Koninklijk Besluit van 09 juni 1999
gepubliceerd op 30 juni 1999
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel

bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
numac
1999015140
pub.
30/06/1999
prom.
09/06/1999
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

9 JUNI 1999. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op artikel 107, tweede lid van de Grondwet;

Gelet op het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 juni 1959, 24 maart 1961, 8 januari 1964, 11 oktober 1965, 23 juni 1972, 13 april 1973, 11 januari 1975, 23 september 1975, 31 december 1975, 4 december 1979, 18 februari 1980, 12 juli 1982, 28 juni 1983, 18 februari 1986, 12 december 1986, 10 juni 1987, 14 september 1987, 24 april 1991, 9 september 1992, 8 januari 1993, 16 juli 1993, 19 juli 1993, 19 oktober 1993, 2 juni 1994, 16 juni 1994, 28 oktober 1994, 10 november 1996, 13 april 1997, 11 juni 1997, 4 februari 1999 en in het bijzonder op het artikel 1, het artikel 2, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 februari 1986 en 8 januari 1993 en het artikel 33, § 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 april 1997;

Gelet op het koninklijk besluit van 10 april 1967 houdende statuut van het personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën van 15 januari 1999;

Gelet op het advies van de Vast Wervingssecretaris;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting van 29 april 1999;

Gelet op het akkoord van onze Minister van Ambtenarenzaken van 29 april 1999;

Gelet op het protocol nr. 86/3 van 9 maart 1999 en het protocol nr. 90/6 van 27 mei 1999 waarin de conclusies van de onderhandelingen binnen het Sectorcomité I worden vermeld;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat, enerzijds, de wet tot oprichting van de BTC aan deze exclusief de uitvoering van bepaalde taken van openbare dienst op het vlak van de directe bilaterale samenwerking toekent en, anderzijds, de Algemene Samenwerkingsakkoorden en de Bijzondere Vergelijken tussen de Belgische Staat en de partnerlanden, partners van de Belgische Directe Bilaterale Samenwerking, bepalen dat de uitvoering van deze taken wordt toevertrouwd aan het Algemeen Bestuur van de Ontwikkelingssamenwerking, en dat het dus past dat deze partnerlanden binnen de kortst mogelijke termijn op de hoogte kunnen worden gebracht van de modaliteiten dewelke de continuïteit van de verwezenlijking van de prestaties inzake ontwikkelingssamenwerking dienen te garanderen, alsmede de omstandigheid dat elk verder uitstel met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de wetten en besluiten tot herinrichting van de Belgische Internationale Samenwerking aanleiding kan geven tot verwarring bij de partners van de Belgische Internationale Samenwerking;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 7 april 1999, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken en van Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking, en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Artikel 1.De personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking worden, overeenkomstig de navolgende bepalingen, ingedeeld onder : 1° de carrière Buitenlandse Dienst;2° de carrière Hoofdbestuur;3° de Kanselarijcarrière 4° de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking.»

Art. 2.Artikel 2 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Artikel 2.De ambtenaren van de carrière Buitenlandse Dienst en van de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking en van de Kanselarijcarrière zijn gehouden het ambt uit te oefenen dat hun, hetzij in het buitenland, hetzij bij het Hoofdbestuur, wordt opgedragen.

Hun gedrag en hun persoonlijke hoedanigheden moeten in alle omstandigheden in overeenstemming zijn met de verplichtingen welke verbonden zijn aan de voorname opdracht die hun is toevertrouwd.

De personeelsleden van het Hoofdbestuur zijn gehouden de functies te vervullen die hun bij dit bestuur toegewezen worden en, voor zover zij ze hebben aanvaard, diegene welke hun bij uitzondering in het buitenland zouden worden toegewezen.

De personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking mogen niets publiceren dat de betrekkingen tussen België en andere Staten in het gedrang kan brengen. »

Art. 3.Artikel 33 § 1 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 april 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Voor feiten die zich hebben voorgedaan tijdens het bekleden van een betrekking van de personeelsformatie bij het Hoofdbestuur wordt de tuchtstraf uitgesproken op een voorlopig voorstel van de hiërarchische meerdere die door de Minister van Buitenlandse Zaken is aangewezen. In alle andere gevallen gaat het voorlopig voorstel uit van een postinspecteur. »

Art. 4.Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een Hoofdstuk VI, luidend als volgt : « HOOFDSTUK VI. - Carrière van de attachés voor Internationale Samenwerking

Artikel 64.De ambtenaren van de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking vallen onder de toepassing van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel en van de besluiten waarbij de regelen van dat besluit worden uitgevoerd, onder voorbehoud van de afwijkende bepalingen.

Op hen zijn echter niet van toepassing : 1° de artikelen 6, 16, 16bis, 17 en 17bis § 1, 20 tot 25, 28ter tot 39, 45 tot 47, 48bis tot 48quater, 56 tot 62, 70 tot 81, 88, 116 van het hogergenoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937;2° het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel. Afdeling 1. - Werving en vorming

Onderafdeling 1. - Toelatingseisen en vergelijkend examen.

