° de werkgever zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de arbeidsvergunning verbonden zijn;6° de arbeidskaart van de werknemer, die door de werkgever wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken. § 2. - De arbeidskaart wordt ingetrokken wanneer : 1° de werknemer gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om de arbeidskaart te verkrijgen;2° de tewerkstelling van de werknemer strijdig is hetzij met de openbare orde of met de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen;3° een negatieve beslissing werd genomen inzake het recht op verblijf van zijn houder;4° de werknemer zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de toekenning van de arbeidskaart verbonden zijn;5° de arbeidsvergunning van de werkgever, door wie de werknemer wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken. HOOFDSTUK IX. - Toezicht

Art. 36.Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, worden belast met het toezicht op de naleving van de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan : 1° de sociaal bemiddelaars van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;2° de inspecteurs van de Administratie van de Werkgelegenheid van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;3° de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Administratie van de Arbeidsbetrekkingen en -reglementering van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;4° de ingenieurs, de industrieel- en technische ingenieurs en de technische controleurs van de Technische Inspectie van de Administratie van de Arbeidsveiligheid van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;5° de geneesheren-arbeidsinspecteurs en de bezoekers-arbeidshygiëne van de Medische Inspectie van de Administratie van Arbeidshygiëne en -geneeskunde van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;6° de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Sociale Inspectie van het Ministerie van Sociale Voorzorg;7° de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;8° de hoofdcontroleurs, de controleurs en de adjunct-controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, alsmede de eerstaanwezend inspecteurs-hoofd van dienst, de eerstaanwezend inspecteurs, de inspecteurs, de eerstaanwezend adjunct-inspecteurs, de adjunct-inspecteurs 2e klasse en de adjunct-inspecteurs 1e klasse van de Algemene Inspectie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;9° de inspecteurs van het Ministerie van Middenstand;10° de ambtenaren van de fiscale administraties;11° de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken;12° de politieambtenaren van de rijkswacht;13° de politieambtenaren van de gemeentepolitie. HOOFDSTUK X. - Slachtoffers van de mensenhandel

Art. 37.Een voorlopige arbeidsvergunning kan aan de werkgever worden afgeleverd voor het tewerkstellen van een persoon die, in het kader van de strijd tegen de mensenhandel, een aankomstverklaring heeft ontvangen overeenkomstig artikel 5 van de wet van 15 december 1980.

De voorlopige arbeidsvergunning verliest haar geldigheid wanneer een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend overeenkomstig artikel 7 van de wet van 15 december 1980. HOOFDSTUK XI. - Overgangs- en Slotbepalingen

Art. 38.§ 1. Wanneer de Minister algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, raadpleegt hij, behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. § 2. - De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, 10, 12, 14, 21, 1° en 22, 2°.

Art. 39.§ 1. Zijn opgeheven vanaf 1 juli 1999 : 1° het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 februari 1968, 5 mei 1970, 10 december 1976, 5 oktober 1979, 27 juli 1983, 22 februari 1993, 18 maart 1993, 2 juni 1993, 11 juli 1996, 16 februari 1998 en 10 juni 1998, met uitzondering van de artikelen 3 en 4 en de bijlage bij dit besluit;2° het ministerieel besluit van 15 juli 1969 betreffende de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 25 september 1969, 6 mei 1970, 19 maart 1993 en 11 februari 1998, met uitzondering van de artikelen 12, 13 en 14;3° het ministerieel besluit van 19 maart 1993 tot uitvoering van artikel 23bis van het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit. § 2. De bepalingen bedoeld in § 1 blijven evenwel van toepassing op de aanvragen van arbeidsvergunningen en arbeidskaarten ingediend vóór 1 juli 1999.

Art. 40.§ 1. De indiening van de aanvragen om de arbeidsvergunningen en de arbeidskaarten blijven tot uiterlijk 31 december 2000 geregeld door de volgende bepalingen : 1° de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit en de bijlage bij dit besluit;2° het ministerieel besluit van 19 december 1967 betreffende de modaliteiten van indiening en aflevering van de aanvragen om arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 15 juli 1969, 6 mei 1970, 19 maart 1993, 11 februari 1998 en 2 maart 1998, met uitzondering van artikel 1, vierde lid en de artikelen 5, 11, 16, 19 en 20 die niet meer van toepassing zijn op de aanvragen van arbeidsvergunningen en arbeidskaarten, ingediend na 1 juli 1999;3° de artikelen 12, 13 en 14 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969 betreffende de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit; § 2 - De Minister kan, in voorkomend geval, de in § 1, 2° en 3° bedoelde bepalingen wijzigen tijdens de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2000.

