Koninklijk Besluit van 11 maart 2018
gepubliceerd op 28 maart 2018
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot regeling van de rechtstoestand van de voorzitter en van de leden van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht en tot regeling van haar werking

bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
numac
2018030687
pub.
28/03/2018
prom.
11/03/2018
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2018030687

FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN


11 MAART 2018. - Koninklijk besluit tot regeling van de rechtstoestand van de voorzitter en van de leden van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht en tot regeling van haar werking


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op artikel 108 van de Grondwet;

Gelet op de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 18 juli 1966, inzonderheid op de artikelen 60, §§ 1 en 4, 61 en 62;

Gelet op het koninklijk besluit van 4 augustus 1969 tot regeling van de rechtstoestand van de voorzitter en van de leden van de vaste commissie voor taaltoezicht en tot regeling van deze werking;

Gelet op het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, gegeven op 21 april 2017;

Gelet op het advies 62.413/2 van de Raad van State; gegeven op 20 december 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1 °, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Algemeen

Artikel 1.In dit koninklijk besluit verstaat men onder : 1° bestuurstaalwet : de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 18 juli 1966;2° administratieve overheid : administratieve overheid in de zin van artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State;3° Commissie : Vaste Commissie voor Taaltoezicht. HOOFDSTUK 2. - De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden

Art. 2.§ 1. De voorzitter van de Commissie, legt de bij artikel 2, van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke monarchie, voorgeschreven eed af in handen van de federale minister van Binnenlandse Zaken.

De vaste en plaatsvervangende leden van de Commissie leggen de door artikel 2, van het voormeld decreet, voorgeschreven eed af in handen van de voorzitter van de Commissie. § 2 De Koning wijst uit de vaste leden van iedere afdeling een ondervoorzitter aan.

Art. 3.Bij afwezigheid dient het vaste lid zijn plaatsvervanger tijdig te verwittigen.

Wanneer een vast lid om enige reden zijn mandaat niet kan beëindigen, wordt het lid, dat hem vervangt, tot vast lid benoemd en wordt een nieuw plaatsvervangend lid benoemd voor de verdere duur van het mandaat. HOOFDSTUK 3. - De verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie

Art. 4.De voorzitter roept de leden op voor de gewone zittingen van de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie en voor de zittingen, welke door ten minste vier leden worden gevraagd.

De agenda's worden door de voorzitter vastgesteld.

De voorzitter leidt de besprekingen; hij is niet stemgerechtigd Is de voorzitter afwezig, dan nemen de ondervoorzitters beurtelings het voorzitterschap waar op de zittingen van de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie.

Bij het uitoefenen van dat ambt blijven de ondervoorzitters stemgerechtigd.

Het secretariaat wordt gezamenlijk door de twee secretarissen van de afdelingen waargenomen.

Eén van deze secretarissen dient in het bezit te zijn van een taalcertificaat zoals bepaald in artikel 12 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/03/2001 pub. 31/03/2001 numac 2001002020 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 sluiten tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966. Indien geen van beide secretarissen over zulk certificaat beschikt, komt het de voorzitter toe een secretaris aan te duiden voor het secretariaat van de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie.

Art. 5.De verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie beraadslaagt en beslist slechts geldig zo ten minste drie leden van iedere afdeling aanwezig zijn.

De verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie kan de zaken betreffende het Duitse taalgebied of de gemeenten uit het Malmedyse niet onderzoeken als het Duitstalig lid afwezig is.

Art. 6.In de loop van de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie kan door de voorzitter op eigen initiatief of op verzoek van ten minste drie leden tot schorsing van de zitting of tot verwijzing naar een latere vergadering van een op de agenda geplaatst punt worden besloten.