Artikel 65.Om tot de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking te worden toegelaten, moet de kandidaat aan de in artikel 66 gestelde toelatingseisen voldoen, met goed gevolg het bij artikel 67 voorgeschreven toelatingsexamen afleggen, een stage hebben doorgemaakt overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 68 en 69 en geslaagd zijn voor het examen voor vaste benoeming dat bij de artikelen 70, tot 74 wordt geregeld.

Artikel 66.§ 1. De toelatingsvoorwaarden zijn de volgende : 1° Belg zijn, de burgerlijke en politieke rechten genieten en voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;2° lichamelijk geschikt verklaard zijn;3° een onberispelijk gedrag hebben;4° houder zijn van één der diploma's of getuigschriften die, op de datum van de aankondiging van het vergelijkend examen in het Belgisch Staatsblad, toegang verlenen tot het niveau 1 van de Rijksambtenaren;5° een beroepservaring bezitten van minimum 2 jaar hetzij bij het Algemeen Bestuur van de Ontwikkelingssamenwerking, hetzij bij de Directie-generaal voor Internationale Samenwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking, hetzij in een betrekking uitgeoefend in een ontwikkelingsland in het kader van de ontwikkelingssamenwerking van een regering van een lidstaat van de OESO, van de Europese Unie of in de schoot van een organisatie die deel uitmaakt van de Verenigde Naties, of in het kader van de ontwikkelingssamenwerking van een door de Belgische regering, de regering van een lidstaat van de OESO, de Europese Unie of de Verenigde Naties erkende of gesubsidieerde niet-gouvernementele organisatie. Aan de voorwaarden onder 4° en 5° moet voldaan zijn op de laatste dag van de inschrijving. § 2. De Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort, vergewist zich ervan of de kandidaten voldoen aan de in § 1, 3° en 5° van dit artikel gestelde eisen.De verwerping van de kandidatuur dient met redenen omkleed te zijn.

Artikel 67.§ 1. Voor de werving in de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking organiseert de Vaste Wervingssecretaris vergelijkende examens op verzoek van de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort.

De toelatingseisen en het programma van het vergelijkend examen verschijnen in het Belgisch Staatsblad.

De aanvragen tot deelneming worden aan de Vaste Wervingssecretaris gezonden; deze bepaalt de inschrijvingstermijn. § 2. Het programma van het vergelijkend examen wordt vastgesteld door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort op advies van de Vaste Wervingssecretaris.

Het behelst in elk geval de volgende gedeelten : 1° een schriftelijk gedeelte bestaande uit het samenvatten en het kritisch commentariëren van een tekst inzake een probleem dat betrekking heeft op de internationale samenwerking, alsook een mondeling examen tot beoordeling van de belangstelling van de kandidaten inzake problemen van de internationale samenwerking en dat hun multidisciplinaire geschiktheid moet aantonen.2° een examen over de gebruikelijke kennis van de tweede landstaal om een functie van niveau 1 uit te oefenen, zoals vastgesteld in artikel 14 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 houdende vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966.3° een psychotechnisch examen dat toelaat het psychologisch profiel van de kandidaten te bepalen, hun interesse voor andere culturen, hun bekwaamheid om te onderhandelen en zich aan te passen aan wijzigingen in de beroepsomgeving, hun geschiktheid om samen te werken tot het nemen van beslissingen, alsook hun geschiktheid om een ploeg te bezielen en te leiden.4° een examen over de voldoende kennis van het Engels of het Spaans, telkens bestaande uit een schriftelijke en een mondelinge oefening en waarvan het niveau bepaald wordt door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort, in overleg met de Minister van Ambtenarenzaken en op advies van de Vaste Wervingssecretaris. De Vaste Wervingssecretaris bepaalt de volgorde van de examengedeelten.

Na het afsluiten van de inschrijvingen kan de Vast Wervingssecretaris wanneer deze oordeelt dat het aantal ingeschreven kandidaten het rechtvaardigt, aan het programma van het vergelijkend examen een voorexamen toevoegen.

Het programma van het vergelijkend examen vermeldt de aard van het voorexamen en, in voorkomend geval, de examenstof waarop het betrekking heeft.

Tot het vergelijkend examen worden enkel de kandidaten toegelaten die bij het voorexamen minstens 6/10 van de punten behaalden.

Voor de rangschikking van de geslaagden van het vergelijkend examen wordt geen rekening gehouden met de uitslag die zij op het voorexamen hebben behaald. § 3. De geslaagden van een vergelijkend wervingsexamen vermeld in § 1 behouden het voordeel van hun goede uitslag gedurende twee jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het vergelijkend examen.

Indien het gedurende deze periode nodig is aan te werven, dan worden de geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de orde van hun rangschikking tot de stage in de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking toegelaten.

Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende wervingsexamens wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten.

De kandidaten mogen niet meer dan driemaal deelnemen aan een vergelijkend examen. Voor de berekening van dit maximum worden deelnemingen in het Nederlands en het Frans samengeteld. § 4. De leden van de jury worden aangewezen door de Vaste Wervingssecretaris.

Onderafdeling 2. - Stage

Artikel 68.§ 1. De geslaagden worden door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort tot de stage toegelaten. De stage duurt vierentwintig maanden. § 2. De geslaagden die weigeren in dienst te treden verliezen hun rangschikking in het klassement. § 3. De Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort stelt de voor de organisatie van de stage vereiste verordeningsbepalingen vast. De stage wordt onderverdeeld in 3 fasen.