Art. 41.§ 1. De wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers treedt in werking op 1 juli 1999. § 2 - Dit besluit treedt in werking op 1 juli 1999 en is van toepassing op de aanvragen voor arbeidsvergunningen en arbeidskaarten ingediend vanaf deze datum.

Art. 42.Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 9 juni 1999.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET

Bijlage I Bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers Vermeldingen en bepalingen die in de arbeidsovereenkomst van de buitenlandse werknemer moeten voorkomen 1. a) Naam van de werkgever of de onderneming : .. . . . b) Zetel van de onderneming : .. . . . ........... c) Bedrijfszetel : .. . . . ................................. d) Nummer en naam van het paritair comité waaronder de werkgever ressorteert : .. . . . 2. a) Naam en voornaam van de werknemer : .. . . . b) Geboorteplaats en -datum : .. . . . ........... c) Nationaliteit : .. . . . .............................. d) Burgerlijke staat : ongehuwd - gehuwd - weduwnaar - gescheiden e) Verblijf- of woonplaats : .. . . . ................. f) Kwalificatie : .. . . . ............................... 3. De werkgever neemt de werknemer in dienst als .. . . .

De overeenkomst gaat in op ......................... voor een duur van twaalf maanden (1).

De werkgever verzekert de werknemer gedurende die periode regelmatige arbeid onder dezelfde voorwaarden als de Belgische werknemers van de onderneming.

De werkgever helpt de werknemer, bepaaldelijk bij het vervullen van de administratieve formaliteiten. Bovendien treft hij alle gepaste maatregelen om hem aan te passen aan de arbeid die hij zal moeten verrichten en verstrekt hij hem alle nuttige inlichtingen over de loonuitbetaling en de indiening van mogelijke klachten.

De werknemer verbindt er zich toe voor de duur van de overeenkomst bij de werkgever in dienst te blijven en zich te houden aan alle bepalingen van het arbeidsreglement die van toepassing zijn op al de werknemers van de werkgever en waarvan hij in kennis is gesteld in een taal die hij verstaat.

Als de partijen de overeenkomst blijven uitvoeren na de in het eerste lid bepaalde periode, worden zij geacht die overeenkomst voor een onbepaalde tijd te zullen verlengen. In dat geval blijven de bepalingen van de punten 8 en 14 alleen dan na de in het eerste lid vastgestelde periode van toepassing, wanneer de partijen dat uitdrukkelijk overeenkomen (2). 4. De werknemer geniet in België dezelfde arbeidsvoorwaarden als de Belgische werknemer;evenals voor de Belgische werknemer gelden voor hem de voordelen en de verplichtingen die volgen uit de sociale wetgeving en met name uit de collectieve arbeidsovereenkomsten. 5. De reiskosten vanaf de verblijfplaats van de werknemer in het land van aanwerving tot de plaats van tewerkstelling komen voor rekening van de werkgever, tenzij de werknemer bij zijn aankomst in het land van tewerkstelling verhinderd wordt te werken of weigert te werken. De kosten van het afgeven van de eerste arbeidskaart die voor zijn tewerkstelling in België nodig is, worden eveneens door de werkgever gedragen. 6. De arbeidsduur wordt overeenkomstig de desbetreffende Belgische wetten, de uitvoeringsbesluiten daarvan, de collectieve arbeidsovereenkomsten en het arbeidsreglement vastgesteld. De arbeidstijdregeling omvat ...... uur per week, die als volgt zijn verdeeld : 7. Bij gelijke arbeid ontvangt de werknemer onder dezelfde voorwaarden als de Belgische werknemers een loon dat gelijk is aan dat van de werknemers van dezelfde categorie die in de onderneming dezelfde arbeid verrichten.Onder dezelfde voorwaarden als de Belgische werknemers geniet hij eveneens alle premies en alle voordelen in natura of in geld.

Dat de werknemer de taal van het Gewest niet kent, kan niet rechtvaardigen dat hij enige loondiscriminatie ondergaat of een arbeid te verrichten krijgt die niet in overeenstemming is met zijn bekwaamheid of met de scholing waarvoor hij in dienst is genomen.

