Koninklijk Besluit van 10 juni 2002
gepubliceerd op 27 juni 2002
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen

bron
federale overheidsdienst personeel en organisatie
numac
2002002146
pub.
27/06/2002
prom.
10/06/2002
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

10 JUNI 2002. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet;

Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 11, § 1, vervangen bij de wet van 22 juli 1993;

Gelet op de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, inzonderheid op artikel 99, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1985, bij het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en bij de wetten van 21 december 1994, 22 december 1995, 13 februari 1998 en 27 december 2000, op artikel 100, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en bij de wetten van 21 december 1994 en 26 maart 1999, op artikel 100bis ingevoegd door de wet van 21 december 1994, op artikel 102, ingevoegd door het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994, 22 december 1995 en 26 maart 1999 en op artikel 102bis , ingevoegd door de wet van 21 december 1994 en gewijzigd bij de wet van 22 december 1995;

Gelet op de herstelwet van 31 juli 1984, inzonderheid op artikel 16, § 4, ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993;

Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, inzonderheid op artikel 102, vervangen bij het koninklijk besluit van 19 november 1998;

Gelet op het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 mei 1999, 20 juli 2000, 9 februari 2001, 19 juli 2001 en 28 januari 2002, inzonderheid op de artikelen 1, 7, 8, 17, 20, 35, 38, 40, 46, 68, 95, 99 tot 112, 113, 116, 118, 119, 125, 138, 143, 152 en 153;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 30 november 2000;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 15 mei 2001;

Gelet op het protocol nr.401 van 20 november 2001 van het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten;

Gelet op het besluit van de Ministerraad over het verzoek van de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van een maand;

Gelet op advies 32.946/1 van de Raad van State, gegeven op 7 maart 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid en van Onze Minister van Ambtenarenzaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2, 7° wordt vervangen als volgt : « 7° het verlof voor loopbaanonderbreking, met uitzondering van de loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en de loopbaan-onderbreking voor ouderschapsverlof »;2° § 3, 9° wordt vervangen als volgt : « 9° het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht »;3° er wordt een § 4 ingevoegd, luidende : « § 4.Voor het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel in toepassing van artikel 4, § 1, 3° van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken zijn naast de verloven opgenomen onder § 3 de bepalingen van toepassing betreffende het verlof voor opdracht van algemeen belang in het kader van de Europees programma's Phare, Tacis of Meda. »

Art. 2.In artikel 7, § 1 van hetzelfde besluit wordt het woord « deeltijdse » vervangen door het woord « halftijdse ».

Art. 3.Artikel 8, eerste lid, 2° van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 2° het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht. »

Art. 4.Artikel 17 van hetzelfde besluit, wordt aangevuld met het volgende lid : « De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt. »

Art. 5.In de Nederlandse tekst van artikel 20, § 2 van hetzelfde besluit wordt het woord « dienstanciënniteit » vervangen door het woord « dienstactiviteit ».

Art. 6.Artikel 35, § 1, eerste lid van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999, wordt vervangen als volgt : « § 1. Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, bij de geboorte of de adoptie van een kind, drie maanden ouderschapsverlof toegestaan in het raam van de volledige onderbreking van de beroepsloopbaan, bedoeld in artikel 100 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, of zes maanden ouderschapsverlof in het raam van de halftijdse beroepsloopbaan, bedoeld in artikel 102 van de voornoemde herstelwet van 22 januari 1985. Het verlof kan niet worden gesplitst in maanden. »

Art. 7.In artikel 38 van hetzelfde besluit worden het derde en vierde lid opgeheven.

Art. 8.In artikel 40 van hetzelfde besluit vervallen de woorden « alsook de minimale periode van vijf dagen bedoeld in artikel 38, derde lid ».

