Koninklijk Besluit van 10 december 2017
gepubliceerd op 20 december 2017
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot opstelling van een waarborgprogramma voor de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2017040919
pub.
20/12/2017
prom.
10/12/2017
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2017040919

FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN


10 DECEMBER 2017. - Koninklijk besluit tot opstelling van een waarborgprogramma voor de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het juridisch stelsel van de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie berust op twee internationale verdragen: het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie en het Aanvullende Verdrag van Brussel van 31 januari 1963. Deze twee verdragen werden voor de laatste maal gewijzigd door een Protocol van 12 februari 2004.

Ze worden in België ten uitvoer gebracht door de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie.

Enkele van de basisbeginselen vastgelegd in het Verdrag van Parijs en de wet van 22 juli 1985 zijn met name: objectieve aansprakelijkheid van de exploitant van een kerninstallatie, maar beperkt tot een bepaald bedrag, verplichting voor de exploitant om een volledige verzekeringsdekking voor zijn aansprakelijkheidsrisico te hebben en verplichting voor de Staat om de slachtoffers te vergoeden indien de vereiste verzekeringen er toch niet zouden zijn.

Het Protocol van 12 februari 2004, dat nog niet van kracht werd, verzwaart de aansprakelijkheid van de exploitanten. Het verhoogt het aansprakelijkheidsplafond tot 700 miljoen euro en laat aan de verdragsluitende staten de mogelijkheid in een nog hoger plafond te voorzien; in België bracht de wet van 13 november 2011 dit plafond op 1,2 miljard euro (in bepaalde situaties is een lager plafond mogelijk, met name voor transporten, waarvoor Uw besluit van 28 december 2011 het plafond vastlegt op iets meer dan 297 miljoen euro, en voor lagerisicoinstallaties, waarvoor U verschillende besluiten hebt uitgevaardigd die het plafond op 297, 74 of 70 miljoen euro leggen).

Het breidt de vergoedbare kernschade uit naar schade aan het milieu en verlengt de verjaringstermijn voor schade aan personen, van tien naar dertig jaar.

In de praktijk bezorgt deze verzwaring van de aansprakelijkheid van de exploitanten hen verzekerbaarheidsproblemen. De private verzekeringsmarkt heeft inderdaad niet voldoende capaciteit om de totaliteit van een dusdanig verzwaard aansprakelijkheidsrisico te dekken, dat de exploitanten echter wel dienen te verzekeren. De problemen stellen zich met name voor de dekking van aansprakelijkheidsvorderingen die meer dan tien jaar na het ongeval ingesteld zouden worden, het risico van de nieuwe verjaringstermijn van dertig jaar dus, en in mindere mate voor de dekking van de schade aan het milieu. Er zijn verzekeringspolissen beschikbaar voor dit soort risico's, maar de door de markt aangeboden dekkingsbedragen bereiken niet het vereiste bedrag van 1,2 miljard of 297 miljoen euro.

Daarom heeft de wet van 29 juni 2014 in de wet van 22 juli 1985 een artikel 10/1 ingevoegd, dat exploitanten van kerninstallaties toelaat te genieten van een staatswaarborg, tegen een vergoeding, voor zover de private verzekerings- en financiële zekerhedenmarkt hen niet de vereiste dekking biedt. Het aan U ter ondertekening voorgelegde ontwerpbesluit heeft tot doel deze bepaling ten uitvoer te brengen.

Het door dit ontwerpbesluit ingevoerde waarborgprogramma werd meegedeeld aan de Europese Commissie, in het kader van artikels 107 en 108 met betrekking tot staatssteun van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De Commissie heeft vastgesteld dat de hoogte van de provisie die de exploitanten moeten betalen om de garantie te kunnen krijgen, zodanig was bepaald dat deze exploitanten daarmee geen economisch voordeel krijgen, en dat met het waarborgprogramma dan ook geen staatssteun is gemoeid.

Het basisprincipe bij het opstellen van het waarborgprogramma is dat de staatsinterventie subsidiair moet blijven ten opzichte van de markt. De staatswaarborg zal pas beschikbaar zijn als de exploitant geen verzekeringsdekking of financiële zekerheid kan bekomen op de markt (in het vervolg van dit verslag worden de financiële zekerheden niet systematisch vermeld en verwijzingen naar verzekeringen moeten naargelang de context eveneens begrepen worden als verwijzingen naar financiële zekerheden). In eenzelfde optiek wordt de door de exploitant aan de Staat verschuldigde vergoeding dan ook vastgelegd op een bedrag dat hoger ligt dan de marktprijzen (het supplement situeert zich in de grootte van 15 %), om exploitanten en verzekeraars aan te zetten verzekeringsoffertes te ontwikkelen in plaats van beroep te doen op de Staat.

Er werd rekening gehouden met het advies van de Raad van State, met uitzondering van de opmerkingen betreffende de artikelen 22 en 29 van het ontwerpbesluit.

Toelichting bij de artikelen Artikel 1 Artikel 1 beschrijft het voorwerp van het ontwerpbesluit en vermeldt het hierboven toegelichte fundamentele subsidiariteitsbeginsel.

Art. 2 Artikel 2 bevat de definities die nuttig zijn voor de duidelijkheid van het ontwerpbesluit. De weerhouden definities hebben tot doel de samenhang van de woordenschat en de begrippen gebruikt in het ontwerpbesluit, de wet van 22 juli 1985 en het Verdrag van Parijs te garanderen.

Verwijzingen naar een of meerdere "exploitanten" hebben, naargelang de context, betrekking op een welbepaalde exploitant op wie de bepaling waarin deze term verschijnt van toepassing is of op alle exploitanten tezamen.

Het begrip "segment" wordt gebruikt om de aan de Staat verschuldigde waarborgprovisie te berekenen, het tarief van deze provisie wordt segment per segment vastgelegd. De definitie van het begrip kan geïllustreerd worden aan de hand van de volgende voorbeelden. Het "milieu", dit wil zeggen de aansprakelijkheid voor schade aan het milieu die veroorzaakt zou zijn door een kernongeval, vormt een segment, omdat het gaat om een subgeheel van het aansprakelijkheidsrisico dat wordt omschreven door te verwijzen naar een soort schade. Zo kunnen ook "aardbevingen", indien de verzekeringen voor nucleaire aansprakelijkheid een uitsluitingsclausule voor seismische rampen zouden bevatten (wat momenteel niet het geval is), een segment vormen, omdat het gaat om een subgeheel van het aansprakelijkheidsrisico dat wordt omschreven door te verwijzen naar een soort gevaar. Het "verlies boven 100 miljoen euro", indien een polis de omvang van zijn dekking op dergelijke manier zou omschrijven, vormt dan weer geen segment omdat het hier gaat om een subgeheel van het aansprakelijkheidsrisico dat omschreven wordt door te verwijzen naar een dekkingsgraad.

Het begrip "jaarperiode" wordt gebruikt om zich af te kunnen stemmen op de heronderhandelingscyclus van de verzekeringspolissen, die in het algemeen verstrekt worden voor een duur die overeenkomt met het kalenderjaar. Als we ervan uitgaan dat de datum van inwerkingtreding bepaald overeenkomstig artikel 55, lid 2, 1 januari 2018 is, zal de eerste jaarperiode bedoeld in dit ontwerpbesluit het jaar 2018 zijn.

De definitie van de termen "waarborgprovisietarief", "sekwesterfondsen" en "provisietarief post-ongeval" wordt hieronder toegelicht in het commentaar bij artikels 21 en 29.

De Commissie voor Verzekeringen merkt in haar advies op dat de term "commission" in de Franse versie van het ontwerpbesluit niet geschikt lijkt, gelet op de andersluidende betekenis van deze term in de verzekeringswereld. De door het ontwerpbesluit ingevoerde staatswaarborg voorziet echter niet in een verzekering, het gaat integendeel om een financiële waarborg. De term "commission de garantie" is gebruikelijk in deze context. Hetzelfde geldt voor de term "waarborgprovisie" in de Nederlandse versie van het ontwerpbesluit.

Art. 3 Het staat de exploitanten vrij al dan niet aan te sluiten bij het waarborgprogramma dat de Staat hen ter beschikking stelt. Ze nemen pas deel aan dit programma op hun verzoek. Niets verplicht een exploitant die wel over een verzekeringsdekking voor zijn volledige aansprakelijkheidsrisico zou beschikken om erbij aan te sluiten.

Artikel 3 voorziet dan ook in een procedure die begint met een verzoek van de exploitant die aan het programma wenst deel te nemen, gevolgd door een onderzoek van de ontvankelijkheid van zijn verzoek door de minister van Economie, door een onderzoek van het dossier door de minister van Financiën en, desgevallend, van het sluiten van een toetredingsakte met contractuele waarde tussen de verzoekende exploitant en de Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. De verdeling van de taken tussen beide ministers is bepaald in artikel 10/1, §§ 1 en 2, van de wet van 22 juli 1985.

Het sluiten van een contractuele toetredingsakte dringt zich op om de voor iedere exploitant specifieke bijzondere voorwaarden te kunnen vastleggen en de verbintenis van de exploitant te bekomen om alle verplichtingen na te komen die voortvloeien uit het waarborgprogramma, in de eerste plaats om de aan de Staat verschuldigde vergoeding te betalen. Een toetredingsakte zal typisch de kerninstallatie in kwestie identificeren en de datum van inwerkingtreding van het programma voor de betreffende exploitant vermelden en zal de nodige verklaringen van de exploitant bevatten dat hij de nodige inspanningen heeft geleverd om de markt te bevragen vooraleer hij de staatswaarborg aanvraagt. In het bijzonder geval van de centrales van Tihange 1, Doel 1 en Doel 2 bevat de toetredingsakte eveneens een bevestiging van de exploitant van de centrale, en desgevallend van zijn aandeelhouders, dat de door het waarborgprogramma vooropgestelde vergoeding verenigbaar is met de verbintenissen die de Staat jegens hen is aangegaan in artikels 4/1, § 4, en 4/2, § 2, van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie en in de betreffende overeenkomsten. Ter herinnering: deze bepalingen voorzien erin dat de in de wet van 31 januari 2003 vastgelegde vergoedingen elke andere heffing ten voordele van de Staat die zou zijn verbonden aan de eigendom of de exploitatie van de centrales in kwestie uitsluiten.

Idealiter, zullen de exploitanten die vrezen dat ze op de markt geen volledige verzekeringsdekking kunnen bekomen van hun door het Protocol van 12 februari 2004 verzwaarde aansprakelijkheid, de inwerkingtreding van dit Protocol anticiperen en op voorhand hun toetreding tot het waarborgprogramma aanvragen om niet in overtreding te zijn wanneer het Protocol in werking treedt. Indien een exploitant echter nalaat om zijn toetreding te gepasten tijde aan te vragen en gedurende een bepaalde tijd niet over de vereiste verzekeringsdekkingen beschikt, kan de minister de latere toetreding afhankelijk maken van de betaling van een vergoedende waarborgprovisie tot dekking van de duur van deze tekortkoming. De exploitant zal immers gedurende deze periode effectief genoten hebben van een Staatswaarborg die rechtstreeks voortvloeit uit artikel 10(c) van het Verdrag van Parijs en artikel 22 van de wet van 22 juli 1985, hetgeen een vergoeding rechtvaardigt. De vergoedende provisie kan worden berekend met inachtneming van de relevante vermeerderingsfactoren, en in het bijzonder door deze die wordt voorzien door artikel 27 voor de gevallen van overtredingen op de dekkingsverplichtingen, waarbij de ontstentenis van toetreding tot het waarborgprogramma wordt gelijkgesteld met een dergelijke overtreding.

We herinneren er ook aan dat, overeenkomstig artikel 4 van de wet van 22 juli 1985, meerdere installaties die zich op eenzelfde vestigingsplaats bevinden beschouwd worden als een enkele kerninstallatie.

De bijzondere bepalingen opgenomen in de toetredingsakte mogen natuurlijk de exploitant geen voordelen toekennen die afwijken van de algemene bepalingen van het programma en een vorm van staatssteun zouden kunnen zijn die niet werd voorgelegd aan de Europese Commissie.

Art. 4 Artikel 4 vormt de basis van de verplichtingen van de Staat als borgsteller. De formulering van § 1 is afgestemd op die van artikel 10(c) van het Verdrag van Parijs. § 2 wil de door de Staat aangegane verplichtingen tot het strikt noodzakelijke beperken, dit wil zeggen louter hetgeen de Staat in toepassing van het Verdrag van Parijs gehouden is te doen.

Het aansprakelijkheidsplafond vermeld in § 1 betreft het bedrag in hoofdsom van de te vergoeden schade. Overeenkomstig artikel 7(c) van het Verdrag van Parijs zijn de interesten en kosten daarbovenop verschuldigd door de aansprakelijke exploitant. De staatswaarborg heeft bijgevolg eveneens betrekking op de interesten en kosten verschuldigd op de niet door de markt verzekerde hoofdsom, bovenop het bedrag in hoofdsom tot beloop waarvan beroep kan gedaan worden op de staatswaarborg. De situatie van de Staat is in dit opzicht vergelijkbaar met die van de verzekeraars die krachtens artikel 146 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen gehouden zijn de interesten op in hoofdsom verschuldigde schadevergoedingen te betalen, evenals de kosten, zelfs indien deze de limieten van de verzekering overschrijden.

Lid 4 van § 2 verduidelijkt dat, als bepaalde maatregelen die door de Staat geldig werden goedgekeurd in toepassing van de wet van 22 juli 1985 als effect hebben de aansprakelijkheid van de exploitant te verminderen, deze maatregelen eveneens als onrechtstreeks effect hebben de verplichtingen van de Staat als borgsteller te verminderen.

Art. 5 Artikel 5 bevestigt dat de contractuele relaties tussen de exploitant en de Staat niet beschouwd mogen worden als een verzekeringsovereenkomst. De wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen is er dus niet op van toepassing.

Art. 6 Artikel 6 wil eveneens de door de Staat aangegane verplichtingen tot het strikt noodzakelijke beperken. Enkel de slachtoffers van kernschade kunnen genieten van de staatswaarborg. Als een slachtoffer bijvoorbeeld reeds vergoed werd door zijn eigen "hospitalisatie " of "inkomensgarantie"-verzekeraar, kan deze verzekeraar niet middels indeplaatsstelling de Staat aanspreken, zelfs al kan hij desgevallend wel de aansprakelijke exploitant aanspreken. Dit versterkt het subsidiair karakter van het waarborgprogramma.

Lid 3 bevestigt dat zolang er geen kernongeval geweest is niemand enig verworven recht op de staatswaarborg kan inroepen. Dit houdt in het bijzonder in dat, indien de waarborg beëindigd wordt vooraleer er zich een ongeval voordoet, de slachtoffers geen enkel recht dat zou voortvloeien uit het waarborgprogramma kunnen doen gelden.

Art. 7 De Staat voert een waarborgprogramma in ten gunste van de exploitanten en geen verzekeringsprogramma. Artikel 7 bepaalt dan ook dat elke schadevergoeding die door de Staat krachtens het programma uitbetaald wordt hem door de aansprakelijke exploitant terugbetaald moet worden.

De terugbetalingsverplichting van de exploitant berust op een dubbele grond: een subrogatoire grond, krachtens lid 1, en een contractuele, krachtens lid 2 en de toetredingsakten. Het bestaan van een contractuele grond maakt het voor de Staat met name gemakkelijker verhaal uit te oefenen in de omstandigheden waarvan sprake in artikel 10, lid 2.

Art. 8 Dit artikel betreft de interesten op de aan de Staat verschuldigde terugbetalingen.

Art. 9 Dit artikel legt de opeisbaarheidsdatum van de aan de Staat verschuldigde terugbetalingen vast.

Art. 10 Nucleaire risico's zijn van dien aard dat het risico dat er zich een ongeval voordoet zeer klein is, maar dat de gevolgen van een ongeval van grote omvang en moeilijk precies te meten kunnen zijn. Het ongeval in Fukushima is hier een tragisch voorbeeld van.

In een dergelijke situatie is het bijna onmogelijk de vergoeding van elk slachtoffer ondergeschikt te maken aan de voorwaarde dat het slachtoffer het bestaan en het bedrag van de schade en het causaal verband tussen het ongeval en zijn schade gerechtelijk moet aantonen.

Het aantal slachtoffers kan veel te hoog zijn om een efficiënt beheer van de schadevergoedingen door de rechtbanken toe te laten. Daarnaast bestaat de schade aan de gezondheid van slachtoffers blootgesteld aan een te hoge dosis nucleaire straling dikwijls uit een verhoging van het statistisch risico op kanker bij de slachtofferpopulatie; het nadeel voor elk slachtoffer bestaat dan ook uit het "verlies van een kans" in de juridische zin van de term, en is bijgevolg uiterst moeilijk te evalueren. In een dergelijke context moet het beheer van de vorderingen tot schadevergoeding noodzakelijkerwijs op pragmatische en billijke wijze gebeuren.

De wetgever is zich goed bewust van deze context en dit verklaart waarom artikel 30 van de wet van 22 juli 1985 U toelaat "een verzoeningsprocedure van administratieve of gerechtelijke aard in te stellen, die in elk geval aan het debat voor de rechtbank dient vooraf te gaan".

Artikel 10 heeft tot doel de aansprakelijke exploitant te beletten zich te verschansen achter de afwezigheid van een gerechtelijke procedure die het slachtoffer rechten heeft toegekend, of achter het feit dat er schadevergoedingen vastgelegd werden op basis van pragmatische en billijke criteria die niet noodzakelijkerwijs weerhouden zouden zijn geweest door een rechtbank, om te weigeren aan de Staat de schadevergoedingen terug te betalen die deze aan de slachtoffers zou uitbetaald hebben op basis van het waarborgprogramma.

Lid 3 vormt de toepassing van artikel 28, § 2 van de wet van 22 juli 1985.

Art. 11 Artikel 11 bevestigt dat het waarborgprogramma de plafonnering van de aansprakelijkheid van de exploitant vastgelegd in de wet van 22 juli 1985 geen schade toebrengt. De Staat kan geen terugbetaling van de exploitant eisen die het aansprakelijkheidsplafond te boven gaat.