Op de datum van deze overeenkomst beloopt het loon ........BEF /.........EUR per .........

De werknemer geniet bovendien de volgende bijkomende premies en voordelen : De werknemer zal alle schommelingen en wijzigingen doorberekend krijgen die er na zijn tewerkstelling eventueel zullen komen in de loonstandaard, het bedrag van de premies en voordelen in natura of in geld. 8. Bij sluiting van de onderneming als gevolg van de jaarlijkse vakantie, waardoor de werknemer onvrijwillig werkloos wordt, betaalt de werkgever deze een vergoeding die gelijk is aan het bedrag van de werkloosheidsvergoeding voor zijn categorie, voor de dagen jaarlijkse vakantie die niet door vakantiegeld worden gedekt.Als voorwaarde geldt daarbij enerzijds dat de werknemer niet het aantal dagen heeft kunnen werken dat nodig is om voor de werkloosheidsverzekering in aanmerking te komen, rekening houdend met de sociale zekerheidsovereenkomsten waarbij samenvoeging van de werkloosheidsperioden wordt toegestaan, en anderzijds dat hij geen recht heeft op een andere normale dagelijkse vergoeding. 9. Wordt de werknemer tijdens zijn tewerkstelling in België onvrijwillig werkloos, dan betaalt de werkgever hem, totdat hij op de uitkeringen van de werkloosheidsverzekering in België gerechtigd is, een vergoeding die gelijk is aan het bedrag van de werkloosheidsuitkering voor zijn categorie.De voorwaarde daarbij is dat de werknemer niet meer dan één dag afwezig is geweest in de veertien dagen vóór zijn werkloos worden, en dat hij voor die werkloosheidsdagen geen andere gewaarborgde vergoeding ontvangt. 10. De werkgever verbindt er zich toe, bij ziekte van de werknemer die, zodra hij in België aankomt, medische en apothekershulp alsmede eventueel zijn opneming in een ziekenhuis te garanderen. Als de ziekte langer dan een maand duurt, zijn de in het vorige lid bepaalde verstrekkingen alleen dan verschuldigd als de werknemer echt tewerkgesteld is geweest.

Bij ziekte die een arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft is de werknemer met een woongelegenheid die aan de werkgever toebehoort, vrijgesteld van het betalen van de huur voor zover hij geen gewaarborgde vergoeding geniet.

De voorgaande bepalingen gelden maar totdat de werknemer op de prestaties van de ziekte-en invaliditeitsverzekering gerechtigd is en op voorwaarde dat hij in België verblijft. 11. Indien de werknemer een blijvende invaliditeit van meer dan 66 procent als gevolg van een arbeidsongeval oploopt, worden hijzelf en eventueel zijn echtgenote en zijn kinderen ten laste die met hem onder één dak wonen en die vergunning hebben om in België te verblijven, desgewenst op kosten van de werkgever gerepatrieerd tot de woon- of verblijfplaats van de werknemer in het buitenland.Als voorwaarde geldt dat die repatriëring uiterlijk een maand na het eens worden van de partijen over het percentage van de bijkomende ongeschiktheid of het eindvonnis van de bevoegde rechtsmacht geschiedt. 12. Indien de werknemer ten gevolge van een arbeidsongeval overlijdt, worden zijn echtgenote en zijn kinderen ten laste die vergunning hebben om in België te verblijven, desgewenst op kosten van de werkgever gerepatrieerd tot de woon- of verblijfplaats van de werknemer in het buitenland.13. Onverminderd de bepalingen van artikel 32 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten kan deze overeenkomst alleen om dringende redenen voor het verstrijken van de in punt 3 vastgestelde termijn beëindigd worden.14. Onverminderd de artikelen 35 en 40, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten moet de werkgever bij beëindiging van de overeenkomst om een aan de werkgever toe te rekenen dringende reden of bij ongegronde beëindiging van de overeenkomst door de werkgever voor het verstrijken van de in punt 3 vastgestelde termijn, de kosten betalen van de repatriëring van de werknemer vanaf de werkplaats tot zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland tenzij de werknemer bij of door een andere werkgever overeenkomstig de wetgeving betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit in dienst is of wordt genomen (3).15. Wanneer de overeenkomst, om welke reden ook beëindigd wordt, wordt de werknemer op kosten van de werkgever gerepatrieerd vanaf de werkplaats tot zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland (3).16. Voordat hij tewerkgesteld wordt, moet de werknemer het door de Belgische wetgeving voorgeschreven geneeskundig onderzoek ondergaan opdat beslist wordt of hij geschikt is voor de arbeid die hij moet verrichten (4).17. De werkgever verbindt er zich toe de alleenwonende werknemer op diens verzoek een passende woongelegenheid te bezorgen waarvoor een in de streek gebruikelijke huurprijs wordt betaald en die aan de gezondheidsvoorschriften van de Belgische wetgeving voldoet.18. De werknemer erkent : - een exemplaar van deze overeenkomst ontvangen te hebben; - de taal te verstaan waarin zij is opgesteld; (5) - een vertaling in een door hem verstane taal te hebben ontvangen (5).

