Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 11 december 2000
gepubliceerd op 28 december 2000

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 september 1971 houdende uitvoering van hoofdstuk I van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood

bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
numac
2000022910
pub.
28/12/2000
prom.
11/12/2000
ELI
eli/besluit/2000/12/11/2000022910/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

11 DECEMBER 2000. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 september 1971 houdende uitvoering van hoofdstuk I van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, gewijzigd door de wet van 12 augustus 2000, inzonderheid op artikel 9ter;

Gelet op het koninklijk besluit van 13 september 1971 houdende uitvoering van hoofdstuk 1 van de wet van 28 mei 1971;

Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor pensioenen, gegeven op 25 september 2000;

Gelet op het advies van de inspecteur van financiën, gegeven op 16 oktober 2000;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 29 november 2000;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de Rijksdienst voor Pensioenen belast is met het vaststellen en betalen van de ouderdoms- en de weduwerenten;

Overwegende dat de Rijksdienst voor Pensioenen, in een streven naar vereenvoudiging en rationalisering van de reglementering, met ingang van 1 januari 2001, dit wil zeggen vanaf het ogenblik dat de Rijksdienst de taken van alle verzekeringsinstellingen, bevoegd voor het toekennen van ouderdoms- en weduwerenten, zal hebben overgenomen, nog enkel de gekapitaliseerde waarde van de renten zal uitbetalen;

Overwegende dat de Rijksdienst voor Pensioenen door deze eenmalige betaling van een kapitaal ontheven zou worden van alle verdere verplichtingen tegenover de gerechtigden of hun eventuele weduwen en er tevens een einde gesteld zou worden aan de betaling van minieme maandelijkse bedragen;

Overwegende dat dit besluit een maatregel bevat die ingaat op 1 januari 2001 en dat onverwijld de nodige schikkingen, door de Rijksdienst voor pensioenen dienen te worden getroffen om de betaling van de gekapitaliseerde waarde van de renten aan de gerechtigden te waarborgen, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Een artikel 4bis, luidend als volgt, wordt in het koninklijk besluit van 13 september 1971 houdende uitvoering van hoofdstuk 1 van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, ingevoegd : «

Art. 4bis.De Rijksdienst voor pensioenen betekent aan de gerechtigde het bedrag van het kapitaal zoals bedoeld in artikel 9ter van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood;

Dit kapitaal wordt bekomen door, wat de ouderdomsrente betreft, het bedrag van de rente te vermenigvuldigen met de coëfficiënt 10,8722 indien het een man betreft en met de coëfficiënt 13,1003 indien het een vrouw betreft;

De omzetting van de weduwerente naar hogergenoemd kapitaal, gebeurt overeenkomstig de coëfficiënten voorzien in de bijlage 8 Schaal B gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 september 1971. »

Art. 2.Een artikel 9quater luidend als volgt, wordt in hetzelfde koninklijk besluit ingevoegd; «

Art. 9quater.§ 1. De Rijksdienst voor pensioenen vereffent het kapitaal door middel van een enige storting in de loop van de maand waarin het rust- of overlevingspensioen voor de eerste maal wordt betaald. » § 2. Wat de mannelijke gerechtigden betreft, van wie de rente niet gelijktijdig ingaat met het pensioen, zal het kapitaal worden uitbetaald in de loop van de maand die volgt op deze waarin zij de 65ste verjaardag bereiken. § 3. De betaling van de in §§ 1 en 2 vermelde bedragen ontlast de Rijksdienst voor pensioenen van zijn verplichtingen tegenover de gerechtigde of zijn weduwe. »

Art. 3.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2001.

Art. 4.Onze Minister van Sociale Zaken en Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 11 december 2000.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken en Pensioenen, F. VANDENBROUCKE

^