Koninklijk Besluit van 11 mei 2004
gepubliceerd op 01 juni 2004
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen

bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
numac
2004014097
pub.
01/06/2004
prom.
11/05/2004
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

11 MEI 2004. - Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van besluit dat ik de eer heb aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, vervangt het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.

Het huidige systeem is nog grotendeels geïnspireerd op de vroegere regelgeving vervat in het koninklijk besluit van 1968 betreffende de rijscholen, waarbij een erkenning enkel kon worden afgeleverd voor zover « het algemeen belang » dit verantwoordde, en de rijschool voldeed aan een limitatief aantal voorwaarden die worden opgesomd in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.

Aangezien de notie « het algemeen belang » echter op generlei wijze omschreven is, diende men dit criterium, bij elke concrete erkenningsaanvraag, te toetsen op basis van vooraf vastgestelde parameters (leefbaarheidsonderzoek). Na decennia leidde dit tot verstarring van het systeem en feitelijke oligopolievorming in de sector, tot abnormaal lange wachttijden voor de behandeling van nieuwe aanvragen en sinds december 1999 tot het niet langer afleveren van nieuwe erkenningen in afwachting van een nieuw besluit.

Deze regeling is bovendien in beginsel strijdig met de Europese principes van vrije vestiging en vrije mededinging.

Teneinde in de huidige maatschappelijke context aan de burger meer rechtszekerheid te verschaffen wordt voorgesteld de erkenning van de rijscholen afhankelijk te stellen van het beantwoorden aan een aantal kwalitatieve en objectieve criteria. Naast een meer transparante en vereenvoudigde procedure garandeert dit systeem anderzijds dat de aanvrager een erkenning kan verkrijgen voor zover aan de in het besluit gestelde vereisten is voldaan.

Teneinde op een correcte toepassing van de regelgeving toe te zien, als sluitsteen van het systeem, werd voor de Dienst Rijbewijs tevens de benodigde versterking voorzien van de personeelsformatie.

Bovendien worden de kwaliteitseisen verscherpt inzake de toegang tot het beroep voor de instructeurs en het leidinggevend personeel der rijscholen. Het brevet V, dat toegang geeft tot de functie van instructeur belast met het praktisch onderricht voor de categorieën B+E, C, C+E, D, D+E alsmede van de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E wordt ingevoerd. Ook het sanctiemechanisme wordt verfijnd, echter met oog op het eerbiedigen van de rechten van verdediging.

Teneinde geen discriminatie te genereren tussen de bestaande rijscholen en nieuwe aanvragers is voorzien dat over een tijdspanne van twee jaren alle erkende rijscholen aan de nieuwe normen dienen te voldoen en desgevallend hun erkenningsaanvraag dienen te hernieuwen.

Deze reglementering is het voorwerp geweest van een breed overleg met alle partijen die bij de opleiding van bestuurders betrokken zijn.

Deze reglementering werd aangepast aan de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, teneinde persoonsgebonden gegevens te ondervangen.

Bespreking van de artikelen Artikel 1 In dit artikel worden een aantal benodigde begrippen omschreven voor de toepassing van het koninklijk besluit.

Artikel 2 Dit artikel voorziet dat het theoretisch en praktisch rijonderricht tegen vergoeding op een openbare plaats of op een privé terrein slechts door een rijschool kan worden verstrekt, die daartoe door de Minister die de verkeersveiligheid tot zijn bevoegdheid heeft, is erkend.

De verplichting om houder te zijn van een erkenning is echter niet van toepassing op de instellingen, die door artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs erkend zijn om opleidingen inzake de toegang tot het rijbewijs verstrekken, te weten : het leger, de federale en lokale politie, de openbare instellingen voor beroepsopleiding en de openbare vervoersmaatschappijen. Omwille van het specifieke karakter van deze instellingen, werd het niet opportuun geacht hen te onderwerpen aan een erkenning als rijschool.

Deze instellingen zijn krachtens artikel 64 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs onderworpen aan de controle van de inspectie van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Hun programma moet voorafgaandelijk ter goedkeuring aan de Minister worden voorgelegd.

De erkenning kan worden verleend aan de in de handelsvennootschappenwet bepaalde handelsvennootschappen, of aan de natuurlijke personen.

Deze bepaling beoogt het vermijden van elke oneerlijke concurrentie tussen rijscholen. De rijscholen zullen volgens identieke kwaliteitsvoorwaarden werken.

De regering wil echter werken aan een grotere democratisering van de toegang tot het rijbewijs : bepaalde groepen van de bevolking hebben momenteel geen toegang tot commerciële rijscholen omwille van financiële en/of commerciële redenen. Deze situatie heeft een negatief effect op hun sociale en professionele integratiemogelijkheden, omdat voor een aanzienlijk deel van de werkaanbiedingen het bezit van een rijbewijs vereist is. Tenslotte moet worden vastgesteld dat deze moeilijkheden inzake de toegang tot het rijbewijs bepaalde burgers er jammer genoeg toe brengen om zonder rijbewijs en zonder opleiding rond te rijden, hetgeen uitermate schadelijk is voor de verkeersveiligheid.

Daarom wil de regering, verenigingen zonder winstoogmerk of vennootschappen met sociaal oogmerk in staat stellen erkend te worden als rijschool voor welomschreven doelgroepen voor het geven van rijonderricht voor voertuigen van de categorie B. Dit moet toelaten aan de technische scholen die opgericht zijn als V.Z.W. en vandaag erkend zijn, om hun rijschoolactiviteiten verder te zetten, als ze voldoen aan de kwaliteitscriteria vastgelegd door het huidige besluit. Deze scholen hebben zowel materiële als personeelsinvesteringen gedaan en hebben de nodige ervaring om een opleiding die aan de kwaliteitscriteria van het huidige besluit voldoet aan te bieden. Het zou dus ongepast zijn dat de Staat niet toelaat hun rijschoolactiviteiten verder te zetten. Bovendien kunnen ze niet hun statuut in dat van een vennootschap met winstoogmerk veranderen. Het huidige besluit laat dus aan deze instellingen toe om hun rijschoolactiviteiten onder het statuut van V.Z.W. verder te zetten. Omdat het niet de wil van de regering is een markt met dergelijke instellingen te organiseren, wordt deze mogelijkheid beperkt tot de technische scholen die nu zijn erkend.

In punt b) van § 4 beantwoordt de gebruikte definitie aan het criterium van het Europees Sociaal Fonds betreffende de werklozen van lange duur, zodat het de activiteitsgraad kan verhogen.

Wat betreft de persoonsgegevens betreffende de gezondheid werd om te antwoorden op de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, het artikel 23, § 8, van het ontwerp vervolledigd met de verplichting de schriftelijke en uitdrukkelijke toestemming te krijgen van de betrokkene, voorwaarde voorzien voor de verwerking van persoonsgegevens betreffende de gezondheid door de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Artikel 3 De Europese richtlijn 91/439 voert het principe in van de wederzijdse erkenning van rijbewijzen van de lidstaten en introduceert daartoe de gemeenschappelijke minimumnormen waaraan de rijexamens moeten voldoen.

Gemeenschappelijke criteria voor de rijopleiding ontbreken volledig zodat zij een pure nationale materie blijft. De verscheidenheid is dan ook enorm.

Het is omdat de activiteiten van de rijscholen dusdanig verweven zijn in het Belgische systeem van rij-opleiding, dat op vele domeinen fundamenteel verschilt van de opleidingssystemen toegepast in de andere lidstaten, dat het logische gevolg ervan is dat de rijschool haar activiteiten in België moet uitoefenen. Zonder dat zou het bovendien onmogelijk zijn te voldoen aan de navolgende bepalingen van het besluit.

Artikel 4 Dit artikel regelt de publiciteit betreffende het rijonderricht, teneinde een correcte informatie aan de leerlingen te bevorderen. Het gebruik van beschermde benamingen betreffende het rijonderricht wordt uitsluitend voorbehouden aan de erkende rijscholen.

Op verzoek van de Raad van State werd alinea 2 van artikel 4 geschrapt.

Artikel 5 § 1. Aan de aanvrager die de in het besluit bepaalde voorwaarden vervult, zullen worden uitgereikt : een algemene erkenning van rijschool, een exploitatievergunning van een vestigingseenheid voor elke rijschoolzetel en een goedkeuring van het oefenterrein voor elk door de rijschool gebruikt terrein voor de manoeuvers.

Dit artikel onderstreept het beginsel dat de erkenning zal afgeleverd worden van zodra de in dit koninklijk besluit opgesomde en op kwaliteitscriteria berustende objectieve voorwaarden zijn vervuld. Het criterium van algemeen belang is geschrapt en er is geen appreciatiebevoegdheid meer verleend aan de overheid die een erkenning aflevert.

Het betreft een uitbreiding van de toegang tot de betrokken sector, door een betere mededinging tussen de rijscholen door de hogere kwaliteitseisen die worden gesteld aan het gegeven rijonderricht, alsmede via een verlaging van de door de rijscholen toegepaste tarieven.

Opgelegde termijnen zijn vastgesteld zowel in hoofde van de Minister die de erkenning aflevert, als voor de aanvrager teneinde een vlotte afwerking van de procedure te bewerkstelligen.

De overheid kan de verlenging van de termijn vragen waarin hij zijn beslissing moet nemen. Hij verwittigt daarvan de kandidaat.

Indien de bevoegde overheid niet binnen de opgelegde termijn uitspraak doet, worden de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of de goedkeuring van oefenterrein geacht aangevaard te zijn. § 2. De verschillende documenten die de aanvrager (met name de natuurlijke of rechtspersoon die een erkenning van rijschool aanvraagt) dient voor te leggen zijn opgesomd in artikel 5; zij dienen als bewijsstuk dat aan de opgelegde vereisten is voldaan.

Rekeninghoudend met de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, werd in 1° vermeld dat de voorwaarden die vereist zijn voor de leidinggevende en onderwijzende personeelsleden, deze zijn die vermeld zijn in artikelen 11 en 12.

Zo werd ook de oorspronkelijke 7° (verklaring betreffende de aard en de omvang van de andere beroepsbezigheden van de rijschooldirecteur), uit het ontwerp geschrapt.

Zolang de kruispunt databank ondernemingen niet operationeel is, zullen de documenten door de aanvrager moeten aangeleverd worden.

De bevoegde overheid kan steeds de waarheidsgetrouwheid van de verstrekte gegevens ter plaatse natrekken.

De Raad van State heeft de opmerking gemaakt dat sommige bepalingen van het ontwerp uitdrukkelijk aansluiten bij de voorschriften van de Belgische overheid, onder meer betreffende de publicatieverplichting in het Belgisch Staatsblad van de stichtingsakte van de onderneming, de RSZ-aangifte en de vermelding van het BTW-nummer. Desalniettemin is het noodzakelijk dat de administratie het nodige toezicht kan uitoefenen niet alleen op de reglementering van het rijbewijs, maar ook aangaande de reglementering op de vennootschappen, de sociale zekerheid en de BTW. Artikel 6 Dit artikel omschrijft de inhoud van de erkenning en bepaalt in welke gevallen een nieuwe erkenningsaanvraag of een wijziging aan een erkenning dient ingediend.

Het bepaalt eveneens dat de Minister de erkenning intrekt in het geval van de definitieve stopzetting van de activiteit of in het geval van de verdwijning van elke vestigingseenheid.

Deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat rijscholen waar geen activiteiten meer plaatsvinden hun erkenning kunnen behouden, hetgeen strijdig zou zijn met een gezond bestuur van de sector.

Bij de oorspronkelijke aanvraag zullen de datum van erkenning en de afleveringsdatum van het document dezelfde zijn.

Bij elke latere wijziging zal de datum van erkenning worden hernomen terwijl de afleveringsdatum zal zijn aangepast. Dit geldt ook voor de opmerking van de Raad van State op artikel 7, infra.

Artikel 7 § 1. De voorwaarden voor het bekomen van een exploitatievergunning van een vestigingseenheid zijn eveneens bepaald, gezien eenzelfde rijschool houder kan zijn van meerdere exploitatievergunningen van een vestigingseenheid. § 2. De inhoud van de exploitatievergunning van de vestigingseenheid die wordt afgeleverd voor elke rijschoolzetel wordt in dit artikel omschreven. De gevallen waarbij een nieuwe aanvraag voor een exploitatievergunning van een vestigingseenheid of een wijziging aan de bestaande exploitatievergunning van een vestigingseenheid dient ingediend, worden omschreven.

Er wordt verwezen naar het "uniek ondernemingsnummer" en de "vestigingseenheid", bij toepassing van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.

Het aan elke rijschool toegekend erkenningsnummer geldt voor intern gebruik tot de kruispuntbank operationeel zal worden.

Zolang de kruispunt databank ondernemingen niet operationeel is, zullen de documenten door de aanvrager moeten aangeleverd worden.

Gelet op de in artikel 2, § 3, § 4 en § 5 voorziene mogelijkheid om technische scholen, verenigingen zonder winstoogmerk of vennootschappen met sociaal oogmerk te erkennen, kunnen ook de exploitatievoorwaarden daartoe worden vastgelegd. § 3. Dit artikel bepaalt ook, dat bij definitieve stopzetting van de activiteiten van een vestigingseenheid, de Minister de exploitatievergunning van een vestigingseenheid intrekt. Deze laatste wordt eveneens ingetrokken wanneer het rijonderricht niet gestart wordt binnen de zes maanden na de toekenning van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of wanneer het onderricht er langer dan één jaar wordt opgeschort. Deze bepaling is ingelast om te vermijden dat rijscholen zonder enige activiteit nog hun exploitatievergunning van een vestigingseenheid kunnen behouden. § 4. De rijschooldirecteur deelt binnen een termijn van acht dagen de tijdelijke of definitieve sluiting van de rijschool of van een vestigingseenheid mede aan de Minister of aan het bestuur.