De plafonnering wordt bepaald ten opzichte van de in hoofdsom betaalde schadevergoedingen. De interesten en kosten die de Staat desgevallend boven dit plafond zou hebben betaald zijn terugvorderbaar.

Art. 12 De Staat moet kunnen beschikken over alle informatie nodig voor het beheer van schadegevallen en voor een goede kennis van de risico's die ze draagt. Dit is het doel van artikel 12.

Art. 13 De organisatie van het beheer van een schadegeval zal noodzakelijkerwijs gebeuren in functie van de aard van het schadegeval en de omvang van de gevolgen ervan. Artikel 13 geeft de minister van Financiën de nodige bevoegdheid hiertoe en voorziet met name in de mogelijkheid van een samenwerking tussen de Staat en de private verzekeraars die hetzelfde schadegeval dekken.

Art. 14 Als er zich een schadegeval voordoet, zijn de omvang van de gevolgen en de totale kost van de te vergoeden schade in het algemeen niet onmiddellijk gekend. Er kan gedurende een heel lange tijd onzekerheid blijven bestaan, zelfs langer dan de verjaringstermijn van dertig jaar.

Zowel de Staat als de verzekeraars moeten echter te allen tijde kunnen beschikken over een zo betrouwbaar als mogelijk raming van de financiële gevolgen van het schadegeval. De Staat heeft deze raming nodig om de "provisie post-ongeval" verschuldigd door de exploitant (zie hieronder het commentaar bij artikel 29) te bepalen en om te bepalen of, en in welke mate, het beschikbare saldo van de verzekeringspolissen van de exploitant aanleiding geeft tot een verzekeringsdeficit; de verzekeraars hebben dit nodig om hun provisies te bepalen. Het aldus geraamde bedrag werd omschreven als het "PML", dit wil zeggen het Probable Maximum Loss.

Overgaan tot dit soort ramingen maakt deel uit van het verzekeraarsvak. De verzekeraars hebben hiervoor de nodige knowhow en ervaring ontwikkeld. Daarom bepaalt artikel 14 dat de Staat zich in principe baseert op de ramingen van de verzekeraars. Lid 2 staat de minister toe hiervan af te wijken indien nodig.

Art. 15 Artikel 15 belet de exploitant om een schikking te treffen met zijn verzekeraars als een dergelijke schikking de interventielast van de Staat op basis van de waarborg rechtstreeks of onrechtstreeks zou kunnen verzwaren.

Art. 16 Zoals hierboven vermeld is de subsidiariteit van de staatsinterventie ten opzichte van de rol van de markt het basisprincipe van het waarborgprogramma. De exploitant moet in de eerste plaats al het mogelijke doen om ervoor te zorgen dat zijn aansprakelijkheid gedekt wordt door privéverzekeraars. Het is dit principe dat vermeld staat in artikel 16.

Art. 17 Artikel 17 begrenst de verplichting van de exploitant om zich te dekken via de markt, door hem toe te laten geen verzekeringspolissen af te sluiten die hem zouden aangeboden worden tegen een onredelijke prijs. Er moet inderdaad vermeden worden dat het waarborgprogramma perverse effecten creëert en verzekeraars ertoe brengt buitensporige premies te eisen, wat het geval zou kunnen zijn als de verzekeraars weten dat de exploitant verplicht is alles te aanvaarden wat hem voorgesteld wordt.

Het is de minister die het laatste woord heeft als het erom gaat te bepalen of een prijs al dan niet onredelijk is. Om nogmaals te vermijden dat er perverse effecten gecreëerd worden, legt het ontwerpbesluit geen objectieve meetbare limiet hiervoor vast, en de minister zal zijn discretionaire bevoegdheid uitoefenen door rekening te houden met alle relevante omstandigheden.

Art. 18 Dit artikel behandelt concreet de algemene verplichting van de exploitant om er alles aan te doen om dekking te krijgen op de markt.

Art. 19 Artikel 19 verplicht de exploitant ertoe regelmatig verslag uit te brengen aan de minister over zijn inspanningen om de markt te bevragen. Als deze inspanningen niet leiden tot het gewenste resultaat, dit wil zeggen als er een verzekeringsdeficit blijft bestaan, moet de exploitant aan de minister een zogenaamd verslag van "tekortkoming" overhandigen. Gelet op het belang van een dergelijk verslag en om de eventuele strafrechtelijke aansprakelijkheid die zou voortvloeien uit valse verklaringen betreffende de inspanningen van de exploitant op het gepaste niveau ten laste te kunnen leggen, wordt bepaald dat een verslag van tekortkoming ondertekend moet worden door twee bestuurders van de exploitant (of door twee personen met een gelijkwaardige functie, voor de gevallen waarin de exploitant geen naamloze vennootschap zou zijn).

Art. 20 Dit artikel geeft de minister het recht op toegang tot nuttige informatie.

Art. 21 De staatswaarborg wordt aangeboden aan exploitanten tegen een vergoeding. Dit wordt opgelegd door artikel 10/1 van de wet van 22 juli 1985, waarvan § 1 "de betaling van een vergoeding voor de dekking van deze risico's" vereist. Daarnaast is het in de eerste plaats het bedrag van deze vergoeding dat de beslissing van de Europese Commissie rechtvaardigt dat het waarborgprogramma geen staatssteun vormt.

Zoals hierboven vermeld wordt de vergoeding vastgelegd op een hoger bedrag dan de marktprijzen. Zo wil ze de exploitanten aanzetten om zich eerst en vooral op de markt te laten dekken.

De vergoeding van de Staat bestaat uit drie onderdelen: de waarborgprovisie zelf, de zogenaamde provisie "post-ongeval" en de terugbetaling van de kosten. Artikel 21 betreft het eerste van de drie onderdelen.

De waarborgprovisie wordt segment per segment berekend en is slechts verschuldigd voor het of de segmenten waarvoor er een verzekeringsdeficit is. Als de exploitant erin slaagt zijn aansprakelijkheid met betrekking tot een segment volledig door de markt te laten dekken, moet hij de Staat geen enkele waarborgprovisie betalen voor dit segment. Als hij daarentegen niet volledig door de markt gedekt wordt, moet hij aan de Staat een provisie betalen die berekend wordt op het bedrag van het verzekeringsdeficit van dit segment, dit wil zeggen op het gedeelte van het maximumbedrag van zijn aansprakelijkheid dat niet door de markt gedekt wordt, tegen het in bijlage 1 van het ontwerpbesluit vastgelegde tarief (de provisietabel).

De provisietabel werd opgesteld op basis van de door de verzekeraars op de markt gevraagde premies voor het jaar 2017. Momenteel kunnen er bij sommige exploitanten twee segmenten een verzekeringsdeficit vertonen: het segment schade aan het milieu en het segment vorderingen ingediend meer dan tien jaar na het ongeval (dus binnen de nieuwe verjaringstermijn van dertig jaar maar buiten de vroegere verjaringstermijn van tien jaar). De markt biedt private verzekeringen aan voor elk van beide segmenten maar niet steeds voor het totale bedrag dat de exploitant in kwestie moet dekken. Het bestaan van een verzekeringsofferte in elk segment is echter wel voldoende om de kost van de verzekeringspremie in percentage te meten ten opzichte van het gedekte bedrag in het betreffende segment. Dit percentage wordt nadien vermeerderd met een supplement van 15% om te komen tot het tarief vermeld in de provisietabel.

De premies gebruikt voor bovenstaande berekening worden berekend "belasting inbegrepen", dit wil zeggen dat ze de belasting van 9,25 % op verzekeringspremies omvatten. Aangezien de door de Staat toegekende waarborg geen verzekeringsovereenkomst is, is deze belasting niet verschuldigd op de waarborgprovisie en is er dus geen dubbele aanslag.

Een van de verzekeraars actief op de markt van nucleaire risico's is een onderlinge verzekeringsvereniging. De door deze vereniging verzekerde leden betalen echte premies; daarnaast moeten ze bijdragen aan het kapitaal van de vereniging en ingaan op latere verzoeken tot storting in het geval het aantal schadegevallen dit zou vereisen. Voor het opstellen van de provisietabel werd er dan ook van uitgegaan dat de kostprijs van een verzekering bij deze vereniging de premies zelf omvat, naast de kostprijs van het ingebrachte kapitaal (geschat op 8% per jaar) en een reserveringskost voor de eventuele latere verzoeken tot storting (geschat op 0,50 % per jaar). Deze meting van de kostprijs van het kapitaal en van de reserveringskost is een onderdeel van wat artikel 25 de "originele methodologie" noemt. Deze moet desgevallend weerhouden worden telkens als de originele methodologie toegepast moet worden op andere situaties waarin de exploitanten gehouden zijn kapitaal in te brengen bij een verzekeraar of geconfronteerd worden met eventuele latere verzoeken tot storting.

De marktanalyse toont aan dat de kost van de verzekeringspolissen gevoelig hoger ligt voor kerncentrales voor elektriciteitsproductie dan voor de andere soorten nucleaire installaties. De provisietabel voorziet dan ook in verschillende tarieven voor deze twee soorten installaties.

De marge van 15 % die toegevoegd wordt aan de kostprijs van de verzekeringspolissen zorgt ervoor dat de staatswaarborg duurder wordt dan de private verzekeringen, wat een bewuste doelstelling is van het ontwerpbesluit. Twee andere elementen accentueren dit prijsverschil nog. Eerst en vooral biedt de Staat enkel een waarborg en geen verzekering; bij een schadegeval worden de slachtoffers beschermd door deze waarborg - ze zijn er zeker van dat ze hun schadevergoeding zullen krijgen, ook al blijft de aansprakelijke exploitant in gebreke - maar de exploitant is dit niet, aangezien hij aan de Staat alle aan de slachtoffers uitbetaalde schadevergoedingen moet terugbetalen, terwijl de door een verzekeraar uitbetaalde schadevergoedingen ten laste van deze laatste blijven. Vervolgens houdt de provisietabel geen rekening met het feit dat de Staat in principe slechts in tweede rang moet tussenkomen, na de verzekeraars, en dat de kost van een tweederangsdekking normaal gezien lager ligt dat een eersterangsdekking.

De laatste subalinea van de definitie van de term "waarborgprovisietarief" in artikel 2, § 1, 18°, heeft tot doel te vermijden dat bijzondere omstandigheden met betrekking tot een bepaalde exploitant - bijvoorbeeld een ongevalsrisicograad die hoger ligt dan het gemiddelde - ertoe leiden dat de staatswaarborg niet voldoende door deze exploitant vergoed wordt. De provisietabel wordt immers op eenzelfde manier opgesteld voor alle exploitanten, zonder individuele differentiëring. Er wordt dan ook bepaald dat de prijs van de staatswaarborg steeds de prijs van de verzekeringen die de betreffende exploitant op de markt betaalt met minstens 7,5 % moet overschrijden. Als het prijsverschil dat zou voortvloeien uit de toepassing van de provisietabel kleiner is dan 7,5 %, is het niet langer de provisietabel die als basis dient voor het berekenen van de door de betreffende exploitant verschuldigde provisie, maar wel de premies die deze exploitant op de markt betaald heeft, en het is aan deze premies dat het supplement van 15 % wordt toegevoegd.

Het zoals hierboven uiteengezet berekende waarborgprovisietarief kan vervolgens het voorwerp uitmaken van verschillende vermeerderingen overeenkomstig artikels 22, 24 en 27: het tarief wordt vermeerderd met 15 % als de staatswaarborg niet in laatste rang komt, wordt (in het algemeen) verdubbeld als de verzekeringsdekking van de exploitant minder bedraagt dan 20 % van zijn aansprakelijkheidsplafond, en wordt vermenigvuldigd met twee en een half als de exploitant geen dekking heeft genomen die hij wel had moeten hebben. Deze vermeerderingen worden verderop toegelicht, in het commentaar bij de respectievelijke artikels. Als er meerdere redenen voor vermeerdering van toepassing zijn, worden de verschillende factoren met elkaar vermenigvuldigd.

Art. 22 Het principe van de subsidiariteit van het waarborgprogramma ten opzichte van de rol van de private verzekeringsmarkt, waarvan het belang reeds hierboven vermeld werd, vereist in het bijzonder dat de Staat maar in laatste rang moet tussenkomen, na de verzekeraars. De door een kernongeval veroorzaakte schade zou in de eerste plaats gedekt moeten worden door de verzekeringen tot beloop van hun dekkingsbedrag. Het is slechts als het bedrag van de schade het bedrag van de verzekeringsdekking overschrijdt dat de Staat zou moeten tussenkomen, ten belope van het overschot, om borg te staan voor de aansprakelijke exploitant als deze in gebreke blijft.

De goede werking van dit mechanisme is volledig afhankelijk van de modaliteiten van de verzekeringspolissen. Als deze modaliteiten niet in eersterangsdekking door de verzekeraars voorzien, kan dit besluit hen niets anders opleggen: de verzekeraars zijn slechts gebonden aan de bepalingen van de polissen die ze verstrekt hebben. Daarom voorziet artikel 22 in een vermeerdering van het waarborgprovisietarief vermeld in de provisietabel met 15 % als de verbintenis van de Staat niet in laatste rang komt. Deze toeslag wil exploitanten aanzetten om met hun verzekeraars te onderhandelen over polissen die in rang voor de Staat komen. Ze wil de Staat ook vergoeden voor het grotere risico dat deze op zich neemt in verhouding tot een risico van laatste rang.

De drie hypothesen opgesomd in artikel 22 komen overeen met drie soorten situaties waarin de hiërarchie van de rangen niet werkt zoals gewenst.

De 1° betreft de eenvoudige situatie waarin de uitdrukkelijke modaliteiten van de verzekeringspolis(sen) dusdanig zijn dat ze niet in eerste rang tussenkomen. Dit is bijvoorbeeld het geval als een exploitant onderworpen aan het algemeen aansprakelijkheidsplafond van 1,2 miljard euro gedekt wordt door twee verschillende pools, waarbij de eerste 75 % van de schade dekt en de tweede 25 % (dit is het zogenaamde "quotiteitenmechanisme" of quota share), maar de eerste beperkt de gedekte schade voor een bepaald segment tot 800 miljoen euro terwijl de tweede de wettelijke limiet van 1,2 miljard aanvaardt.

Het door de Staat gewaarborgde verzekeringsdeficit bedraagt in een dergelijk geval 300 miljoen euro, of 75 % van het bedrag boven de limiet van 800 miljoen opgelegd door de eerste pool. Tegelijk bedraagt de totale door de verzekeraars geleverde dekking 900 miljoen euro, of 75 % van 800 miljoen plus 25 % van 1,2 miljard. Opdat de verbintenis van de Staat echt van laatste rang zou zijn, zou deze dus pas moeten tussenkomen als de schade veroorzaakt door het schadegeval de 900 miljoen euro overschrijden. Dit is niet het geval in de hypothese in kwestie. De eerste schijf van 800 miljoen euro wordt inderdaad in eerste rang gedekt door de verzekeraars, a rato van 75 % voor de eerste pool en 25 % voor de tweede. Maar boven de 800 miljoen euro is dit niet langer het geval: de eerste pool komt niet meer tussen, en elke bijkomende euro aan schade wordt door de tweede pool slechts gedekt a rato van 25 cent. Als de totale schade oploopt tot 900 miljoen euro, moet de Staat dus reeds voor 75 miljoen euro tussenkomen.

De 2° betreft de situatie waarin het de interactie van de verschillende polissen is die ertoe leidt dat de Staat niet noodzakelijkerwijs het statuut van laatste rang heeft. Dit kan geïllustreerd worden door het volgende voorbeeld. Twee pools die respectievelijk een aandeel van 75 % en 25 % van de schade dekken, met een totale limiet van 1,2 miljard euro; de eerste pool sluit echter het segment "periode 10-30 jaar" uit van dekking en de tweede pool aanvaardt een aandeel van 100 % op dit segment, met dien verstande echter dat de globale limiet van zijn verbintenis op 300 miljoen euro blijft staan, of 25 % van 1,2 miljard. Het verzekeringsdeficit bedraagt 900 miljoen euro voor het segment "periode 10-30 jaar", er is geen deficit voor de andere segmenten. Vervolgens doet er zich een schadegeval voor dat schade voor een bedrag van 1,2 miljard euro veroorzaakt, waarvan 200 miljoen toewijsbaar aan het segment "periode 10-30 jaar" en een miljard aan de andere segmenten. Als de verbintenis van de Staat inderdaad van laatste rang was, zou de Staat niet moeten tussenkomen, omdat de schade de verzekeringslimieten niet overschrijdt. Dit is echter niet wat er in de hypothese in kwestie zal gebeuren. De schadevergoeding van een miljard euro die de eerste tien jaar verschuldigd is wordt ten laste genomen door de twee pools in de verhouding 75/25: de eerste pool betaalt 750 miljoen en de tweede 250.

Er blijft dus enkel een beschikbaar saldo van 50 miljoen euro over op de polis van de tweede pool om de 200 miljoen euro te dekken die tien jaar later gevorderd worden in het segment "periode 10-30 jaar" en de Staat zal voor 150 miljoen moeten tussenkomen.

De 3° ten slotte betreft de situatie waarin verschillende verzekeringen reeds onderling in een hiërarchie van rangen voorzien.

Opdat de Staat effectief in laatste rang zou komen, is het natuurlijk nodig dat er geen leemte is tussen de opeenvolgende rangen: als een verzekeraar van tweede rang, die een dekking "schade-excedenten" (excess loss) aanbiedt, slechts tussenkomt boven een bepaalde drempel, moeten de verzekeraars van eerste rang volledig alle schade tot deze drempel dekken.

De Raad van State en de Commissie voor Verzekeringen stellen zich vragen over de hypothese waarin het quota share mechanisme uitkomt op een verzekeringsdeficit. De Raad van State merkt eveneens op dat, aangezien de totale aansprakelijkheid van de exploitant in elk geval begrensd is tot 1.200.000.000 euro, elke verlies van quota share uiteindelijk ook een vorm van "schade-excedenten" (excess loss) met zich meebrengt en suggereert om deze situatie in de tekst te expliciteren. Wij bevestigen echter bij deze dat de tekst van artikel 22 wel degelijk deze hypothese dekt. Indien twee quota share pools respectievelijk 60 % en 30 % van de schade dekken, met een globale limiet van 1,2 miljard euro voor alle segmenten, dan blijft er een verzekeringsdeficit van 10 % of 120 miljoen euro voor alle segmenten.

