Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 10 maart 1998
gepubliceerd op 27 maart 1998

Koninklijk besluit tot inrichting van de Commissie voor de overheidsopdrachten

bron
diensten van de eerste minister
numac
1998021111
pub.
27/03/1998
prom.
10/03/1998
ELI
eli/besluit/1998/03/10/1998021111/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

10 MAART 1998. Koninklijk besluit tot inrichting van de Commissie voor de overheidsopdrachten


VERSLAG AAN DE KONING Sire, De Commissie voor de overheidsopdrachten, die opgericht werd in 1960, heeft meerdere aanpassingen van haar statuten gekend, om rekening te houden met de bestaande behoeften en met het groeiend belang van de overheidsopdrachten. De laatste belangrijke hervorming, ingevoerd door het koninklijk besluit van 2 augustus 1982, lag ondermeer in het perspektief van een ruime uitbreiding van het toepassingsveld van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

Dit ontwerp van besluit gaat verder in deze richting en houdt rekening met meerdere nieuwe gegevens waarvan de inwerkingtreding van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

Ingevolge de institutionele hervormingen dringt een aanpassing van de vertegenwoordigingen zich op, gezien de wijzigingen of ontbindingen van bepaalde departementen of organismen en gezien de noodzaak een betere vertegenwoordiging te verzekeren van de aanbestedende overheden op gewestelijk en gemeenschapsvlak. Dit zal eveneens toelaten beter rekening te houden met de problematiek van de dienstenopdrachten, evenals met deze van de overheidsopdrachten van de organismen die de sectoren water- en energievoorziening en vervoer beheren.

Hiertoe kan de Commissie gespecialiseerde sub-commissies samenstellen die op een permanente wijze bepaalde problematieken, zoals deze rond de opdrachten voor aanneming van diensten kunnen volgen.

Er dient dus rekening mee te worden gehouden dat verschillende groepen gelijktijdig zullen kunnen werken binnen de Commissie en dat een optimale vertegenwoordiging dient te worden nagestreefd. Zoals uiteengezet hierna, is dit de reden waarom het ontwerp vermeldt dat het aantal leden, naast de voorzitter en de ondervoorzitter, van 47 naar 51 wordt verhoogd, en maakt de aanwijzing van één of twee plaatsvervangers per gewoon lid mogelijk.

Hierdoor kan eveneens een antwoord worden verstrekt op de vraag van de Raad van State die wenst te weten om welke redenen sommige organisaties niet vertegenwoordigd zijn binnen de Commissie. Uit het nieuwe onderzoek van deze samenstelling vloeit voort dat de specifieke vertegenwoordiging van de overheidsbedrijven van 4 naar 2 leden kan worden teruggebracht, aangezien het liberaliseringsproces op Europees niveau er op zeer korte termijn moet toe leiden dat sommige van die bedrijven niet meer tot het toepassingsgebied zullen behoren van de richtlijnen en van de wet van 24 december 1993.

Daarentegen mogen representatieve organisaties van de kleine en middelgrote ondernemingen, het NCMV en de Union des Classes moyennes, zich door 4 leden laten vertegenwoordigen en krijgt de vertegenwoordiging van het Verbond van Belgische Ondernemingen er een lid bij. Binnen de Commissie is ook de Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten vertegenwoordigd.

Net zoals vroeger, wordt bovendien getracht om bij de samenstelling zo objectief mogelijk rekening te houden met het respectievelijke belang van sommige organisaties, waaronder de vakorganisaties.

Er wordt voorgesteld om het onderscheid, in de schoot van de Commissie, tussen de Vaste en de Verruimde Commissie af te schaffen.

Ter herinnering wordt erop gewezen dat de Vaste Commissie tot nu toe een essentiële rol heeft gespeeld in het onderzoek van de voorgelegde problemen en bij de opstelling van de adviezen; de Verruimde Commissie daarentegen kwam slechts bijeen voor het onderzoek van belangrijke punten zoals de voorontwerpen van wetten of besluiten die de reglementering wijzigen of de omzetting van Europese richtlijnen beogen. Ten einde een meer aktieve en ruimere deelneming van alle betrokkenen in de diverse stadia van het denkwerk te verzekeren, is het bijgevolg opportuun het bestaande onderscheid tussen de Vaste en de Verruimde Commissie op te heffen.