Artikel 8 § 1. De voorwaarden voor het bekomen van een oefenterrein zijn bepaald. § 2. De inhoud van de goedkeuring van een oefenterrein, die dient afgeleverd voor elk oefenterrein, wordt in dit artikel vastgelegd, waarbij tevens de gevallen worden bepaald waarin een nieuwe goedkeuringsaanvraag voor een oefenterrein dient ingeleid. § 3. Dit artikel bepaalt ook, dat bij definitieve stopzetting van de activiteiten op het oefenterrein, de Minister de goedkeuring van het oefenterrein intrekt.

Artikel 9 Dit artikel stipuleert dat de toekenning en de intrekking van de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuring van het oefenterrein in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd.

Het bestuur houdt een register bij van de erkenningen van rijschool, van de exploitatievergunningen van de vestigingseenheden en van de goedkeuringen van de oefenterreinen.

Er wordt een einde gemaakt aan het huidige systeem dat houders van een erkenning in staat stelt deze over te dragen.

Artikel 10 Dit artikel bepaalt : -retributies die dienen voldaan voor de aflevering van een erkenning van rijschool (250 EUR), van een exploitatievergunning van een vestigingseenheid (125 EUR), of voor de substantiële wijziging van de gegevens van de erkenning of van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid (125 EUR); - een jaarlijkse retributie per rijschool (125 EUR), per vestigingseenheid (125 EUR), en per personeelslid (50 EUR).

Deze retributies worden geheven om de kosten van administratie, controle en toezicht op de rijscholen te dekken. Het bedrag van de retributies werd opgetrokken gezien het nieuwe systeem meeruitgaven zal genereren ten laste van de Staat. Deze retributies zijn in overeenstemming met de in onze nabuurstaten gehanteerde tarieven.

Artikel 11 § 1. Elke rijschool dient een rijschooldirecteur aan te stellen die voldoet aan de in artikelen 12 en 13 gestipuleerde voorwaarden.

De functie van adjunct-rijschooldirecteur die de directeur zal bijstaan wordt door dit artikel voorzien. De aanstelling van een adjunct-directeur is verplicht gesteld van zodra de rijschool meer dan vijftien instructeurs tewerkstelt. Deze verplichting moet toelaten dat de directie een betere controle uitoefent op de werkzaamheden van de instructeurs alsmede op de kwaliteit van het rijonderricht.

Ten einde tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad van State, worden de opdracht van de directie gebundeld in § 2 hieronder. § 2. De rol van rijschooldirecteur is toegenomen : hij is belast met de leiding en het toezicht op de kwaliteit van het verstrekte onderricht en is bovendien verantwoordelijk voor de opleiding van de stagiaires.

De directie oefent haar hoofdberoep uit binnen de rijschool : hij moet er minstens twintig werkuren per week werken. De functie van directeur kan slechts in één erkende rijschool worden uitgeoefend en deze wordt aangeduid onder de personen die de rechtspersoon wettelijk kunnen vertegenwoordigen. Deze bepaling wenst "goedkope" directeurs uit te sluiten die slechts hun brevet ten dienste stellen van een rijschool zonder evenwel de functie effectief uit te oefenen. § 3. Rekeninghoudende met de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, werd de verplichting om de in- en uitdiensttredingen van de personeelsleden mee te delen, afgeschaft. Nochtans moet de rijschooldirecteur, met het oog op vastleggen van het bedrag van de retributies voorzien in artikel 10, jaarlijks een lijst mededelen van het leidinggevend en onderwijzend personeel dat functies heeft vervuld in de rijschool. § 4. De rijscholen kunnen enkel instructeurs aanwerven die beantwoorden aan de vereisten opgesomd in artikelen 12 en 13.

Artikel 12 § 1. Dit artikel omschrijft de vereisten die worden gesteld om een functie in een erkende rijschool te kunnen uitoefenen. Bovendien moeten de personen die de rijschool wettig vertegenwoordigen, zonder er evenwel een andere functie uit te oefenen, eveneens voldoen aan de gestelde vereiste, van niet veroordeeld zijn voor overtredingen van de bepalingen van het koninklijk besluit betreffende de rijscholen, alsmede van bepaalde bepalingen uit het Strafwetboek of uit de wegverkeerswet.

Het personeelslid legt een verklaring op eer voor, niet veroordeeld te zijn bij in kracht van gewijsde getreden vonnis.

Deze verklaring wordt in zijn persoonlijk dossier geklasseerd waarmee wordt tegemoet gekomen aan de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke levenssfeer.

Het punt 7° bepalende dat « de instructeurs een kopie geven van hun arbeidsovereenkomst, behalve indien zij bewijzen dat ze hun activiteit niet onder de toezicht van de rijschooldirecteur uitoefenen zoals voorzien in artikel 11 », werd geschrapt teneinde rekening te houden met het advies van de Raad van State. § 2. De directie- of instructietoelating wordt ingevoerd; deze toelating staat los van het vereiste brevet voor de uitoefening van een functie in een rijschool. Zij wordt door de Minister of zijn gemachtigde verleend nadat is vastgesteld dat aan alle daartoe gestelde eisen binnen een terrmijn van een maand zijn voldaan.

De aflevering van deze toelating wordt gematerialiseerd door een nationale code aan te brengen op het rijbewijs van de houder. Er wordt derhalve geen bijkomend document ingevoerd, behalve wanneer het een persoon betreft die zijn normale residentie niet in België heeft gevestigd.

De invoering van deze toelating geconcretiseerd door een code op het rijbewijs is verantwoord om de hiernavolgende redenen : - zij laat de inspectiedienst alsmede de politiediensten toe gemakkelijker op het terrein te controleren of een persoon die rijonderricht verschaft hiertoe werkelijk is gemachtigd, alsmede aan de administratieve diensten om via het centraal bestand van de rijbewijzen na te gaan of de toelating op het document werd vermeld; - zij kan evenzeer worden ingetrokken bij wijze van sanctie voorzien bij artikel 41 en volgende. In voorkomend geval zal het rijbewijs aan de gemeente dienen terugbezorgd dewelke aan de titularis een nieuw rijbewijs (retributie van 11 euro) zal uitreiken zonder vermelding van de code; - de verwachte Europese richtlijn betreffende de vakbekwaamheid voorziet eveneens de vermelding van codes op het rijbewijs, ten bewijze dat aan de gestelde opleiding is voldaan.

Het advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persooonlijke Levenssfeer werd niet gevolgd omwille van de redenen die hierboven werden vermeld en die de invoering van een nationale code op het rijbewijs verklaren.

De op het rijbewijs te vermelden codes staan vermeld in artikel 12 in plaats van in artikel 45 dat geschrapt werd.

Artikel 13 Dit artikel voorziet in de onverenigbaarheden tussen de functies in een rijschool en de functies in een organisme voor technische controle, een examencentrum of een controledienst, en dit om elke belangenvermenging te voorkomen.

Artikel 14 Dit artikel voert voor elke rijschooldirecteur, adjunct-rijschooldirecteurs en instructeur de verplichting in om elk jaar een bijkomende opleiding te volgen over onderwerpen die in verband staan met de onderwezen leerstof; het aantal te volgen uren hangt af van de door de belanghebbende geleverde prestaties. Het aantal opleidingsuren streeft ernaar om het ervaringsgebrek op het terrein te compenseren. Om deze reden moet het halftijds werkend personeel of het één vierde deeltijds werkend personeel, een groter aantal opleidingsuren volgen dan het voltijds werkend personeel of het drie vierde deeltijds werkend personeel.

Rekeninghoudend met de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, werd de inhoud van het getuigschrift afgeleverd na de opleiding in het opleidingscentrum duidelijk omschreven (vermelding van de gevolgde aantal uren cursus en van de onderwezen leerstof) evenals de periode en de plaats van bewaring van het document (rijschool waar de betrokkende zijn functies vervulde tijdens zijn opleiding).

De bijscholing van het personeel van de rijscholen is een belangrijke factor om de kwaliteit van het gegeven rijonderricht ten bate van de leerlingen te verbeteren en om de pedagogische vaardigheden van de instructeurs aan te scherpen.

Deze opleidingen zullen gegeven worden door organisaties van nationale of internationale experten. De colloquia en de seminaries worden eveneens beschouwd als opleidingen.

Artikel 15 Dit artikel voert de verplichting in om te beschikken over lokalen bestemd voor de administratie alsmede voor het onderricht; de vereisten inzake deze lokalen zijn verscherpt, ondermeer wat betreft het door de rijscholen aangewende didactische materieel (bijvoorbeeld een computer, een maquette van de belangrijkste onderdelen van het voertuig met toebehoren zoals de EHBO-tas,de brandblusser,...) teneinde een adequate pedagogische ondersteuning te bewerkstelligen.

De notie van lokaal betekent niet automatisch dat dit lokaal afgescheiden moet worden van de anderen door muren; andere systemen kunnen aanvaard worden.

De rijschool moet het alleengebruik van de lokalen voor de administratie hebben teneinde een controle op de administratieve activiteiten van elke rijschool te vergemakkelijken; de leslokalen kunnen ook door andere zetels, of zelfs door andere rijscholen worden gebruikt op grond van contracten die op voorhand aan de administratie moeten worden medegedeeld.

Artikel 16 De verplichting om voor iedere vestigingseenheid te beschikken over een oefenterrein voor het rijonderricht der manoeuvres wordt door dit artikel ingevoerd; dit terrein dient uitgerust te zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 16, alsmede van bijlage 1.

De rijscholen dienen niet noodzakelijk eigenaar te zijn van het oefenterrein; het volstaat dat zij er de beschikking over hebben overeenkomstig een huurcontract of elke andere dienstige overeenkomst.

Bovendien kan dit oefenterrein door meerdere zetels of rijscholen worden gebruikt.

Het oefenterrein dient evenwel op een maximale afstand van 20 km in vogelvlucht gelegen te zijn van de vestigingseenheid. Deze bepaling werd ingelast om het daadwerkelijk in onbruik raken en te lange verplaatsingen naar het betrokken oefenterrein te vermijden.

Artikelen 17 en 18 Elke vestigingseenheid, dient voor elke op de exploitatievergunning van een vestigingseenheid vermelde onderrichtscategorie te beschikken over minstens één lesvoertuig.

De lesvoertuigen moeten aan de gestelde eisen voldoen, en dienen onder meer te beschikken over een dubbele inrichting met een geluidssein dat moet toelaten de tussenkomsten van de instructeur bij het examen te registreren.

Deze vereiste wordt eveneens opgelegd voor de lesvoertuigen van de categorieën C en D en van de subcategorieën C1 en D1 die nu ook dienen uitgerust te zijn, met een dodehoekspiegel-systeem alsmede met veiligheidsgordels zoals voorzien voor de andere lesvoertuigen.

De afschrijving van een voertuig van categorie B gebeurt over een maximumduur van vijf jaar, wat overeenkomt met de duur die erkend wordt door de belastingsadministratie.

Artikel 19 Elk lesvoertuig moet door een verzekeringspolis gedekt worden.

Artikelen 20 tot 22 Deze artikelen bepalen de regels voor het theoretische en praktische onderricht : - bepalingen die toelaten de beoogde doelgroepen te benaderen door de theorielessen te decentraliseren en die toelaten de rijscholen te dwingen de opleidingen te verstrekken op een wijze die voldoende gespreid is over het jaar, zodat de gelijkheid van de toegang tot de lessen voldoende gewaarborgd is; - verplichting om instructeurs aan te duiden, die houder zijn van een instructietoelating voor theorie of praktijk, of stagiairs; - verplichting om in lokalen of op terreinen les te geven, die daarvoor erkend zijn; - verplichting om voertuigen te gebruiken, die aan de vereiste voorwaarden beantwoorden; voor gehandicapte leerlingen zijn bijzondere regels bepaald.

Artikel 23 Dit artikel bepaalt de administratieve documenten die de rijscholen moeten bijhouden voor een doeltreffend toezicht op de werking van de school : - een inschrijvingskaart per leerling; - een aanwezigheidslijst voor de theoretische lessen; - een dagelijkse fiche voor de praktische lessen; - een jaarregister.

Rekeninghoudend met het advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, werd er voorzien dat de verschillende documenten evenals de getuigschriften voorzien in § 8, één jaar moeten bewaard worden (het jaarregister, 3 jaar).

De bewaring van deze documenten is nodig voor de controle door de inspecteurs van de Federale Overheid en voor het eventueel afleveren van de duplicata van de opleidingsgetuigschriften aan de leerlingen.

De documenten die de rijscholen na verloop van de lessen dienen af te leveren aan hun leerlingen worden ook bepaald.

De scholen moeten een schriftelijke overeenkomst met hun leerlingen opmaken, waarin de voorwaarden en de uitvoering van het onderricht bedongen worden, en de tarieven in hun lokalen uithangen om de leerlingen in te lichten en hen te beschermen tegen gewetensloze praktijken.

Conform de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, werd voorzien, om in overeenstemming te zijn met artikel 7 van de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dat de gehandicapten die een opleiding volgen in een rijschool zoals voorzien in artikel 2, § 4, schriftelijk hun uitdrukkelijke toestemming moeten verlenen voor de verwerking van de persoonsgegevens betreffende de gezondheid.