Hij erkent eveneens een exemplaar van het arbeidsreglement van de onderneming te hebben ontvangen.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 9 juin 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET _______ Nota's (1) Wordt de overeenkomst voor een andere bepaalde tijd dan twaalf maanden gesloten, dan moeten de woorden « twaalf maanden » vervangen worden door de duurtijd van de overeenkomst.(2) Deze vermelding moet worden opgenomen in overeenkomsten die voor twaalf maanden worden gesloten;zij mag niet voorkomen in overeenkomsten die voor een bepaalde tijd van minder dan twaalf maanden worden gesloten. Zie punt 15 voor deze laatste. (3) Overeenkomsten die voor een duur van twaalf maanden of meer worden gesloten, moeten verplicht één van de punten 14 of 15 bevatten; overeenkomsten die voor een duur van minder dan twaalf maanden worden gesloten, moeten alleen punt 15 verplicht bevatten, met uitsluiting van punt 14. (4) Dit artikel moet alleen dan verplicht in de overeenkomst worden opgenomen wanneer de Belgische wetgeving een geneeskundig onderzoek bij de indienstneming voorstelt.(5) Schrappen wat niet van toepassing is. Bijlage II Bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers Vermeldingen en bepalingen die in de arbeidsovereenkomst van een buitenlandse schouwspelartiest moeten voorkomen 1. a) Naam van de werkgever of de onderneming (organisator van het schouwspel).b) Zetel van de onderneming.c) Plaats waar de voorstelling plaats heeft.d) Het immatriculatienummer van de werkgever bij de RSZ.2. a) Naam en voornaam van de artiest.b) Geboorteplaats en -datum.c) Nationaliteit.d) Burgerlijke staat (ongehuwd, gehuwd, weduwnaar, gescheiden).e) Verblijf- of woonplaats in het buitenland.f) Verblijfplaats in België. 3. De overeenkomst gaat in op ............ en eindigt op ..........................

Of : aantal, data en plaatsen van optreden waarvoor de artiest werd aangeworven. 4. Korte beschrijving van de door de artiest te leveren prestaties. Gepresteerde uren per dag en hun verdeling.

Gepresteerde dagen per week en hun verdeling. 5. Het brutobedrag van het dag-, week- of maandloon en berekeningswijze van het loon. Plaats, betaalwijze en -periode van het loon in België. 6. De werkgever staat in voor de toepassing van alle sociale wetten. Evenals voor de Belgische artiest die in België in dezelfde onderneming tewerkgesteld wordt, gelden voor de buitenlandse artiest dezelfde voordelen en verplichtingen die volgen uit de sociale wetgeving en met name deze uit de collectieve arbeidsovereenkomsten. 7. De reiskosten vanaf de verblijfplaats van de artiest in het buitenland tot de plaats van optreden komen voor rekening van de werkgever, tenzij de artiest bij zijn aankomst door eigen schuld niet optreedt. De kosten van het afgeven van de arbeidskaart die voor de tewerkstelling van de artiest in België nodig is, worden eveneens door de werkgever gedragen. 8. Bij sluiting van de onderneming tijdens de jaarlijkse vakantie of bij overmacht moet de werkgever aan de werknemer een vergoeding betalen die gelijk is aan het bedrag van de werkloosheidsvergoeding waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij recht had op de werkloosheidsverzekering voor de dagen waarvoor hij geen vakantiegeld of werkloosheidsvergoeding ten laste van de werkloosheidsverzekering genoot.9. De werkgever verbindt er zich toe, bij ziekte van de artiest zodra hij in België aankomt, medische en apothekershulp alsmede eventueel zijn opneming in een ziekenhuis te garanderen. Als de ziekte langer dan één maand duurt, zijn de in het vorige lid bepaalde verstrekkingen alleen dan verschuldigd als de artiest echt tewerkgesteld is geweest.