De Staat draagt dan het risico in eerste rangorde, hij zal immers 10 % van de schade dienen te dekken vanaf de eerste euro, de door artikel 22 voorziene factor van 1.15 zal dan van toepassing zijn.

Art. 23 De provisietabel werd opgesteld op basis van de marktprijsgegevens voor het jaar 2017. Artikel 23 voorziet in een progressief aanpassingsmechanisme voor de tabel in functie van de prijsevolutie op de markt van de verzekering van nucleaire aansprakelijkheidsrisico's, of, met andere woorden, een indexeringsmechanisme.

Om de dingen niet onnodig te compliceren werd bepaald dat de indexering niet noodzakelijkerwijs elk jaar hoeft te gebeuren, maar pas uitgevoerd wordt als de grootte van de prijsevolutie dit lijkt te rechtvaardigen. De bedragen in kwestie, met name het verschil in provisies door een indexering, kunnen immers vrij laag zijn en niet de kosten van een complexe procedure voor het meten van de prijsevolutie rechtvaardigen. De minister gaat dan ook elk jaar over tot een eerste richtinggevende analyse, op basis van de marktgegevens die de exploitanten hem overmaken. Het is pas als deze eerste analyse suggereert dat de prijsevolutie een minimumdrempel van 7,50 % naar boven of naar beneden heeft overschreden dat de indexeringsprocedure in gang gezet wordt.

Deze procedure bestaat uit twee fasen. In een eerste fase legt de minister aan de exploitanten een voorstel voor een nieuwe index voor, die hij opstelt op basis van de gegevens te zijner beschikking. Als dit voorstel steun krijgt van een meerderheid van de exploitanten, wordt de voorgestelde index weerhouden en stopt de procedure hier.

Anders wordt beroep gedaan op een marktdeskundige om de nieuwe index te bepalen. In dit geval kan het gebeuren dat het verschil tussen de oude index en de nieuwe index die op dergelijke manier vastgelegd wordt uiteindelijk onder de minimumdrempel van 7,50 % valt, die aanvankelijk overschreden leek te zijn.

Het ontwerpbesluit vereist een dubbele meerderheid onder de exploitanten: een gewone meerderheid in aantal enerzijds, en een meerderheid gebaseerd op de respectievelijke bijdragen van de exploitanten aan de waarborgprovisies anderzijds.

Lid 3 bevat de voornaamste regels van toepassing op de expertise en bijlage 2 van het ontwerpbesluit bevat de richtlijnen voor de marktexpertise. Deze hebben tot doel de procedure tegelijkertijd objectief en aanpasbaar aan de omstandigheden te maken.

De Commissie voor Verzekeringen merkt in haar advies op dat de richtlijnen voorzien dat de commissies van de makelaars in de berekening van de index worden opgenomen en stelt zich de vraag of de erelonen van de makelaars eveneens in rekening worden genomen. Deze erelonen dienen niet in rekening te worden genomen aangezien zij geen deel uitmaken van de kost van de verzekeringen, zij vormen de vergoeding voor een aan de verzekerden verstrekte dienst van adviesverlening.

De index kan naar boven of naar beneden toe evolueren maar kan nooit onder zijn oorspronkelijk niveau zakken. Deze ondergrens is gerechtvaardigd om meerdere redenen: budgettaire redenen, vermijden dat de door de Staat genomen risico's niet meer voldoende vergoed worden, het doel om exploitanten aan te zetten met hun verzekeraars te onderhandelen om in de eerste plaats een stijging van de dekkingslimieten te bekomen in plaats van een vermindering van de premies.

Aangezien de voornaamste basis voor het indexeringsmechanisme het ontwerpbesluit is dat U wordt voorgelegd, eerder dan de toetredingsakte van contractuele aard, is het niet in strijd met artikel 57 van de wet van 30 maart 1976 betreffende de economische herstelmaatregelen en het verbod op indexeringsformules in deze bepaling. Bovendien gaat het hier niet om een industriële of commerciële prijs in de zin van artikel 57 van de wet van 30 maart 1976, maar om een vergoeding verschuldigd op basis van artikel 10/1 van de wet van 22 juli 1985 omwille van een staatsinterventie inherent aan de functie van openbaar gezag die de Staat uitoefent.

Art. 24 Het waarborgprogramma wil subsidiair zijn ten opzicht van de dekking van risico's door de verzekeringsmarkt. Het waarborgprovisietarief wordt overigens bepaald op basis van de prijs van de verzekeringspremies voor het betreffende segment.

Deze twee elementen vereisen dat voor elk segment de verzekeringsdekking aangeboden door de markt voldoende representatief is. Indien niet moet er in een gevoelige verhoging van de vergoeding voor de staatswaarborg voorzien worden. Dit wordt bepaald in artikel 24: als de dekking verkregen op de markt minder dan 20 % van het maximumbedrag van de aansprakelijkheid van de exploitant dekt, wordt het waarborgprovisietarief per segment verhoogd en op het niveau vermeld in de rechterkolommen van de provisietabel gebracht; het gaat in het algemeen en minimaal om een verdubbeling. Voor de toepassing van dit artikel maakt het niet uit of de onvoldoende dekking het gevolg is van een onvoldoende aanbod op de markt of van het feit dat de exploitant niet heel het beschikbare aanbod gebruikt heeft, eventueel in overtreding op zijn verplichtingen voortvloeiend uit hoofdstuk 5 of 8.

Deze verhoging van de provisie heeft meerdere functies. Ze garandeert dat de door de Staat ontvangen vergoeding aangepast blijft aan de omstandigheden, waarin, gelet op het geringe marktvolume, het door de markt gehanteerde prijsniveau niet noodzakelijkerwijs een betrouwbare reflectie is van de echte kostprijs van het risico. Ze compenseert de verzwaring van het risico gedragen door de Staat, die, hoewel ze in principe pas in laatste rang tussenkomt, meer risico loopt om tussen te moeten komen naarmate haar interventiedrempel zakt. Tenslotte wil ze exploitanten ertoe aanzetten echt maximale inspanningen te leveren om op de markt een niet-verwaarloosbaar dekkingsniveau te vinden voor elk risicosegment.

Uit de marktanalyse uitgevoerd met het oog op de opstelling van het ontwerpbesluit is gebleken dat een loutere verdubbeling van de waarborgprovisie ertoe had kunnen leiden dat het voor de exploitant minder duur was aan de Staat een waarborgprovisie te betalen dan de nodige verzekeringen af te sluiten om een dekking van minstens 20% van zijn aansprakelijkheidsplafond te bekomen voor de segmenten in kwestie. Om dergelijke situaties te vermijden voorzien de rechterkolommen van de provisietabel in twee hypothesen - de segmenten "periode 10-30 jaar" en "volledig aansprakelijkheidsrisico" voor nucleaire installaties andere dan centrales voor elektriciteitsproductie - een verhoging van het tarief die meer dan een verdubbeling vormt.

Art. 25 De segmenten vermeld in de provisietabel werden vastgelegd in functie van de marktsituatie in 2017. De enige twee subgehelen van het aansprakelijkheidsrisico waarvoor de markt momenteel geen volledige dekking aan de exploitanten aanbiedt zijn het milieu en de periode 10-30 jaar.

De markt evolueert echter en het is mogelijk dat er naderhand nog segmenten opduiken die niet volledig door de markt gedekt worden.

Artikel 25 betreft de procedure voor het bepalen van het waarborgprovisietarief dat van toepassing zal zijn op nieuwe segmenten. Het gaat hier, in lijn met de bepalingen betreffende het indexeringsmechanisme toegelicht in artikel 23, om een procedure in twee fasen: eerst een voorstel van de minister gericht aan de exploitanten om indien mogelijk de goedkeuring van een meerderheid van hen te bekomen, en nadien, als dit niet lukt, een onafhankelijke expertise. Net zoals bij de indexeringen kunnen de provisiebedragen in kwestie vrij laag liggen en de kosten van een expertiseprocedure niet rechtvaardigen. Dit verklaart waarom het nuttig is in een eerste eenvoudige en goedkope fase te voorzien. Ter verduidelijking: de onafhankelijke deskundige zal dezelfde methodologie moeten toepassen als degene die aanvankelijk werd toegepast voor het opstellen van de provisietabel die als bijlage bij dit ontwerpbesluit werd gevoegd. Het is de methodologie die hierboven wordt samengevat in het commentaar bij artikel 21 en die ter goedkeuring werd voorgelegd aan de Europese Commissie, in het kader van het onderzoek van de staatssteunaspecten van het waarborgprogramma door deze laatste.

In realiteit zullen voor elk nieuw segment vier tarieven bepaald moeten worden, die overeenstemmen met de hypotheses weergegeven in de vier kolommen van de provisietabel. De twee tarieven van de rechterkolommen bedragen in het algemeen het dubbele van de twee tarieven van de linkerkolommen, behalve indien een situatie van het type toegelicht in de laatste paragraaf van het commentaar bij artikel 24 een hoger tarief rechtvaardigt.

Art. 26 Dit artikel voorziet in de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de aangepaste provisietabel na de indexatie ervan of na de invoering van nieuwe segmenten.

Art. 27 Het zou noch billijk noch mogelijk zijn dat de Staat haar waarborg eenvoudigweg weigert als de exploitant niet verzekerd was zoals hij had moeten zijn: niet billijk omdat de kosten dan gedragen zouden moeten worden door de slachtoffers van een eventueel kernongeval, en onmogelijk omdat artikel 10(c) van het Verdrag van Parijs de Staat verplicht tussen te komen in dergelijke gevallen.

Daarom stelt artikel 27 in deze situatie geen intrekking van de waarborg voorop, maar wel een vermenigvuldiging met twee en een half van het waarborgprovisietarief. Meer dan een straf gaat het hier in de eerste plaats om een aanzet om zo veel mogelijk te vermijden dat er zich situaties van niet-verzekering voordoen. Anderzijds gaat het erom de vergoeding van de Staat aan te passen aan het grotere risico dat ze dient te dragen: men kan er immers redelijkerwijs van uitgaan dat als een exploitant zijn verplichtingen niet nakomt dit dikwijls gepaard zal gaan met meer algemene tekortkomingen inzake risicopreventie en -beheer en dus een indicator vormt van een groter risico op schadegevallen.

De in hoofdstuk 5 en 8 vooropgestelde verplichtingen zijn slechts van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding voorzien in artikel 55, lid 2. Ze zijn daarnaast slechts van toepassing op een exploitant vanaf diens toetreding tot het waarborgprogramma. De toepassing van de in artikel 27 voorziene vermeerderingsfactor kan echter reeds eerder nodig blijken. Indien bijvoorbeeld toetredingsaktes worden gesloten tijdens de herfst van 2017, terwijl de inwerkingtreding van het Protocol van 12 februari 2004 wordt verwacht op 1 januari 2018 maar deze inwerkingtreding uiteindelijk slechts plaatsvindt op 1 januari 2019, is het belangrijk dat de betrokken exploitanten actief de markt bevragen in de loop van het jaar 2018, overeenkomstig hoofdstuk 5 van het ontwerpbesluit, zodat de Staatswaarborg die op 1 januari 2019 in werking zal treden tot het strikt noodzakelijke beperkt blijft.

Hoofdstuk 5 zal echter nog niet in werking getreden zijn in 2018. In dat geval kan de toetredingsakte voorzien dat de vermeerderingsfactor desondanks reeds van toepassing zal zijn, hetgeen het nagestreefde stimulerend effect zal hebben. De vergoedende provisie voorzien in artikel 3 voor het geval dat een exploitant laattijdig toetreedt tot het waarborgprogramma, voor de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de toetreding, zal eveneens de vermeerderingsfactor in rekening kunnen nemen.

Art. 28 Dit artikel legt de opeisbaarheidsdatum van de waarborgprovisies vast.

Art. 29 Artikel 29 betreft de gevolgen van een schadegeval op de waarborgprovisies die de exploitant daarna aan de Staat moet betalen.

De Raad van State suggereerde om het gebruik der tijden in de bewoordingen van artikel 29 aan te passen en stelde een nieuwe formulering voor. Echter, de vaststelling van het PML evolueert en kan daarom niet tot het moment van het kernongeval worden beperkt. Ter verduidelijking werd echter een voorbeeld toegevoegd, aan het eind van deze toelichting.

Zoals hierboven vermeld, kan de kostprijs van de schadevergoedingen die de aansprakelijke exploitant na een schadegeval verschuldigd is gedurende een zeer lange periode onzeker blijven. De raming van deze kostprijs, aangepast in de loop der tijd, wordt het PML of Probable Maximum Loss genoemd; de berekeningsmethode werd beschreven in het commentaar bij artikel 14.

De intensiteit van de verbintenis van de Staat is volledig anders voor en na een schadegeval. Zolang er zich geen schadegeval voordoet, is de verbintenis van de Staat slechts eventueel, en de waarschijnlijkheid dat er ooit beroep op gedaan wordt is zeer laag: de normale gang van zaken is dat er zich geen enkel kernongeval zal voordoen en dat noch de exploitant noch de Staat ooit iemand zullen moeten vergoeden. Van zodra er zich echter een schadegeval heeft voorgedaan, zullen er normaal gezien schadevergoedingen verschuldigd zijn ten belope van het PML; hun eindbedrag zal misschien hoger of lager liggen dan het PML, maar het PML is de beste beschikbare raming van het maximumbedrag dat uitbetaald zal dienen te worden. Het is hier niet meer mogelijk om te rekenen op een loutere eventualiteit waarvan het risico dat ze zich voordoet zeer gering is. De aansprakelijke exploitant zal schadevergoedingen verschuldigd zijn en de Staat staat hier borg voor, in de mate dat deze schadevergoedingen de verzekeringsdekkingen overschrijden. De situatie is min of meer hetzelfde als wanneer de Staat borg zou staan voor een lening van de exploitant.

Hieruit vloeien twee gevolgen voort. Ten eerste moet de Staat dus op gepaste wijze vergoed worden voor een waarborg die gelijk gesteld kan worden met de waarborg voor een lening. Dit is de functie van het provisietarief post-ongeval, vastgelegd in bijlage 2. Dit tarief hangt af van de solvabiliteit van de exploitant, die blijkt uit zijn financiële rating. De tarieven vermeld in bijlage 3 zijn afkomstig van de Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (PBEU, 20 juni 2008, C 155, p. 10).

Dit tarief wordt toegepast voor zover de Staat de betaling van de schulden uit hoofde van schadevergoedingen van de aansprakelijke exploitant moet betalen, dit wil zeggen voor zover het PML het beschikbare bedrag van de verzekeringsdekkingen overschrijdt, met uitsluiting uit de berekening natuurlijk van de schadevergoedingen die reeds aan de slachtoffers werden uitbetaald en die zowel op het PML als op het beschikbaar saldo van de verzekeringsdekkingen aangerekend worden. Dit is het begrip "niet-gedekt rest-PML".

De exploitant kan aan deze provisie post-ongeval ontsnappen of deze doen zakken door liquide middelen uitsluitend bestemd voor de betaling van deze schadevergoedingen te blokkeren onder de vorm van sekwesterfondsen. De eventuele sekwesterfondsen verminderen het bedrag van het niet-gedekt rest-PML verhoudingsgewijs.

In de tweede plaats worden de aanwezige verzekeringspolissen als er zich een schadegeval voordoet ingeroepen en worden deze interventies aangerekend op de dekkingslimiet van deze polissen. Als er zich daarna een tweede schadegeval voordoet, is het mogelijk dat de nog beschikbare dekkingslimiet onvoldoende blijkt. Voor de berekening van het daaruit voortvloeiende verzekeringsdeficit moet dan ook rekening gehouden worden met het feit dat een deel van de dekking reeds gebruikt werd. Zolang de verzekeringen niet hernieuwd werden, dit wil zeggen zolang de verzekeraars de aanvankelijke dekkingslimiet niet terug ingesteld hebben, moet het PML dan ook aangerekend worden op de dekkingslimiet als het eventueel verzekeringsdeficit bepaald dient te worden. De noodzaak en de mate van een dergelijke aanrekening zullen bepaald worden in functie van de modaliteiten van de polissen, met name of ze in een mechanisme met een globale limiet of in een limiet per schadegeval of in een combinatie van de twee voorzien.

Een voorbeeld ter illustratie van het voorgaande is nuttig.

Laat ons ervan uitgaan dat een exploitant verzekerd is voor zijn volledig risico en met een plafond van 1,2 miljard euro, dat een kernongeval zich voordoet en dat de PML is vastgesteld op 500 miljoen euro. Conform artikel 29, 2° dient die 500 miljoen euro te worden aangerekend op de verzekeringsdekking van de exploitant. De exploitant wordt vervolgens geacht slechts verzekerd te zijn voor een bedrag van 700 miljoen euro, wat aanleiding geeft tot een verzekeringsdeficit van 500 miljoen euro waarop een waarborgprovisie verschuldigd zal zijn.

Dit is te wijten aan het feit dat, wanneer een tweede ongeval zich voordoet en schade veroorzaakt voor een bedrag van 1,2 miljard euro, de verzekeraars hun dekkingslimiet kunnen inroepen ten aanzien van het geheel van de schade die door beide ongevallen werd veroorzaakt; terwijl de vergoedbare schade op 1,7 miljard euro geëvalueerd wordt zullen de verzekeraars dus slechts tussenkomen voor een bedrag van 1,2 miljard euro en zal de Staat 500 miljoen dienen te dekken. Dit verzekeringsdeficit zal verdwijnen wanneer de verzekeraars een nieuwe dekking verstrekken voor 1,2 miljard euro, zonder beperking beschikbaar ter dekking van eventuele toekomstige kernongevallen.

Art. 30 Dit artikel legt een mechanisme vast voor de berekening en de voorlopige uitbetaling van de waarborgprovisie als niet alle elementen voor de berekening ervan op tijd beschikbaar zijn.

Dergelijke situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen na een kernramp.

Het vastleggen van een eerste PML bedrag overeenkomstig artikel 14 zal tijd kosten. Eens dit gebeurde zal desgevallend dienen te worden overgegaan tot het retroactief berekenen van de verschuldigde post-ongeval provisie conform artikel 29, 1°, en dit vanaf de dag waarop het ongeval zich voordeed.