Er is eveneens bepaald dat de rijscholen zoals voorzien in artikel 2, §§ 4 en 5, die persoonsgegevens betreffende de gezondheid of gerechtelijke gegevens zoals omschreven in de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zich moeten schikken naar de bepalingen van artikel 25, 26 en 27 van het koninklijk besluit van 13 februari 2001 ter uitvoering van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer betreffende de verwerking van persoonsgegevens.

Artikel 24 Om theoretisch en praktische rijlessen te geven en om een rijschool te leiden moet men houder zijn van een brevet van beroepsbekwaamheid van het leidende en onderwijzende personeel van de rijscholen.

Artikel 24 voert vijf brevetten van beroepsbekwaamheid in en meer bepaald een nieuw brevet V, dat toegang verleent tot de functie van instructeur belast met praktisch onderricht in het besturen van voertuigen van de categorieën B+E, C, C+E, C1 en C1+E, D en D+E, D1 en D1+E. Dit brevet werd geschapen met het oog op de bijzonderheid van de te verstrekken opleiding.

Artikel 25 Dit artikel bepaalt twee manieren om een brevet te verkrijgen : - slagen in de door het koninklijk besluit bepaalde examens; - gelijkwaardigheid van het diploma of getuigschrift, dat door een andere lidstaat van de Europese economische ruimte op grond van de richtlijn 92/51/EEG werd afgegeven. Deze kandidaten moeten daarenboven het bewijs leveren van de kennis van één van de drie landstalen.

Artikelen 26 tot 32 Het examen bestaat uit een schriftelijke en een mondelinge proef en uit een modelles, behalve voor brevet I, die gaan over de in bijlage 2 bij het besluit opgesomde leerstof. Die leerstof werd aangepast en vervolledigd; er werd meer bepaald rekening gehouden met de richtlijn 2000/56 betreffende het rijbewijs, dat de vereisten voor de theoretische en praktische examens voor de verkrijging van een rijbewijs wijzigt.

Bovendien bevat het examen voor brevet V (vrachtwagens en autobus en aanhangwagens) een behendigheidsproef op privé-terrein; het werd aangewezen geacht om deze proef die al voor het brevet IV bestond, in te voeren om te verzekeren dat de kandidaten geschikt zijn om deze categorieën van voertuigen te besturen.

De toegangsvoorwaarden voor de examens werden vastgesteld, onder andere de verplichting om de modelles te geven tijdens de geldigheidsduur van het stageattest.

De mogelijke vrijstellingen voor een kandidaat worden nader bepaald alsook het puntenaantal voor elk vak met inbegrip van het vereiste slaagpercentage.

Het brevet wordt na het slagen in de verschillende proeven afgegeven door de examencommissie, die door het besluit ingesteld wordt.

De reglementaire basis die toelaat de ontwikkeling aan te moedigen van een werkelijke gelijkheid van kansen in de toegang tot het beroep van instructeur is opgenomen in § 2 van artikel 26. Zo staat immers voor alle burgers de mogelijkheid open om toegang te hebben tot dit beroep door middel van een beroepsopleiding die wordt georganiseerd door de bevoegde overheden, waarbij de samenhang van de inhoud van deze toegang tot het beroep gewaarborgd is.

Deze beroepsopleiding kan verschaft worden door de openbare instellingen (VDAB, FOREm, IBFFP, Arbeitsamt) of door erkende instellingen.

Artikel 33 Er werd een nieuwe procedure voor het behalen van de brevetten ingesteld : de kandidaat moet in de schriftelijke en mondelinge proef slagen en vervolgens een stage doen.

Bij afloop van de stage moet hij een modelles geven. Deze wijziging laat enerzijds de kandidaat toe zich op zijn modelles voor te bereiden en maakt het anderzijds mogelijk om de aanwerving van voorlopige instructeurs af te schaffen, die konden les geven zonder houder van een brevet te zijn.

De kandidaat die een beroepsopleiding heeft gevolgd in het kader van de bepalingen van artikel 26, § 2, zal beschikken over de grondslagen die nodig zijn voor het uitoefenen van het beroep en heeft dus geen langdurige stage nodig om het overeenstemmende brevet te kunnen behalen. In zijn geval heeft de stage als doel deze opleiding af te ronden met een kennismaking met de werkelijke situatie in een rijschool.

De kandidaat voor een brevet II, III, IV en V moet een stage doen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 33; de stage-uren werden verhoogd om hem nog meer met de bijzonderheden van het beroep vertrouwd te maken en om zijn opvoedkundige kennis te toetsen. Het stageprogramma is vastgesteld.

Om de stagiair beter te kunnen volgen werd de functie van stagemeester ingevoerd; deze functie mag slechts worden uitgeoefend door een directeur, een adjunct-directeur of een instructeur die minstens twee jaar houder van het vereiste brevet is. Bovendien wordt het aantal stagiairs beperkt om te voorkomen dat de rijscholen systematisch een beroep doen op instructeurs die geen brevet hebben en om de stagiairs beter op te leiden.

De stagiair moet een formulier « stageverloop » bijhouden, dat de gegevens weergeeft over de praktische opleiding en het met of zonder toezicht verstrekte onderricht.

De directeur of de adjunct-directeur van de rijschool geeft een stageattest af, dat bevestigt dat de kandidaat aan de stagevoorwaarden voldoet en waardoor het bestuur kan nagaan of de vereisten betreffende de stage wel vervuld zijn. Dit attest verliest zijn geldigheid na twee jaar of na drie mislukkingen voor de modelles. In dit geval moet de kandidaat de hele procedure overdoen.

Artikelen 34 tot 38 De examencommissie voor de brevetten van beroepsbekwaamheid is samengesteld uit door de Minister voor een periode van vijf jaar benoemde leden. De benoeming is hernieuwbaar. De termijn van een mandaat werd beperkt om het mogelijk te maken de samenstelling van de commissie volgens de behoeften aan te passen.

Daarnaast werd van rechtswege een einde gesteld aan de functies van de commissieleden die 70 jaar worden.

De leden van de commissie, de secretarissen en de helpers worden vergoed met toelagen ten laste van de Schatkist, waarvan de bedragen in overeenstemming werden gebracht met de bedragen van de toelagen die bepaald werden in het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel en die aan de leden van de selectie- en aanwervingscommissies van SELOR toegekend worden.

De helpers van de commissie staan de jury bij in de organisatie van de modellessen en vervullen de rol van leerlingen.

De organisatie van de examens komt aan de Minister of zijn gemachtigde toe.

De vergoedingen worden toegekend per examen. Een examen duurt een half uur.

Het inschrijvingsrecht voor de examens wordt op 25 euro vastgesteld en kan in geen geval terugbetaald worden. De Minister legt de betalingsmodaliteiten vast.

Artikelen 39 en 40 De rijscholen moeten de instructies van de Minister of zijn gemachtigde volgen.

Er worden ambtenaren en beambten speciaal aangesteld om te zorgen voor het toezicht op de naleving van de reglementaire bepalingen.

Om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer werd de mogelijkheid zich te laten bijstaan door deskundigen die niet tot het bestuur behoren geschrapt.

Wat betreft de reglementering van de inspecties en het respect voor de zwijgplicht, deze dienen niet omschreven te worden in het voorliggend besluit daar ze deel uitmaken van de algemene gedragscode van de rijksambtenaar.

De instructietoelating en de stagetoelating moeten voorgelegd worden aan de bevoegde ambtenaren en beambten, die voor het nazien van de scholen aangesteld zijn.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, werd eveneens voorzien dat de voornoemde personen gehouden zijn aan de zwijgplicht.

De Minister of zijn gemachtigde kan de houders van een toelating om te onderrichten verplichten om een medisch onderzoek te ondergaan. Indien de geneesheer tot niet geschiktheid besluit wordt de instructietoelating geschorst. De schorsingsmaatregel wordt opgeheven op voorlegging van een nieuw medisch attest.

Deze maatregelen zullen zo helpen voorkomen dat de instructeurs die de noodzakelijke lichamelijke of geestelijke geschiktheid niet meer hebben, nog langer hun beroep zouden uitoefenen.

Artikel 41 Dit artikel bepaalt de mogelijkheid voor de Minister om de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of de goedkeuring van een oefenterrein op te schorten of in te trekken wanneer de bepalingen van de hoofdstukken IV en V van het koninklijk besluit niet worden nageleefd.

Om de rechten van de verdediging te verzekeren, moet de directeur en eventueel de instructeur op voorhand worden gehoord.

Om de proportionaliteit van de sancties te waarborgen en elke willekeur te vermijden, kan een intrekkingsmaatregel slechts worden genomen indien deze werd voorafgegaan door een schorsingsmaatregel met een duur die gelijk is aan minstens een derde van de maximaal toegestane duur. Indien deze schorsing niet toeliet de toestand te regulariseren, kan een intrekking worden overwogen.

Om de doeltreffendheid van de maatregel te waarborgen, mag de houder van de opgeschorte of ingetrokken erkenning geen nieuwe aanvraag indienen. Bovendien moet de beschikking tot opschorting of intrekking uitgehangen worden om voor een voldoende openbaarheid in het belang van de leerlingen te zorgen.

Artikel 42 Dit artikel bepaalt de mogelijkheid voor de Minister of zijn gemachtigde om de instructie- of directietoelating in te trekken of op te schorten voor een termijn van minstens 8 dagen en hoogstens 2 jaar wanneer de bepalingen van de hoofdstukken IV en V van dit besluit niet worden nageleefd.

Net als in artikel 41 is voorzien in het principe van de proportionaliteit van de straffen.

Om voor de naleving van de rechten van verdediging te zorgen, moet de belanghebbende en in voorkomend geval de directeur op voorhand worden gehoord.

Dit artikel stelt eveneens de gevolgen van een intrekking of opschorting vast.

Artikel 43 Er wordt een procedure ingevoerd om een personeelslid wiens gedrag een onmiddellijk vertrek rechtvaardigt te kunnen verwijderen. De rechten van de verdediging en het principe van het vermoeden van onschuld worden gevrijwaard.

Artikel 44 Om de belangen van de leerlingen te beschermen, worden de scholen verplicht om de lesuren en examengelden terug te betalen voor elk onderricht, dat gegeven werd door een instructeur die niet aan de voorwaarden van het besluit voldoet.

De leerlingen mogen inderdaad in geen geval het slachtoffer worden van onreglementaire praktijken van de rijscholen.

Artikel 45 Het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen wordt opgeheven evenals het ministerieel besluit van 24 april 1968.

Artikel 46 Dit artikel voorziet een overgangsperiode van 2 jaar tijdens dewelke de termijn voor het leveren van erkenningen aan rijscholen, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuringen van oefenterrein, teruggebracht wordt op 6 maanden. Deze overgangsperiode is noodzakelijk voor de administratie om de aanvragen te behandelen die lopende zijn bij het aannemen van dit besluit en de nieuwe aanvragen die veroorzaakt zijn door de openstelling van de markt van rijscholen.

Artikel 47 1° De bestaande erkenningen moeten overeenkomstig de bepalingen van het huidig koninklijk besluit hernieuwd worden.2° De houder van de erkenning moet een erkenningsaanvraag indienen binnen de drie jaar vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit en overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit;hij zal alle door het nieuwe besluit bepaalde voorwaarden moeten vervullen. De hernieuwing zal ambtshalve toegekend worden, als alle voorwaarden daadwerkelijk vervuld zijn.

Bij gebrek aan hernieuwing binnen de opgelegde termijn wordt de bestaande erkenning nietig.

Het doel van deze bepaling is het statuut van de rijscholen eenvormig maken, zodat voor de toekomst alle scholen zonder onderscheid aan de bepalingen van het nieuwe besluit onderworpen zijn.

Artikel 48 1° De huidige reglementering bepaalt de mogelijkheid dat de instructeurs die nog geen brevet hebben gedurende hoogstens negen maanden theoretische en praktische lessen geven.Deze mogelijkheid werd geschrapt, maar de instructeurs die op de datum van inwerkingtreding in dienst zijn, zullen verder les mogen geven gedurende negen maanden na hun aanwerving. 2° De houders van een voor de inwerkingtreding van het besluit afgegeven brevet II (praktijkinstructeur) zullen binnen de twee jaar een brevet V (instructeur vrachtwagen en autobus) kunnen verkrijgen, zonder de overeenkomstige examens af te leggen. Deze maatregel wordt gerechtvaardigd doordat voor de inwerkingtreding de houders van brevet II alle categorieën van voertuigen, uitgezonderd de categorie A, konden onderrichten. 3° De houders van voor de inwerkingtreding van het besluit afgegeven brevetten moeten binnen de twee jaar na de inwerkingtreding van onderhavig besluit de directie- of instructietoelating op hun rijbewijs laten vermelden.Zij dienen daartoe een schriftelijk verzoek in bij de Minister of zijn gemachtigde vergezeld van de bewijsstukken dat aan de voorwaarden van artikel 12 is voldaan. 4° De examenstof om een brevet te verkrijgen werd veranderd.Toch zullen de examens tot 30 maart 2005 gaan over de in de oude reglementering bepaalde leerstof. 5° Gezien de mandaten van de leden van de examencommissie tot vijf jaar beperkt worden, zullen de nu benoemde leden gedurende een periode die eindigt twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit in functie blijven, tenzij ze voor die datum 70 jaar worden. Dit is het voorwerp van besluit dat aan de handtekening van Uwe Majesteit voorgelegd wordt.

Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, le zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Mobiliteit, B. ANCIAUX

ADVIES 34.624/4 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 24 december 2002 door de Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer verzocht haar, binnen een termijn van ten hoogste een maand, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen", heeft op 12 februari 2003 het volgende advies gegeven : Algemene opmerking Volgens artikel 3 van het ontwerp dient de rijschool over minstens één exploitatiezetel in België te beschikken.

De artikelen 49 (ex-artikel 59) en 50 (ex-artikel 60), derde alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verbieden elke discriminatie van een dienstverrichter op grond van zijn nationaliteit of zijn woonplaats. Krachtens de artikelen 45 (ex-artikel 55) en 55 (ex-artikel 66) zijn de bepalingen betreffende het vrij verrichten van diensten niet van toepassing op de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag, zelfs indien ze slechts voor een bepaalde gelegenheid geschieden, maar zulks is in casu niet het geval. Ook krachtens de artikelen 46 (ex-artikel 56) en 55 (ex-artikel 66) zijn onderscheiden regelingen mogelijk wanneer die uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn.

Andere bepalingen van het ontwerp haken uitdrukkelijk aan bij de voorschriften van de Belgische overheid, inzonderheid de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de oprichtingsakte van de onderneming (artikel 5, § 2, tweede lid, 7°), de verklaring van de RSZ (artikel 5, § 2, tweede lid, 9°) en de vermelding van het BTW-nummer (artikel 6, § 1, 4°).

Gelet op de aard van de werkzaamheid, die verband houdt met het afgeven van het rijbewijs, wordt de steller van het ontwerp verzocht die vereisten te rechtvaardigen in het licht van de uitzonderingen die krachtens de voormelde artikelen 46 en 55 toegestaan zijn op de Europese beginselen van non-discriminatie en van vrijheid van dienstverlening.

Bijzondere opmerkingen Aanhef In het eerste lid dient inzonderheid te worden verwezen naar artikel 23, § 3, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, welke bepaling als volgt luidt : "De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de scholen voor het besturen van motorvoertuigen moeten voldoen met het oog op het vervullen van de taken die Hij vaststelt. » Dispositief Artikel 4 Het tweede lid, waarbij het gebruik van bepaalde benamingen verboden wordt aan andere instanties dan die bedoeld in het eerste lid en aan andere personen dan de houders van een directie- of instructietoelating, gaat verder dan de machtiging die vervat is in artikel 23, § 3, van de voormelde wet van 16 maart 1968. Zij vormt een beperking van de vrijheid van derden die in de wet zelf moet worden opgenomen. HOOFDSTUK III. - Procedure tot verkrijgen en tot intrekken van de erkenning van rijschool Uit artikel 15, § 1, tweede lid, en artikel 17, § 1, eerste lid, van het ontwerp volgt dat de exploitatiezetel een vergunning kan krijgen voor slechts een aantal vormen van onderricht. Als zulks de bedoeling van de steller van het ontwerp is, dient die precisering in hoofdstuk III te worden opgenomen.

Volgens de gemachtigde ambtenaar zou ook de erkenning van rijscholen slechts voor een aantal vormen van onderricht verleend kunnen worden.

Ook dat dient in de ontworpen tekst gepreciseerd te worden.

Bijgevolg dient in de erkenning en de exploitatievergunning te worden vermeld voor welke onderrichtscategorie ze worden verleend. Artikel 6, § 1, en artikel 7, § 1, dienen bijgevolg te worden aangepast.

Artikel 5 1. Artikel 5, § 2, tweede lid, 1°, van het ontwerp bepaalt dat de aanvrager bij de aanvraag "de bewijsstukken van het gebruiksrecht van het lokaal" dient te voegen.Krachtens het tweede lid, 3°, dient "een afschrift van de huur- of de gebruiksovereenkomst (te worden bijgevoegd), als de rijschool geen eigenaar is".

Het staat weliswaar aan de Koning om zich ervan te vergewissen dat de werkzaamheden van de rijscholen plaatsvinden in geschikte lokalen en om de criteria daarvoor te bepalen in de vorm van voorwaarden voor de erkenning van die scholen, maar Hij mag zich daarentegen niet moeien met de herkomst van de eigendom van de onroerende goederen die deze scholen gebruiken.

De uitdrukkingen "evenals de bewijsstukken van het gebruiksrecht van het lokaal" en "een afschrift van de huur- of de gebruiksovereenkomst, als de rijschool geen eigenaar is" dienen bijgevolg te vervallen.

Deze opmerking geldt mutatis mutandis eveneens voor artikel 7, § 2, tweede lid, 1° en 3°, en artikel 8, § 2, tweede lid, 2°. 2. In paragraaf 2, tweede lid, 4°, moet worden gepreciseerd of de lokalen waarvan sprake is alleen de leslokalen zijn dan wel of ook het lokaal voor het beheer van de school daarbij hoort. Deze opmerking geldt eveneens voor artikel 7, § 2, 4. 3. Wat paragraaf 2, tweede lid, 7°, betreft, vraagt de afdeling Wetgeving van de Raad van State zich, in het licht van het beginsel van behoorlijk bestuur, af of het redelijk is dat een overheidsbestuur eist dat bij een aanvraagformulier "de oprichtingsakte van de onderneming... en ook de wijzigingen (ervan)" word en gevoegd, terwijl de wetgever voor de openbaarheid van die akten een algemene regeling heeft getroffen in het Wetboek van vennootschappen, inzonderheid in de artikelen 67 en volgende ervan (1).

Artikel 6 1. De Raad van State vraagt zich af waarmee de woorden "(het) organisatienummer van de rechtspersoon of van de natuurlijke persoon" in paragraaf 1, 7°, en in paragraaf 2 overeenstemmen.(1) Voor verenigingen zonder winstoogmerk zal een soortgelijke regeling gelden zodra de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen in werking zal zijn getreden.2. Volgens de gemachtigde ambtenaar zou in paragraaf 1, 9°, de oorspronkelijke datum van erkenning worden bedoeld en in paragraaf 1, 10°, de datum van afgifte van het laatste stuk waarin de erkenning wordt vastgesteld.Die datums kunnen verschillen wanneer een duplicaat is afgegeven of de erkenning gewijzigd is.

Het ontwerp dient preciezer te worden gesteld opdat die bedoeling beter tot uiting komt.

Deze opmerking geldt mutatis mutandis eveneens voor artikel 7, § 1, 7° en 8°, en voor artikel 8, § 1, 6° en 7°.

Artikel 7 1. Wat paragraaf 1, eerste lid, betreft, vraagt de Raad van State zich af wat het verschil is tussen "het stamnummer van de uitbatingszetel", waarvan in onderdeel 4° sprake is, en "het unieke identificatienummer voor de exploitatiezetels en voor de technische bedrijfseenheden", waarvan in onderdeel 9° sprake is. Voorts wordt het begrip "technische bedrijfseenheid" in het ontwerp geenszins gedefinieerd. 2. Wat in paragraaf 1, eerste lid, 5°, bedoeld wordt met de "uitbatingsvoorwaarden", moet, op zijn minst in het verslag aan de Koning, worden gepreciseerd.3. In paragraaf 3 staat dat de minister de exploitatievergunning intrekt.Het verslag aan de Koning moet worden gecorrigeerd, door daarin de woorden "of zijn gemachtigde" te schrappen.

Deze opmerking geldt eveneens voor artikel 8, § 3.

Artikel 10 1. In paragraaf 1 dient het woord "nieuwe" als overbodig te vervallen.2. In het Frans krijgt het woord "euro" in het meervoud een s.Deze opmerking geldt eveneens voor de rest van het ontwerp.

Artikel 11 1. In paragraaf 1 wordt een van de voorwaarden voor de erkenning - de aanstelling van een rijschooldirecteur in elke rijschool - verward met de taken die deze directeur dient te vervullen zodra hij aangesteld is.Het vervullen van die taken kan slechts een voorwaarde zijn voor het behoud of de verlenging van de erkenning.

De twee soorten regels moeten beter uit elkaar worden gehouden. 2. Paragraaf 1, vierde lid, behoort als volgt te worden gesteld : « De directeur van de rijschool is de natuurlijke persoon aan wie de erkenning is verleend of, als de erkenning is verleend aan een rechtspersoon, de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt of een van de natuurlijke personen die de rechtspersoon, alleen of gezamenlijk, vertegenwoordigen ». 3. In paragraaf 1, vierde lid, in fine, staat dat "de rijschooldirecteur (...) als enige belast (is) met de vertegenwoordiging van de rijschool voor de bepalingen van dit besluit". Die bepaling mag evenwel niet tot gevolg hebben dat afgeweken wordt van de regels van het Wetboek van vennootschappen die op de vertegenwoordiging van vennootschappen betrekking hebben. In dat opzicht gaat deze bepaling de in de wet vervatte opdracht van bevoegdheid te buiten en dient ze te vervallen.

Artikel 12 1. Gelet op het gewicht van de beslissing waarvan sprake is in paragraaf 1, eerste lid, 3°, tweede lid, moet die beslissing door de minister en niet door zijn gemachtigde worden genomen.2. In paragraaf 1, eerste lid, 7°, is sprake van instructeurs die "bewijzen dat zij hun activiteit niet onder (het) toezicht van de rijschooldirecteur uitoefenen zoals (bepaald) in artikel 11". Deze bepaling kan niet worden aanvaard. De wet waarbij de Koning gemachtigd wordt om de erkenning van rijscholen te regelen, verleent Hem niet de bevoegdheid om op grond daarvan de verplichting op te leggen om de individuele arbeidsverhoudingen mee te delen. Zulk een bepaling gaat die machtiging te buiten en dient te vervallen.

Artikel 14 In paragraaf 3, derde lid, moet worden gepreciseerd volgens welke procedure de getuigschriften door de minister of zijn gemachtigde "geweigerd" worden.

Artikel 15 In paragraaf 1, tweede lid, dient de steller van het ontwerp aan te geven dat "de onderrichtscategorie A" een van de onderrichtscategorieën is waarvan sprake is in artikel 16, § 1.

Overigens worden exploitatiezetels niet "erkend", maar wordt daarvoor een vergunning verleend.

Artikel 20 Volgens het tweede lid kan de minister of zijn gemachtigde de spreiding van de lessen in de tijd vastleggen.

Aan de gemachtigde van de minister mag evenwel geen enkele regelgevende bevoegdheid worden verleend.

Artikelen 20 tot 22 Verschillende regels die in het verslag aan de Koning aangekondigd worden, komen niet voor in de tekst van het ontwerp. Dit is het geval met de verplichting voor de rijscholen om de tijdschema's en lesroosters mee te delen of met het verbod om rekening te houden met door de leerling gevolgde gemeenschappelijke lessen, voor de berekening van het door de regelgeving bepaalde minimumaantal uren (2).

Deze tegenstrijdigheid dient te worden weggewerkt.

Artikel 25 Artikel 25, eerste lid, 2°, bepaalt dat de brevetten worden uitgereikt « op grond van de gelijkwaardigheid van de diploma's of getuigschriften, die door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte afgegeven werden in toepassing van de richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van diploma's van het hoger onderwijs inzake beroepsopleidingen met een minimale duur van drie jaar, zoals gewijzigd door richtlijn 92/51/EEG. » Het is onaanvaardbaar de aangelegenheid te regelen via verwijzing naar een richtlijn. Het ontwerp zelf dient de regels te bepalen waarmee kan worden gezorgd voor gelijkwaardigheid van de getuigschriften, overeenkomstig het Europese recht.

Bovendien is in het onderhavige geval richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG, die richtlijn 89/48/EEG aanvult, van toepassing, en niet de voormelde richtlijn 89/48/EEG. Ten slotte dient voor andere aspecten van de regelgeving, bijvoorbeeld wat de getuigschriften van goed zedelijk gedrag betreft, eveneens te wo rden gezorgd voor gelijkwaardigheid. (2) Deze bepaling kan logischerwijs alleen op de collectieve praktijklessen voor het rijden met motoren betrekking hebben. Artikel 26 1. Er wordt voorgesteld het tweede lid van paragraaf 1, dat weinig expliciet is, te schrappen en paragraaf 1, in fine, als volgt te stellen : « (...) en de vaardigheid om deze kennis in praktijk te brengen en over te dragen". 2. Voor paragraaf 2, eerste lid, wordt voorgesteld te schrijven : « (...) een voorafgaande opleiding plaatsvinden, waarvoor de minister de leerstof bepaalt".

Het tweede lid dient te vervallen omdat het de bevoegdheid van de federale overheid overschrijdt.

Artikel 31 De Raad van State vraagt zich af of de volgende tekst van paragraaf 2, tweede zin, niet beter zou overeenstemmen met de bedoeling van de steller van het ontwerp : « De kandidaat die geen 60 % van de punten behaalt voor elk van deze examenonderdelen voor het vak (verder zoals in het ontwerp) ».

Artikel 33 1. In paragraaf 3, eerste lid, dient te worden bepaald dat de adjunct-directeur eveneens stagemeester kan zijn.2. Paragraaf 4, vijfde lid, bepaalt dat de minister of zijn gemachtigde, in sommige omstandigheden, een instructeur kan verbieden om stagemeester te worden.Deze beslissing dient te worden genomen door de minister zelf, nadat de instructeur vooraf gehoord is.

Voorts kan het niet-naleven van de verplichtingen vervat in het eerste, tweede, derde en vierde lid geen grond opleveren voor een verbod om stagemeester te worden, maar alleen voor een verbod om het te blijven.