Tijdens de eerste fase, oefent de stagiair zijn activiteiten bij de diensten van het Hoofdbestuur uit. Tijdens de tweede fase, wordt hij naar een partnerland uitgezonden. Tijdens de derde fase, oefent hij opnieuw zijn activiteiten in de schoot van het Hoofdbestuur uit. § 4. Tijdens de stage volgen de geslaagden de voorgeschreven cursussen betreffende, enerzijds, thema's die betrekking hebben op de internationale samenwerking en anderzijds, specifieke thema's onmisbaar voor de uitoefening van hun toekomstige functie. Het programma van de cursussen wordt vastgesteld door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort op voorstel van de Directieraad. § 5. De stage staat onder leiding van een stagemeester. § 6. Tot de stage kunnen niet meer worden toegelaten de kandidaten die, in de gevallen bepaald door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort naar een bepaalde sessie van de stage zijn verwezen en, behoudens overmacht, niet aan de sessie deelnemen.

Artikel 69.§ 1. In de periode die aan het bij artikel 70, voorgeschreven examen voorafgaat, stelt de stagemeester na zes maanden, na twaalf maanden, en daarna om de drie maanden een verslag op waarin hij over de stagiair, op basis van diens werkzaamheid en gedrag een beoordeling te kennen geeft.

Hij houdt in het bijzonder rekening met de geschiktheid van de stagiair om de Belgische samenwerking te vertegenwoordigen, met zijn algemene kennis in het domein van de internationale samenwerking, met zijn geschiktheid inzake het beheer van de hem toevertrouwde dossiers, zijn ondernemingszin en aanpassingsvermogen.

Elk verslag wordt aan de Directieraad en aan de stagiair meegedeeld; het wordt in het persoonlijk dossier van deze laatste opgenomen. § 2. In de onder § 1 bedoelde periode kan de stagiair wegens beroepsongeschiktheid worden afgedankt met drie maanden opzegging.

Ingeval er grond aanwezig is om de stagiair af te danken wordt de betrokkene op zijn verzoek door de Directieraad gehoord.

Uiterlijk op de datum van de beslissing tot afdanking wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst met een bepaalde duur van drie maanden gesloten die overeenstemt met de in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijn. § 3. Voor de datum van het bij artikel 70 voorgeschreven examen beraadslaagt de Directieraad over de gezamenlijke stageverslagen die door de stagemeester zijn opgesteld, waaronder inzonderheid het eindverslag. In de conclusies van het eindverslag stelt de stagemeester voor, hetzij de stagiair toe te staan het examen voor vaste benoeming af te leggen, hetzij hem af te danken.

Als het eindverslag over de proeftijd besluit dat er grond aanwezig is om de stagiair af te danken wordt de betrokkene op zijn verzoek door de Directieraad gehoord.

De Directieraad doet de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort een voorstel.

De Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort beslist ofwel dat de stagiair tot het examen voor vaste benoeming wordt toegelaten, ofwel dat hij wordt afgedankt met een opzeggingstermijn van drie maanden. 4. In al de in de §§ 2 en 3 bepaalde gevallen wordt de beslissing tot afdanking door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort na advies van de stagemeester genomen op voorstel van de Directieraad en met redenen omkleed. Onderafdeling 3. - Vaste benoeming.

Artikel 70.§ 1. Het examen voor vaste benoeming bestaat uit examengedeelten over de thema's van de tijdens de stage gevolgde cursussen, zoals bepaald bij artikel 68, § 4. § 2. De nadere regelen betreffende het examen voor vaste benoeming worden bepaald door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort, op advies van de Directieraad, na advies van de Vaste Wervingssecretaris. Deze organiseert de examens.

De leden van de examencommissie worden aangewezen door de Vaste Wervingssecretaris.

Artikel 71.§ 1. De stagiairs die slaagden voor het examen voor vaste benoeming worden door de Koning, met uitwerking op de dag waarop hun stage verstreken is, benoemd tot ambtenaar in vast dienstverband bij de carrière Attachés voor Internationale Samenwerking in de derde administratieve klasse.

De ambtenaren worden benoemd volgens hun rangschikking bepaald door de punten behaald op het vergelijkend examen voor toelating tot de stage en op het examen voor vaste benoeming elk examen tellend voor vijftig percent van het totaal. § 2. De benoeming van de stagiairs aan wie de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort heeft toegestaan de stage te onderbreken en bij de volgende sessie voort te zetten, heeft uitwerking op dezelfde datum als de benoeming van de andere stagiairs met wie zij het examen voor vaste benoeming hebben afgelegd.

De stagiairs echter die deze toestemming hebben verkregen op grond van afwezigheid wegens overmacht, worden voor de berekening van hun graadanciënniteit geacht tot ambtenaar in vast verband te zijn benoemd op dezelfde datum als de andere stagiairs die met hen het vergelijkend examen voor toelating tot de stage hebben afgelegd.

Artikel 72.De stagiairs die niet geslaagd zijn voor het examen voor vaste benoeming, mogen aan dat examen een tweede maal deelnemen. Zij hoeven alleen het examengedeelte af te leggen waarvoor zij niet het minimum aantal punten behaalden.