Art. 31 De marktdeskundige waarvan sprake in artikel 31 is degene waarop indien nodig beroep gedaan wordt voor de berekening van de indexering van de waarborgprovisietarieven, voor het bepalen van de tarieven verschuldigd voor bijkomende segmenten of om de waarborgprovisies met betrekking tot transporten te berekenen als de in artikel 31 bepaalde formules niet voldoende blijken.

Deze deskundige zal op voorhand aangesteld worden door een openbare aanbestedingsprocedure, om "als reserve" beschikbaar te zijn en snel te kunnen tussenkomen als en van zodra dit nodig is.

Art. 32 Artikel 32 betreft bepaalde modaliteiten van de aanstelling van de marktdeskundige. Rekening houdend met zijn rol van neutrale en onafhankelijke tussenkomende partij die beslissingen kan nemen die bindend zijn voor de Staat en voor de exploitanten, wordt bepaald dat bij ernstige tekortkomingen van zijnentwege, zowel de Staat als de meerderheid van de exploitanten hem kunnen ontslaan.

Art. 33 Artikel 33 wil ervoor zorgen dat de verzekeraars kwalitatief hoogstaand zijn. Dit is belangrijk, zowel om te vermijden dat de Staat slachtoffers moet vergoeden door in te plaats te treden van een verzekeraar die ondertussen insolvent is geworden als om praktische problemen te vermijden, bijvoorbeeld bij het beheer van schadegevallen of bij overleg om de PML's vast te leggen.

Rekening houdend met de beperkte markt is het toegelaten af te wijken van deze kwaliteitsvereisten. Soms is het beter een niet zo goede verzekeraar te hebben dan helemaal geen verzekeraar.

Art. 34 Dit artikel verplicht de exploitant zijn polissen professioneel te beheren.

Art. 35 Dit artikel verplicht de exploitant de Staat alle nuttige informatie te verstrekken betreffende de verzekeringen.

Art. 36 Dit artikel voert een rechtstreeks communicatiekanaal in tussen de Staat, de verzekeraars en de verzekeringsmakelaars.

Art. 37 Artikel 37 verplicht de exploitant opnieuw te zorgen voor een volledige verzekeringsdekking als de bestaande dekking volledig of gedeeltelijk opgebruikt werd door een schadegeval, in de mate van het mogelijke en in functie van de capaciteiten van de markt.

Art. 38 Het Verdrag van Parijs legt de aansprakelijkheid voor kernongevallen die zich voordoen in een kerninstallatie ten laste van de exploitant ervan. Dit geldt eveneens voor ongevallen waarbij nucleaire stoffen betrokken zijn die afkomstig zijn van deze installatie. Deze aansprakelijkheid is exclusief, dit wil zeggen dat niemand anders aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. De aansprakelijkheid voor een vervoer van nucleaire stoffen ligt dus in principe bij de exploitant van de installatie van waar het vervoer vertrokken is, aangezien de vervoerde nucleaire stoffen van daar afkomstig zijn. Dit houdt tegelijkertijd in dat het de exploitant van deze installatie is die dit vervoer moet verzekeren en dat de verdragsluitende Staat van het land waar de installatie gelegen is moet tussenkomen als de vereiste verzekeringen niet aanwezig zijn. De Belgische Staat moet dus borg staan voor de aansprakelijkheid van de exploitanten van Belgische installaties voor ongevallen die zich zouden voordoen tijdens het vervoer van nucleaire stoffen afkomstig van deze installaties, ook al doet het ongeval zich voor in het buitenland. Ze staat daarentegen niet borg voor de gevolgen van een ongeval dat zich zou voordoen in België naar aanleiding van een vervoer afkomstig van een andere Staat. De waarborgverplichting berust dan op deze andere Staat - ervan uitgaande dat deze partij is bij het Verdrag van Parijs.

Artikel 4 van het Verdrag van Parijs voorziet echter in een afwijkende regeling. Deze bepaling verdeelt in de eerste plaats de aansprakelijkheid voor transporten over de exploitant van de installatie van vertrek en de exploitant van de installatie van bestemming, als het vervoer gebeurt van een installatie naar een andere, waarbij de aansprakelijkheid van de eerste overgaat op die van de tweede op het in het Verdrag gespecificeerde ogenblik. Daarnaast biedt deze bepaling de verdragsluitende staten de mogelijkheid toe te laten dat de aansprakelijkheid van de exploitant van de installatie verlegt wordt naar de vervoerder, mits enkele voorwaarden. De wet van 22 juli 1985 maakt gebruik van deze mogelijkheid, in artikel 14, lid 1, 2°. Het Verdrag van Parijs voegt eraan toe dat indien de aansprakelijkheid van de exploitant bij de vervoerder komt te berusten, de vervoerder dus zelf beschouwd wordt als exploitant van een kerninstallatie gelegen in de betreffende Staat. Het verleggen van de aansprakelijkheid verandert dus niets aan de identificatie van de Staat die als borg moet tussenkomen; dit blijft de Staat van afkomst, en vervolgens eventueel die van bestemming van het vervoer, ongeacht de plaats waar het ongeval zich voordoet of de plaats waar de schade geleden wordt.

Artikel 38 breidt het toepassingsgebied van het waarborgprogramma uit zodat het ook de aansprakelijkheid kan dekken van vervoerders naar wie de aansprakelijkheid van de exploitant van een Belgische kerninstallatie verlegd is. De waarborg van de Belgische Staat kan dus in het voordeel spelen van slachtoffers van ongevallen die zich voordoen in België maar ook in het buitenland, in het kader van een vervoer. Artikel 38 laat daarentegen niet toe dat transporten van nucleaire stoffen op doorreis in België, dit wil zeggen transporten afkomstig van of op weg naar andere landen, gedekt worden door de staatswaarborg, zelfs niet bij een ongeval dat zich voordoet in België. Het Verdrag van Parijs stelt dergelijke waarborg niet verplicht en artikel 10/1 van de wet van 22 juli 1985 geeft U niet de bevoegdheid deze toe te kennen.

Art. 39 De marktpremies voor transporten zijn het resultaat van formules met meerdere parameters (vervoerswijze, afgelegde afstand, soort stof, aantal pakketten, etc.) en worden per transport betaald. Het werd dus verkieslijk geacht om de marktprijs voor elk vervoer afzonderlijk te beoordelen en op basis hiervan een waarborgprovisie vast te leggen voor elk vervoer afzonderlijk.

Artikel 39 van het ontwerpbesluit voorziet bijgevolg in een berekeningsformule die voor elk vervoer de vergoeding voor de Staat extrapoleert, op basis van het bedrag van de door de verzekeraars gevraagde premies. De formule houdt voor elk segment afzonderlijk rekening met het verzekeringsdeficit, de eventuele toepasselijke vermeerderingen en de limiet van de verzekeringen van de exploitant, en weegt elk segment met een percentage dat de relatieve kostprijs voor de verzekering van het segment in kwestie vertegenwoordigt, verkregen op basis van de provisietabel. Het resultaat wordt vermeerderd met 15 % bij wijze van supplement ten opzichte van de marktprijzen.

Aangezien de formule reeds de vermeerderingsfactoren integreert die eventueel op elk van de segmenten van toepassing zijn, moet het resultaat van de formule geen tweede keer onderworpen worden aan de toepassing van artikels 22, 24 en 27.

Art. 40 Artikel 40 legt de opeisbaarheidsdatum van de waarborgprovisies met betrekking tot vervoer vast. De aan de Staat verschuldigde provisie is in principe opeisbaar telkens als er een overeenstemmende premie betaald wordt aan private verzekeraars. Als een dergelijk parallellisme niet werkt - wat bijvoorbeeld het geval kan zijn als de marktdeskundige tussenkomt en voor de Staat een provisie vastlegt die niet strikt gebonden is aan de betaling van verzekeringspremies - is de betaling opeisbaar op verzoek.

Art. 41 Transporten van nucleaire stoffen dienen vergezeld te zijn van een verzekeringscertificaat. Artikel 41 belast de minister met het organiseren van de gezamenlijke uitgifte van het certificaat, samen met de betrokken verzekeraars en de minister van Economie, als een vervoer gedeeltelijk gedekt wordt door verzekeringen en gedeeltelijk door de staatswaarborg.

Art. 42 Alle door de Staat naar aanleiding van het waarborgprogramma gemaakte kosten zijn ten laste van de exploitant, overeenkomstig artikel 10/1, § 2, van de wet van 22 juli 1985.

Bepaalde kosten hebben betrekking op het programma in het algemeen: bijvoorbeeld de kosten voor het juridisch advies ingewonnen voor de opstelling van het ontwerpbesluit of voor de goedkeuring van het ontwerp door de Europese Commissie. Dit zijn de zogenaamde globale kosten, die over alle exploitanten verdeeld worden overeenkomstig artikel 42.

Lid 3 heeft tot doel te vermijden dat exploitanten die later bij het waarborgprogramma zouden aansluiten niet zouden moeten bijdragen tot de aanvankelijke globale kosten en zo een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel zouden krijgen. Het nieuwe lid moet een toetredingsprovisie betalen die overeenstemt met het aandeel in de aanvankelijke globale kosten dat hij zou moeten betalen hebben als hij van bij het begin had deelgenomen aan het programma. Deze toetredingsprovisie is definitief door de Staat verworven en wordt niet herverdeeld onder de eerste generatie exploitanten.

Art. 43 Andere kosten kunnen enkel betrekking hebben op een bepaalde exploitant, bijvoorbeeld de kosten voor het beheer van een schadegeval. Dit zijn de zogenaamde specifieke kosten, die aan de exploitant doorgerekend worden overeenkomstig artikel 43.

Art. 44 Artikel 44 kent aan de minister of diens afgevaardigde de bevoegdheid toe om te beslissen welke van de gemaakte kosten van globale en welke van specifiek aard zijn.

Art. 45 Artikel 45 verduidelijkt dat het waarborgprogramma opgericht wordt voor een onbepaalde duur, dit wil zeggen dat er momenteel geen einddatum bepaald wordt. Dit programma heeft echter niet de intentie eeuwigdurend te zijn. Aangezien de staatswaarborg subsidiair is ten opzichte van de markt, is het de bedoeling een einde te maken aan het programma van zodra de verzekeringsmarkt voldoende ontwikkeld is en de verzekeringsdeficits die de Staat moet waarborgen verdwenen zijn.

Het spreekt voor zich dat, ingevolge artikel 4, § 2, lid 3, en uit artikel 6, § 2, lid 3, van het ontwerpbesluit, de staatswaarborg definitief verworven blijft voor de slachtoffers van kernongevallen die zich zouden hebben voorgedaan tijdens de geldigheidsduur van de staatswaarborg, zelfs al duikt de schade pas op of wordt de vergoeding ervan pas gevorderd na het beëindigen van het programma.

Art. 46 De beslissing om het waarborgprogramma te beëindigen houdt de opheffing in van het besluit waarvan het ontwerp aan U wordt voorgelegd en kan enkel gebeuren door middel van een nieuw besluit, dat U te gepasten tijde ter goedkeuring zal worden voorgelegd.

Voor de rechtszekerheid van de exploitanten is het wenselijk dat deze kunnen rekenen op een voldoende lange vooropzeg voor het waarborgprogramma afloopt. Daarom verplicht artikel 46 de minister ertoe de exploitanten minstens zes maand op voorhand in te lichten.

Gelet op het feit dat de op de markt beschikbare verzekeringspolissen meestal onderhandeld worden voor periodes van een jaar, overeenkomend met een kalenderjaar, is een vooropzeg nodig van minstens zes maand voor de datum van de inwerkingtreding van de nieuwe verzekeringspolissen, dit wil zeggen dat de vooropzeg ten laatste moet gebeuren op 30 juni van het jaar voorafgaand aan het jaar aan het begin of in de loop waarvan het waarborgprogramma zal stopgezet worden.

In de veronderstelling dat het koninklijk besluit dat het waarborgprogramma moet stopzetten nog niet is goedgekeurd op de eerstkomende 30ste juni, is het aan de minister om, onder zijn politieke verantwoordelijkheid, te beoordelen of het reeds gepast is de vereiste vooropzeg te betekenen aan de exploitanten, onder voorbehoud van de latere goedkeuring van het verwachte koninklijk besluit. De vooropzeg heeft tot doel de exploitanten in te lichten over de situatie terwijl ze onderhandelen over de hernieuwing van hun verzekeringspolissen voor het komende jaar. Het maakt voor de verwezenlijking van deze doelstelling geen verschil of de vooropzeg gegeven wordt voor of na de goedkeuring van het koninklijk besluit tot opheffing.

Art. 47 Artikel 47 voorziet in een gelijkaardig mechanisme als dat van artikel 46, voor als de modaliteiten van het waarborgprogramma gewijzigd moeten worden in plaats van het volledig stop te zetten. Dit zou typisch toegepast kunnen worden als het op een bepaald moment nodig zou blijken, rekening houdend met de relatieve evolutie van de prijzen op de verzekeringsmarkt in de verschillende segmenten, om de provisietabel te wijzigen.

Een exploitant die niet akkoord zou gaan met de opgelegde wijzigingen kan ervoor kiezen uit het programma te stappen. Dit wordt vooropgesteld in lid 2 van artikel 47.

Art. 48 Artikel 48 behandelt een andere mogelijke situatie, met betrekking tot de uitsluiting van een welbepaalde exploitant, eerder dan de stopzetting of de wijziging van het gehele waarborgprogramma. Een dergelijke uitsluiting valt onder de bevoegdheid van de minister en vereist geen interventie van Uwentwege, in tegenstelling tot bij de hypothesen vermeld in de twee voorgaande artikels.

Art. 49 Dit artikel laat een exploitant toe op eigen initiatief uit het programma te stappen.

Art. 50 De informatie die op basis van dit artikel aan de minister van Economie gegeven dient te worden, heeft tot doel deze in staat te stellen de verantwoordelijkheden uit te oefenen die hem werden toevertrouwd door artikel 8, lid 2 van de wet van 22 juli 1985.

Art. 51 De exploitant blijft in elk geval in de toekomst gebonden door bepaalde verplichtingen die logischerwijs van toepassing moeten blijven, ongeacht de reden waarom het waarborgprogramma voor hem werd stopgezet (stopzetting van het programma in zijn geheel, niet-aanvaarding van de wijzigingen aan het programma door de exploitant, uitsluiting of verzaking). Dit wordt verduidelijkt in artikel 51.

De Staat blijft inderdaad gehouden borg te staan voor de gevolgen van kernongevallen die zich voordoen voor het einde van het programma en dit maakt het behoud van bepaalde hiermee verband houdende verplichtingen van de exploitant noodzakelijk: terugbetaling van de bedragen die de Staat uitbetaald zou hebben uit hoofde van de waarborg, beheer van schadegevallen, bijdrage in de kosten, betaling van de provisie post-ongeval, etc.

Art. 52 Artikel 52 verduidelijkt dat, als het ontwerpbesluit aan de minister of diens afgevaardigde de bevoegdheid geeft om bepaalde elementen nodig voor de toepassing van het waarborgprogramma vast te leggen (bijvoorbeeld het onredelijk karakter van bepaalde door de markt voorgestelde premies of het bedrag van het PML), hun beslissingen hieromtrent bindend zijn voor de exploitant, behoudens bij kennelijke vergissing. Dit zou evident geweest zijn als het waarborgprogramma binnen een louter regelgevende context werkte, maar aangezien het contractueel aspect van de waarborg hier domineert, is het nuttig dit te herhalen. Binnen het contractueel aspect gaat het hier om een vorm van partijbeslissing, dit wil zeggen de bepaling van het voorwerp van de verplichting door een partij.

Art. 53 Dit artikel wil blokkeringen te wijten aan de eventuele onverschilligheid van bepaalde exploitanten vermijden.

Art. 54 Dit artikel betreft de aan de Staat verschuldigde verwijlinteresten.

Art. 55 De wet van 7 december 2016 tot wijziging van de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie wil de inwerkingtreding van de bepalingen van de wet van 22 juli 1985 die het Protocol van 12 februari 2004 ten uitvoer brengen afstemmen op de inwerkingtreding van het Protocol zelf. Het is aangewezen de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit, waarvan de bestaansreden voortvloeit uit deze bepalingen, op dezelfde manier op een lijn te brengen. Dit wordt vooropgesteld in lid 2 van artikel 55.

De exploitanten en de Staat moeten echter wel de kans krijgen vanaf nu de invoering van het waarborgprogramma voor te bereiden. Lid 1 van artikel 55 biedt hen dan ook de mogelijkheid om de hiertoe noodzakelijk toetredingsaktes reeds te sluiten, met dien verstande dat voor de inwerkingtreding van deze toetredingsaktes in een opschortende termijn voorzien moet worden, tot de inwerkingtreding van heel het ontwerpbesluit.

Art. 56 Dit artikel vereist geen commentaar.

Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Financiën, J. VAN OVERTVELDT

ADVIES 62.228/1 VAN 6 NOVEMBER 2017 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT "TOT OPSTELLING VAN EEN WAARBORGPROGRAMMA VOOR DE WETTELIJKE AANSPRAKELIJKHEID OP HET GEBIED VAN DE KERNENERGIE" Op 4 oktober 2017 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Financiën verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit "tot opstelling van een waarborgprogramma voor de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie".

Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 26 oktober 2017.

De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Chantal Bamps, staatsraden, Johan Put, assessor, en Greet Verberckmoes, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Tim Corthaut, auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Marnix Van Damme, kamervoorzitter.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 6 november 2017. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 2. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe de voorwaarden te bepalen waaronder kernexploitanten, inclusief vervoerders, een beroep kunnen doen op het waarborgprogramma voor de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van kernenergie, zoals bedoeld in artikel 10/1 van de wet van 22 juli 1985 "betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie". Het gaat om een subsidiaire waarborgregeling, tegen betaling van vergoedingen die de gewone marktprijs te boven gaan, waarbij de kernexploitanten de segmenten van hun aansprakelijkheid onder de voornoemde wet van 22 juli 1985, die ze niet kunnen afdekken, aan redelijke voorwaarden op de verzekeringsmarkt kunnen laten waarborgen door de Staat, die echter achteraf de eventueel aan de slachtoffers van een kernongeval uitgekeerde bedragen van de kernexploitant kan terugvorderen. Het ontwerp komt derhalve in de eerste plaats neer op een waarborgregeling en niet op het regelen van een verzekeringsovereenkomst.