Ten slotte dienen de woorden "als er niet voldoende waarborgen zijn dat betrokkene de verplichtingen van het eerste, tweede, derde en vierde lid naleeft" te worden vervangen door de woorden "als hij de verplichtingen van het eerste, tweede, derde en vierde lid niet naleeft". 3. In paragraaf 4, zesde lid, van het ontwerp dient te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden de minister of zijn gemachtigde een rijschool kan verplichten om stagiairs aan te nemen.4. In tegenstelling tot wat in het verslag aan de Koning wordt vermeld, wordt in het ontwerp niet bepaald dat het stageattest kan worden afgegeven door de adjunct-directeur van de rijschool. Artikel 34 1. Volgens de gemachtigde ambtenaar strekt paragraaf 2, eerste lid, tweede zin, ertoe de gelijktijdige verlenging van het mandaat van alle leden van de examencommissie mogelijk te maken. Het is beter het volgende te schrijven : "Wanneer in de examencommissie een mandaat onbezet raakt, blijft de persoon die in de loop ervan benoemd wordt, benoemd voor de overblijvende duur. ».

Dezelfde opmerking geldt eveneens voor paragraaf 3, tweede lid, derde zin. 2. Er dient te worden gepreciseerd, op zijn minst in het verslag aan de Koning, wat de "helpers van de examencommissie" zijn waarvan sprake is in paragraaf 3, tweede lid. 3. Er bestaat een tegenstelling tussen artikel 34, § 1, derde lid, dat bepaalt dat "het huishoudelijk reglement van de examencommissie wordt bepaald door de minister", en artikel 36, dat bepaalt dat "de kamers (...) in gemeenschappelijk overleg hun huishoudelijk reglement vast(stellen), dat door de minister of zijn gemachtigde moet goedgekeurd worden".

In ieder geval dienen de woorden "of zijn gemachtigde" te vervallen.

Artikel 39 1. In paragraaf 1, eerste lid, is het verkieslijk het volgende te schrijven : « De rijscholen volgen de instructies die hun door de minister of zijn gemachtigde worden gegeven om een einde te maken aan de schending van de regelgeving.» 2. De mogelijkheid om bescheiden in beslag te nemen, waarvan sprake is in paragraaf 1, tweede lid, in fine, dient in de wet, en niet in een uitvoeringsbesluit te worden vastgelegd.3. In paragraaf 2 is sprake van "de in § 1, tweede lid, bedoelde ambtenaren en beambten". In paragraaf 1, tweede lid, staat "de door de minister of zijn gemachtigde speciaal aangewezen ambtenaren of beambten".

De aanstelling van ambtenaren of beambten belast met de controle op de toepassing van de wet mag niet aan de gemachtigde van de minister worden toevertrouwd. 4. In paragraaf 2 is, in tegenstelling tot het verslag aan de Koning, geen sprake van de "directietoelating".Deze tegenstrijdigheid dient te worden weggewerkt.

Artikel 40 1. In het ontwerp zelf dient te worden aangegeven in welke gevallen de bewuste personen een geneeskundig onderzoek moeten ondergaan.2. Het tweede lid bepaalt dat « De instructietoelating wordt geschorst, zodra de geneesheer de ongeschiktheid van de betrokkene vaststelt.» In het project dient te worden gepreciseerd hoe deze schorsing ten einde loopt.

Artikel 42 1. Het vierde lid bepaalt dat gedurende de schorsingsperiode van de directietoelating of wanneer de rijschooldirecteur niet meer aan de voorwaarden van de artikelen 12 en 14 voldoet, geen enkele theoretische of praktische lessenreeks mag beginnen.Volgens de gemachtigde ambtenaar dient deze laatste situatie te worden geconcretiseerd in de vorm van een schorsingsbeslissing. Indien dit de bedoeling van de steller van het ontwerp is, moeten de woorden "of wanneer de rijschooldirecteur niet meer aan de voorwaarden van de artikelen 12 en 14 voldoet" als overbodig vervallen. 2. In hetzelfde vierde lid, in fine, zijn de woorden "zodra een nieuwe rijschooldirecteur aangesteld is" te restrictief.Het is immers mogelijk dat na een schorsingsperiode dezelfde directeur zijn activiteit hervat.

Artikel 43 Het is overbodig in het eerste lid gewag te maken van een gemotiveerde - beslissing. Deze verplichting vloeit reeds voort uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

De duur van de onmiddellijke schorsing - 10 dagen - is overigens te lang. Deze schorsing mag slechts zolang duren als strikt noodzakelijk is om een gewone schorsingsprocedure, die het horen van de betrokkene omvat, in gang te zetten.

Artikel 44 De woorden "een niet aan de voorwaarden van dit besluit beantwoordende" dienen te worden vervangen door de woorden "die niet beschikt over een instructietoestemming of wiens instructietoestemming geschorst is". Het begrip "voorwaarden van dit besluit" is immers niet alleen te ruim, maar de vraag rijst wie zal bepalen dat een instructeur niet meer aan deze voorwaarden voldoet. Een zodanige rechtsonzekerheid is ontoelaatbaar, des te meer daar ze voor de leerlingen ernstige gevolgen meebrengt.

De woorden "in voorkomend geval" in de tweede zin dienen in ieder geval te vervallen.

Artikel 46 Het vierde lid van paragraaf 1 is een herhaling van het eerste lid van dezelfde paragraaf en dient te vervallen.

Artikel 47 Het is de Raad van State niet duidelijk om welke reden houders van een brevet I dat op de dag van de inwerkingtreding van het besluit niet gehomologeerd is, geen stage hoeven te doen.

Vormopmerkingen Globaal genomen behoeft de Nederlandse tekst van het ontwerp verbetering uit een oogpunt van wetgevingstechniek en correct taalgebruik. Onder voorbehoud van de vorenstaande inhoudelijke opmerkingen en bij wijze van voorbeeld worden de volgende opmerkingen gemaakt, respectievelijk tekstvoorstellen gedaan.

Aanhef Overeenkomstig de wetgevingstechnische formules schrijve men : "Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting... ».

Dispositief Artikel 1 In onderdeel 5° schrijve men : "5° "erkenning van rijschool" : de toestemming van de minister om een rijschool te exploiteren;".

Het zou beter zijn om in heel het ontwerp de termen "uitbaten, uitbating" te vervangen door de termen "exploiteren, exploitatie".

In onderdeel 8° schrijve men : "8° "directie- of instructietoestemming" : de toestemming (...) te geven. ».

In heel het ontwerp zou de term "toelating" vervangen moeten worden door het woord "toestemming".

Artikel 2 In paragraaf 3, a), is de term "genieters" niet correct gebruikt. Men schrijve : "a) degenen die leefloon ontvangen of evenwaardige sociale bijstand genieten;".

Artikel 4 Het woord "organismen" zou vervangen moeten worden door het woord "instellingen". Deze opmerking geldt voor heel het ontwerp.

Artikel 5 Paragraaf 1, eerste lid, zou als volgt gesteld moeten worden : « Indien de (...) zijn vervuld, geeft de minister (...) binnen drie maanden (...) af, alsook de(...) exploitatievergunning (...) oefenterrein. » In paragraaf 2, tweede lid, 9°, schrijve men "ten aanzien van" in plaats van "ten overstaan van" en in het derde lid "op gepaste wijze" in plaats van "op afdoende wijze".

De kamer was samengesteld uit : De heer P. Liénardy, staatsraad, voorzitter;

De heer P. Vandernoot en Mevr. M. Baguet, staatsraden;

De heer F. Dehousse, assessor van de afdeling wetgeving;

Mevr. C. Gigot, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer A. Lefèbvre, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld door de heer Y. Chauffoureaux, adjunct-referendaris.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Liénardy.

De griffier, C. Gigot.

De voorzitter, P. Liénardy.

11 MEI 2004. - Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, inzonderheid op artikel 23, § 3, ingevoegd bij artikel 3, 3°, van de wet van 18 juli 1990;

Gelet op het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen;

Gelet op het ministerieel besluit van 24 april 1968 betreffende de vergoedingen toegekend aan de leden, de secretarissen en helpers van de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 18 april 2002;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 25 april 2002;

Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;

Gelet op het advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer van 14 oktober 2002;

Gelet op het besluit van de Ministerraad over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van een maand;

Gelet op het advies nr. 34.642/4 van de Raad van State, gegeven op 12 februari 2003, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Mobiliteit en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : TITEL I. - De rijscholen HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° « Minister » : de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid behoort;2° « categorieën A3, A, B, B+E, C, C+E, D en D+E en subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E » : de categorieën en subcategorieën die in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs gedefinieerd worden;3° « bestuur » : het directoraat-generaal dat binnen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer voor de erkenning van rijscholen bevoegd is;4° « rijonderricht » : het rijonderricht voor motorvoertuigen tegen vergoeding, met het oog op het bekomen van het rijbewijs;5° « erkenning van rijschool » : de algemene toestemming van de Minister om een rijschool te exploiteren;6° « exploitatievergunning van een vestigingseenheid » : de toestemming van de Minister aan een erkende rijschool om rijonderricht te geven in een vestigingseenheid;7° « goedkeuring van oefenterrein » : de toestemming van de Minister om een terrein voor praktisch onderricht in een erkende rijschool te gebruiken.8° « directie- of instructietoelating » : de toestemming van de Minister om een erkende rijschool te leiden of om rijonderricht te geven.9° « substantiële wijzigingen » : elke wijziging die een nazicht door het bestuur vereist. HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied

Art. 2.§ 1. Het theoretische rijonderricht en het praktische rijonderricht op een openbare plaats of op een privé terrein, kunnen slechts verstrekt worden binnen een rijschool die door de Minister overeenkomstig de bepalingen van dit besluit erkend is.

Een erkenning van rijschool is niet vereist voor het verstrekken van de opleidingen die in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° en 15° van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaald zijn. § 2. De erkenning van rijschool kan slechts verleend worden aan een natuurlijke persoon of aan een in artikel 2, § 2, van het Wetboek van vennootschapsrecht bedoelde handelsvennootschap, met uitsluiting van de in artikel 661 van het genoemde Wetboek bepaalde economische samenwerkingsverbanden en vennootschappen met sociaal oogmerk. § 3. In afwijking van § 2 kan de bestaande erkenning van onderwijsinstellingen waarvan de onderwijsbevoegdheid vakken insluit die gerelateerd zijn aan de auto(rij)techniek, door de Minister bestendigd worden, mits te voldoen aan dezelfde kwaliteitscriteria van dit besluit. § 4. In afwijking van § 2 kunnen de verenigingen zonder winstoogmerk en de vennootschappen met sociaal oogmerk die aan dezelfde kwaliteitscriteria voldoen, een erkenning van rijschool voor theoretisch en praktisch onderricht in het besturen van voertuigen van de categorie B krijgen, enkel voor de volgende groepen van personen : a) degenen die leefloon ontvangen of evenwaardige sociale bijstand genieten;b) de personen die sedert meer dan 12 maanden ingeschreven zijn als werkzoekende;c) de personen met een handicap die de volgende voorwaarden vervullen : of - met een permanente invaliditeit van minstens 80 %;of - wiens gezondheidstoestand een autonomievermindering van minstens 12 punten veroorzaakt, gemeten volgens de gids en de schaal die van toepassing zijn in het kader van de wetgeving betreffende de vergoedingen voor personen met een handicap; of - met een permanente invaliditeit die rechtstreeks voortvloeit uit de onderste ledematen en een invaliditeit van minstens 50 % veroorzaakt; of - met een gehele verlamming van de bovenste ledematen of amputatie van deze ledematen; of - aan de burgerlijke en militaire invaliden met een oorlogsinvaliditeit van minstens 50 %. § 5. In afwijking van § 2 kunnen de verenigingen zonder winstoogmerk en de bedrijven met een sociaal oogmerk, mits te voldoen aan dezelfde kwaliteitscriteria, een erkenning krijgen van rijschool voor de theoretische lessen voor het besturen van voertuigen van categorie B, uitsluitend aan de gevangenen op het einde van hun straf, dus voornamelijk die welke in aanmerking komen voor een voorwaardelijke vrijlatingprocedure, mits gunstig advies van de directeur van de betrokken strafinrichting. § 6. Een natuurlijke persoon of een rechtspersoon kan slechts houder zijn van één erkenning van rijschool.

Art. 3.De rijschool dient over minstens één vestigingseenheid in België te beschikken.

Elke vestigingseenheid beschikt over de in artikel 15 bepaalde lokalen, over minstens één in artikel 16 bepaald oefenterrein en over de in de artikelen 17 en 18 bepaalde voertuigen.

Art. 4.Alleen de erkende rijscholen, hun representatieve beroepsorganisaties en de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° 9° en ten 15° van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde instellingen is het toegestaan reclame te maken binnen hun met het rijonderricht verbonden opdracht. HOOFDSTUK III. - Procedure tot verkrijgen en tot intrekken van de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuring van oefenterrein

Art. 5.§ 1. Indien de in dit besluit bepaalde voorwaarden zijn vervuld, geeft de Minister ten laatste binnen de drie maand vanaf de indiening van de volledige aanvraag een erkenning van rijschool af, alsook de in artikel 7 bepaalde exploitatievergunning van een vestigingseenheid en, behalve als er reeds één bestaat, de goedkeuring van het in artikel 8 bepaalde oefenterrein.

De aanvrager wordt via schrijven in kennis gesteld dat zijn aanvraag volledig is.