Drie maanden na het einde van de stage wordt een nieuw examen georganiseerd.

Artikel 73.De stagiairs, die voor het tweede examen voor vaste benoeming geslaagd zijn, worden tot ambtenaar in vast verband benoemd.

Voor de berekening van hun graadanciënniteit worden zij geacht benoemd te zijn op een datum die drie maanden later valt dan de datum waarop uitwerking heeft de benoeming van de andere stagiairs die met hen voor de eerste maal het examen voor vaste benoeming hebben afgelegd.

De in het eerste lid bedoelde kandidaten behouden hun hoedanigheid van stagiair tot de datum vanaf welke hun benoeming tot ambtenaar in vast verband uitwerking heeft.

Artikel 74.De stagiairs die niet geslaagd zijn voor het tweede examen voor vaste benoeming, worden afgedankt; zij krijgen echter drie maanden opzegging, ingaande op de datum van de kennisgeving van de maatregel.

Ten laatste op de datum van de beslissing tot afdanking wordt met de betrokkenen een arbeidsovereenkomst met een bepaalde duur van drie maanden afgesloten die overeenstemt met de in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijn.

Artikel 75.Alvorens in dienst te treden, leggen de ambtenaren de eed af als bepaald bij de wet van 31 december 1831 over de consulaten en de consulaire rechtsmacht.

De eed wordt afgenomen door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort of door zijn gemachtigde. Afdeling 2. - Loopbaan en bevorderingen

Artikel 76.De ambtenaren van de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking worden gerangschikt in 3 administratieve klassen.

Artikel 77.De ambtenaren van de tweede klasse worden gekozen uit de ambtenaren van de derde klasse die negen jaar graadanciënniteit in hun klasse tellen, inbegrepen de ambtenaren die deze graadanciënniteit verworven hebben overeenkomstig artikel 79, § 1.

Artikel 78.De ambtenaren van de eerste klasse worden gekozen uit de ambtenaren van de tweede klasse die vijf jaar graadanciënniteit in hun klasse tellen, en de ambtenaren van de derde klasse die negen jaar graadanciënniteit verworven hebben overeenkomstig artikel 79, § 1 plus vijf jaar graadanciënniteit overeenkomstig artikel 79, § 2.

Artikel 79.§ 1. De anciënniteit verworven als ambtenaar van de samenwerking, krachtens het koninklijk besluit van 10 april 1967 houdende statuut van het personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden, in een functie die minstens overeenkomt met de derde trap van de tweede categorie wordt gelijkgesteld met de graadanciënniteit verworven als Attaché voor de Internationale Samenwerking van de derde administratieve klasse. § 2. De anciënniteit verworven als ambtenaar van de samenwerking, krachtens het koninklijk besluit van 10 april 1967 houdende statuut van het personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden, in een functie die minstens overeenkomt met eerste trap van de eerste categorie wordt gelijkgesteld met de graadanciënniteit verworven als Attaché voor de Internationale Samenwerking van de tweede administratieve klasse. § 3. De anciënniteit verworven als ambtenaar van de samenwerking, krachtens het koninklijk besluit van 10 april 1967 houdende statuut van het personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden, in een functie die minstens overeenkomt met de tweede trap van de eerste categorie wordt gelijkgesteld met de graadanciënniteit verworven als Attaché voor de Internationale Samenwerking van de eerste administratieve klasse.

Artikel 80.De ambtenaren kunnen alleen benoemd of bevorderd worden binnen de grenzen van het kader van de personeelsformatie waartoe zij behoren.

Is er aanleiding tot bevordering, dan doet de Directieraad aan de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort voorstellen gebaseerd op de waarde van de ambtenaren en hun geschiktheid tot het waarnemen van de vacante betrekking.

Van die voorstellen wordt aan de betrokken ambtenaren kennis gegeven.

De ambtenaar die zich benadeeld acht kan bezwaar aantekenen voordat enige beslissing wordt genomen.

Het bezwaar wordt schriftelijk aan de voorzitter van de Directieraad gericht vóór het verstrijken van een termijn van twintig volle dagen, die ingaat op de dag van de ontvangst van de voorstellen.

De ambtenaren die in het buitenland in functie zijn doen hun bezwaarschrift vermelden op het borderel van de diplomatieke tas waarmee het verzonden wordt.

De overige ambtenaren verzenden hun bezwaarschrift bij een ter post aangetekende brief.

Bevordering tot een hogere graad geschiedt bij koninklijk besluit.

Artikel 81.De bevordering door verhoging in weddeschaal wordt gedaan door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort.

De bevordering door verhoging in weddeschaal in de derde administratieve klasse die afhankelijk is van een vacature van een betrekking wordt verleend op voorstel van de Secretaris-generaal aan de ambtenaar die het best is gerangschikt volgens de bepalingen die gelden inzake rangschikking van het Rijkspersoneel.

De bevordering door verhoging in weddeschaal in de tweede administratieve klasse die afhankelijk is van een vacature van een betrekking wordt verleend op voorstel van de Directieraad volgens de procedure bepaald bij artikel 80.