Elke vergadering, door een afdeling gehouden tijdens de schorsing van een zitting of naar aanleiding van een verwijzing naar een latere zitting, wordt voorgezeten door het lid van de afdeling dat de titel van de ondervoorzitter voert of, zo bij zijn afwezigheid, door het oudste lid; de secretaris van de afdeling, zoals benoemd in artikel 13, eerste lid, woont de besprekingen bij, behoudens andersluidende beslissing van de voorzitter of de twee ondervoorzitters.

Art. 7.Ieder advies van de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie wordt gegeven bij meerderheid van de aanwezige leden.

Er wordt geen advies verstrekt wanneer de meerderheid uitsluitend bekomen wordt met stemmen van éénzelfde afdeling.

Zo uit de stemming blijkt dat, ten minste twee leden of het Duitstalig lid een mening delen of deelt die tegengesteld is aan die van de meerderheid, wordt die mening gemotiveerd en vermeld in een bijlage bij het advies, ongeacht of die leden al dan niet tot dezelfde afdeling behoren. Deze mening moet vooraf gegaan worden door de titel "afwijkende mening".

Art. 8.De adviezen worden met redenen omkleed. Zij vermelden het aantal leden die voor of tegen hebben gestemd dan wel zich hebben onthouden.

Art. 9.Is de meerderheid uitsluitend bekomen met de stemmen van éénzelfde afdeling of wordt in de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie geen meerderheid bereikt, dan zendt de voorzitter van de Commissie aan iedere minister, leidinggevende van een administratieve overheid, burgemeester, provinciegouverneur of hun gemachtigde die het advies heeft gevraagd of bij de klacht betrokken is, een beknopte nota die de uitgebrachte meningen weergeeft.

Betreft het een raadpleging als bedoeld in artikel 61, § 2 van de bestuurstaalwet dan wordt een afschrift van de nota ter kennisgeving aan de federale minister van Binnenlandse Zaken gezonden.

Art. 10.§ 1. Een adviesaanvraag bij de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie kan rechtsgeldig aanhangig worden gemaakt door middel van een door de minister ondertekend verzoekschrift verstuurd bij aangetekende, gewone of elektronische post.

Het advies wordt uitsluitend ter kennis gebracht van de minister die het heeft gevraagd; eventueel worden er opmerkingen aan toegevoegd.

Een adviesaanvraag kan eveneens aanhangig gemaakt worden bij de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie door middel van een ondertekend verzoekschrift verstuurd bij aangetekende, gewone of elektronische post door leidinggevenden van administratieve overheden.

Het advies wordt ter kennis gebracht aan de adviesvrager en de bevoegde minister; eventueel worden er opmerkingen aan toegevoegd. § 2. Een adviesaanvraag bij de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie kan rechtsgeldig aanhangig worden gemaakt door middel van een ondertekend verzoekschrift, verstuurd bij aangetekende, gewone of elektronische post door de burgemeester, provinciegouverneur of hun gemachtigde.

Het advies wordt uitsluitend ter kennis gebracht van de adviesaanvrager; eventueel worden er opmerkingen aan toegevoegd.

Art. 11.Een klacht kan bij de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie aanhangig worden gemaakt door middel van een ondertekend verzoekschrift, dat bij aangetekende, gewone brief of elektronische post aan de voorzitter van de Commissie wordt gezonden.

Deze post dient de identificatiegegevens van de afzender te bevatten.

De klacht dient verder een uiteenzetting van de feiten te bevatten.

Zij dient de nodige aanwijzingen te bevatten die toelaten de verwerking, voorwerp van de klacht, te identificeren.

De voorzitter van de Commissie geeft kennis van het advies aan de klagers alsook aan de rechtstreeks betrokken openbare overheden of personen.

Aan de voorzitter van de Commissie of, in voorkomend geval, aan de federale minister van Binnenlandse Zaken, wordt ter kennis gebracht welk gevolg aan het advies is gegeven.

Art. 12.De bevindingen van de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie bij de inzage van de verslagen van de waarnemers die worden gezonden naar de taalexamens die zonder de tussenkomst van SELOR in de taalgrensgemeenten worden georganiseerd, worden aan al de belanghebbende bestuursoverheden gericht.