De Minister kan de termijn waarin hij zijn beslissing moet nemen verlengen met één maand. Hij verwittigt de kandidaat daarvan.

Als de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of de goedkeuring van oefenterrein voor een volledige aanvraag niet binnen de opgelegde termijn wordt gegeven, geldt het gebrek van beslissing als een beslissing van aanvaarding. § 2. Elke in artikel 2, § 2, § 3, § 4, en § 5 bedoelde natuurlijke of rechtspersoon die de erkenning van rijschool wenst te verkrijgen, richt aan de Minister of zijn gemachtigde een aanvraag door een per post aangetekende brief, waarvan het model door de Minister wordt bepaald; deze aanvraag kan gebeuren op aangetekende elektronische wijze.

Bij de aanvraag worden de volgende documenten gevoegd, onder voorbehoud van het vierde lid : 1° de naamlijst van de leidinggevende en onderwijzende personeelsleden van de rijschool alsook van de natuurlijke of rechtspersonen die opdrachten in zelfstandig verband voor de rijschool vervullen met vermelding van hun statuut, met afschrift van de toelatingen en stukken die bevestigen dat deze personen aan de door artikelen 11 en 12 bepaalde voorwaarden voldoen;2° voor de rechtspersonen die aan de publicatieverplichting onderworpen zijn, de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad waarin de oprichtingsakte van de onderneming volledig of als uittreksel en ook de wijzigingen bekendgemaakt worden;3° een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, dat hoogtens drie maanden oud is ter bevestiging dat de in artikel 12, § 1, 1° en 2° bepaalde voorwaarden worden nageleefd voor de personen die de rechtspersoon wettelijk vertegenwoordigen of voor de natuurlijke persoon, net als voor het leidinggevende en onderwijzende personeel;4° een verklaring van de RSZ die bevestigt dat de belanghebbende geen schulden heeft ten aanzien van de RSZ. Deze documenten kunnen tevens op elektronische wijze worden verzonden.

De documenten hierboven vermeld in punt 2°, 3° en 4° zullen door het bestuur zelf worden opgevraagd bij de bevoegde instanties; deze aanvraag kan gebeuren op elektronische wijze. Indien het bestuur deze documenten niet kan krijgen, moet de aanvrager zelf instaan voor deze documenten.

Het bestuur mag op gepaste wijze ter plaatse de echtheid van de op de aanvraag vermelde gegevens nagaan.

Art. 6.§ 1. De erkenning van rijschool vermeldt : 1° de naam en het adres van de maatschappelijke zetel van de rijschool;2° de commerciële benaming;3° het juridische statuut van de rijschool;4° het unieke ondernemingsnummer;5° het aan de rijschool toegekende erkenningsnummer;6° de naam van de rijschooldirecteur, 7° zo nodig, de in artikel 2, §§ 4 en 5 bedoelde beperkingen;8° de erkenningsdatum; 9°. de afleveringsdatum van het document van de erkenning van rijschool. § 2. Elke wijziging aan de gegevens van de erkenning van rijschool, tenzij het gegevens betreft die door de betreffende onderneming reeds werden medegedeeld in uitvoering van het artikel 6, § 3 van de wet van 16 januari 2003 houdende oprichting van de Kruispuntbank van Ondernemingen maakt het voorwerp uit van een wijzigingsaanvraag van de erkenning van rijschool. § 3. In geval van definitieve stopzetting van de activiteiten, of indien de rijschool geen vestigingseenheid meer heeft, trekt de Minister de erkenning van rijschool in, na de directeur gehoord te hebben.

Hij kan de erkenning van rijschool ook schorsen of intrekken in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald in artikel 41.

Art. 7.§ 1. Elke rijschool die een exploitatievergunning van een vestigingseenheid wenst te verkrijgen, dient bij de Minister of zijn gemachtigde een aanvraag in door een per post aangetekende brief, waarvan het model door de Minister wordt bepaald; deze aanvraag kan gebeuren op aangetekende elektronische wijze.

De volgende documenten moeten bij de aanvraag gevoegd worden : 1° een verklaring op eer dat het lokaal voor de administratie van de vestigingseenheid bestemd is;2° een schema op schaal van het leslokaal en het oefenterrein met vermelding van de in artikels 15 en 16 bedoelde uitrusting en van de gevraagde onderrichtcategorieën.Als het terrein al goedgekeurd werd, moet de aanvrager alleen het stamnummer van dat terrein op zijn aanvraag vermelden; 3° een attest van de burgemeester dat het leslokaal en het administratief lokaal voldoen aan de geldende wettelijke normen;4° het schema van de theoretische en praktische lessen. Deze documenten kunnen tevens op elektronische wijze worden verzonden.

Het bestuur kan op afdoende wijze ter plaatse de echtheid van de in de aanvraag vermelde gegevens nagaan. § 2. De exploitatievergunning van een vestigingseenheid vermeldt : 1° de identificatiegegevens van de rijschool;2° het adres van het leslokaal;3° het adres van het lokaal bestemd voor de administratie van de rijschool;4° het stamnummer van de vestigingseenheid;5° de exploitatievoorwaarden;6° de ligging en het stamnummer van het oefenterrein;7° de datum van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid; 8°. de afleveringsdatum van het document van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid; 9°. de vestigingseenheid; 10°. de toegestane onderrichtcategorieën waarvan sprake in artikel 16, § 1.

Elke substantiële wijzing van de elementen van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid maakt het voorwerp uit van een wijzigingsaanvraag van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid voor die zetel, waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld. § 3. Bij definitieve stopzetting van de activiteiten van een vestigingseenheid trekt de Minister de exploitatievergunning van een vestigingseenheid van de betrokken zetel in, na de rijschooldirecteur gehoord te hebben.

De exploitatievergunning van een vestigingseenheid wordt ingetrokken door de Minister, wanneer het onderricht niet gestart wordt binnen de zes maanden na de toekenning van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of wanneer het rijonderricht er langer dan één jaar wordt opgeschort. De rijschooldirecteur wordt vooraf gehoord.

Hij kan de exploitatievergunning van een vestigingseenheid ook intrekken in de gevallen en volgens de modaliteiten die worden bepaald in artikel 41. § 4. De rijschooldirecteur deelt binnen de acht dagen aan de Minister of zijn gemachtigde de tijdelijke of definitieve sluiting van de rijschool of van een vestigingseenheid mee, door een per post aangetekende brief; deze mededeling kan ook op aangetekende elektronische wijze gebeuren.

Art. 8.§ 1. Elke rijschool die een goedkeuring van een oefenterrein wenst te verkrijgen, dient bij de Minister of zijn gemachtigde een aanvraag in een per post aangetekende brief, waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld; deze aanvraag kan ook op aangetekende elektronische wijze gebeuren.

Een schema op schaal van het oefenterrein met vermelding van de uitrusting, bedoeld in artikel 16 wordt bij de aanvraag gevoegd; dit schema kan ook op elektronische wijze worden verzonden.

Het bestuur mag op afdoende wijze ter plaatse de echtheid van de op de aanvraag vermelde gegevens nagaan. § 2. De goedkeuring van het oefenterrein vermeldt : 1° de identificatiegegevens van de eigenaar van het oefenterrein;2° de ligging en de beschrijving van het oefenterrein en het aantal uitrustingen per onderrichtscategorie;3° de gelijktijdige opleidingen die per onderrichtscategorie voorzien in artikel 16, § 1, toegestaan worden;4° het stamnummer van het oefenterrein;5° de toegestane onderrichtscategorieën;6° de goedkeuringsdatum; 7°. de afleveringsdatum van het document van de goedkeuring.

Elke aanzienlijke wijziging aan het oefenterrein maakt het voorwerp uit van een nieuwe goedkeuringsaanvraag van het oefenterrein, volgens het door de Minister opgestelde model. § 3. Bij definitieve stopzetting van de activiteiten op het oefenterrein, trekt de Minister de goedkeuring van dit oefenterrein in, na de rijschooldirecteur gehoord te hebben.

Hij kan de goedkeuring van het oefenterrein ook intrekken in de gevallen en volgens de modaliteiten die worden bepaald in artikel 41.

Art. 9.De toekenning en de intrekking van de erkenning van rijschool, exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuring van het oefenterrein worden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en worden eveneens geregistreerd in de Kruispuntbank van Ondernemingen, die deze gegevens via de portal kan ter beschikking stellen.

Het bestuur houdt een register bij van de erkenningen van rijscholen, exploitatievergunningen van de vestigingseenheden en de goedkeuringen van oefenterreinen; dit register kan de vorm van een geïnformatiseerde gegevensbank aannemen.

Art. 10.§ 1. De retributie voor de afgifte van een erkenning van rijschool, overeenkomstig artikel 5, bedraagt 250 euro; zij bedraagt 125 euro in geval van substantiële wijziging van één der gegevens van de erkenning.

Voor de afgifte van een exploitatievergunning van een vestigingseenheid of in geval van substantiële wijziging van de gegevens van de vergunning bedraagt de retributie 125 euro. § 2. Elke rijschool is de hierna bepaalde jaarlijkse retributies verschuldigd om de kosten van administratie, controle en toezicht te dekken : - 125 euro per erkende rijschool; - 125 euro per vestigingseenheid; - 50 euro per leidinggevend of onderwijzend personeelslid. § 3. De in §§ 1 en 2 bedoelde retributies worden door toedoen van het bestuur geïnd.

Zij worden de eerste keer betaald voordat de rijschool, de vestigingseenheid of het personeelslid waarop ze betrekking hebben, hun werkzaamheden starten. De jaarlijkse retributies worden uiterlijk op 31 maart van het betrokken jaar betaald, op grond van de gegevens die in toepassing van artikel 11, § 3, voor het voorgaande jaar meegedeeld werden. HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden voor de erkenning van de rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuring van oefenterrein Afdeling I. - Voorwaarden betreffende de personen

Art. 11.§ 1. In elke rijschool wordt een rijschooldirecteur aangesteld, die voldoet aan de in artikelen 12 en 13 gestelde voorwaarden en die verantwoordelijk is voor het verstrekte onderricht en ook voor de interne kwaliteitscontrole.

De rijschooldirecteur kan bij de uitoefening van zijn taken door één of meerdere adjunct-rijschooldirecteurs bijgestaan worden De rijschool die naast de rijschooldirecteur meer dan vijftien instructeurs tewerkstelt, moet een adjunct-rijschooldirecteur aanstellen. § 2. De rijschooldirecteur waakt erover dat de opleiding van de kandidaat-bestuurders en van de stagiairs beantwoordt aan de voorwaarden van dit besluit. Hij moet de onder zijn toezicht staande stagiairs met de opdrachten van een rijschool vertrouwd maken en hen deskundig maken. Hij is verantwoordelijk voor de terbeschikkingstelling van de leslokalen, de oefenterreinen, het didactische materiaal en de lesvoertuigen.

De rijschooldirecteur oefent zijn hoofdberoep uit binnen de rijschool die hij leidt. Met hoofdberoep wordt de bezigheid bedoeld die minstens 20 werkuren per week in beslag neemt. Hij kan deze functie slechts in een enkele rijschool uitoefenen.

De rijschooldirecteur is de natuurlijke persoon houder van de erkenning of, indien de houder van de erkenning een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die haar vertegenwoordigt of één van de natuur lijke personen die, alleen of gezamenlijk, haar vertegenwoordigen. § 3. De rijschooldirecteur deelt aan de Minister of zijn gemachtigde ten laatste op 31 december van elk jaar de lijst mee van de leidinggevende en onderwijzende personeelsleden van de rijschool alsook van de natuurlijke of rechtspersonen die in dat jaar opdrachten in ondergeschikt of zelfstandig verband hebben vervuld voor de rijschool, voor de toepassing van artikel 10; deze mededeling kan op elektronische wijze gebeuren. § 4. Elke rijschool doet een beroep op instructeurs die aan de voorwaarden van artikelen 12 en 13 voldoen.

Art. 12.§ 1. De rijschooldirecteur, de adjunct-rijschooldirecteur, de instructeurs en de stagiairs moeten aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° niet bij een in kracht van gewijsde gegaan gerechtelijke beslissing veroordeeld zijn : a) wegens een in Boek II, Titel III, Titel VII, hoofdstuk V en VI, Titel VIII, hoofdstuk 1 en Titel IX, hoofdstuk I en II van het Strafwetboek bepaalde inbreuk;b) wegens een inbreuk op de artikelen 30, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 37bis, 47, 48 of 49 van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wet betreffende de politie op het wegverkeer;c) wegens een inbreuk op de bepalingen van dit besluit;2° niet vervallen zijn of geweest zijn uit het recht om een motorvoertuig te besturen.Dit verbod is evenwel niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten, op voorwaarde dat voldaan is aan de onderzoeken die de rechter zou kunnen opgelegd hebben in toepassing van artikel 38 van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wet betreffende de politie over het wegverkeer; 3° houder zijn van het vereiste brevet voor de uitoefening van de in artikel 24 bedoelde functie en de in § 2 bedoelde toelating, behalve voor de stagairs. De houder van een in artikel 24 bedoeld brevet II, III of V kan evenwel, in geval van overmacht en mits toelating door de Minister, belast worden met de leiding van een rijschool gedurende een periode van hoogstens twee jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van de toelating. Na afloop van deze termijn wordt de erkenning van rijschool door de Minister ingetrokken, als geen houder van een brevet I aangesteld werd; 4° voor de personen belast met het praktische rijonderricht, het medische onderzoek ondergaan hebben, dat bepaald wordt door artikel 43 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;5° gedurende tenminste drie jaar houder zijn van een door een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, tenminste geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie B of van een evenwaardige categorie, en voor de personen die het praktische rijonderricht verstrekken : gedurende tenminste vier jaar houder zijn van een door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs dat geldig is voor de categorie of subcategorie van voertuigen waarvoor zij het rijonderricht verstrekken;6° voor de houders van een brevet I of III, houder zijn van een diploma, getuigschrift of brevet dat toegang verleent tot de niveaus A, B of C van de Rijksbesturen, die bedoeld worden in bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende statuut van het rijkspersoneel, of van een buitenlands diploma, getuigschrift of brevet, dat als gelijkwaardig erkend is overeenkomstig hoofdstuk 2 van dezelfde bijlage, of een beroepservaring van ten minste zes jaar als rijschoolinstructeur kunnen aantonen;7° de rijschooldirecteur bezorgt, een attest waaruit blijkt dat de rijschoolinstructeurs of leidinggevende personeelsleden aan de werden aangegeven en dat de nodige sociale zekerheidsbijdragen RSZ werden betaald.Voor de natuurlijke of rechtspersonen die opdrachten in zelfstandig verband hebben vervuld voor de rijschool, levert hij tevens het bewijs dat de opdrachten in zelfstandig verband werden uitgeoefend.