Om een bevordering door verhoging in weddeschaal te verkrijgen, moet de ambtenaar zich in de administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden. Afdeling 3. - Verlof en dienstschorsing

Artikel 82.Voor de ambtenaren die bij het Hoofdbestuur in dienst zijn geldt, wat het verlof betreft, hetzelfde regime als voor de ambtenaren van de andere besturen van de Staat.

De in het buitenland werkzaam zijnde ambtenaren kunnen, indien de dienst het toelaat, ieder jaar een verlof van ten hoogste 30 werkdagen krijgen, naar rato van hun dienstprestaties in het buitenland in de loop van het jaar.

De verloven worden verleend door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort.

De tijd nodig voor de heenreis naar België en de terugreis naar hun post wordt niet meegeteld bij de berekening van de duur van het verlof. Hetzelfde geldt voor de tijd besteed aan dienstprestaties bevolen door het departement.

Artikel 83.Een supplementair verlof van ten hoogste vijftien werkdagen per jaar wordt verleend, naar rato van de duur van het verblijf van de ambtenaar in de door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort bepaalde posten.

Artikel 84.De ambtenaar die wegens dienstredenen die vooraf vastgesteld en goedgekeurd zijn door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort, de bij artikel 82 en 83 bepaalde verloven niet heeft genoten, zal deze later kunnen nemen. Nochtans mag de duur van het gecumuleerd verlof niet meer dan negentig werkdagen bedragen.

Elk gedeelte van het tegoed aan verlof, dat boven de genoemde grens ligt, wordt op het einde van ieder kalenderjaar nietig verklaard.

Artikel 85.De in het buitenland werkzaam zijnde ambtenaar die tijdelijk in de onmogelijkheid gesteld is zijn functies waar te nemen, ten gevolge van een ziekte of een lichamelijk letsel opgelopen tijdens zijn werkelijke dienst, kan ziekteverlof krijgen.

Ziekteverlof wordt aan de in het buitenland in dienst zijnde ambtenaar slechts toegestaan, mits hij een geneeskundig getuigschrift overlegt.

De ambtenaren in dienst bij het Hoofdbestuur, die met ziekteverlof zijn, zijn onderworpen aan de regels van de administratieve gezondheidsdienst.

De duur van het ziekteverlof wordt bepaald bij de besluiten die op het Rijkspersoneel van toepassing zijn. Afdeling 4. - Werkelijke dienst en pensioen

Artikel 86.De ambtenaren zijn in dienstactiviteit : 1° Wanneer zij een ambt bij een post in het buitenland of bij het Hoofdbestuur uitoefenen of wanneer de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort hen met een zending belast;2° Wanneer zij zijn aangewezen voor het Hoofdbestuur zonder dat zij er een betrekking van de personeelsformatie bezetten, in de volgende gevallen.a) een overplaatsing naar het Hoofdbestuur voor een niet verlengbare periode van minder dan één jaar in afwachting van een nieuwe toevoeging aan een post;b) een tijdelijke vormingsperiode bij verschillende diensten bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking of bij andere Ministeries of Rijksbesturen.3° Wanneer zij ter beschikking van de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort worden gesteld.

Artikel 86bis.Wanneer een ambt van rang 17 of 16 in het Hoofdbestuur van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking wordt uitgeoefend door een ambtenaar van de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking van een lagere graad, wordt hem een toelage toegekend voor het uitoefenen van een hoger ambt overeenkomstig de voorwaarden bepaald door hoofdstuk II van het Koninklijk Besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt in de Rijksbesturen.

Artikel 87.De ambtenaren die in werkelijke dienst zijn bij een post in het buitenland voeren de titel van de functies welke zij uitoefenen.

Bij het Hoofdbestuur voeren de ambtenaren de titel van de functies welke zij uitoefenen.

Artikel 88.De ambtenaren worden op een leeftijd van volle 65 jaar ambtshalve op rust gesteld.

Artikel 89.De ambtenaren die minstens vijftien jaar werkelijke dienst tellen, kunnen door het besluit waarbij zij op hun verzoek uit hun ambt worden ontslagen, gemachtigd worden naar hun keuze de eretitel te voeren van het ambt dat zij het laatst uitgeoefend hebben, hetzij in het buitenland, hetzij bij het Hoofdbestuur.

Deze machtiging kan bij koninklijk besluit ingetrokken worden, op het met redenen omkleed voorstel van de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort. Afdeling 5. - Vergoedingen en tegemoetkomingen

Artikel 90.Gedurende de periodes waarin zij in dienstactiviteit zijn, genieten de ambtenaren van de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking dezelfde vergoedingen en tegemoetkomingen, toegekend volgens dezelfde regels, als die van de ambtenaren van de carrière Buitenlandse Dienst. Afdeling 6. - Tuchtregeling

Artikel 91.§ 1. De tuchtstraffen welke de ambtenaren van de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking kunnen oplopen zijn : 1. terechtwijzing;2. blaam;3. tuchtschorsing;4. terugzetting in graad;5. afzetting. § 2. Tuchtschorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste drie maanden. § 3. De terugzetting in graad bestaat in de toekenning van een lagere weddeschaal in dezelfde administratieve klasse of van een lagere administratieve klasse in hetzelfde niveau.