Art. 9.Artikel 46, § 1 van hetzelfde besluit, wordt vervangen als volgt : « § 1. Onder voorbehoud van artikel 48 en in afwijking van artikel 41, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van : 1° een arbeidsongeval;2° een ongeval op de weg van en naar het werk;3° een beroepsziekte. Bovendien en behalve voor de toepassing van artikel 48 komen de verlofdagen toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, zelfs na de datum van consolidering, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen welke de ambtenaar nog kan krijgen bij toepassing van artikel 41. »

Art. 10.Artikel 68, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « Voor de toepassing van artikel 66, is de laatste activiteitswedde deze, welke verschuldigd was overeenkomstig het prestatiestelsel op het ogenblik waarop de ambtenaar zich in disponibiliteit bevond. »

Art. 11.Het opschrift van Afdeling 1 van Hoofdstuk XI van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 19 juli 2001, wordt vervangen als volgt : « Verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht. »

Art. 12.Artikel 95 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 juli 2001, wordt vervangen als volgt : «

Art. 95.De ambtenaar kan, met akkoord van de minister waaronder hij ressorteert verlof krijgen wanneer hij aangewezen wordt om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht.

Met uitzondering van de Federale Regering is het akkoord voor wat betreft de andere organen afhankelijk van de voorwaarde dat deze een reglement hebben genomen waarbij de nadere regels inzake terugbetaling van de bezoldiging van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar worden bepaald. Voor wat betreft de Federale Regering, is het verlof onbezoldigd. »

Art. 13.Afdeling 2 van Hoofdstuk XI van hetzelfde besluit, bestaande uit de artikelen 99 tot 112, wordt vervangen als volgt : « Afdeling 2 Verlof voor opdracht van algemeen belang

Art. 99.De ambtenaar bekomt verlof voor de uitoefening van een opdracht.

Onder opdracht moet worden verstaan : 1° de uitoefening van ambten ter vervulling van een nationale of internationale opdracht toevertrouwd : a) door de Federale Regering, een Gewest- of Gemeenschapsregering, het College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het College van de Franse Gemeenschapscommissie of een openbaar bestuur;b) door een buitenlandse regering of een buitenlands overheidsbestuur;c) door een internationale instelling;2° met voorafgaande machtiging van de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoort en de minister van begroting, elke opdracht die is toevertrouwd door een instelling die geen overheidskarakter heeft, die belast werd met de uitvoering van de Europese programma's Phare, Tacis of Meda;3° elke internationale opdracht die is toevertrouwd door een beslissing van de ministerraad in het raam van de ontwikkelingssamenwerking, vredesopdrachten, de wetenschappelijke vorsing of de humanitaire hulp;4° elke nationale opdracht met voorafgaande machtiging van de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoort in dienst van jeugdbewegingen, jeugddiensten of jeugdgroeperingen of in dienst van sommige culturele instellingen die erkend zijn door de bevoegde overheid.

Art. 100.Indien de opdracht waarmede de ambtenaar belast is, hem in feite of in rechte verhindert het hem toevertrouwde ambt uit te oefenen, verkrijgt hij de vrijstellingen van dienst die voor het vervullen van een dergelijke opdracht vereist zijn.

Die vrijstellingen worden toegekend voor een duur van ten hoogste twee jaar. Zij kunnen hernieuwd worden voor periodes waarvan er geen de duur van twee jaar mag overschrijden.

Art. 101.De duur van de in artikel 99, tweede lid, 2°, vermelde opdrachten mag voor de gehele loopbaan niet meer dan zes jaar bedragen.

Art. 102.§ 1. Iedere minister kan, met instemming van de betrokkene een ambtenaar die onder hem ressorteert, met de uitvoering van een opdracht belasten.

Eveneens kan iedere ambtenaar, met akkoord van de minister onder wie hij ressorteert, de uitvoering van een opdracht aanvaarden. § 2. De ambtenaar die wordt aangewezen om een mandaat in een Belgische overheidsdienst uit te oefenen wordt ambtshalve in verlof voor opdracht geplaatst voor de duur van het mandaat.

Art. 103.Met het oog op de toepassing van de beschikking van de Europese Commissie van 7 januari 1998 houdende regeling van toepassing op de nationale deskundigen die bij de diensten van de Commissie zijn gedetacheerd, maakt de minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse betrekkingen behoren in het Belgisch Staatsblad een oproep bekend waarin duidelijk wordt uiteengezet welke bekwaamheid, geschiktheid en beroepservaring van de gegadigden gevergd worden alsook hoelang de opdracht duurt en onder welke voorwaarden die wordt uitgeoefend.