De gegevens hierboven vermeld onder punt 3° en 5° worden verondersteld reeds gekend te zijn door de administratie; in geval van nood zal deze bijkomende inlichtingen vragen aan de aanvrager.

De gegevens hierboven vermeld in punt 1°, 2° en 7° zullen door het bestuur zelf worden opgevraagd bij de bevoegde instanties; deze aanvraag kan op elektronische wijze gebeuren. Indien het bestuur deze documenten niet kan krijgen moet de aanvrager zelf instaan voor deze documenten.

De personen die de rijschool wettig vertegenwoordigen moeten aan de in 1° gestelde voorwaarden voldoen. § 2. De indiensttreding van een leidinggevend of onderwijzend personeelslid vindt plaats, nadat een directie- of instructietoelating door de Minister of zijn gemachtigde werd verleend.

Deze toelating wordt gegeven binnen de maand te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bewijs dat de aanvrager aan alle in § 1 bedoelde voorwaarden voldoet.

De Minister of zijn gemachtigde kan de termijn waarin hij zijn beslissing moet nemen, verlengen met één maand. Hij verwittigt daarvan de kandidaat.

Als de directie- of instructietoelating voor een volledige aanvraag niet binnen de termijn wordt gegeven, geldt het gebrek van beslissing als een beslissing van aanvaarding.

De directie- of instructietoelating wordt gematerialiseerd door een nationale code op het rijbewijs van de houder. Een bijzondere directie- of instructietoelating, wordt afgeleverd aan de personen die geen Belgisch rijbewijs kunnen verkrijgen volgens de bepalingen van artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. In geval van intrekking of schorsing van de directie- of instructietoelating, wordt het rijbewijs hernieuwd, overeenkomstig artikel 49 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

De op het rijbewijs te vermelden codes zijn als volgt bepaald : - code 101 naast de categorie B voor de houder van brevet I en III; - code 102 naast de categorie B voor de houder van brevet III, die geen brevet I heeft; - code 103 naast de categorie B voor de houder van brevet II; - code 103 naast de categorie A voor de houder van brevet IV; - code 103 naast de categorieën en subcategorieën B+E, C, C1, C+E, C1+E, D, D1, D+E, D1+E voor de houder van brevet V.

Art. 13.Elke functie of betrekking in een erkend organisme voor technische controle van motorvoertuigen, die van tolk bij het theoretische examen inbegrepen, en de controlefuncties bedoeld in artikel 39 zijn onverenigbaar met elke functie of elke betrekking in een erkende rijschool.

Art. 14.§ 1. De rijschooldirecteurs, adjunct-rijschooldirecteurs of instructeurs, die houder van een directie- of instructietoelating zijn, zijn verplicht om elk jaar een opleiding over de in § 2 bedoelde onderwerpen te volgen. De inhoud van de opleiding wordt bij ministerieel besluit bepaald.

Deze opleiding duurt minstens : - twaalf uur voor het voltijds werkende personeel en voor het drie vierden deeltijds werkende personeel; - vierentwintig uur voor het halftijds werkende personeel en voor het één vierde deeltijds werkende personeel.

In het jaar waarin ze hun brevet behalen, zijn de rijschooldirecteurs, adjunct-rijschooldirecteurs en de instructeurs vrijgesteld van deze verplichting.

De rijschooldirecteur ziet erop toe dat elke adjunct-rijschooldirecteur en instructeur die onder zijn toezicht geplaatst is, de in deze paragraaf bedoelde opleiding volgt. § 2. De opleiding slaat onder meer op de volgende onderwerpen : 1° wijzigingen van de reglementering betreffende de verkeersveiligheid in de brede zin;2° begrippen en methodologie van de organisatie van het theoretische en praktische onderricht;3° begrippen en maatregelen tot bevordering van de verkeersveiligheid en de mobiliteit in het kader van de duurzame ontwikkeling;4° verdieping van de in de bijlage 2 bepaalde examenleerstof;5° voor de houders van brevet I : economische en organisatorische aspecten van de exploitatie van een rijschool. De opleiding die voor het verkrijgen van een ander brevet gevolgd werd, wordt niet meegerekend. § 3. De organisatoren van de in § 1 bedoelde opleidingsactiviteiten leveren aan de rijschooldirecteurs, de adjunct-rijschooldirecteurs en de instructeurs die de opleiding hebben gevolgd, een getuigschrift af waarvan het model door de Minister bepaald wordt. Het gevolgde aantal uren en de onderwezen onderwerpen worden erop vermeld.

Het getuigschrift wordt gedurende drie jaar bijgehouden door de rijschool waar de rijschooldirecteur, de adjunct-rijschooldirecteur of de instructeur tijdens hun opleiding hun functies vervullen. § 4. De Minister of zijn gemachtigde weigert de getuigschriften, als de opleiding niet de in § 1 bepaalde uren duurde of niet over de in § 2 bepaalde onderwerpen ging. Voor de getuigschriften die in het lopende of voorafgaande jaar geweigerd werden, dient de rijschooldirecteur, adjunct-rijschooldirecteur of instructeur binnen twaalf maanden na de kennisgeving van de weigering een vervangingscursus te volgen.

De Minister of zijn gemachtigde zal de rijschooldirecteur, adjunct-rijschooldirecteur of instructeur schriftelijk verwittigen van de weigering bedoeld in het vorige lid. Afdeling II. - Voorwaarden betreffende de lokalen

Art. 15.§ 1. Iedere vestigingseenheid beschikt over door de Minister of zijn gemachtigde goedgekeurde lokalen, bestemd voor het theoretische onderricht en voor de administratie van de rijschool.

De lokalen omvatten een leslokaal, een sanitaire inrichting, een onthaalruimte voor de leerlingen, een (deel van een) lokaal voor de administratie.

Zij kunnen niet in een drankgelegenheid noch in een woonruimte worden ingericht. Zij moeten een attest van conformiteit gekregen hebben zoals voorzien in artikel 7.

Ieder leslokaal moet voortdurend aan de volgende vereisten voldoen : 1° plaats aan minstens tien leerlingen bieden;2° uitgerust zijn voor visuele voorstellingen;3° in overeenstemming zijn met de hygiënische bepalingen voor de voor het publiek toegankelijke lokalen;4° beschikken over borden en over didactische schema's voor de onderwezen leerstof;5° beschikken over maquettes van de belangrijkste onderdelen van een motorvoertuig, zoals het remsysteem, de schakeling, de lichten, het differentieel en over het belangrijkste voertuigtoebehoren;6° beschikken over de bijgewerkte reglementering betreffende de onderwezen leerstof. Elke vestigingseenheid dient voor elke groep van tien leerlingen over een computer te beschikken, die voor meerkeuzevragen geprogrammeerd is. Dit programma moet tijdens de openingsuren van de rijschool kunnen geraadpleegd worden. § 2. De leslokalen kunnen ook door andere vestigingseenheid of door andere rijscholen worden gebruikt.

Het stamnummer van de vestigingseenheid of vestigingseenheden, de naam van de rijschooldirecteur of van zijn gemachtigde en ook een contactadres moeten goed leesbaar voor het publiek in het leslokaal en in het lokaal voor de administratie uitgehangen worden.

De rijschooldirecteur deelt aan de Minister of zijn gemachtigde aanzienlijke wijzigingen van de lokalen mee, minstens veertien dagen voor hun uitvoering wordt gepland; deze mededeling kan via een aangetekend schrijven per post of op aangetekende elektronische wijze gebeuren. Afdeling III. - Oefenterreinen

Art. 16.§ 1. Iedere vestigingseenheid beschikt over minstens één oefenterrein voor het praktische onderricht.

Dit oefenterrein moet voor één of meer van de volgende onderrichtcategorieën goedgekeurd worden : - A : voertuigen van de categorieën A3 en A; - B : voertuigen van de categorie B; - C-D : voertuigen van de categorieën en subcategorieën C1, C, D1 en D; - E : voertuigen van de categorieën en subcategorieën B+E, C1+E, C+E, D1+E en D+E. De rijschooldirecteur stelt de Minister of zijn gemachtigde binnen acht dagen in kennis van de geplande wijzigingen aan de onderrichtcategorieën en de uitrusting van het oefenterrein, en ook van elke wijziging van de grootte van het terrein; deze mededeling kan via traditioneel aangetekend schrijven of op aangetekende elektronische wijze gebeuren. § 2. Het oefenterrein moet zo ingericht worden, dat alle aan het rijonderricht vreemde personen er geen toegang toe hebben gedurende de praktische lessen.

Het beschikt over de in bijlage 1 bepaalde uitrustingen, die het mogelijk moeten maken om de in bijlage 5 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde manoeuvres in alle veiligheid aan te leren.

Een uitrusting voor een bepaalde onderrichtscategorie mag maar door hoogstens twee lesvoertuigen tegelijk gebruikt worden.

Het oefenterrein mag door verschillende vestigingseenheden en door meerdere rijscholen gebruikt worden.

De afstand tussen de vestigingseenheid en het oefenterrein kan niet meer bedragen dan 20 km in vogelvlucht, behoudens een door de Minister of zijn gemachtigde verleende afwijking. Afdeling IV. - Lesvoertuigen

Art. 17.§ 1. De rijscholen moeten voor elke op de exploitatievergunning van een vestigingseenheid vermelde onderrichtcategorie over minstens één lesvoertuig beschikken.

Alle hiervoor bestemde voertuigen moeten ter beschikking van de instructeurs worden gesteld bij de uitoefening van hun functie.

Alle voertuigen moeten voldoen aan de voorwaarden van het artikel 18 van dit besluit en van de artikelen 38 of 90 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

De rijschool houdt een register bij met de gegevens van de lesvoertuigen. Zij houdt afschriften van de inschrijvingsbewijzen en van de geldige keuringsbewijzen van de gebruikte voertuigen bij. § 2. De rijscholen erkend voor de onderrichtscategorie A, moeten beschikken over een bromfiets klasse B, over een in artikel 38, § 2, 1° bepaalde motorfiets en ook over een motorfiets zoals bedoeld in artikel 38, § 2, 2° van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. Zij moeten bovendien over een door het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie goedgekeurde radioverbinding beschikken, die dient voor het rijonderricht op de openbare weg.

Art. 18.§ 1. De voertuigen van de categorieën A3 en A moeten voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° minder dan vijf jaar oud zijn;2° achteraan een bord hebben met de vermelding « rijschool », gevolgd door het erkenningsnummer van de rijschool.Dit bord mag vervangen worden door een door de kandidaat gedragen rugvest met dezelfde vermelding. § 2. De voertuigen van de categorie B moeten aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° het voertuig moet minder dan vijf jaar oud zijn;2° de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting, van de noodreminrichting en van het gaspedaal alsook van de dimlichten, van de richtingaanwijzers en van het geluidstoestel moeten dubbel geïnstalleerd worden, zodanig dat leerling en instructeur ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen, zonder dat de vereiste prestaties van die inrichtingen daardoor afnemen. De instructeur moet bovendien de grootlichten kunnen doven en in plaats daarvan de dimlichten aansteken.

Deze dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de instructeur gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de leerling wordt gehinderd; 3° een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de instructeur het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting of van de koppeling bedient of de bediening ervan verhindert.Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt; 4° het voertuig moet uitgerust zijn met een combinatie van achteruitkijkspiegels die zo aangebracht zijn dat leerling en instructeur beschikken over het uitzicht voorgeschreven in artikel 34 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;5° het voertuig moet aan de rechterzijde minstens twee deuren hebben;6° de achterbank moet uitgerust zijn met hoofdsteunen en veiligheidsgordels. § 3. De voertuigen van categorie C of D of van de subcategorie C1 of D1 worden voorafgaandelijk goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde en beantwoorden aan de volgende voorwaarden : 1° de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting, en van het gaspedaal moeten dubbel geïnstalleerd worden, zodanig dat leerling en instructeur ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen, zonder dat de vereiste prestaties van die inrichtingen daardoor afnemen. Bovendien moet de instructeur de grootlichten kunnen doven en in plaats daarvan de dimlichten aansteken.