De ambtenaar neemt in de nieuwe administratieve klasse rang op datum waarop de in het eerste lid bedoelde toekenning van een lagere klasse uitwerking heeft. § 4. De terechtwijzing, de blaam en de tuchtschorsing worden uitgesproken door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort.

De terugzetting in graad en de afzetting worden uitgesproken door de tot benoemen bevoegde overheid.

Artikel 92.§ 1. De tuchtstraffen worden uitgesproken op grond van een voorlopig voorstel dat wordt gedaan door een hiërarchische meerdere die is aangewezen door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort voor feiten die zich hebben voorgedaan tijdens het bekleden van een betrekking van de personeelsformatie op het Hoofdbestuur en, in de andere gevallen door een inspecteur van het buitenlands personeel. § 2. De hiërarchische meerdere of de inspecteur van het buitenlands personeel lichten de ambtenaar vooraf schriftelijk in over de feiten die hem ten laste worden gelegd.

Hij ondervraagt vervolgens het personeelslid schriftelijk of mondeling; in voorkomend geval worden, op dezelfde wijze, getuigen ondervraagd.

De ambtenaar kan zich bij zijn ondervraging laten bijstaan door de persoon van zijn keuze.

Van elk verhoor wordt binnen de vijftien dagen een proces-verbaal opgemaakt. § 3. De ambtenaar viseert het proces-verbaal of de processen-verbaal van de verhoren die krachtens paragraaf 2 zijn opgemaakt alsmede de eventuele met toepassing van diezelfde paragraaf afgelegde schriftelijke verklaringen van de getuigen.

De ambtenaar bezorgt de stukken die hem ter visering zijn voorgelegd terug binnen vijftien dagen na ontvangst ervan, samen met, in voorkomend geval, een schriftelijke nota. § 4. De ambtenaar beschikt over een termijn van dertig dagen om aan de meerdere of aan de inspecteur een verweerschrift te doen toekomen. De termijn gaat in op de dag dat de ambtenaar wordt gehoord of op de dag dat hij de schriftelijke vragen ontvang.

Worden de ambtenaar nadat hij is gehoord of schriftelijk ondervraagd, nieuwe feiten ten laste gelegd, dan dienen de in de paragrafen 1 tot 4 bepaalde formaliteiten te worden vervuld.

Het verweerschrift wordt bij het tuchtdossier gevoegd.

Artikel 93.§ 1. De eerste twee van de bij artikel 91, § 1 bepaalde tuchtstraffen worden uitgesproken op een met redenen omkleed advies van de Directieraad.

De overige tuchtstraffen worden uitgesproken op een met redenen omkleed voorstel van een tuchtcommissie. § 2. Binnen vijf dagen na het verstrijken van de termijn gesteld in artikel 92, § 4, stelt de bevoegde hiërarchische meerdere of de inspecteur van het buitenlands personeel de ambtenaar in kennis van de tuchtstraf die hij van plan is jegens hem voor te stellen en stuurt hij het voorlopig voorstel naar de voorzitter van de Directieraad of van de tuchtcommissie.

Deze commissie bestaat uit : 1° de leden van de Directieraad;2° twee ambtenaren van de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking, behorend tot één der hoogste twee klassen.Deze ambtenaren worden, met instemming van de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort, door de betrokken ambtenaar gekozen. Indien deze, nadat hij daartoe werd verzocht, zijn keuze niet heeft doen kennen binnen dertig volle dagen, wijst de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort de twee ambtenaren aan.

De Secretaris-generaal, die de commissie voorzit wijst één of twee ambtenaren van niveau 1 aan om het secretariaat waar te nemen. § 3. Binnen een termijn van tien dagen ingaand op de dag waarop het voorlopig voorstel van tuchtstraf bij hem aanhangig is gemaakt, roept de voorzitter van de Directieraad de ambtenaar op om voor deze Raad te verschijnen.

De ambtenaar wordt gehoord tussen de vijfentwintigste en de vijfenveertigste dag volgend op de aanhangigmaking van de Directieraad.

Binnen een termijn van vijftien dagen ingaand op de dag waarop ze definitief is samengesteld, roept de voorzitter van de tuchtcommissie de ambtenaar op om voor deze commissie te verschijnen.

De ambtenaar wordt gehoord tussen de dertigste en de vijftigste dag volgend op de definitieve samenstelling van de tuchtcommissie.

In de oproeping om te verschijnen die aan de ambtenaar wordt gericht, worden de plaats, de dag en het uur van de zitting vermeld, alsook de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden geraadpleegd.

De ambtenaar verschijnt persoonlijk; hij mag worden bijgestaan door een persoon naar zijn keuze. De verdediging mag hoe dan ook geen deel uitmaken van de Directieraad of van de tuchtcommissie.

Indien de ambtenaar of zijn verdediger, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, geldt het voorlopig voorstel als definitief voorstel.