De bevindingen van de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie bij de inzage van de verslagen van de waarnemers die worden gezonden naar de met medewerking van SELOR georganiseerde taalexamens, worden gericht aan de minister tot wiens bevoegdheid het Openbaar Ambt behoort, aan SELOR, aan de minister die in de zaak de toezichthoudende overheid is, en, in voorkomend geval, aan de adjunct-gouverneur van Vlaams-Brabant en de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. HOOFDSTUK 4. - De afdelingen

Art. 13.De voorzitter van de Commissie kiest uit de leden van het administratief personeel van de Commissie, de secretaris van de afdeling.

De betrokken ondervoorzitter regelt met de secretaris van de afdeling de wijze van de bijeenroeping, de organisatie en de agenda van de gewone zittingen.

De afdeling wordt eveneens bijeengeroepen op verzoek van ten minste twee leden.

Het voorzitterschap van de zittingen wordt uitgeoefend door het lid dat de titel van ondervoorzitter voert; bij zijn afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste lid.

De voorzitter van de Commissie woont de zittingen van de afdeling bij; hij heeft er raadgevende stem.

Art. 14.§ 1. De afdeling beraadslaagt en besluit op geldige wijze als ten minste drie leden aanwezig zijn. § 2. Ieder advies wordt gegeven bij meerderheid van de aanwezige leden. De adviezen worden met redenen omkleed en vermelden het aantal leden die voor of tegen hebben gestemd dan wel zich onthouden hebben.

Zij worden, ter kennisgeving, aan de andere afdeling gezonden. § 3. Iedere andere mening dan die van de meerderheid kan worden vermeld in een bijlage die bij het advies wordt gevoegd. Deze mening moet vooraf gegaan worden door de titel "afwijkende mening". § 4. Wordt in de zitting van de afdeling geen meerderheid bereikt dan zendt de voorzitter van de Commissie, op verslag van het lid dat de titel van ondervoorzitter voert, aan iedere minister, leidinggevende van een administratieve overheid, burgemeester, provinciegouverneur of hun gemachtigde die het advies heeft gevraagd of bij de klacht betrokken is, een beknopte nota die de uitgebrachte meningen weergeeft.

Betreft het een raadpleging als bedoeld in artikel 61 § 2, van de bestuurstaalwet, dan wordt een afschrift van de nota ter kennisgeving aan de federale minister van Binnenlandse Zaken gezonden.

Art. 15.De artikelen 10 en 11 zijn van toepassing op de afdelingen. HOOFDSTUK 5. - Onderzoeks- en controletaak, maken van opmerkingen

Art. 16.De afdelingen en de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie kunnen, op voorstel van de voorzitter, leden van het administratief personeel met onderzoekstaken belasten.

De voorzitter kan afgevaardigden uit het administratief personeel aanwijzen om een controletaak of een taak van waarnemer tijdens de taalexamens uit te oefenen. HOOFDSTUK 6. - Evocatierecht

Art. 17.De voorzitter van de Commissie zendt aan de federale minister van Binnenlandse Zaken een afschrift van iedere klacht die ingediend is op grond van artikel 61, § 6, van de bestuurstaalwet.

Heeft de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie of de afdeling geen advies uitgebracht binnen de in voornoemd artikel 61, § 6, bepaalde termijn van honderdtachtig dagen, dan zendt de voorzitter van de Commissie, binnen drie dagen na het verstrijken van de termijn, het volledig dossier van de zaak aan de federale minister van Binnenlandse Zaken.

Hij geeft de klager kennis van die toezending. HOOFDSTUK 7. - Huishoudelijk reglement

Art. 18.Het huishoudelijk reglement van de Commissie wordt vastgesteld onder de voorwaarden die terzake van aanwezigheid en stemming voor de adviezen zijn vereist. HOOFDSTUK 8. - Bezoldiging, vergoeding en tucht

Art. 19.De bezoldigingsregeling van de Staatsraden vindt toepassing op de voorzitter van de Commissie.