Bij ziekte die een arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft is de artiest met een woongelegenheid die aan de werkgever toebehoort, vrijgesteld van het betalen van de huur voor zover hij geen gewaarborgde loon geniet.

De voorgaande bepalingen gelden maar totdat de artiest op de prestaties van de ziekte- en invaliditeitsverzekering gerechtigd is en op voorwaarde dat hij in België verblijft. 10. Indien de artiest een blijvende invaliditeit van meer dan 66 percent als gevolg van een arbeidsongeval oploopt, worden hijzelf en eventueel zijn echtgenote en zijn kinderen ten laste die met hem onder één dak wonen en die vergunning hebben om in België te verblijven, desgewenst op kosten van de werkgever gerepatrieerd tot de woon- of verblijfplaats van de artiest in het buitenland.Als voorwaarde geldt dat die repatriëring uiterlijk één maand na het eens worden van de partijen over het percentage van de blijvende ongeschiktheid of het eindvonnis van de bevoegde rechtsmacht geschiedt. 11. Indien de artiest ten gevolge van een arbeidsongeval overlijdt, worden zijn echtgenote en zijn kinderen ten laste die vergunning hebben om in België te verblijven, desgewenst op kosten van de werkgever gerepatrieerd tot de woon- of verblijfplaats van de artiest in het buitenland.12. De werkgever moet bij de beëindiging van de overeenkomst om een aan de werkgever toe te rekenen dringende reden of bij ongegronde beëindiging van de overeenkomst door de werkgever voor het verstrijken van de in punt 3 vastgestelde termijn, de kosten betalen van de repatriëring van de artiest vanaf de werkplaats tot zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland, tenzij de artiest bij of door een andere werkgever overeenkomstig de wetgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers in dienst is of wordt genomen (1).13. Wanneer de overeenkomst, om welke reden ook, beëindigd wordt, wordt de artiest op kosten van de werkgever gerepatrieerd vanaf de werkplaats tot zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland (1).14. De werkgever verbindt er zich toe de alleenwonende artiest op diens verzoek een passende woongelegenheid te bezorgen waarvoor een in de streek gebruikelijke huurprijs wordt betaald en die aan de gezondheidsvoorschriften van de Belgische wetgeving voldoet.15. De werkgever neemt de op het gebied van veiligheid en arbeidshygiëne van toepassing zijnde wettelijke en reglementaire voorschriften in acht.16. Indien, na het verstrijken van de in punt 3 voorziene periode, beide partijen de overeenkomst verder zetten, worden ze verondersteld de verbintenis voor een termijn van onbepaalde duur te willen hernieuwen.17. De artiest erkent een exemplaar van deze overeenkomst evenals een exemplaar van de bedrijfsreglementering ontvangen te hebben : - de taal te verstaan waarin zij is opgesteld (2); - een vertaling in een door hem verstane taal te hebben ontvangen (2).

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET _______ Nota's (1) Overeenkomsten die voor een duur van twaalf maanden worden gesloten, moeten verplicht één van de punten 12 of 13 bevatten; overeenkomsten die voor een duur van minder dan twaalf maanden worden gesloten, moeten alleen punt 13 bevatten, met uitsluiting van punt 12. (2) Schrappen wat niet van toepasing is. Bijlage III Bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers OVEREENKOMST VOOR DE PLAATSING VAN EEN AU PAIR Deze overeenkomst voor de plaatsing van een au pair wordt afgesloten tussen het hierna genoemde gastgezin : - Mr. / Mevr. . . . . . - Wonende te . . . . . - taal : . . . . . - tel. : . . . . . - immatriculatienummer bij de R.S.Z. : . . . . . en de hierna genoemde au pair-jongere : - Mr. / Mej. - geboren op . . . . . - te . . . . . - Nationaliteit . . . . . - Wonende te . . . . . - Tel. : . . . . . door bemiddeling van het hierna genoemd plaatsingsbureau (1) : - naam van de houder van de vergunning : . . . . . - adres : . . . . . - nummer van de vergunning : . . . . . - Tel. : . . . . .