De ambtenaar maakt binnen vijftien dagen na de datum van de bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde oproep via de hiërarchische weg zijn kandidatuur aan de minister onder wie hij ressorteert, over.

Laatstgenoemde stuurt, wanneer hij meent zich met de uitoefening van de opdracht akkoord te kunnen verklaren, de kandidatuur, met uitsluiting van elk ander element, binnen vijftien dagen na de ontvangst ervan door naar de minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse zaken behoren.

De minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse zaken behoren legt de kandidatuur ter beslissing voor aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Art. 104.§ 1. Tijdens de duur van een opdracht welke als van algemeen belang erkend is, is de ambtenaar met verlof.

Het verlof wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. § 2. In afwijking van § 1, tweede lid wordt het verlof bezoldigd : 1° wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationale deskundige krachtens de beschikking van 7 januari 1998 van de Europese Commissie;2° wanneer de ambtenaar een opdracht uitoefent bij het Rentenfonds voor het beheer van de federale Staatsschuld;3° wanneer de opdracht is toegekend voor een opdracht in het kader van het Europees programma "Institution Building" ingevoerd door de Verordening nr.622/98 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de bijstand ten gunste van de kandidaat-landen; 4° wanneer het een opdracht betreft zoals vermeld in artikel 99, tweede lid, 3°;

Art. 105.§ 1. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend : 1° voor de opdrachten welke de uitoefening van een ambt in een ontwikkelingsland inhouden;2° voor de opdrachten vermeld in artikel 99, tweede lid, 3° en 4°;3° voor de opdrachten vermeld in artikel 102, § 2;4° voor de opdrachten uitgeoefend door de ambtenaar die als nationaal deskundige is aangewezen krachtens de beschikking van de Europese Commissie van 7 januari 1998;5° voor de opdrachten uitgeoefend bij het Rentenfonds voor het beheer van de federale staatsschuld;6° voor de opdrachten uitgeoefend in het raam van het Europees programma « Institution Building », dat is ingesteld bij het reglement nr 622/98 van de Raad van de Europese Unie betreffende de bijstand ten gunste van de kandidaat-landen. § 2. Het verlof voor opdracht kan voor de niet in § 1 bedoelde internationale opdrachten worden toegestaan door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert. De minister kan tevens het karakter van algemeen belang erkennen indien de opdracht geacht wordt van overwegend belang te zijn hetzij voor het land, hetzij voor de Federale Regering of de federale administratie. § 3. Iedere opdracht verliest van rechtswege haar karakter van algemeen belang vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de ambtenaar een dienstanciënniteit heeft bereikt die volstaat om aanspraak te kunnen maken op het krijgen van een onmiddellijk ingaand dan wel uitgesteld pensioen ten laste van de buitenlandse regering, van het buitenlandse openbare bestuur of van de internationale instelling ten behoeve waarvan de opdracht werd vervuld.

Art. 106.De ambtenaar die met de uitvoering van een van algemeen belang erkende opdracht wordt belast, verkrijgt de verhogingen in zijn weddeschaal alsmede de bevorderingen tot een hogere graad of de veranderingen van graad waarop hij aanspraak kan maken, op het tijdstip waarop hij die zou verkrijgen of zou verkregen hebben indien hij werkelijk in dienst was gebleven.

Art. 107.Tijdens de duur van een opdracht die niet erkend werd als zijnde van algemeen belang, wordt de ambtenaar op non-activiteit gesteld. In die stand heeft hij geen recht op wedde en kan hij zijn aanspraken op bevordering of op bevordering in zijn weddeschaal niet doen gelden.

Art. 108.De ambtenaar met verlof wegens internationale opdracht, zoals vermeld in artikel 99, tweede lid, 1° en 3°, verkrijgt een vergoeding die bestemd is om werkelijke lasten te dragen en/of toelagen.