Ten opzichte van de tekst van het koninklijk besluit van 2 augustus 1982 is dus de belangrijkste wijziging deze van artikel 4, dat de vertegenwoordiging in de Commissie regelt. De overige artikelen werden immers alleen aangepast om rekening te houden met de opheffing van het hiervoor aangehaalde onderscheid binnen de Commissie voor de overheidsopdrachten.

Wat de federale, gewestelijke en gemeenschapsvertegenwoordiging betreft, opteert de tekst voor de toekenning van globale vertegenwoordigingen. Het behoort de op deze niveaus bevoegde overheden toe de samenstelling van hun vertegenwoordiging te bepalen en hun afgevaardigden te voordragen. Deze laatste mogen niet alleen uit de ministeriële departementen komen, maar eveneens uit andere publieke instellingen, alsook andere geïnteresseerde overheden en middens.

Er werd bovendien rekening gehouden met de in het advies van de Raad van State andere geformuleerde opmerkingen. Aangezien de wetgeving kan veranderen, werd het voorstel afgewezen waarbij de omschrijving van de wet in artikel 1 zou worden opgenomen via een welbepaalde verwijzing naar de wet van 24 december 1993. Men heeft dus gemeend dat het beter zou zijn op een meer algemene wijze in de tekst te verwijzen naar de wetgeving inzake de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

Wat artikel 11 betreft, zullen de speciale subcomités die binnen de Commissie worden opgericht noodzakelijk worden behandeld in het huishoudelijk reglement en een verduidelijking in deze zin is dan ook niet nodig.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uw Majesteit, de zeer eerbiedige, en zeer getrouwe dienaar, De Eerste Minister, J.-L. DEHAENE

ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 18 juli 1997 door de Eerste Minister verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot inrichting van de Commissie voor de overheidsopdrachten", heeft op 6 november 1997 het volgende advies gegeven : Strekking van het ontwerp Het ontwerp strekt er toe de bestaande Commissie voor de Overheidsopdrachten te hervormen, door inzonderheid het huidige onderscheid tussen de Vaste Commissie en de Verruimde Commissie af te schaffen en de samenstelling van de Commissie te herdefiniëren. Het koninklijk besluit van 2 augustus 1982 tot hervorming van de Commissie voor de Overheidsopdrachten wordt daarbij opgeheven.

Onderzoek van de tekst Aanhef In het eerste lid van de aanhef verwijze men naar artikel 37 van de Grondwet in plaats van naar artikel 29 van de Grondwet.

Bepalend gedeelte Voorafgaande opmerking Het verdient aanbeveling in het ontwerp een artikel 1 op te nemen waarin een aantal veelvuldig in het ontwerp voorkomende begrippen worden gedefinieerd. Aldus wordt immers vermeden dat in diverse artikelen van het ontwerp telkens een omschrijving van die begrippen moet worden gegeven. Definities zijn in elk geval aangewezen met betrekking tot de begrippen "de Commissie" (Commissie voor de overheidsopdrachten) en "de wet" (de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten).

Indien wordt ingegaan op deze suggestie dient de redactie van de andere artikelen van het ontwerp te worden aangepast en dienen deze tevens vernummerd te worden.

Artikel 2 1. In de Nederlandse tekst van paragraaf 2, 1°, schrijve men "problemen" in plaats van "vraagstukken".2. De eerste volzin van paragraaf 3 redigere men als volgt : « De Commissie kan, op eigen initiatief, elk voorstel in verband met het nemen van wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de aanneming van werken, leveringen en diensten aan de Eerste Minister voorleggen.» Artikel 3 In de Nederlandse tekst van het eerste lid schrijve men "Voor het vervullen van haar opdracht" in plaats van "Voor het volbrengen van haar opdracht".

Artikelen 4 tot 6 1.1. Deze artikelen regelen de samenstelling van de Commissie en de wijze van benoeming van haar leden. De ontworpen regeling is evenwel onvolledig, daar erin niet wordt bepaald wie de effectieve leden van de Commissie benoemt. In dat verband werd door de gemachtigde ambtenaar verduidelijkt dat het de bedoeling is om op dat punt de regeling over te nemen welke is vervat in artikel 8 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1982. Zulks zou betekenen dat het de Eerste Minister is die de leden en hun plaatsvervangers zal benoemen.