Het merendeel van de bepalingen van het ontwerp treedt in werking op dezelfde datum als artikel 2, b), van de wet van 7 december 2016 `tot wijziging van de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie'. Overeenkomstig artikel 7 van die wet zou dat op 1 januari 2018 moeten gebeuren, maar bij de Raad van State, afdeling Wetgeving, is advies uitgebracht over een ontwerp van koninklijk besluit dat die datum uitstelt tot 1 januari 2019, omdat de inwerkingtreding van het Protocol van 12 februari 2004 (1) - dat mee de aanleiding was voor de waarborgregeling - verder op zich laat wachten (2). 3.1. In het eerste lid van de aanhef van het ontwerp wordt, bij wijze van rechtsgrond, verwezen naar de artikelen 10/1 en 22 van de voornoemde wet van 22 juli 1985. 3.2. Artikel 10/1, § 1, derde lid, van de wet van 22 juli 1985 bevat een bevoegdheidsdelegatie aan de Koning om bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de termen en voorwaarden vast te stellen voor het toekennen van de waarborg. Artikel 10/1, § 2, van dezelfde wet, bevat bovendien de delegatie voor het bepalen van de vergoeding.

Samen lijken die bepalingen zowel betrekking te kunnen hebben op de procedurele en materiële voorwaarden voor de toekenning van de waarborg, als op de gevallen en de wijze waarop er een beroep op kan worden gedaan.

Sommige bepalingen van het ontwerp, zoals die betreffende de verplichtingen inzake verzekeringsbeheer (hoofdstuk 8), hebben slechts incidenteel een band met de termen en voorwaarden van de waarborg. De gemachtigde verstrekte in dit verband evenwel de volgende toelichting: "Les "termes et conditions" de la garantie d'Etat ont été établis de manière telle que l'intervention de l'Etat reste subsidiaire par rapport au marché de l'assurance. Ceci impose de fixer certaines règles relatives aux assurances qui doivent être souscrites par l'exploitant et à la gestion de ces assurances. Les dispositions du chapitre 8 du projet rentrent dès lors bien dans la sphère des `termes et conditions' de la garantie et dans les limites de l'habilitation".

Rekening houdend met de aangehaalde toelichting kan worden aangenomen dat ook de desbetreffende bepalingen van het ontwerp kunnen worden ingepast in de rechtsgrond biedende bepaling van artikel 10/1 van de wet van 22 juli 1985. 3.3. Artikel 22 van de wet van 22 juli 1985 vormt geen rechtsgrond voor het ontwerp. Het artikel bevat immers geen delegatie aan de Koning en regelt bovendien net de situatie waarin de Staat de onverzekerde kernschade die niet is vergoed door middel van een verzekering of andere financiële zekerheid vergoedt tot het bedrag van de aansprakelijkheid van de kernexploitant. De voorliggende waarborg geldt volgens artikel 5 van het ontwerp echter net als "andere financiële zekerheid" (3).

Algemene opmerkingen 4.1. Naast andere adviesorganen bracht de Commissie voor Verzekeringen op 15 juni 2017 advies uit over de ontworpen regeling. In dat advies worden diverse vragen opgeworpen en bezwaren geformuleerd. De gemachtigde verwijst in dit verband naar de antwoorden en verduidelijkingen die hij eerder, in reactie op het advies van de Commissie voor Verzekeringen, meedeelde aan de Inspectie van Financiën.

De Raad van State, afdeling Wetgeving, heeft van de door de gemachtigde verstrekte antwoorden en verduidelijkingen kennis genomen en suggereert om deze, waar nuttig, in de commentaar die in het verslag aan de Koning bij de onderscheiden artikelen van het ontwerp wordt gegeven, te integreren. Op die wijze kunnen dan tevens onduidelijkheden worden uitgeklaard die in het advies van de Commissie voor Verzekeringen werden aan het licht gebracht.

Bepaalde onduidelijkheden nopen de stellers van het ontwerp volgens de Raad van State, afdeling Wetgeving, evenwel tot een aanpassing van de tekst ervan. Dit is het geval voor de bepalingen vermeld sub 4.2 tot 4.4. 4.2. In artikel 22 van het ontwerp wordt niet met zoveel woorden het geval beoogd van een tekort in de quota share, hoewel het duidelijk de bedoeling is dat ook in dat geval de factor 1,15 wordt toegepast. Er zou kunnen worden opgemerkt dat aangezien de totale aansprakelijkheid van de exploitant in elk geval begrensd is tot 1 200 000 000 euro, elke quota share loss, uiteindelijk ook een vorm van excess loss met zich meebrengt. Niettemin wordt die situatie ter wille van de duidelijkheid het best ook in de tekst van artikel 22 van het ontwerp zelf geëxpliciteerd. 4.3. Het gebruik der tijden bij de redactie van artikel 29 van het ontwerp is verwarrend en wekt de indruk dat iets tezelfdertijd verzekerd en niet verzekerd is. Bijgevolg wordt voor artikel 29, 2°, van het ontwerp, de volgende redactie ter overweging gegeven: "2° voor zover dat het PML met betrekking tot dit kernongeval op het moment van het kernongeval gedekt was door verzekeringen en deze verzekeringen na het kernongeval niet of niet volledig hernieuwd werden, wordt het PML aangerekend op het bedrag van de verzekeringsdekking van de exploitant, om het verzekeringsdeficit en de waarborgprovisie te berekenen". 4.4. De onafhankelijkheidseisen voor de marktdeskundige zouden in artikel 31 van het ontwerp moeten worden ingeschreven. 5. Er werd sub 2 reeds op gewezen dat het ontworpen koninklijk besluit in de eerste plaats een waarborgregeling bevat.Indien desondanks ervoor wordt geopteerd om verzekeringsrechtelijke termen te gebruiken, dient dit op een consequente wijze te gebeuren d.w.z. dat moet worden vermeden om verzekeringstermen te gebruiken en daaraan in sommige bepalingen van het ontwerp een specifieke verzekeringsrechtelijke betekenis te hechten en in andere bepalingen een andere betekenis. Een consequente terminologische keuze dringt zich trouwens op in zowel de Nederlandse als de Franse tekst van het ontwerp (4).

Onderzoek van de tekst Aanhef 6. Ermee rekening houdend dat artikel 22 van de wet van 22 juli 1985 de ontworpen regeling niet tot rechtsgrond strekt (zie de opmerking sub 3.3), volstaat het om het eerste lid van de aanhef van het ontwerp te redigeren als volgt: "Gelet op de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, artikel 10/1, ingevoegd bij de wet van 29 juni 2014;" (5). 7. Men paste de redactie van het lid van de aanhef waarin wordt verwezen naar het advies van de Raad van State aan als volgt: "Gelet op advies 62.228/1 van de Raad van State, gegeven op 6 november 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;".

Artikel 2 8. In artikel 2, § 1, 21°, van het ontwerp, wordt het begrip "meerderheid van de exploitanten" omschreven als "een of meerdere exploitanten die meer dan 50% van de totale aan de Staat verschuldigde waarborgprovisies vertegenwoordigen voor de laatste jaarperiode waarvoor de waarborgprovisies werden berekend, ook al was dit ten voorlopige titel". Deze omschrijving lijkt de mogelijkheid in zich te sluiten dat de "meerderheid van de exploitanten" wordt uitgemaakt door slechts één enkele exploitant, zijnde in de praktijk de exploitant van de kerncentrales van Doel en Tihange.

Dergelijke mogelijkheid wordt door de gemachtigde erkend en als volgt toegelicht: "C'est exact, il peut arriver qu'Electrabel constitue à elle seule la `majorité des exploitants'. C'est la raison pour laquelle le projet n'accorde un rôle à une telle majorité que dans des circonstances limitées et spécifiques, concernant essentiellement les paramètres de calcul de la commission (le critère de détermination de cette majorité étant précisément basé sur la part de chaque exploitant dans le total des commissions). En particulier, une telle majorité n'a aucun rôle quant à la détermination de la commission due par les transporteurs en vertu de l'article 39 du projet ; il n'est donc pas nécessaire ni même utile que la majorité soit représentative des transporteurs".

De door de gemachtigde verstrekte toelichting ten spijt blijft de vraag of er zich geen gevallen kunnen voordoen waarbij de omschrijving van het begrip "meerderheid van de exploitanten", in artikel 2, § 1, 21°, van het ontwerp, tot gevolg kan hebben dat kleinere exploitanten van kerncentrales geconfronteerd worden met voor hen nadelige beslissingen waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen en waartegen voor hen geen voldoende rechtsmiddelen openstaan.

Zo is er het geval van de vaststelling van de door de minister voorgestelde nieuwe marktindex die definitief wordt als de meerderheid van de exploitanten ermee instemt (artikel 23, derde lid, van het ontwerp). Waar de dominante kernexploitant zijn instemming kan onthouden en zo de tussenkomst van de marktdeskundige en verdere onderhandelingen kan afdwingen (6), geldt dit niet voor de andere kernexploitanten, die nochtans een ander profiel hebben en voor wie de indexering dus ook anders zou kunnen gebeuren. De facto wordt hun stem niet in rekening gebracht en ze kunnen niet de interventie van de marktdeskundige afdwingen. Het risico bestaat dat op die manier een voor hen negatieve beslissing wordt genomen zonder dat rekening wordt gehouden met hun specifieke situatie en zonder dat een duidelijk rechtsmiddel openstaat tegen de desbetreffende beslissing.

Een ander geval betreft de vaststelling van de basisprovisie voor een bijkomend segment (artikel 25 van het ontwerp). Ook hier doet de minister een voorstel dat definitief wordt "als de meerderheid van de exploitanten hiermee akkoord gaan of als alle exploitanten die geconfronteerd worden met een verzekeringsdeficit voor het bijkomend segment (hierna de "betrokken exploitanten" genoemd) hiermee akkoord gaan". Waar de tweede hypothese unanimiteit veronderstelt (en dus eventueel ook de instemming van de kleinere kernexploitanten indien zij geraakt worden door dat bijkomende segment), moet worden vastgesteld dat die hypothese in de praktijk volledig kan worden ongedaan gemaakt indien de eerste hypothese zich voordoet: indien immers de dominante kernexploitant akkoord gaat, lijkt de tweede hypothese er niet toe te doen, terwijl in geval van niet-akkoord van de dominante kernexploitant geen unanimiteit wordt bereikt. Ook in dit geval bestaat dus het risico dat een voor de kleinere kernexploitanten negatieve beslissing wordt genomen zonder dat rekening wordt gehouden met hun specifieke situatie en zonder dat voor hen een duidelijk rechtsmiddel openstaat tegen de beslissing in kwestie.

De omschrijving van het begrip "meerderheid van de exploitanten", in artikel 2, § 1, 21°, van het ontwerp, dreigt op gespannen voet te komen met de grondwettelijk gewaarborgde beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie in zoverre uit die omschrijving voortvloeit dat kleinere exploitanten van kerncentrales in vergelijking met de dominante kernexploitant onvoldoende worden betrokken bij sommige van de hen aanbelangende beslissingen en zij met betrekking tot die beslissingen evenmin over voldoende rechtsmiddelen beschikken.

Artikel 23 9. In artikel 23, derde lid, 4°, van het ontwerp, wordt melding gemaakt van "richtlijnen voor de marktexpertise".Deze richtlijnen worden weergegeven in bijlage 2 bij het ontwerp. Aan de gemachtigde werd gevraagd welke de juridische waarde is van de voornoemde richtlijnen. Hij antwoordde: "La nature des lignes directrices est précisée à l'article 23, alinéa 3, 4° : l'expert doit "s'en inspirer". Il s'agit donc de recommandations indicatives. Ce choix s'explique par le fait qu'il est impossible de prévoir exactement les situations auxquelles l'expert sera confronté et qu'il paraît nécessaire à la fois d'encadrer le travail de l'expert par certaines directives et de lui laisser la liberté de les compléter ou de s'en écarter si les circonstances l'exigent, selon son meilleur jugement de professionnel compétent".

Vastgesteld moet worden dat de Franse tekst van artikel 23, derde lid, 4°, van het ontwerp, waarnaar de gemachtigde in zijn antwoord verwijst, het best aansluit op de bedoeling die blijkbaar aan die bepaling ten grondslag ligt en waarin wordt uitgegaan van richtlijnen die uitsluitend gelden als "inspiratiebron" voor de marktdeskundige en zonder dat deze te zijnen opzichte een bindende waarde hebben. Uit de Nederlandse tekst van artikel 23, derde lid, 4°, van het ontwerp, valt daarentegen af te leiden dat de marktdeskundige zich dient te "baseren" op de richtlijnen, hetgeen wijst in de richting van een striktere binding aan de richtlijnen. Het verdient daarom aanbeveling om de Nederlandse tekst van het ontwerp op dit punt nauwkeuriger te laten aansluiten bij de Franse tekst.

De griffier, De voorzitter, G. Verberckmoes. M. Van Damme. (1) Protocol "houdende wijziging van het Verdrag van 31 januari 1963 tot aanvulling van het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, zoals gewijzigd bij het Aanvullend Protocol van 28 januari 1964 en bij het Protocol van 16 november 1982, gedaan te Parijs op 12 februari 2004". (2) Adv.RvS 62.257/3 van 30 oktober 2017 over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de artikelen 5 en 7 van de wet van 7 december 2016 tot wijziging van de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie". (3) De door de gemachtigde op dit punt verstrekte toelichting doet geen afbreuk aan de vaststelling dat artikel 22 van de wet van 22 juli 1985 de ontworpen regeling niet tot rechtsgrond strekt.De gemachtigde deelde immers het volgende mee: "Les deux dispositions, l'article 10/1 et l'article 22, doivent nécessairement se lire conjointement l'une avec l'autre. L'article 22 impose en effet en toute hypothèse à l'Etat de couvrir les dommages nucléaires non assurés et la garantie émise conformément à l'article 10/1 ne fait que confirmer cela. C'est ce qui explique la référence aux deux dispositions". (4) Zo wordt in bijvoorbeeld artikel 30 van het ontwerp in de Nederlandse tekst melding gemaakt van een "provisie", waarmee in de Franse tekst de term "commission" overeenstemt. (5) Indien de stellers van het ontwerp de verwijzing naar artikel 22 van de wet van 22 juli 1985 zouden willen behouden omdat dergelijke verwijzing volgens hen nuttig is voor een goed begrip van de ontworpen regeling, dient aan het eerste lid van de aanhef van het ontwerp de volgende zinsnede te worden toegevoegd ", en artikel 22, gewijzigd bij de wet van 29 juni 2014;". (6) Overeenkomstig artikel 23, derde lid, 7°, van het ontwerp, bindt de beslissing van de marktdeskundige de Staat en de kernexploitanten, behoudens kennelijke vergissing, maar de Staat en de meerderheid van de kernexploitanten kunnen in elke fase van de procedure voor het overhandigen van het eindverslag van de marktdeskundige zelf een akkoord bereiken (artikel 23, vierde lid, van het ontwerp). 10 DECEMBER 2017. - Koninklijk besluit tot opstelling van een waarborgprogramma voor de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, artikel 10/1, ingevoegd bij de wet van 29 juni 2014;

Gelet op het advies van de Algemene Administratie van de Thesaurie, gegeven op 10 mei 2017;

Gelet op het advies van de FSMA, gegeven op 15 juni 2017;

Gelet op het advies van de Commissie voor Verzekeringen, gegeven op 15 juni 2017;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 22 juni 2017;

Gelet op de beslissing SA.46602 van de Europese Commissie, genomen op 14 juli 2017;

Gelet op de akkoordbevinding van de minister van Begroting, gegeven op 28 augustus 2017;

Gelet op advies 62.228/1 van de Raad van State, gegeven op 6 november 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de minister van Financiën en op het advies van de in raad vergaderde ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Voorwerp en definities

Artikel 1.Overeenkomstig artikel 10/1 van de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie legt dit besluit de termen en voorwaarden vast van een programma voor een staatswaarborg voor bepaalde wettelijke aansprakelijkheidsrisico's van exploitanten van kerninstallaties. De staatswaarborg is subsidiair, de wettelijke aansprakelijkheidsrisico's van de exploitanten van kerninstallaties dienen bij voorrang te worden gedekt door verzekeringen of financiële zekerheden die op de markt worden aangeboden.