I. ALGEMENE VOORWAARDEN De au pair-jongere zal opgenomen worden in het gastgezin voor een periode van ............ maanden, onder de hierna vastgestelde voorwaarden.

Gedurende de beoogde periode, wordt de au pair-jongere de mogelijkheid gelaten om zijn/haar taalkennis te vervolmaken : - Frans - Nederlands - Duits (de onjuiste vermelding(en) doorhalen) Deze overeenkomst treedt in werking op .................................................

II. VERPLICHTINGEN VAN HET GASTGEZIN 1. Het gastgezin verbindt er zich toe de au pair-jongere op te nemen in zijn/haar gezin en hem/haar te laten deelnemen aan het dagdagelijkse gezinsleven.Hiertoe geeft het gastgezin de volgende inlichtingen waarvan de au pair kennis neemt : ° de familie bestaat uit ....... personen waarvan........ volwassenen ........ jongen(s), ....... jaar oud ........ meisje(s), ........ jaar oud ° de familie woont in een afzonderlijk huis/appartement (het onjuiste doorhalen) dat bestaat uit ............ kamers, met inbegrip van ............ badkamer(s) gelegen op (2) ............................................. van een handelscentrum ............................................. van een onderwijsinstelling waar er cursussen worden ingericht betreffende . . . . . ° beroep van de verschillende leden van het gastgezin : (met vermelding van de arbeidstijdregeling) . . . . . ° er wordt in het huishouden het volgende huispersoneel tewerkgesteld : gedurende .......................... uren / week ° de gebruikelijke omgangstaal in het gezin is . . . . . 2. Het gastgezin voorziet in kost en inwoning voor de au pair-jongere. Er wordt een degelijke individuele kamer ter beschikking gesteld met . . . . . 3. Iedere maand zal het gastgezin aan de au pair-jongere op een bankrekening het bedrag van ......................BEF /...................... EUR storten als zakgeld. 4. De tijdsbesteding zal zo worden geregeld dat de au pair-jongere de gelegenheid wordt geboden om cursussen te volgen en om de culturele kennis en de taalkennis te vervolmaken. Een cultureel programma zal door het gastgezin aan de au pair-jongere worden voorgesteld. 5. De au pair-jongere zal over ......... rustdagen per week beschikken en heeft alle mogelijkheden om deel te nemen aan de oefening van zijn eredienst of van zijn levensbeschouwingen. 6. In geval van ziekte of een ongeval van de au pair-jongere, zal het gastgezin verder kost en inwoning verschaffen en hem alle noodzakelijke zorgen verzekeren totdat de noodzakelijke regelingen kunnen getroffen worden.7. Het gastgezin verbindt zich er toe om de bezoeken en controles van de ambtenaren en beambten die bevoegd zijn om toezicht uit te oefenen op de wettelijke bepalingen met betrekking tot de au pair-plaatsing mogelijk te maken en te vergemakkelijken. III. VERPLICHTINGEN VAN DE AU PAIR-JONGERE 1. De au pair-jongere verbindt zich er toe om deel te nemen aan de lichte dagdagelijkse huishoudelijke taken met name : (op nauwkeurige wijze een opsomming geven van de bezigheden waarvoor men gebruik zal maken van de diensten van de au pair-jongere) gedurende ......................... uren per dag. 2. De au pair-jongere verbindt zich ertoe geen andere dienstbetrekking in België te bekleden, zowel gedurende de periode van de plaatsing als au pair als na het verstrijken van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart en verbindt zich ertoe vanaf dat ogenblik België te verlaten. Deze overeenkomst wordt in drie exemplaren opgesteld waarvan er : - een wordt bewaard door het gastgezin, - een wordt bewaard door de au pair-jongere, - en een zal worden gevoegd bij de aanvraag van de arbeidsvergunning.

Gedaan te ......................, op . . . . .

Handtekening van de au pair-jongere, Handtekening van Mevrouw en Mijnheer, Gastgezin, Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET _______ Nota's (1) (aan te vullen indien een exploitatievergunning door het Gewest vereist is voor de plaatsing van een au pair) (2) Afstanden.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^