Voorts zou erover moeten worden gewaakt dat bij de beschrijving van de wijze waarop de Commissie wordt samengesteld een consequent en - voor zoveel als mogelijk - eenvormig gebruik van de terminologie wordt gemaakt. In het voorliggend ontwerp lijkt dat immers niet het geval te zijn.

Zo wordt in de inleidende zin van artikel 4, wat de voorzitter en de ondervoorzitter van de Commissie betreft, de term "afgevaardigd" gehanteerd (Fr. : "délégué), terwijl onder de punten 1° tot 13° van hetzelfde artikel, wat de overige leden van de Commissie betreft, weliswaar ook de term "afgevaardigd" voorkomt in de Nederlandse tekst, doch in de Franse tekst telkens van "désigné(s)" wordt gewaagd.

Artikel 5 doet ervan blijken dat de voorzitter en de ondervoorzitter van de Commissie door de Koning worden "benoemd", op voorstel van de Eerste Minister, terwijl uit artikel 6 lijkt te moeten worden afgeleid dat de leden van de Commissie en hun plaatsvervangers zullen worden "aangeduid". 1.2. Rekening houdende met de hiervoren gemaakte opmerkingen, en teneinde te komen tot een meer coherente toepassing van de ontworpen bepalingen, kan, onverminderd de hierna gemaakte bijzondere opmerkingen, worden overwogen om de artikelen 4 tot 6 van het ontwerp te vervangen door twee, als volgt te redigeren artikelen : «

Art. 4.§ 1. De Commissie is samengesteld uit : 1° de voorzitter en de ondervoorzitter, voorgedragen door de Eerste Minister; 2°... (zoals het 1° tot 13° in het ontwerp, met dien verstande dat het woord "afgevaardigd" telkens wordt vervangen door het woord "voorgedragen"). § 2. Voor elk lid wordt tevens een plaatsvervanger voorgedragen door de overheden en instellingen bedoeld in § 1.

Art. 5.De voorzitter en de ondervoorzitter worden door de Koning benoemd. De leden en de plaatsvervangers worden door de Eerste Minister benoemd. Hun mandaat heeft een duur van vijf jaar. » 2. In artikel 4, 2°, van het ontwerp schrijve men bovendien "vier leden, voorgedragen door de Eerste Minister en de Vice-Eerste Ministers, uit de overheidsbedrijven en de speciale sectoren bedoeld in de wet;". 3. De regering zal er uiteraard op moeten toezien dat de in artikel 4 geregelde samenstelling van de Commissie gebeurt met inachtneming van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.Dat houdt in dat, in de mate er twijfel kan bestaan omtrent de motieven waarom bepaalde organisaties geen of slechts een geringere vertegenwoordiging in de Commissie krijgen (vergelijk bijvoorbeeld de punten 12° en 13°), die motieven best worden verduidelijkt in het verslag aan de Koning.

Artikel 7 Tussen de woorden "voorzitter" en "en de leden van de Commissie..." voege men in : ", de ondervoorzitter".

Artikel 10 In het verslag aan de Koning wordt verduidelijkt dat de Commissie gespecialiseerde subcommissies kan oprichten. De stellers van het ontwerp zullen er zich over beraden of het niet wenselijk is in het ontwerp te bepalen dat, indien van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, dit via het huishoudelijk reglement dient te gebeuren.

De kamer was samengesteld uit : de heren : J. De Brabandere, voorzitter;

M. Van Damme, D. Albrecht, staatsraden;

G. Schrans, E. Wymeersch, assessoren van de afdeling wetgeving;

Mevr. A. Beckers, griffier.

De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer D. Albrecht.

Het verslag werd uitgebracht door de heer P. Depuydt, auditeur. De nota van het coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer E. Vanherck, referendaris.

De griffier, A. Beckers.

De voorzitter, J. De Brabandere.

10 MAART 1998. - Koninklijk besluit tot inrichting van de Commissie voor de overheidsopdrachten ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op artikel 37 van de Grondwet;

Gelet op het advies van de Commissie voor de overheidsopdrachten gegeven op 11 mei 1992;

Gelet op de adviezen van de Inspectie van Financiën gegeven op 13 april 1993 en 21 april 1997;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting en van de Minister van Ambtenarenzaken gegeven op 17 november 1993;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Eerste Minister en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Bij de Diensten van de Eerste Minister wordt een Commissie voor de overheidsopdrachten, hierna de Commissie te noemen, ingesteld.