Art. 2.§ 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° wet van 22 juli 1985 : de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie;2° waarborgprogramma : het waarborgprogramma waarvoor dit besluit de termen en voorwaarden vastlegt;3° exploitant : de exploitant van een kerninstallatie op het Belgisch grondgebied of de vervoerder van nucleaire stoffen bedoeld in artikel 39, onderworpen aan de wet van 22 juli 1985, die zich aangesloten heeft bij het waarborgprogramma overeenkomstig artikel 4;4° kerninstallatie : de kerninstallatie, in de zin die artikel 1 van de wet van 22 juli 1985 aan deze term geeft, gespecificeerd in de toetredingsakte gesloten tussen de exploitant en de Staat, met dien verstande echter dat de referenties naar een kerninstallatie in dit besluit zonder voorwerp worden als het gaat om een vervoerder van nucleaire stoffen die beschouwd wordt als een exploitant op basis van artikel 39;5° toetredingsakte : de akte van toetreding tot het waarborgprogramma bedoeld in artikel 4;6° verzekeraar : de verstrekker van een verzekering of een andere financiële zekerheid zoals bedoeld in artikel 10(a) van het Verdrag van Parijs;7° verzekering : een verzekering of een andere financiële zekerheid zoals bedoeld in artikel 10(a) van het Verdrag van Parijs;8° aansprakelijkheidsplafond : het maximaal bedrag waarvoor de betreffende exploitant aansprakelijk gesteld kan worden bij een kernongeval, bepaald door of krachtens artikel 7 van de wet van 22 juli 1985;9° vermoedelijk maximaal verlies of PML (Probable Maximum Loss) : de vermoedelijke maximumwaarde van de kernschade veroorzaakt door een kernongeval waarvoor de exploitant aansprakelijk zou kunnen zijn overeenkomstig de wet van 22 juli 1985, deze waarde wordt vastgesteld en vervolgens aangepast overeenkomstig artikel 15;10° aansprakelijkheidsrisico : alle risico's waarvoor de exploitant overeenkomst de wet van 22 juli 1985 aansprakelijk gesteld kan worden;11° segment : een subgeheel van het aansprakelijkheidsrisico, omschreven op basis van een soort gevaar of schade, maar niet op basis van een dekkingsgraad;12° markt : de private verzekeringsmarkt die dekking biedt voor het volledige of voor een deel van het aansprakelijkheidsrisico;13° jaarperiode : een kalenderjaar en, voor de eerste keer, het jaar van de inwerkingtreding van de bepalingen van dit besluit, vermeld in artikel 56, lid 2;14° marktstudie : het proces van de diepgaande studie van de markt en van het actief aanvragen van verzekeringsoffertes bedoeld in artikel 19, § 1;15° verslag van tekortkoming : het als dusdanig omschreven verslag in artikel 20, lid 2;16° verzekeringsdeficit : het verschil, voor een exploitant en een segment op een gegeven ogenblik, tussen het door de verzekering van de exploitant gedekte bedrag voor het betreffende segment en het toepasselijke aansprakelijkheidsplafond;17° waarborgprovisie : de krachtens hoofdstuk 6 of van artikel 40 verschuldigde provisiecommissie;18° waarborgprovisietarief : voor een bepaald segment en onverminderd artikels 23, 25 en 28, a) als het segment voorkomt in de provisietabel, het jaarlijks percentage vermeld in de tabel met betrekking tot dit segment voor het betreffende soort kerninstallatie, of b) indien het niet voorkomt in de tabel, het jaarlijks percentage vastgelegd overeenkomstig artikel 26, in beide gevallen rekening houdend met de indexeringen uitgevoerd overeenkomstig artikel 24, en in beide gevallen onder voorbehoud van het geval waarin het desbetreffende segment bij de exploitant in kwestie het voorwerp uitmaakt van een verzekeringsdekking voor een deel van het toepasselijke aansprakelijkheidsplafond en het waarborgprovisietarief vastgelegd overeenkomstig de voorgaande elementen van deze definitie minder bedraagt dan 107,5% van de kostprijs van de verzekering die dit segment gedeeltelijk dekt (de evaluatiemethodologie voor deze kostprijs is degene vermeld in artikel 26, en deze kostprijs wordt uitgedrukt als een percentage van de gedekte bedragen), in welk geval het voor deze exploitant toepasselijke waarborgprovisietarief voor dit segment gelijk zal zijn aan 115% van deze kostprijs;19° marktindex : voor het jaar 2017 100, en nadien de index zoals vastgelegd overeenkomstig artikel 24, met dien verstande dat deze index nooit minder dan 100 mag bedragen;20° provisietabel : de tabel in bijlage 1;21° meerderheid van de exploitanten : een of meerdere exploitanten die de gewone meerderheid van de exploitanten en meer dan 50% van de totale aan de Staat verschuldigde waarborgprovisies vertegenwoordigen voor de laatste jaarperiode waarvoor de waarborgprovisies werden berekend, ook al was dit ten voorlopige titel;22° marktdeskundige : de overeenkomstig artikel 32 aangestelde deskundige;23° richtlijnen voor de marktexpertise : de richtlijnen in bijlage 2;24° bijkomend segment : een in artikel 26 als dusdanig omschreven segment;25° sekwesterfondsen : contanten of effecten van de staatsschuld die de exploitant heeft gedeponeerd bij een financiële instelling, die voor dit doel goedgekeurd werd door de minister of diens afgevaardigde, op vraag van de exploitant, volgens modaliteiten die : a) door de minister of diens afgevaardigde naar vorm en inhoud bevredigend werden verklaard, b) in een zekerheids- of afscheidingsmechanisme voorzien, zodat de fondsen buiten het bereik van de schuldeisers van de exploitant zijn, tenzij het gaat om begunstigden van de onder c) bedoelde vergoedingen, en c) voorzien dat de fondsen enkel mogen dienen voor de vergoeding van de kernschade veroorzaakt door het kernongeval naar aanleiding waarvan ze werden gedeponeerd, en enkel kunnen worden teruggegeven aan de exploitant als en in de mate dat het saldo van de sekwesterfondsen hoger is dan het gedeelte van het PML voor dit kernongeval dat niet volledig gedekt is door verzekeringen en nog geen aanleiding heeft gegeven tot het uitbetalen van schadevergoedingen;26° provisietarief post-ongeval : het jaarlijks percentage vermeld in de tabel van bijlage 3, naast de langetermijnrating die één of meerdere ratingbureaus, waarvan de lijst door de Minister wordt opgesteld, op het ogenblik in kwestie aan de exploitant hebben toegekend, met dien verstande dat : a) als meerdere bureaus verschillende ratings toekennen aan de exploitant, het provisietarief post-ongeval gelijk is aan het gemiddelde van de tarieven die voortvloeien uit deze verschillende ratings, b) de minister kan ten allen tijde, als de evolutie van de markt of de regelgeving dit rechtvaardigt, één of meerdere bureaus toevoegen aan of schrappen uit de lijst en, wanneer een bureau wordt toegevoegd, bepaalt hij indien nodig de ratingniveaus die overeenkomen met deze in de tabel, en c) als geen van de bureaus vermeld in de door de Minister opgestelde lijst op het ogenblik in kwestie een langetermijnrating aan de exploitant heeft toegekend, is het provisietarief post-ongeval gelijk aan 7,5 % per jaar.De minister of diens afgevaardigde kan echter, op vraag van de exploitant, instemmen met het gebruik van een alternatieve bepaling van de kredietwaardigheid van deze laatste, afkomstig van een onafhankelijke derde, in plaats van de ratings vermeld in de tabel. Deze toestemming kan gepaard gaan met voorwaarden en kan te allen tijde ingetrokken worden; 27° kosten : alle kosten betreffende het waarborgprogramma die de Staat in de loop der tijd maakt, evenals de hierop verschuldigde btw, ongeacht of deze gemaakt worden naar aanleiding van de invoering van het waarborgprogramma, het beheer ervan, de toetreding van een exploitant, het bepalen van de waarborgprovisie, de analyse van ongevallen, het beheer van schadegevallen, de uitbetaling van schadevergoedingen of andere, inclusief met name de erelonen en kosten van raadsmannen (juridisch, financieel, uit het verzekeringswezen of andere), schadegevallenbeheerders (claim handlers), deskundigen (loss adjusters of andere) en de marktdeskundige;de minister of zijn afgevaardigde kan de kost van de werktijd van de ambtenaren of andere aangestelden van de Staat in de kosten opnemen, op basis van de dag- of uurlonen die hij bepaalt, evenals een redelijke evaluatie van de kostprijs van het gebruik van andere middelen van de Staat; 28° specifieke kosten : kosten die specifiek betrekking hebben op een exploitant of op een beperkt aantal geïdentificeerde exploitanten;29° globale kosten : kosten andere dan de specifieke kosten;30° de minister : de minister van Financiën. § 2. Voor de toepassing van dit besluit hebben de termen "Verdrag van Parijs", "kernongeval", "kernschade" en "nucleaire stoffen" de betekenis vastgelegd in artikel 1 van de wet van 22 juli 1985.

Overeenkomstig artikel 3(a) en onder voorbehoud van artikel 4 van het Verdrag van Parijs, wordt een kernongeval beschouwd als "afkomstig" uit een kerninstallatie als het zich heeft voorgedaan in deze kerninstallatie of als het nucleaire stoffen betreft die van deze installatie afkomstig zijn. HOOFDSTUK 2. - Toekenning en reikwijdte van de waarborg

Art. 3.De exploitant van een kerninstallatie gelegen op het Belgisch grondgebied of de vervoerder van nucleaire stoffen bedoeld in artikel 39, onderworpen aan de wet van 22 juli 1985, die wenst te genieten van het waarborgprogramma, dient met dit doel een aanvraag in bij de minister van Economie. Deze aanvraag bevat de verklaring van de exploitant dat de markt niet de verzekeringen aanbiedt die vereist zijn om zijn volledige aansprakelijkheidsrisico te dekken.

De minister van Economie bepaalt of de aanvraag ontvankelijk is en, indien ja, maakt deze over aan de minister van Financiën.

De minister van Financiën biedt de aanvrager de mogelijkheid een akte van toetreding tot het waarborgprogramma te sluiten met de Staat. Deze akte specificeert de betreffende kerninstallatie en de andere relevante gegevens met betrekking tot de aanvrager. Indien nodig bevat ze de bijzondere bepalingen die de minister gepast acht. De minister kan het sluiten van deze akte ondergeschikt maken aan het voorafgaandelijk nakomen van alle of een deel van de in hoofdstuk 5 vooropgestelde verplichtingen door de aanvrager of aan de betaling van een vergoedende provisie tot dekking van de periode voorafgaand aan de toetreding van de aanvrager tot het waarborgprogramma gedurende welke de aanvrager niet over de vereiste verzekeringsdekkingen beschikte.

Het sluiten van de toetredingsakte doet tussen de Staat en de exploitant de rechten en plichten ontstaan die in dit besluit worden bepaald.

Art. 4.§ 1. De Staat waarborgt de betaling van vorderingen tot schadevergoeding voor kernschade, veroorzaakt door een kernongeval afkomstig van de kerninstallatie die erkend werden als zijnde ten laste van de exploitant, voor zover de verzekeringen niet beschikbaar of ontoereikend zijn om deze vorderingen te dekken, tot het bedrag van het aansprakelijkheidsplafond. § 2. Deze waarborg wordt toegekend in uitvoering van artikel 10(c) van het Verdrag van Parijs en artikels 10/1 en 22 van de wet van 22 juli 1985. Het waarborgprogramma houdt voor de Staat geen enkele verplichting in die verder gaat dan deze bepalingen. Het waarborgprogramma houdt voor de Staat geen enkele verplichting in met betrekking tot kernschade geleden buiten het grondgebied, maritieme zones, schepen of luchtvaartuigen, vastgelegd door of krachtens artikel 2 van de wet van 22 juli 1985.

Het waarborgprogramma houdt voor de Staat geen enkele verplichting in met betrekking tot kernongevallen die zich voordeden voor het waarborgprogramma van kracht werd of nadat het beëindigd werd voor de exploitant in kwestie.

Het waarborgprogramma houdt voor de Staat geen enkele verplichting in met betrekking tot kernongevallen die geen aanleiding zouden geven tot schadevergoeding ten laste van de exploitant omwille van elke maatregel tot billijke verdeling van hiertoe bestemde fondsen, genomen in toepassing van artikel 20, lid 2 van de wet van 22 juli 1985, of omwille van elke andere maatregel tot vergoeding van de kosten, voortvloeiend uit de preventieve of herstelmaatregelen van het milieu, genomen in toepassing van artikel 21/1 van de wet van 22 juli 1985.

Art. 5.Het waarborgprogramma en de toetredingsakte vormen geen verzekeringscontract maar een waarborgcontract tussen de Staat en de betrokken exploitant. Ze vestigen een "andere financiële zekerheid" in de zin van het Verdrag van Parijs en van de wet van 22 juli 1985.

Art. 6.De staatswaarborg wordt uitsluitend toegekend ten gunste van slachtoffers die kernschade hebben geleden die veroorzaakt werd door een kernongeval afkomstig van de kerninstallatie in kwestie.

De Staat heeft geen enkele verplichting tot enige uitbetaling, ongeacht of het gaat om een regresvordering of een subrogatoire of andere vordering, aan de exploitant, een verzekeraar of enige andere persoon dan de slachtoffers en hun erfgenamen, behalve indien er vorderingen tegen de Staat zouden bestaan krachtens artikel 6(d) van het Verdrag van Parijs of artikel 21, lid 3 van de wet van 22 juli 1985.

Niemand krijgt recht op de staatswaarborg zolang er zich geen kernongeval heeft voorgedaan dat afkomstig is van de betreffende kerninstallatie en dat aan iemand kernschade berokkent of zal berokkenen. HOOFDSTUK 3. - Terugbetaling door de exploitant

Art. 7.De Staat wordt voor de bedragen die ze op basis van haar borgstelling betaald heeft gesubrogeerd in de rechten en vorderingen van de slachtoffers tegen de exploitant, overeenkomstig artikels 10/1, § 3 en 22, lid 2, van de wet van 22 juli 1985. Daarnaast geniet de Staat van de indeplaatsstelling vooropgesteld in artikel 25, § 1 van de wet van 22 juli 1985.

De exploitant vergoedt de Staat voor elke uitbetaling die de Staat doet op basis van het waarborgprogramma. Deze verplichting tot schadeloosstelling vormt een grond voor de vordering tot terugbetaling van de Staat, die onderscheiden is van de indeplaatsstelling bedoeld in lid 1, en zonder dubbel gebruik.

Art. 8.Elk bedrag dat de Staat uitbetaalt op basis van het waarborgprogramma genereert van rechtswege en zonder ingebrekestelling interesten vanaf de datum van uitbetaling, aan de rentevoet vermeld in artikel 55.

Art. 9.Elk door de exploitant krachtens artikel 8 aan de Staat verschuldigd bedrag wordt, samen met de gegenereerde interesten, betaald binnen de tien dagen nadat de minister of zijn afgevaardigde hierom verzoekt.

Art. 10.De exploitant erkent door de ondertekening van de toetredingsakte dat het desgevallend, in het bijzonder gelet op de aard van de kernschade of het aantal slachtoffers, ongepast of onrealistisch kan blijken om de uitbetaling van schadevergoedingen aan de slachtoffers ondergeschikt te maken aan een definitieve bepaling van de gegrondheid of het exacte bedrag van elke vordering, door hoven en rechtbanken of anders vastgelegd.

Bijgevolg wordt, in toepassing van dit hoofdstuk, elke betaling die de Staat te goeder trouw doet bij wijze van schadevergoeding voor beweerde kernschade, in de mate dat er hiervoor geen of geen afdoende verzekeringen beschikbaar zijn en tot beloop van het aansprakelijkheidsplafond, beschouwd als geldig uitgevoerd. Ze geeft dan ook aanleiding tot een verplichting tot terugbetaling door de exploitant, overeenkomstig artikel 8, ook al heeft het slachtoffer zijn rechten niet aangetoond volgens de bewijsstandaarden die in het algemeen door hoven en rechtbanken geëist worden.

Geen enkel vonnis waarbij de exploitant betrokken is, is tegenwerpelijk aan de Staat tenzij deze laatste in het geding partij is geweest dan wel daarin is opgeroepen.

Art. 11.Niettegenstaande iedere andersluidende bepaling van dit hoofdstuk beschikt de Staat over geen enkel rechtsmiddel om van de exploitant de terugbetaling te vorderen van schadevergoedingen uitbetaald door de Staat die het aansprakelijkheidsplafond overstegen, overeenkomstig artikels 19 of 22/1 van de wet van 22 juli 1985, onverminderd de interesten en kosten. HOOFDSTUK 4. - Beheer van schadegevallen

Art. 12.De exploitant deelt aan de minister of diens afgevaardigde het volgende mee : 1° van zodra hij er kennis van heeft, elke informatie met betrekking tot het bestaan, de aard en de financiële gevolgen van een kernongeval, van kernschade, van een vordering of een risico op een vordering omwille van beweerde kernschade, voor zover dat dit telkens de kerninstallatie betreft, ongeacht of dit al dan niet kan leiden tot het inroepen van de staatswaarborg;en 2° onverwijld, alle andere informatie en verduidelijkingen met betrekking tot de omstandigheden onder 1° die de minister of diens afgevaardigde redelijkerwijs gevraagd zou hebben.

Art. 13.De minister organiseert het beheer van de schadegevallen in het kader van het waarborgprogramma.

De minister kan met name elke overeenkomst sluiten met verzekeraars om schadegevallen gezamenlijk te beheren of aan verzekeraars het beheer van schadegevallen voor rekening van de Staat toevertrouwen. De minister of diens afgevaardigde kan deelnemen aan alle comités die verzekeraars met dit doel oprichten.

De exploitant levert alle vereiste bijstand en samenwerking om tot een efficiënt beheer van de schadegevallen te komen.

De exploitant draagt de kosten die het beheer van de schadegevallen met zich meebrengt, overeenkomstig artikel 44.

Art. 14.De exploitant zorgt ervoor dat de minister of diens afgevaardigde als waarnemer kan deelnemen aan elke procedure door middel waarvan de verzekeraars gezamenlijk de vermoedelijke maximumwaarde van de kernschade veroorzaakt door een kernongeval vastleggen, om het bedrag van hun eigen provisies te bepalen en naderhand aan te passen, en een kopie krijgt van alle documenten en gegevens die naar aanleiding hiervan verstrekt werden. Elk aldus vastgelegd PML-bedrag is bindend voor de exploitant en de Staat, behalve als de minister verklaart dat dit bedrag kennelijk onredelijk is of kennelijk onredelijk is geworden.

Bij ontstentenis van een dergelijke bepaling van het PML, of als de minister verklaard heeft dat het aldus vastgelegde PML kennelijk onredelijk is, bepaalt de minister het bedrag van het PML en past het naderhand aan, te goeder trouw en desgevallend door beroep te doen op (een) door hem gekozen deskundige(n).

De exploitant draagt de kosten die het voorgaande met zich meebrengt, overeenkomstig artikel 44.

Art. 15.De exploitant mag met geen enkele verzekeraar een schikking treffen zonder het voorafgaandelijk schriftelijk akkoord van de minister of diens afgevaardigde. Dit akkoord kan enkel geweigerd worden als de voorgestelde schikking de belangen van de Staat negatief kan beïnvloeden. HOOFDSTUK 5. - Bevraging van de markt

Art. 16.De exploitant zorgt er in de mate van het mogelijke voor dat hij voor zijn volledige aansprakelijkheidsrisico een door de markt verstrekte verzekering bekomt en te allen tijde behoudt.

Art. 17.Ongeacht artikel 17 is de exploitant niet gehouden een verzekering af te sluiten die hem aangeboden of voorgesteld wordt tegen een onredelijke prijs.