Wanneer aan de ambtenaar een tweede oproeping om te verschijnen is gericht en hij daarop evenmin is verschenen, doet de Directieraad of de tuchtcommissie uitspraak enkel op grond van de stukken uit het dossier, zelfs indien de betrokkene ter verantwoording van zijn afwezigheid een geldige reden kan aanvoeren. § 4. De ambtenaar tegen wie de tuchtvordering is ingesteld en de ambtenaren die hebben deelgenomen aan het instellen van een tuchtvordering of die, in welke hoedanigheid ook, deelgenomen hebben aan de tuchtprocedure, kunnen geen zitting hebben in of deelnemen aan de beraadslaging van de Directieraad of van de tuchtcommissie. De Directieraad en de tuchtcommissie kunnen voor de beraadslaging de ambtenaar horen die het voorlopige voorstel bij hen aanhangig heeft gemaakt. § 5. De Directieraad neemt binnen een termijn van maximum drie maanden ingaand op de dag van de aanhangigmaking een definitief voorstel aan dat hij ter kennis brengt van de ambtenaar.

De tuchtcommissie neemt binnen een termijn van maximum vier maanden ingaand op de dag waarop ze definitief is samengesteld, een definitief voorstel aan dat ze ter kennis brengt van de ambtenaar. § 6. Binnen twintig dagen die volgen op de betekening van het definitieve voorstel, kan de ambtenaar tegen dit voorstel beroep aantekenen bij de bevoegde raad van beroep.

Artikel 94.De bevoegde overheid kan geen zwaardere straf uitspreken dat die welke is voorgesteld.

Zij mag slechts feiten in aanmerking nemen die de tuchtprocedure gerechtvaardigd hebben.

Een tuchtstraf kan geen uitwerking hebben over een periode vóór de uitspraak, tenzij een verorderingsbepaling uitdrukkelijk anders luidt.

Artikel 95.§ 1. Wanneer de ambtenaar verscheidene feiten ten laste worden gelegd, wordt niettemin slechts één procedure begonnen en kan deze slechts leiden tot het uitspreken van één straf.

Wanneer de ambtenaar in de loop van een tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd, kan een nieuwe procedure worden begonnen zonder dat de lopende procedure noodzakelijkerwijs wordt onderbroken. § 2. Strafvordering schorst de procedure en de tuchtuitspraak.

Ongeacht het resultaat van de strafvordering oordeelt alleen de administratieve overheid over de gepastheid een tuchtstraf uit te spreken. § 3. De tuchtvordering mag alleen betrekking hebben op feiten die zich hebben voorgedaan of werden vastgesteld binnen een termijn van zes maand voorafgaand aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld.

In geval van strafvordering moet de tuchtvordering worden ingesteld binnen zes maanden na de datum waarop de Minister van Justitie de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort heeft kennis gegeven van de einduitspraak van het gerecht.

Niemand kan het voorwerp van een tuchtvordering uitmaken voor feiten die reeds tuchtrechtelijk zijn bestraft. § 4. Elke tuchtstraf behalve de afzetting wordt in het persoonlijk dossier van de ambtenaar doorgehaald onder de in § 5 bepaalde voorwaarden en na afloop van de in § 6 bepaalde termijnen.

Onverminderd de uitvoering van de straf heeft de doorhaling tot gevolg dat met die straf geen rekening meer mag worden gehouden, inzonderheid bij het beoordelen van de aanspraken van de ambtenaar op bevordering. § 5. De overheid die de tuchtstraf heeft uitgesproken gaat van ambtswege over tot de doorhaling ervan wanneer zij heeft vastgesteld dat de ambtenaar heeft blijk gegeven van een onberispelijk gedrag § 6. De termijnen van de doorhaling bedragen : - zes maanden voor de terechtwijzing; - negen maanden voor de blaam; - twee jaar voor de tuchtschorsing; - drie jaar voor de terugzetting in graad.

De termijn loopt vanaf de datum waarop de straf is uitgesproken.

Artikel 96.Deze afdeling is toepasselijk op de stagiairs. Afdeling 7. - Overgangs- en slotbepalingen

met betrekking tot de carriere van de attaches voor internationale samenwerking

Artikel 97.§ 1. In afwijking van de in de artikels 67 tot 69 opgenomen beschikkingen, wordt voor de kandidaten die aan de in artikel 66 genoemde voorwaarden voldoen en die tevens geslaagd zijn in het vergelijkend toegangsexamen in het kader van de betrekkingen van lange duur georganiseerd overeenkomstig de beschikkingen van het koninklijk besluit van 10 april 1967 houdende statuut van het personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden, een eenmalige bijzondere aanwervingsprocedure ingesteld. § 2. Om aan de eenmalige aanwervingsprocedure deel te nemen, moet de kandidaat die aan de voorwaarden voldoet zich, met bewijs van ontvangst, inschrijven bij de Vaste Wervingssecretaris, binnen de twee maanden volgend op de datum waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd. § 3. Tijdens de eenmalige aanwervingsprocedure moeten de kandidaten deelnemen aan een vergelijkend examen dat bestaat uit twee examengedeelten : 1° een mondeling examen tot beoordeling van de belangstelling van de kandidaten inzake problemen van de internationale samenwerking en dat hun multidisciplinaire geschiktheid moet aantonen; 2° een psychotechnisch examen zoals bepaald in artikel 67, § 2.3°. § 4. De geslaagden van het vergelijkend examen van de eenmalige aanwervingsprocedure die de anciënniteit verworven hebben zoals bepaald in het laatste lid van deze paragraaf worden vrijgesteld van de stage zoals bepaald in de artikels 68 en 69 en worden vrijgesteld van het examen voor vaste benoeming zoals beschreven in de artikels 70 tot 74.