Art. 2.§ 1. - De Eerste Minister legt aan de Commissie elk voorontwerp van wet of besluit tot bepaling van de algemene gunnings- en uitvoeringsregels van overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten voor advies voor. § 2. Op verzoek van iedere overheid of orgaan bevoegd om beslissingen te nemen inzake het gunnen en uitvoeren van overheidsopdrachten alsmede van iedere persoon waarop de wet betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten van toepassing is gemaakt en op verzoek van iedere instelling die vertegenwoordigd is in de Commissie voor de overheidsopdrachten, kunnen door de Eerste Minister aan de Commissie worden voorgelegd : 1° de problemen inzake de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen houdende regeling van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten alsmede van de bepalingen die de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten uitmaken;2° de vragen van algemene aard betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. § 3. De Commissie kan, op eigen initiatief, elk voorstel in verband met het nemen van wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten aan de Eerste Minister voorleggen. Ook legt zij hem alle nuttige voorstellen voor tot het handhaven van de onderlinge coördinatie van de teksten betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten alsmede de coördinatie ervan in overeenstemming met elke wijziging in een wet of besluit waarnaar die teksten verwijzen.

Art. 3.Voor het vervullen van haar opdracht kan de Commissie de nodige inlichtingen inwinnen bij iedere publieke of privaatrechtelijke persoon wiens medewerking zij nuttig acht.

Art. 4.§ 1. De Commissie is samengesteld uit : 1° de voorzitter en de ondervoorzitter voorgedragen door de Eerste Minister;2° zeven leden gezamenlijk voorgedragen door de Eerste Minister en de Vice-Eerste Ministers;3° twee leden voorgedragen door de Eerste Minister en de Vice-Eerste Ministers, uit de overheidsbedrijven en de sectoren water, energie en vervoer;4° negen leden voorgedragen door de Vlaamse Regering;5° zes leden voorgedragen door de Waalse Regering;6° drie leden voorgedragen door de Franse Gemeenschapsregering;7° vier leden voorgedragen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;8° een lid voorgedragen door de Duitstalige Gemeenschapsregering;9° een lid voorgedragen door het Rekenhof;10° een lid met de hoedanigheid van Inspecteur van Financiën, voorgedragen door de Minister van Begroting;11° een lid voorgedragen door het Belgisch Instituut voor Normalisatie;12° zes leden voorgedragen door het Verbond van Belgische Ondernemingen;13° twee leden voorgedragen respectievelijk door het Nationaal Christelijk Middenstandsverbond en de Union des Classes moyennes;14° twee leden voorgedragen respectievelijk door het Algemeen Christelijk Vakverbond en het Algemeen Belgisch Vakverbond;15° een lid voorgedragen door de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België;16° een lid voorgedragen door de Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten. § 2. Voor elk lid wordt tevens een of, indien gewenst, twee plaatsvervangers voorgedragen door de overheden en instellingen bedoeld in § 1.

Art. 5.De voorzitter en de ondervoorzitter worden door de Koning benoemd. De leden en de plaatsvervangers worden door de Eerste Minister benoemd. Hun mandaat heeft een duur van vijf jaar.

Art. 6.Wanneer ze niet bezoldigd worden door de overheidssector, genieten de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de Commissie, voor de zittingen die zijn bijwonen, een vergoeding van respectievelijk 500 en 400 frank. Zoals de personen bedoeld in artikel 3, hebben zij recht op de vergoedingen voor reis- en verblijfkosten die gelden voor het personeel van de ministeries en worden zij te dien einde gelijkgesteld met de ambtenaren van rang 13.

Art. 7.Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door de ambtenaren van de Diensten van de Eerste Minister die door deze worden aangewezen.

Art. 8.De kosten voor werking van de Commissie worden uitgetrokken op de begroting van de Diensten van de Eerste Minister.

Art. 9.De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Eerste Minister.

Art. 10.Het koninklijk besluit van 2 augustus 1982 tot hervorming van de Commissie voor de overheidsopdrachten, wordt opgeheven.

Art. 11.Onze Eerste Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 10 maart 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, J.-L. DEHAENE

^