Voor de berekening van de periodieke weddeverhogingen wordt de voorzitter van de Commissie, die meer dan dertig jaar oud is op het ogenblik van zijn aanwijzing, geacht op dertigjarige leeftijd in dienst te zijn getreden.

De regelen betreffende het verlof van het Rijkspersoneel vinden toepassing op de voorzitter van de Commissie.

Art. 20.Het presentiegeld dat toegekend wordt aan de vaste en plaatsvervangende leden, bedraagt 36 euro; dat bedrag wordt met de helft verminderd wanneer de zitting of de werkelijke aanwezigheid van het lid minder dan twee uren duurt.

Wanneer de leden, die de titel van ondervoorzitter voeren, hun afdeling of de verenigde vergadering van de afdelingen van de Commissie voorzitten, ontvangen zij bovendien presentiegeld ten bedrage van de helft van het presentiegeld dat overeenkomstig het vorige lid is vastgesteld.

De reiskosten van de leden van de Commissie worden terugbetaald overeenkomstig het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten.

Voor de bepaling van de afstand die als basis dient voor de berekening van deze vergoeding, dient men de afstand te beschouwen tussen de plaats waar de zitting plaatsvindt en de hoofdverblijfplaats of de werkplaats, langs de kortste weg. Onder hoofdverblijfplaats dient verstaan te worden de gemeente waar het lid ingeschreven is in de bevolkingsregisters.

De leden van de Commissie hebben recht op een vergoeding van hun verblijfkosten op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juli 2017Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/07/2017 pub. 19/07/2017 numac 2017040352 bron federale overheidsdienst beleid en ondersteuning Koninklijk besluit tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt sluiten tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.

Voor de vaststelling van de reis- en verblijfkosten die voortvloeien uit de uitoefening van hun mandaat worden de leden van de Commissie gelijkgesteld met de personeelsleden van de federale overheidsdiensten die titularis zijn van een titel in de klasse A5.

De bedragen van de in vorige leden bedoelde presentiegelden zijn gebonden aan de spilindex 138.01.

Het presentiegeld en de reis- en verblijfkosten zijn betaalbaar per kwartaal. Het presentiegeld mag echter, per lid, niet meer dan 3.575 euro per jaar bedragen en, voor de leden die de titel van ondervoorzitter voeren, niet meer dan 3.895 per jaar.

De voorzitter en de ondervoorzitters houden er persoonlijk de hand aan dat het bepaalde in het eerste lid van dit artikel nagekomen wordt.

Art. 21.De leden van de Commissie zijn gehouden tot geheimhouding wat betreft de besprekingen alsook alle informatie waarvan ze kennis nemen. Alle documenten die in het kader van de werkzaamheden van de Commissie ter beschikking zijn gesteld alsook de opmerkingen gemaakt tijdens de vergadering zijn strikt vertrouwelijk.

De leden van het administratief personeel die deelnemen aan de werkzaamheden zijn gehouden aan de bepalingen vermeld in het eerste lid.

Art. 22.Het vast of plaatsvervangend lid, dat in de loop van een kwartaal zesmaal zonder wettige reden afwezig is of dat een inbreuk pleegt op artikel 21, wordt door de Koning van zijn mandaat vervallen verklaard. HOOFDSTUK 9. Opheffings- en slotbepalingen

Art. 23.Het koninklijk besluit van 4 augustus 1969, tot regeling van de rechtstoestand van de voorzitter en van de leden van de vaste commissie voor taaltoezicht en tot regeling van dezer werking, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 februari 1995 en het koninklijk besluit van 20 december 2007, wordt opgeheven.

Art. 24.Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 11 maart 2018.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Veiligheid en van Binnenlandse Zaken, J. JAMBON


begin


Publicatie : 2018-03-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^