De minister, onder wie de ambtenaar ressorteert, bepaalt het bedrag van deze vergoedingen en toelagen, volgens de nadere voorwaarden die van kracht zijn voor de ambtenaren van de carrière van de Buitendienst en van de Kanselarijcarrière Buitenlandse dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking en afhankelijk van de graad waarmee de ambtenaar die met verlof is wegens opdracht bekleed is.

Art. 109.De minister, onder wie de met een opdracht belaste ambtenaar ressorteert, beslist volgens de behoeften van de dienst of de betrekking waarvan de betrokkene titularis is als vacant moet worden beschouwd zodra de betrokken ambtenaar één jaar afwezig is.

Aan de in het eerste lid bedoelde ministeriële beslissing moet het advies van de secretaris-generaal voorafgaan.

Het eerste en het tweede lid van dit artikel zijn niet toepasselijk als de ambtenaar in opdracht een ambtenaar van het Ministerie van Financiën is die een opdracht uitoefent bij het Rentenfonds voor het beheer van de federale Staatsschuld.

Art. 110.Met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten hoogste drie maanden, kan de minister onder wie de ambtenaar ressorteert, ieder ogenblik een einde maken aan de opdracht waarmee de ambtenaar is belast, tijdens de vervulling ervan.

De ambtenaar kan op ieder ogenblik een einde maken aan de opdracht tijdens de vervulling ervan.

Art. 111.De ambtenaar wiens opdracht verstreken is of onderbroken wordt bij ministeriële beslissing, bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of bij beslissing van de ambtenaar zelf, stelt zich ter beschikking van de minister onder wie hij ressorteert.

Indien hij zonder geldige reden weigert of verwaarloost dit te doen wordt hij, na tien dagen afwezigheid, als ontslaggevend beschouwd.

Art. 112.Zodra zijn opdracht verstreken is, bezet de ambtenaar die in zijn opdracht niet werd vervangen, die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat. »

Art. 14.Artikel 113 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt : « De ambtenaar die een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop de afwezigheid zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens drie maanden vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt. »

Art. 15.Artikel 116, § 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « § 1. De ambtenaar bekomt verlof om zijn loopbaan volledig of halftijds te onderbreken met al dan niet opeenvolgende periodes van ten minste drie maanden en ten hoogste twaalf maanden.

De periodes waarin de ambtenaar zijn loopbaan volledig onderbreekt mogen in totaal niet meer bedragen dan tweeënzeventig maanden tijdens de hele loopbaan. Onverminderd de toepassing van het derde lid, geldt dit ook voor de periodes van halftijdse loopbaanonderbreking. De periode van volledige loopbaanonderbreking en de periode van halftijdse loopbaanonderbreking kunnen worden gecumuleerd.

De maximumperiode van tweeënzeventig maanden waarin de ambtenaar zijn loopbaan volledig kan onderbreken, kan op verzoek van de ambtenaar geheel of gedeeltelijk omgezet worden in eenzelfde maximumperiode van tweeënzeventig maanden waarbinnen halftijdse loopbaanonderbreking kan opgenomen worden.

Voor de berekening van de duur van de tweeënzeventig maanden wordt geen rekening gehouden met de periodes van loopbaanonderbreking om palliatieve zorg te verstrekken, voor zorg voor een zwaar ziek gezins- en familielid en voor ouderschapsverlof.

In geval van halftijdse loopbaanonderbreking worden de prestaties hetzij elke dag verricht hetzij volgens een andere verdeling over de week. »

Art. 16.In artikel 118, § 2, tweede lid van hetzelfde besluit worden de woorden « vanaf de geboorte of adoptie van een derde kind » vervangen door de woorden « vanaf elke geboorte of adoptie volgend op die van een tweede kind ».