Als de exploitant overweegt een verzekeringsvoorstel te weigeren omdat hij van mening is dat de prijs onredelijk is, dient hij de minister hiervan een maand op voorhand op de hoogte te brengen.

De minister beslist binnen de 25 dagen na ontvangst van deze mededeling of de voorgestelde prijs als onredelijk kan worden beschouwd. Een eventuele weigeringsbeslissing dient beknopt gemotiveerd te worden. De minister kan rekening houden met alle relevante omstandigheden, met name met de prijzen aangeboden voor vergelijkbare verzekeringen, met de marktomstandigheden op het ogenblik in kwestie en met het specifiek karakter van de te dekken risico's. Als er binnen deze termijn geen beslissing genomen wordt, wordt de voorgestelde prijs als onredelijk beschouwd en heeft de exploitant de toelating om dit verzekeringsaanbod of -voorstel te verwerpen.

Art. 18.§ 1. Onverminderd artikel 17 bestudeert de exploitant de markt grondig en vraagt hij actief verzekeringsoffertes aan, en dit elk jaar vanaf 1 september voor de volgende jaarperiode. Hiertoe dient de exploitant : 1° beroep te doen op een of meerdere verzekeringsmakelaars of adviseurs die beschikken over erkende competenties op het vlak van dekking van nucleaire aansprakelijkheidsrisico's;2° zowel in België als in het buitenland alle verzekeringsondernemingen of pools van verzekeringsondernemingen die ervoor gekend staan dat ze gelijkaardige risico's voor het volledige of gedeeltelijke aansprakelijkheidsrisico dekken te bevragen, net zoals alle financiële instellingen die ervoor gekend staan dat ze financiële zekerheden verstrekken voor dergelijke risico's;3° onverwijld en daadwerkelijk gevolg te geven aan iedere suggestie betreffende potentiële verzekeraars die de minister of diens afgevaardigde hem doet;en 4° onverwijld een afdoend antwoord te verstrekken op elke vraag tot informatie of andere afkomstig van een potentiële verzekeraar. Lid 1 is echter niet van toepassing of is desgevallend niet langer van toepassing bij risico's waarvoor de exploitant reeds zeker is dat hij beschikt over een volledige verzekeringsdekking tot beloop van het aansprakelijkheidsplafond, voor de jaarperiode in kwestie. § 2. De marktstudie betreffende een jaarperiode wordt als afgerond beschouwd als de exploitant verzekeringen afgesloten heeft die zijn aansprakelijkheidsrisico voor deze jaarperiode volledig dekken of als de exploitant aan de minister een verslag van tekortkoming heeft overhandigd, met dien verstande dat dergelijk verslag niet kan ingediend worden voor 5 januari van de jaarperiode in kwestie.

Art. 19.De exploitant brengt op gezette tijdstippen aan de minister of diens afgevaardigde verslag uit over de stappen die hij ondernomen heeft in het kader van de marktstudie en over de resultaten ervan. Elk verslag bevat minstens de volgende informatie : 1 ° de identiteit van de door de exploitant gekozen verzekeringsmakelaars of adviseurs; 2° de identiteit van de bevraagde verzekeringsondernemingen, pools van verzekeringsondernemingen en financiële instellingen, met een beknopte beschrijving van hun antwoord; 3 ° alle relevante elementen (waaronder de identiteit van de verzekeraar, de omvang van de gedekte risico's, het bedrag van de dekking, de uitsluitingen en premies) van alle ontvangen verzekeringsoffertes of -voorstellen, ongeacht of deze bindend of informatief zijn, en een beknopte beschrijving van het gevolg dat de exploitant eraan gegeven heeft; 4° het antwoord op de vraag of de exploitant een verzekeringsofferte of -voorstel geweigerd heeft of van plan is te weigeren omdat de prijs onredelijk was en indien ja, een gedetailleerde motivering;5° een samenvattende tabel met vermelding van de delen van het aansprakelijkheidsrisico van de exploitant die respectievelijk gedekt en niet gedekt zijn door verzekeringen voor de jaarperiode in kwestie; en 6° in bijlage en behalve indien dit reeds bezorgd werd in een vorig verslag, een kopie van alle borderellen, polissen, dekkingsnota's, contracten, offertes en andere bindende documenten met betrekking tot de verzekeringen die de exploitant heeft afgesloten of van plan is af te sluiten, en een kopie van alle informatieve offertes en voorstellen die de exploitant niet aanvaard heeft. Ten laatste op de 10e dag van elke maand, en voor de eerste keer op 10 oktober, wordt een tussentijds verslag ingediend met betrekking tot de situatie op het einde van de voorgaande maand. Het eindverslag wordt ingediend binnen de tien dagen na de beëindiging van de marktstudie.

Desgevallend bevat het eindverslag (dat dan een "verslag van tekortkoming" wordt genoemd) een verklaring ondertekend door twee bestuurders van de exploitant, of anders door twee personen met een gelijkwaardige functie, dat het onmogelijk bleek verzekeringen af te sluiten die het volledige aansprakelijkheidsrisico van de exploitant dekken voor de jaarperiode in kwestie, ondanks het feit dat de exploitant hiervoor alle mogelijke inspanningen heeft geleverd, samen met een identificatie van het verzekeringsdeficit.

Art. 20.De exploitant bezorgt aan de minister of diens afgevaardigde elke andere informatie of kopieën van documenten die de minister of diens afgevaardigde gevraagd zou hebben met betrekking tot de verzekeringen (inclusief degene die de exploitant niet heeft afgesloten) of de marktstudie. HOOFDSTUK 6. - Waarborgprovisie

Art. 21.Het bedrag van de waarborgprovisie die door de exploitant van een kerninstallatie voor elke jaarperiode aan de Staat verschuldigd is, is voor elk van de segmenten waarvoor er sprake is van een verzekeringsdeficit gelijk aan het bedrag van dit verzekeringsdeficit vermenigvuldigd met het waarborgprovisietarief van toepassing op dit segment en met de marktindex gedeeld door 100. De berekening wordt pro rata temporis aangepast als het waarborgprovisietarief of het bedrag van een verzekeringsdeficit in de loop van de jaarperiode variëren.

Als een exploitant meerdere kerninstallaties uitbaat, wordt de waarborgprovisie afzonderlijk berekend voor elk van deze installaties en is ze ook voor elk apart verschuldigd.

Art. 22.Indien : 1° de modaliteiten van de verzekeringen afgesloten voor een segment waarvoor er sprake is van een verzekeringsdeficit (hierna het "betreffende segment") niet van dien aard zijn dat deze verzekeringen collectief een dekking van eerste rang leveren voor het betreffende segment zodat de tussenkomst van de Staat op basis van het waarborgprogramma in werkelijkheid slechts betrekking moet hebben op de schade-excedenten (excess loss) met betrekking tot het betreffende segment, of indien 2° het gecombineerde effect van verschillende verzekeringen van dien aard is dat een verzekering die geacht wordt een bepaald segment waarvoor er sprake is van een verzekeringsdeficit te dekken (hierna het "betreffende segment") tot beloop van een bepaalde limiet, in bepaalde omstandigheden niet in staat kan zijn de schade in dit segment volledig te vergoeden tot beloop van deze limiet, en een deel van deze schade ongedekt kan laten, omwille van schadevergoedingen betaald voor de schade opgetreden in een ander segment, en dit hoewel de dekkingslimiet van een andere verzekering die dit ander segment dekt niet uitgeput is, of indien 3° de modaliteiten van een verzekering (hierna de "betreffende verzekering") afgesloten voor een segment waarvoor er sprake is van een verzekeringsdeficit (hierna het "betreffende segment") voorzien in een dekking van het type "schade-excedent" (excess loss), tenzij de modaliteiten van alle voor het segment afgesloten verzekeringen van dien aard zijn dat ze tezamen een volledige dekking verschaffen voor alle schade die in het betreffende segment kan optreden tot de interventiedrempel (attachment point) van de betreffende verzekering, wordt het waarborgprovisietarief van toepassing voor het betreffende segment dan vermenigvuldigd met een factor van 1,15.

Art. 23.De minister of diens afgevaardigde evalueert voor 31 januari van elke jaarperiode, op basis van alle informatie waarover hij beschikt, of de marktindex voor deze nieuwe jaarperiode prima facie meer dan 7,5 % naar boven of naar beneden lijkt af te wijken van de voordien geldende marktindex.

Indien dit niet zo is deelt de minister of diens afgevaardigde de exploitanten mee dat de marktindex voor deze nieuwe jaarperiode ongewijzigd blijft.

Anders stelt de minister of diens afgevaardigde aan de exploitanten een nieuwe marktindex voor. Als de meerderheid van de exploitanten hiermee akkoord gaat, wordt de aldus voorgestelde index de marktindex die vanaf deze nieuwe jaarperiode van toepassing is. Indien er geen akkoord bereikt wordt binnen de 30 dagen na het voorstel geeft de minister of diens afgevaardigde de marktdeskundige de opdracht de nieuwe marktindex te bepalen overeenkomstig de volgende procedure : 1° alle door de exploitanten meegedeelde gegevens in het kader van de marktstudie voor de nieuwe jaarperiode en voor de vorige jaren tot en met de jaarperiode waarvoor de voordien geldende marktindex bepaald was, worden overgemaakt aan de marktdeskundige;2° de marktdeskundige kan andere informatiebronnen in acht nemen en de Staat, de exploitanten en derden raadplegen, onverminderd de toepasselijke vertrouwelijkheidsvereisten; 3° de marktdeskundige meet de gemiddelde prijsevolutie van de door de markt gevraagde premies om het aansprakelijkheidsrisico te dekken vanaf de jaarperiode waarvoor de voordien geldende marktindex bepaald was, en bepaalt in overeenstemming hiermee de marktindex die vanaf deze nieuwe jaarperiode van toepassing is.; 4° de marktdeskundige inspireert zich op de richtlijnen voor de marktexpertise en vertrouwt voor het overige op zijn beoordelingsvermogen;5° vooraleer zijn uiteindelijke beslissing te nemen maakt de marktdeskundige een tussentijds verslag over en geeft hij de minister of diens afgevaardigde en de exploitanten een termijn van twee weken om hem hun opmerkingen over te maken;6° de marktdeskundige overhandigt een eindverslag waarin hij de motieven van zijn beslissing beknopt toelicht;dit verslag verbergt of laat elke informatie weg die hem vertrouwelijk werd meegedeeld; en 7° de beslissing van de marktdeskundige is bindend voor de Staat en de exploitanten, behoudens kennelijke vergissing. De minister en diens afgevaardigde en de meerderheid van de exploitanten kunnen echter wel in elke fase van de procedure voor het overhandigen van het eindverslag van de marktdeskundige tot een akkoord komen over de nieuwe marktindex. In dit geval wordt de procedure onderbroken.

Art. 24.Als en zolang als het bedrag van de verzekeringsdekking die de exploitant voor een bepaald segment heeft minder bedraagt dan 20 % van het toepasselijke aansprakelijkheidsplafond, wordt het waarborgprovisietarief dat de exploitant voor dit segment verschuldigd is vermeerderd zoals aangegeven in de provisietabel of, als dit segment niet in de provisietabel voorkomt, overeenkomstig hetgeen bepaald werd in toepassing van artikel 26.

Art. 25.Als de exploitant een verzekeringsdeficit heeft voor een segment dat niet opgenomen is in de provisietabel (hierna een "bijkomend segment" genoemd), wordt het jaarlijks percentage waarvan sprake in artikel 3, § 1, 18°, b) (hierna het "basistarief" genoemd) als volgt vastgelegd voor elk van de vier hypotheses weergegeven in elk van de vier kolommen van de provisietabel : 1° de minister of diens afgevaardigde deelt aan de exploitanten de identificatie van het bijkomend segment mee en stelt hen een basistarief voor dit bijkomend segment voor, onder de vorm van een geheel van vier tarieven die elk overeenkomen met een van de vier te dekken hypothesen;2° als de meerderheid van de exploitanten hiermee akkoord gaan of als alle exploitanten die geconfronteerd worden met een verzekeringsdeficit voor het bijkomend segment (hierna de "betrokken exploitanten" genoemd) hiermee akkoord gaan, wordt het door de minister of diens afgevaardigde voorgestelde tarief het toepasselijke basistarief;3° indien er geen akkoord bereikt wordt binnen de 30 dagen na het voorstel kunnen de minister, diens afgevaardigde of een betrokken exploitant vragen dat het basistarief vastgelegd wordt door de marktdeskundige, eveneens onder de vorm van een geheel van vier tarieven, overeenkomstig de volgende procedure;4° de minister of diens afgevaardigde maakt aan de marktdeskundige alle gegevens en de methodologie over die gebruikt werd bij het opstellen van de originele provisietabel, zoals voorgelegd aan de Europese Commissie in het kader van haar analyse van het waarborgprogramma met betrekking tot het staatssteunregime (hierna de "originele methodologie" genoemd), evenals de door de exploitanten meegedeelde gegevens in het kader van de nieuwe marktstudies voor de nieuwe jaarperiode en, in de mate dat dit relevant is, voor de voorbije jaren;5° de marktdeskundige kan andere informatiebronnen in acht nemen en de Staat, de exploitanten en derden raadplegen, onverminderd de toepasselijke vertrouwelijkheidsvereisten;6° de marktdeskundige legt het basistarief vast door in de mate van het mogelijke dezelfde methodologie te gebruiken als de originele methodologie;7° de marktdeskundige vertrouwt op zijn beoordelingsvermogen, waarbij punt 9 van de richtlijnen voor de marktexpertise mutatis mutandis van toepassing is;8° vooraleer zijn uiteindelijke beslissing te nemen maakt de marktdeskundige een tussentijds verslag over en geeft hij de minister of diens afgevaardigde en de exploitanten een termijn van twee weken om hem hun opmerkingen over te maken;9° de marktdeskundige overhandigt een eindverslag waarin hij de motieven van zijn beslissing beknopt toelicht;dit verslag verbergt of laat elke informatie weg die hem vertrouwelijk werd meegedeeld; en 10° de beslissing van de marktdeskundige is bindend voor de Staat en de exploitanten, behoudens kennelijke vergissing. De minister en diens afgevaardigde en de meerderheid van de exploitanten of de minister en diens afgevaardigde en alle betrokken exploitanten kunnen echter wel in elke fase van de procedure voor het overhandigen van het eindverslag van de marktdeskundige tot een akkoord komen over het toepasselijke basistarief. In dit geval wordt de procedure onderbroken.

Van zodra het basistarief voor een bijkomend segment is vastgelegd, ongeacht of dit gebeurt door een overeenkomst of door de marktdeskundige, is dit basistarief van toepassing op alle exploitanten, ook degenen die geen betrokken exploitant waren op het ogenblik dat dit basistarief werd vastgelegd. Nadien evolueert dit tarief conform artikel 24.

Art. 26.Periodiek wordt in het Belgisch Staatsblad een bijgewerkte versie van de commissietabel gepubliceerd ter informatie. Deze geeft de aanpassingen weer die voortvloeien uit de toepassing van artikels 24 en 26.

Art. 27.Als de exploitant zijn verplichting om een verzekering voor een of meerdere segmenten te bezitten of te behouden niet nakomt, in overtreding op hoofdstuk 5 of 8, wordt het waarborgprovisietarief dat de exploitant voor dit of deze segmenten verschuldigd is voor de duur van deze tekortkoming vermenigvuldigd met een factor van 2,5. Deze vermeerdering is echter niet van toepassing, in voorkomend geval, op het deel van het verzekeringsdeficit waarvan de exploitant kan aantonen dat het hoe dan ook bestaan zou hebben, zelfs hij niet in gebreke was gebleven.

De toetredingsakte kan in de toepassing van de vermeerderingsfactor bedoeld in het eerste lid voorzien, door te verwijzen naar de eerbiediging van alle of een deel van de in hoofdstuk 5 of 8 vooropgestelde verplichtingen gedurende een periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van het waarborgprogramma voor de betrokken exploitant.

Art. 28.De op basis van artikels 22 tot 28 verschuldigde waarborgprovisie dient op voorhand betaald te worden, ten laatste op de laatste dag van februari van de betreffende jaarperiode.

Art. 29.Nadat er zich een kernongeval heeft voorgedaan en totdat de kernschade veroorzaakt door dit kernongeval volledig vergoed werd of totdat het PML met betrekking tot dit kernongeval tot nul is herleid : 1° voor zover dat het PML met betrekking tot dit kernongeval niet volledig gedekt is door verzekeringen of sekwesterfondsen en nog geen aanleiding heeft gegeven tot de uitbetaling van schadevergoedingen (dit deel van het PML wordt hierna het "niet-gedekt rest-PML" genoemd), betaalt de exploitant ten laatste op de 15e van elke maand een bijkomende provisie aan de Staat, die gelijk is aan het bedrag van het niet-gedekt rest-PML op het einde van de voorbije maand, vermenigvuldigd met het provisietarief post-ongeval dat van toepassing was op het einde van de voorbije maand gedeeld door 12;en 2 ° voor zover dat het PML met betrekking tot dit kernongeval gedekt is door verzekeringen en deze verzekeringen niet hernieuwd werden, wordt het PML aangerekend op het bedrag van de verzekeringsdekking van de exploitant, om het verzekeringsdeficit en de waarborgprovisie te berekenen.

Art. 30.Als enig onderdeel van de berekening van een waarborgprovisie nog niet bepaald is op de datum dat deze provisie opeisbaar wordt, deelt de minister of diens afgevaardigde aan de exploitant de onderdelen mee die reeds bepaald werden, evenals zijn beste voorlopige raming voor de onderdelen die nog onbepaald zijn. De exploitant dient de provisie te betalen op de opeisbaarheidsdatum, op basis van het bedrag vermeld in deze kennisgeving, onder voorbehoud van latere aanpassingen naar boven of naar beneden toe, zonder interesten, van zodra de vereiste vastleggingen afgerond zijn. HOOFDSTUK 7. - Marktdeskundige

Art. 31.De marktdeskundige is een bedrijfsrevisor of een accountant, rechtspersoon of natuurlijk persoon, aangesteld voor een vaste termijn van hoogstens vier jaar. De aanstelling kan hernieuwd worden.