Zij worden, in de orde van hun rangschikking, toegelaten tot een bijzondere administratieve stand waarin zij : 1° in dienstactiviteit zijn in een van de situaties bepaald in artikel 86;2° dezelfde pecuniaire en administratieve voordelen genieten als de stagiairs met behoud van hun pecuniaire anciënniteit;3° deel kunnen nemen aan de onder § 5 hieronder bepaalde examens. Zij kunnen, met ingang van de datum waarop zij geslaagd zijn in het onder § 3 bepaalde vergelijkend examen, maximaal vijf jaar in deze bijzondere administratieve stand blijven.

De in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde anciënniteit moet : 1° verworven zijn na 1 januari 1985, in dienstactiviteit zoals bepaald door het koninklijk besluit van 10 april 1967 houdende statuut van het personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden, op minstens de eerste trap van de tweede categorie;2° verworven zijn op de datum van het proces-verbaal van rangschikking;3° minstens bedragen : hetzij vier jaar in een ambt in het kader van een samenwerkingssectie; hetzij drie jaar in een ambt in het kader van een samenwerkingssectie en één jaar als opdrachthouder bij het Algemeen bestuur van de Ontwikkelingssamenwerking; hetzij acht jaar in een ambt in de ontwikkelingslanden buiten het kader van een samenwerkingssectie, en twee jaar in een ambt in het kader van een samenwerkingssectie of als opdrachthouder bij het Algemeen bestuur van de Ontwikkelingssamenwerking, waarbij de in beide laatste posities doorgebrachte tijd gecumuleerd mag worden. § 5 De kandidaten van de eenmalige aanwervingsprocedure moeten voor hun definitieve benoeming slagen in : 1° een examen over de gebruikelijke kennis van de tweede landstaal zoals bepaald in artikel 67, § 2.2°, en 2° een examen over de voldoende kennis van het Engels of het Spaans, zoals bepaald in artikel 67, § 2.4°.

De kandidaten van de eenmalige aanwervingsprocedure mogen niet meer dan drie keer deelnemen aan het examen over de gebruikelijke kennis van de tweede landstaal en niet meer dan twee keer aan het examen over de voldoende kennis van het Engels of het Spaans. § 6. Kandidaten die vroeger al geslaagd zijn in het examen over de gebruikelijke kennis van de tweede landstaal zoals bepaald in artikel 67, § 2.2°, worden beschouwd als zijnde geslaagd in het overeenkomstig examengedeelte. § 7. De kandidaten van de eenmalige aanwervingsprocedure die krachtens § 4 vrijgesteld zijn van de stage en van het examen voor vaste benoeming en geslaagd zijn in de onder § 5 bepaalde examens, worden door de Koning benoemd in de derde administratieve klasse, met behoud van hun pecuniaire anciënniteit.

Onverminderd de beschikkingen van artikel 79 wordt hun graadanciënniteit gerekend vanaf de datum waarop zij geslaagd zijn in het onder § 3 bepaalde vergelijkend examen. § 8. Voor de kandidaten van de eenmalige aanwervingsprocedure die na afloop van de periode waarin zij zich in de bijzondere administratieve stand bevinden, niet geslaagd zijn in de in § 5 bepaalde examens, neemt de bijzondere administratieve stand een einde.

Na afloop van de bijzondere administratieve stand, kunnen zij, hetzij gebruik maken van de beschikkingen van de wet van 26 maart 1968 waarbij de aanwerving in openbare dienst wordt vergemakkelijkt van personen die bij de technische coöperatie met de ontwikkelingslanden diensten hebben gepresteerd, hetzij in dienst genomen worden bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking door middel van een contract van onbepaalde duur.

In deze laatste positie genieten zij dezelfde bezoldiging en vergoedingen als een Attaché voor de Internationale Samenwerking van de derde administratieve klasse en kunnen zij ambten uitoefenen in het buitenland en bij het Hoofdbestuur. § 9. De geslaagden van het vergelijkend examen van de eenmalige aanwervingsprocedure die niet vrijgesteld zijn van de stage en van het examen voor vaste benoeming, worden, in de orde van hun rangschikking, toegelaten tot de stage en vallen onder de toepassing van de artikels 68 en volgende.

Onverminderd de beschikkingen van § 6, moeten zij de onder § 5 bepaalde examens afleggen tijdens hun stageperiode.

Als zij tijdens hun stageperiode niet geslaagd zijn in die examens, worden zij, met ingang van de datum waarop zij geslaagd zijn in het in artikel 70 van dit besluit bepaalde examen voor vaste benoeming, toegelaten tot de in § 4, tweede lid bepaalde bijzondere administratieve stand.

Zij kunnen maximaal drie jaar in deze bijzondere administratieve stand blijven.

Tijdens die periode vallen zij onder toepassing van de §§ 5 tot en met 8 hierboven. »

Art. 5.Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op die gedurende dewelke het in het Belgisch staatsblad is bekendgemaakt.

Art. 6.Onze Minister van Buitenlandse zaken en Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit Gegeven te Brussel, 9 juni 1999.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Buitenlandse zaken, E. DERYCKE De Minister van Ontwikkelingssamenwerking, R. MOREELS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^