Art. 17.Artikel 119 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 119.De ambtenaar die zijn loopbaan halftijds onderbreekt ontvangt per maand een onderbrekingstoelage van 130,20 EUR. Wanneer de halftijdse onderbreking van de loopbaan aanvangt binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie van een tweede kind, wordt het maandelijkse bedrag van de onderbrekingstoelage, die bedoeld is in het eerste lid, verhoogd tot 142,59 EUR. Wanneer de halftijdse onderbreking van de loopbaan aanvangt binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie vanaf elke geboorte of adoptie volgend op die van een tweede kind, wordt het maandelijkse bedrag van de onderbrekingstoelage, die bedoeld is in het eerste lid, verhoogd tot 154,99 EUR. De in dit artikel vermelde uitkeringen worden betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. »

Art. 18.In artikel 125 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 januari 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord « deeltijdse » wordt vervangen door het woord « halftijdse »;2° het artikel 125 wordt aangevuld met het volgende lid : « Het opvangverlof, bevallingsverlof en vaderschapsverlof stellen een einde aan de stelsels van voltijdse en halftijdse loopbaanonderbreking.»

Art. 19.Artikel 138 van hetzelfde besluit wordt als volgt vervangen : «

Art. 138.§ 1 Alvorens een beslissing tot uitsluiting of terugvordering van uitkeringen te nemen, roept de directeur de ambtenaar op om hem te horen. De ambtenaar moet evenwel niet worden opgeroepen om te worden gehoord in zijn verweermiddelen : 1° wanneer de beslissing tot uitsluiting het gevolg is van een werkhervatting, een pensionering of een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, of van het feit dat de loopbaanonderbreker de uitoefening van een zelfstandige activiteit voortzet terwijl hij reeds gedurende één jaar de uitoefening van deze activiteit heeft gecumuleerd met het genot van onderbrekingsuitkeringen;2° in geval van terugvordering ten gevolge van de toekenning van een uitkeringsbedrag dat niet overeenstemt met de bepalingen van de artikelen 118, 119 en 120;3° wanneer de ambtenaar schriftelijk heeft meegedeeld dat hij niet wenst te worden verhoord. Indien de ambtenaar de dag van de oproeping belet is, mag hij vragen het verhoor te verdagen tot een latere datum die niet later mag vallen dan vijftien dagen na die welke voor het eerste verhoor was vastgesteld.

Behoudens gevallen van overmacht wordt het uitstel maar eenmaal verleend.

De aanvraag tot uitstel moet, behoudens in de gevallen van overmacht, op het werkloosheidsbureau toekomen uiterlijk de dag voor de dag waarop de ambtenaar werd opgeroepen.

De ambtenaar kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie, bedoeld in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en vakbonden van haar personeel. § 2. De beslissing van de directeur, waarbij onrechtmatig ontvangen onderbrekingsuitkeringen worden teruggevorderd, wordt bij een ter post aangetekend schrijven aan de betrokken ambtenaar ter kennis gebracht en vermeldt zowel de periode voor dewelke teruggevorderd wordt als het terug te vorderen bedrag.

De directeur zendt een afschrift van deze beslissing aan de overheid onder welke de ambtenaar ressorteert.

De beslissingen van de directeur moeten, op straffe van verval, binnen drie maanden na kennisgeving aan de bevoegde Arbeidsrechtbank voorgelegd worden. »

Art. 20.In artikel 143 van hetzelfde besluit wordt 2° opgeheven.

Art. 21.In artikel 152 van hetzelfde besluit wordt tussen het eerste en het tweede lid de volgende leden ingevoegd : « De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 jini 2002, tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een deeltijdse loopbaanonderbreking genieten ten belope van een kwart of een derde, blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen.

De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 juni 2002, tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een verlof voor opdracht genieten blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde machtiging is afgelopen. »

Art. 22.In artikel 153 van hetzelfde besluit wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd : « Voor de ambtenaren die vanaf 1 december 1998 hun loopbaan deeltijds hebben onderbroken, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de tweeënzeventig maanden halftijdse loopbaan-onderbreking bedoeld in artikel 116. »

Art. 23.Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad , met uitzondering van het nieuw artikel 99, tweede lid, 2° dat uitwerking heeft met ingang van 1 december 1998 en het nieuw artikel 108 dat uitwerking heeft met ingang van 1 augustus 1999.

Art. 24.Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hen betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 10 juni 2002.

ALBERT Van Koningswege : De minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX De minister van Ambtenarenzaken, L. VAN DEN BOSSCHE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^