De marktdeskundige wordt aangesteld door de minister, overeenkomstig de regels van toepassing bij openbare aanbestedingen. De minister of diens afgevaardigde raadpleegt vooraf de exploitanten aangaande de te weerhouden selectiecriteria. Deze criteria strekken er onder andere toe om de onafhankelijkheid van de marktdeskundige te waarborgen.

Art. 32.De minister of diens afgevaardigde komt met de marktdeskundige de modaliteiten van zijn opdracht overeen, meer in het bijzonder voor wat zijn vergoeding betreft. Deze modaliteiten kunnen clausules tot uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid omvatten, die bindend zijn voor de exploitanten.

De opdracht van de marktdeskundige wordt voortijdig beëindigd, onder voorbehoud van opzegbedingen of andere toepasselijke contractuele bepalingen : 1° in alle omstandigheden, als de minister en de meerderheid van de exploitanten hiermee instemmen, of 2° als de deskundige ernstig tekortschiet bij het vervullen van zijn opdracht, op verzoek van de minister of van de meerderheid van de exploitanten. HOOFDSTUK 8. - Verzekeringsbeheer

Art. 33.De exploitant zorgt ervoor dat de verzekeraars bij wie hij verzekeringen afsluit die zijn aansprakelijkheidsrisico dekken (hierna in dit hoofdstuk de "betrokken verzekeringen" genoemd) over de nodige eerbaarheid en financiële capaciteit beschikken. Verzekeraars van mindere kwaliteit kunnen weerhouden worden mits goedkeuring door de minister of diens afgevaardigde.

Art. 34.De exploitant betaalt de betreffende verzekeringspremies binnen de termijn en komt al zijn verplichtingen voortvloeiend uit deze verzekeringen na. Hij doet niets of laat niets na te doen dat een verzekeraar een reden zou geven om zijn dekking op basis van een betrokken verzekering te weigeren.

Art. 35.De exploitant deelt aan de minister of diens afgevaardigde het volgende mee : 1° van zodra hij erover beschikt, een kopie van alle borderellen, polissen, dekkingsnota's en andere contractuele documenten met betrekking tot de betrokken verzekeringen;2° telkens als hij aan een verzekeraar die een vervoer van nucleaire stoffen dekt informatie meedeelt die nuttig is voor het berekenen van de hiervoor verschuldigde premies en telkens als hij een dergelijke premie betaalt, een kopie van deze informatie en de details van deze betaling, behalve als er geen enkel verzekeringsdeficit is voor wat het vervoer van nucleaire stoffen betreft;3° voor eind januari van elke jaarperiode een lijst met alle premies (inclusief alle voorschotten op premies) tijdens de voorgaande jaarperiode betaald voor het verzekeren van transporten van nucleaire stoffen;4° van zodra de minister of diens afgevaardigde hierom vraagt, het betalingsbewijs voor de premies voor de betrokken verzekeringen en het bewijs dat deze nog steeds volledig van toepassing zijn;5° van zodra hij kennis heeft van het zich voordoen of het nakende zijn van de gebeurtenis in kwestie, alle informatie betreffende de annulering, de opschorting of een verzoek tot herziening of beperking van de limiet of van de dekking van een betrokken verzekering;en 6° onverwijld, alle andere informatie met betrekking tot de betrokken verzekeringen die de minister of diens afgevaardigde redelijkerwijs gevraagd zou hebben.

Art. 36.De exploitant geeft zijn verzekeringsmakelaars en verzekeraars de toelating en de instructie om antwoord te geven op elk redelijk verzoek tot informatie van de minister of diens afgevaardigde met betrekking tot de betrokken verzekeringen of het aansprakelijkheidsrisico. De exploitant deelt aan de minister of diens afgevaardigde op verzoek de contactgegevens mee van zijn verzekeringsmakelaars en verzekeraars.

Als het gaat om verzekeringen verstrekt door een pool van verzekeraars en de uitgifte en het beheer van de polis toevertrouwd werden aan een van de verzekeraars of als een van de verzekeraars optreedt als eerste verzekeraar, hebben de in lid 1 bepaalde verplichtingen van de exploitant enkel betrekking op de verzekeringsmakelaar en op de verzekeraar of eerste verzekeraar in kwestie.

Art. 37.Als er zich een kernongeval heeft voorgedaan, schikt de exploitant zich naar de bepalingen van artikel 17 en zorgt ervoor om in de mate van het mogelijke de verzekeringen te hernieuwen zodat zijn volledige aansprakelijkheidsrisico opnieuw gedekt is binnen de termijn vooropgesteld in artikel 8, lid 3 van de wet van 22 juli 1985. HOOFDSTUK 9. - Vervoer van nucleaire stoffen

Art. 38.Een vervoerder van nucleaire stoffen wordt beschouwd als een exploitant en kan aansluiten bij het waarborgprogramma door een toetredingsakte te sluiten overeenkomstig artikel 4, als en in de mate dat hij voor de kernschade veroorzaakt door een kernongeval buiten de installatie in de plaats werd gesteld van een exploitant van een kerninstallatie gelegen op het Belgisch grondgebied, overeenkomstig artikel 14, eerste lid, 2° van de wet van 22 juli 1985.

Art. 39.Het bedrag van de waarborgprovisie verschuldigd door een exploitant voor een vervoer van nucleaire stoffen waarvoor hij de aanspraakelijkheid draagt overeenkomstig artikel 14 van de wet van 22 juli 1985 is gelijk aan : P x 115% x ?seg [F x (100% - C) x S]/?seg (C x S) waarbij P staat voor de totale kost van de premies, inclusief elk voorschot op de premies, die de exploitant voor dit vervoer aan zijn verzekeraars moet betalen (de evaluatiemethodologie van deze kost is deze vermeld in artikel 26), ?seg is een optellingsteken herhaald voor elk segment, met uitzondering van het segment "volledig aansprakelijkheidsrisico", maar inclusief een zogenaamd "basissegment", dat alle aansprakelijkheidsrisico's omvat die niet onder een ander segment vallen, F staat voor het product van de voor het betreffende segment en vervoer vastgelegde vermeerderingsfactoren, overeenkomstig artikels 23, 25 (de vermeerderingsfactor op basis van artikel 25 wordt geacht gelijk te zijn aan 2) en 28, elk van deze factoren wordt geacht gelijk te zijn aan 1 als het artikel in kwestie niet van toepassing is, C wordt in percent uitgedrukt en staat voor het totaal bedrag van de dekkingslimiet die de exploitant houdt voor het segment en het vervoer in kwestie, gedeeld door het op het segment en vervoer in kwestie toepasselijke aansprakelijkheidsplafond, met dien verstande dat C nooit meer dan 100 % mag zijn, en S is gelijk aan : fs/ft waarbij fs staat voor (a) het voor het betreffende segment vastgelegde waarborgprovisietarief in de kolom "algemeen - (2)" van de provisietabel of, als dit segment niet voorkomt in de provisietabel, overeenkomstig hetgeen voor de hypothese die overeenstemt met deze kolom bepaald werd in toepassing van artikel 26, of (b), als het gaat om het basissegment, ft min de som van de fs van de andere segmenten, en ft staat voor het waarborgprovisietarief van het segment "volledig aansprakelijkheidsrisico".

Als bovenstaande formule niet toegepast kan worden, wordt het bedrag van de waarborgprovisie bepaald op basis van een akkoord tussen de minister of diens afgevaardigde en de exploitant, of, als ze niet tot een akkoord komen, door de marktdeskundige, om het bedrag dat op basis van de toepassing van deze formule bekomen zou geworden zijn zo goed mogelijk mutatis mutandis te ramen.

Art. 40.De in het kader van dit hoofdstuk verschuldigde waarborgprovisie dient betaald te worden binnen de vijf dagen na elke betaling van een overeenstemmende premie aan de verzekeraars, inclusief elk voorschot op de premies, of anders binnen de tien dagen nadat de minister of diens afgevaardigde hierom heeft verzocht.

Art. 41.Als het aansprakelijkheidsrisico met betrekking tot een vervoer van nucleaire stoffen gedeeltelijk gedekt wordt door verzekeringen en gedeeltelijk door de Staat, op basis van het waarborgprogramma, overlegt de minister of diens afgevaardigde met de betrokken verzekeraars en de minister van Economie, om indien mogelijk te komen tot nuttige afspraken voor het gezamenlijk uitreiken van het certificaat vereist op basis van artikel 15 van de wet van 22 juli 1985 en artikel 4(d) van het Verdrag van Parijs. HOOFDSTUK 1 0. - Kosten

Art. 42.De exploitant betaalt de Staat zijn aandeel in de door de Staat gedragen globale kosten terug binnen de 30 dagen na elk verzoek hierom door de minister of diens afgevaardigde.

De minister of diens afgevaardigde bepaalt het aandeel van elke exploitant dat hiervoor van toepassing is, rekening houdend met alle provisies die de exploitant in kwestie verschuldigd is, met alle risico's op kernongevallen toerekenbaar aan de exploitant in kwestie en met het globaal billijk karakter van de verdeling.

Als een exploitant aansluit bij een waarborgprogramma op het ogenblik dat de globale kosten reeds verdeeld werden over andere exploitanten, betaalt dit nieuw lid aan de Staat een toetredingsprovisie binnen de 30 dagen nadat de minister of diens afgevaardigde hierom verzocht heeft. Het bedrag van deze toetredingsprovisie wordt door de minister of diens afgevaardigde vastgelegd op een bedrag dat gelijk is aan het aandeel in deze globale kosten dat het nieuwe lid had moeten betalen als hij bij de verdeling ervan aanwezig was geweest.

Art. 43.De exploitant betaalt de Staat het bedrag van de door de Staat gedragen specifieke kosten die hem aanbelangen terug binnen de 30 dagen na elk verzoek hiertoe door de minister of diens afgevaardigde.

Art. 44.De indeling van de verschillende kostenposten als globale of specifieke kosten gebeurt door de minister of diens afgevaardigde. HOOFDSTUK 1 1. - Duur

Art. 45.Het waarborgprogramma wordt opgericht voor onbepaalde duur.

Art. 46.De minister brengt de exploitanten, desgevallend, op de hoogte van het einde van het waarborgprogramma, door middel van een vooropzeg die minstens zes maanden voor het begin van de jaarperiode waarin het waarborgprogramma zal stopgezet worden, wordt gegeven.

Art. 47.De minister brengt de exploitanten desgevallend op de hoogte van het feit dat het waarborgprogramma zal worden met nieuwe modaliteiten, door middel van een vooropzeg die minstens zes maanden voor het begin van de jaarperiode waarin deze nieuwe modaliteiten van kracht zullen worden. Deze kunnen onder meer bestaan uit een wijziging van de provisietabellen.

De exploitant kan de minister, voor de datum dat deze nieuwe modaliteiten van kracht worden, laten weten dat hij deze weigert. Het waarborgprogramma loopt voor deze exploitant dan af bij het verstrijken van de lopende jaarperiode.

Art. 48.De minister kan een exploitant uitsluiten van het waarborgprogramma : 1° middels eenvoudige mededeling met onmiddellijke ingang, als de exploitant niet langer als dusdanig erkend wordt, overeenkomstig artikel 10 van de wet van 22 juli 1985;2° mits vooropzeg van twee maanden, als de exploitant een waarborgcommissie niet heeft betaald;3° mits vooropzeg van drie maanden, als de exploitant enige andere verplichting met betrekking tot het waarborgprogramma niet nakomt;4° mits vooropzeg van drie maanden, als de exploitant enige wettelijke of reglementaire verplichting met betrekking tot de kerninstallatie niet nakomt;of 5° middels vooropzeg van minstens zes maanden die ingaat bij het begin van een jaarperiode, door middel van louter een gemotiveerde mededeling. Het waarborgprogramma loopt voor deze exploitant dan af op de datum dat zijn uitsluiting van kracht wordt.

Art. 49.De exploitant kan zich terugtrekken uit het waarborgprogramma middels een vooropzeg van minstens drie maanden die ingaat bij het begin van een jaarperiode. Het waarborgprogramma loopt voor deze exploitant dan af bij het verstrijken van de lopende jaarperiode.

Art. 50.De minister of diens afgevaardigde brengt de minister van Economie op de hoogte van elke terugtrekking of uitsluiting van een exploitant uit het waarborgprogramma in toepassing van artikel 49, lid 2, of 50.

Art. 51.De verplichtingen die in hoofdstukken 3, 4 en 10 en in artikels 30, 1°, en 55 aan de exploitant opgelegd worden, blijven bestaan nadat het waarborgprogramma stopgezet werd, ongeacht of dit algemeen of specifiek voor de exploitant gebeurde. HOOFDSTUK 1 2. - Diverse bepalingen

Art. 52.Elke vastlegging door de minister of diens afgevaardigde in het kader van een beoordelingsbevoegdheid die hem door dit besluit werd toegekend, is bindend voor de exploitant, behoudens kennelijke vergissing.

Art. 53.Als de minister een voorstel ter goedkeuring door de meerderheid van de exploitanten voorlegt overeenkomstig artikel 24 of artikel 26, worden de exploitanten die niet binnen de 30 dagen antwoorden geacht te stemmen voor het voorstel.

Art. 54.Elk op basis van dit besluit door de exploitant aan de Staat verschuldigd bedrag genereert van rechtswege en zonder ingebrekestelling interesten, vanaf de datum van de opeisbaarheid ervan, onverminderd artikels 9 en 10, tegen de rentevoet vooropgesteld in de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties.

Art. 55.Artikel 4 treedt in werking op de tiende dag volgend op de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, met dien verstande dat geen enkele toetredingsakte van kracht kan worden voor de datum waarvan sprake in lid 2.

De andere bepalingen van dit besluit treden in werking op dezelfde datum als artikel 2, b) van de wet van 7 december 2016 tot wijziging van de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie.

Art. 56.De minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 10 december 2017.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Financiën, J. VAN OVERTVELDT

Bijlage 1. Provisietabel

Segment

Waarborgprovisietarief ***

algemeen

bij toepassing van artikel 24

(1)

(2)

(1)

(2)

Milieu *

0,096 %

0,016 %

0,192 %

0,032 %

periode 10[]30 jaar **

0,076 %

0,023 %

0,152 %

0,075 %

volledig aansprakelijkheidsrisico

0,689 %

0,235 %

1,378 %

0,498 %


* Het "milieu" heeft betrekking op subleden 4 (herstelmaatregelen), 5 (inkomensderving) en 6 (preventieve maatregelen) van de definitie van "kernschade" in artikel 1, a), vii), van het Verdrag van Parijs, met dien verstande dat slechts rekening gehouden wordt met subalinea 6 in de mate dat de betreffende preventieve maatregelen verband houden met subleden 4 en 5. ** De "periode 10-30 jaar" heeft betrekking op de vorderingen tot vergoeding van kernschade ingesteld meer dan tien jaar na de datum van het kernongeval. *** De kolommen verwijzen naar het soort nucleaire installatie: kolommen (1) zijn van toepassing op kerncentrales voor elektriciteitsproductie en kolommen (2) op andere installaties.

Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 10 december 2017 tot opstelling van een waarborgprogramma voor de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Financiën, J. VAN OVERTVELDT

Bijlage 2. Richtlijnen voor de marktexpertise 1. De marktindex wil de evolutie in de tijd van het prijsniveau van de door de markt aangeboden verzekeringen voor de dekking van de soorten nucleaire risico's die het aansprakelijkheidsrisico vormen meten.2. De prijs van de verzekeringsoffertes of -voorstellen die verworpen werden overeenkomstig artikel 17 wordt niet mee in overweging genomen.3. De evolutie van het prijsniveau wordt gemeten voor een constante dekking.4. Omgekeerd wordt een vermindering van de omvang van de dekking van het ene naar het andere jaar (bijvoorbeeld door de invoering van nieuwe uitsluitingen) waarbij de premie hetzelfde blijft, beschouwd als een prijsstijging, en wordt een uitbreiding van het ene naar het andere jaar van de omvang van de dekking (bijvoorbeeld door het schrappen van voordien bestaande uitsluitingen) waarbij de premie hetzelfde blijft, beschouwd als een prijsdaling.5. Als verschillende segmenten aanleiding geven tot verschillende prijsevoluties, weerspiegelt de marktindex het gewogen gemiddelde van deze evoluties, waarbij de weging gebeurt in functie van de respectievelijke kostprijs van de premies voor de verschillende segmenten.6. Alle bestanddelen van de prijzen in de ruime zin van het woord worden mee in overweging genomen, inclusief premietarieven, de ristorno's, eventuele verplichtingen om bij te dragen tot latere volstortingen van kapitaal of andere verzoeken tot storting en de belasting op verzekeringspremies.Er wordt eveneens rekening gehouden met de evolutie van het makelaars- en het commissieloon van de tussenpersonen. 7. De marktdeskundige kan eveneens rekening houden met gegevens betreffende de markt in haar geheel of betreffende ruimere risico's dan het louter aansprakelijkheidsrisico, in de mate waarin hij dit nodig acht.8. De marktindex kan naar boven of naar beneden evolueren maar mag nooit minder zijn dan zijn initiële waarde, 100.9. De procedure voor het bepalen van de marktindex kan keuzes, beoordelingen en het innemen van standpunten inhouden en de marktdeskundige kan dubbelzinnigheden moeten oplossen en leemten moeten opvullen.De marktdeskundige beschikt hiervoor over de nodige bevoegdheden, die hij te goeder trouw en naar zijn beste beoordelingsvermogen uitoefent.

Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 10 december 2017 tot opstelling van een waarborgprogramma voor de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Financiën, J. VAN OVERTVELDT

Bijlage 3. Provisietarief post-ongeval

rating

tarief

AA-, Aa3 of beter

0.40 %

A+, A1, A, A2, A-, A3

0.55 %

BBB+, Baa1, BBB, Baa2, BBB-, Baa3

0.80 %

BB+, Ba1, BB, Ba2, BB-, Ba3

2.00 %

B+, B1

3.80 %

B, B2

5.05 %

B-, B3

6.30 %

CCC+, Caa1 of minder

7.50 %


Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 10 december 2017 tot opstelling van een waarborgprogramma voor de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Financiën, J. VAN OVERTVELDT


begin


Publicatie : 2017-12-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^