Deze dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de instructeur gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de leerling wordt; 2° een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de instructeur het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting of van de koppeling bedient of de bediening ervan verhindert.Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt; 3° uitgerust zijn met een combinatie van achteruitkijkspiegels die zo aangebracht zijn dat leerling en instructeur beschikken over het uitzicht voorgeschreven in artikel 34 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, en met een systeem dat de visualisering van de dode hoek mogelijk maakt;4° uitgerust zijn met veiligheidsgordels voor de bestuurder, de instructeur en de examinator. § 4. Als het gaat over voertuigen van de categorie B+E, C+E of D+E of van de subcategorie C1+E of D1+E, moet het trekkende voertuig, naargelang het geval, aan de voorwaarden van § 2 en § 3 voldoen. § 5. De voertuigen van de categorieën B, B+E, C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E moeten uitgerust zijn met één of meer borden met het opschrift « rijschool » gevolgd door het erkenningsnummer van de rijschool, die vooraan en achteraan duidelijk leesbaar moeten zijn van op een afstand van minstens 30 m, en verlicht of reflecterend, tussen zonsondergang en zonsopgang.

De andere opschriften dan « rijschool » mogen niet groter zijn dan de helft van de tekens van dit opschrift.

Op het lesvoertuig mogen enkel de naam of maatschappelijke benaming van de rechtspersoon, de naam, het logo, het adres, het elektronische adres, het telefoonnummer en het faxnummer van de rijschool voorkomen.

Art. 19.Elk lesvoertuig moet door een verzekeringspolis gedekt worden voor : 1° de burgerlijke aansprakelijkheid van de leerling, als bestuurder en als passagier;2° de schade die onder alle omstandigheden aan de leerling of zijn bezittingen berokkend wordt. Deze polis stipuleert dat de verzekeraar van elk verhaal tegen de leerling afziet.

De dekking van de schade aan de bezittingen van de leerling mag tot 1.000 euro worden beperkt. Afdeling V. - Onderricht

Art. 20.De instructeur moet de leerling nauwgezet opleiden. Hij moet hem de kennis, de vaardigheden en het gedrag bijbrengen, die in de bijlagen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaald zijn.

De Minister kan de spreiding van de lessen in de tijd vastleggen.

Art. 21.Het theoretische rijonderricht mag enkel worden gegeven door theorie-instructeurs die houder van een instructietoelating zijn, of door stagiairs.

Dit onderricht moet in de in de exploitatievergunning van een vestigingseenheid vermelde lokalen plaatsvinden.

De Minister kan een rijschool toestaan om aan groepen met verplaatsingsproblemen theoretisch rijonderricht te geven in lokalen, die haar voor die groepen ter beschikking gesteld worden.

Art. 22.§ 1. Het praktische rijonderricht mag enkel worden gegeven door en onder toezicht van praktijkinstructeurs die houder van een instructietoelating zijn, of door stagiairs.

Het praktische onderricht van de manoeuvres vindt op een goedgekeurd oefenterrein plaats. Het mag plaatsvinden op de openbare weg op het einde van de opleidingscyclus. § 2. Het praktische rijonderricht wordt verstrekt aan boord van een voertuig dat tot de categorie of de subcategorie behoort waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en dat in de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en in de goedkeuring van het oefenterrein is vermeld.

Het voertuig moet naargelang zijn categorie of subcategorie aan de voorwaarden van artikelen 17 en 18 voldoen.

Aan gehandicapte personen die een dergelijk voertuig niet kunnen besturen, mag het praktische rijonderricht gegeven worden met een speciaal aan hun handicap aangepast voertuig, dat zijzelf of het in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bedoelde centrum leveren, en dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 18, § 1, 2° en § 5, en van artikel 19. § 3. De verplaatsingen op de openbare weg waarbij de leerling niet zelf achter het stuur plaatsneemt, komen niet in aanmerking voor de berekening van het aantal in artikel 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde lesuren.

Voor het praktische rijonderricht voor de categorie A op de openbare weg moet de instructeur zelf op een voertuig van deze categorie plaatsnemen, behalve op de dag van het praktische examen. Hij mag maximum twee kandidaten tegelijk onderrichten. HOOFDSTUK V. - Administratieve verplichtingen

Art. 23.§ 1. Voor iedere leerling wordt een inschrijvingskaart opgesteld, waarop zijn identiteit en inschrijvingsnummer en -datum worden vermeld. Die kaart heeft een aantal vakken, dat met het aantal door de rijschool gegeven lessen overeenstemt.

Bij het einde van elke theoretische of praktische les vermeldt de instructeur de lesdatum en -uren op de inschrijvingskaart van de leerling en ondertekent hij deze vermelding.

De inschrijvingskaart moet op het einde van de lessencyclus door de leerling ondertekend worden. Een kopie ervan wordt aan de leerling bezorgd. § 2. Elke vestigingseenheid houdt van elke theorielessencyclus een aanwezigheidslijst bij.

Deze lijst wordt op afzonderlijke bladen bijgehouden, één per theoretische les of per theoretische lessenreeks. § 3. Elke instructeur houdt een dagelijkse fiche bij waarop hij het begin- en einduur van elke les vermeldt. Voor elke praktische les wordt het inschrijvingsnummer van het voertuig, de kilometerstand bij het begin en het einde van de les, en het inschrijvingsnummer van de leerling vermeld.

De dagelijkse fiche wordt ondertekend door de instructeur en door de leerling die praktisch onderricht gevolgd heeft of bij het examen begeleid werd, en door de stagiair, als die de les bijwoonde of gaf.

De bewaringstermijn van de documenten vermeld in § 1, § 2 en § 3 is twaalf maand. § 4. In iedere vestigingseenheid wordt een jaarregister bijgehouden, waarin per volgnummer worden vermeld : de identiteit van de ingeschreven leerlingen, de inschrijvingsdatum, de data van de gegeven lessen en, zonder enig wit vak of leemte, de aan- of afwezigheid van de leerlingen.

In één kolom worden de data van de theoretische en praktische examens vermeld, die door de leerlingen zijn afgelegd, en eventueel de behaalde uitslag. Eén kolom is voor eventuele opmerkingen voorbehouden.

De bewaringstermijn van dit register is zesendertig maand. § 5. De Minister bepaalt het model van de in § 1, § 2, § 3 en § 4 bepaalde documenten.

Zij mogen worden vervangen door een voor computerverwerking bestemde informatiedrager. Deze informatiedragers dienen volledig en voortdurend toegankelijk zijn en de hierin vervatte gegevens moeten in verstaanbare vorm op papier kunnen weergegeven worden, als de met de in artikel 39, § 1, tweede lid, bepaalde controle belaste beambten dat vragen. § 6. De rijscholen moeten aan de leerlingen, die het in de artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde aantal lesuren gevolgd hebben, een getuigschrift van theoretisch of praktisch onderricht afleveren, waarvan het model door de Minister bepaald wordt. Een dergelijk getuigschrift, met vermelding van het aantal gevolgde uren, wordt eveneens afgegeven aan de leerling die van rijschool verandert.

In afwijking van het eerste lid wordt aan de leerling, die het in artikel 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde aantal lesuren gevolgd heeft en die bewezen heeft bekwaam te zijn alleen te sturen, met het oog op het verkrijgen van een voorlopig rijbewijs model 2 een bekwaamheidsgetuigschrift afgegeven, waarvan het model door de Minister bepaald wordt.

Aan iedere kandidaat voor de leervergunning wordt, naast een getuigschrift van theoretisch en praktisch onderricht, ook een opleidingsboekje afgeleverd, waarvan het model door de Minister of zijn gemachtigde goedgekeurd wordt. § 7. De voorwaarden en regels van het rijonderricht maken het voorwerp uit van een schriftelijk contract tussen de leerling en de rijschool.

Het contract omvat onder meer, in hetzelfde lettertype als de hoofdtekst, de volgende tekst : « Wat de praktische lessen betreft : als de leerling tijdens de verplaatsingen op de openbare weg niet achter het stuur plaatsneemt, zullen die verplaatsingen niet in aanmerking genomen worden voor de berekening van het aantal lesuren.

Geen enkele andere prestatie dan die waarvoor in het contract een tarief is vermeld, mag worden aangerekend ».

De in artikel 2, § 4, c) bepaalde leerlingen moeten bovendien voor de verwerking van de hen betreffende gezondheidsgegevens hun uitdrukkelijke instemming geven, overeenkomstig artikel 7 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

Het tarief van de prestaties wordt in het lokaal voor de administratie en in het leslokaal uitgehangen. § 8. De in artikel 2, § 4 en § 5 bepaalde rijscholen bewaren voor ieder leerling, gedurende drie jaar, een exemplaar van het attest uitgegeven zoals volgt : - voor de personen voorzien in artikel 2, § 4, a) : door het Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn; - voor de personen voorzien in artikel 2, § 4, b) : door de bevoegde bemiddelingsinstelling (VDAB, BGDA, Arbeitsamt, FOREm); - voor de personen voorzien in artikel 2 § 4, c) : door de FOD Sociale Zekerheid.

De rijscholen die onderricht aan de in artikel 2, § 4, c) en § 5 bepaalde leerlingen verstrekken, moeten zich houden aan de bepalingen van artikelen 25, 26 en 27 van het koninklijk besluit van 13 februari 2001 ter uitvoering van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

TITEL II. - Brevetten van beroepsbekwaamheid HOOFDSTUK I.- Algemeenheden

Art. 24.Er bestaan vijf brevetten van beroepsbekwaamheid van het leidende en onderwijzende personeel van de rijscholen.

Het brevet I verleent toegang tot de functies van rijschooldirecteur en adjunct-rijschooldirecteur.

Het brevet II verleent toegang tot de functie van instructeur, die met het praktische onderricht voor het besturen van voertuigen van de categorie B belast wordt.

Het brevet III verleent toegang tot de functie van instructeur, die met het theoretische onderricht belast wordt.

Het brevet IV verleent toegang tot de functie van instructeur, die met het praktische onderricht voor het besturen van voertuigen van de categorie A3 en A belast wordt.

Het brevet V verleent toegang tot de functie van instructeur, die met het praktische onderricht voor het besturen van voertuigen van de categorie B+E, C, C+E, D en D+E en van de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E belast wordt.

Art. 25.De brevetten worden uitgereikt : 1° hetzij na het slagen voor de in hoofdstuk II bepaalde examens en na het vervullen van de in hoofdstuk III bepaalde stage;2° hetzij op grond van de gelijkwaardigheid van de diploma's of getuigschriften, die door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte afgegeven werden.De diploma's en getuigschriften worden voorgelegd aan de examencommissie. De examencommissie legt een examen op voor die vakken waarvoor de aanvrager geen examen aflegde, dat overeenstemt met de normen van dit besluit.

De kandidaat met een diploma of getuigschrift, dat door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte in een andere dan één van de drie landstalen afgeleverd werd, moet voor de examencommissie een talentest afleggen, waaruit blijkt dat hij over de nodige talenkennis voor het rijonderricht beschikt. HOOFDSTUK II. - Examens

Art. 26.§ 1. Het examen moet het bewijs leveren dat de kandidaat geschikt is om een rijschool te leiden of om toekomstige bestuurders op te leiden, met deskundigheid, methode en overeenkomstig de leerdoelen van de rijopleiding. Tot die geschiktheid behoren de kennis van de leerstof die in het programma voor elk brevet bepaald is en de vaardigheid om deze kennis in de praktijk toe te passen en deze over te brengen.

Het examen bestaat uit een schriftelijke en een mondelinge proef over de in bijlage 2.I. bepaalde leerstof en, behalve voor het brevet I, uit een modelles over de in bijlage 2.II. bepaalde leerstof. § 2. Vóór de deelname aan het examen mag een voorafgaande opleiding plaatsvinden, waarvoor de Minister de leerstof bepaalt, en die verstrekt wordt door een instelling opgericht of erkend door de overheden bevoegd voor de materie voorzien in artikel 4, 16°, van de speciale wet voor institutionele hervormingen van 8 augustus 1980.

Art. 27.De deelneming aan de schriftelijke en de mondelinge proef of aan de modelles moet met een inschrijvingsformulier worden aangevraagd, waarvan het model door de Minister bepaald wordt.

De kandidaat voegt bij zijn deelnemingsaanvraag voor de schriftelijke en mondelinge proef de volgende documenten : 1° een kopie van zijn diploma, getuigschrift of in artikel 12, § 1, 6°, bepaald brevet of de documenten die getuigen van de vereiste beroepservaring;2° een kopie van zijn rijbewijs.Dit document zal door het bestuur zelf worden opgevraagd bij de bevoegde instanties. Indien het bestuur dit document niet kan krijgen, moet de aanvrager zelf instaan voor dit document.

De kandidaat voegt bij de deelnemingsaanvraag voor de modellen het in artikel 33, § 6, bepaalde geldige stageattest.

Art. 28.Om deel te nemen aan het examen voor het brevet I moet de kandidaat sinds minstens drie jaar houder zijn van een instructietoelating voor de brevetten II en III. Om deel te nemen aan het examen voor het brevet IV moet de kandidaat een stage bijzondere motorfietsopleiding gevolgd hebben. Een getuigschrift voor deze opleiding moet bij het inschrijvingsformulier voor het examen gevoegd worden.

Om deel te nemen aan het examen voor het brevet V moet de kandidaat houder van het brevet II zijn.

Art. 29.De modelles voor het brevet II wordt gegeven aan boord van een voertuig van de categorie B, dat beantwoordt aan de in artikelen 17 en 18, § 2 en § 5, bepaalde voorwaarden, dat uitgerust is met een handschakeling en dat door de kandidaat geleverd wordt.

De behendigheidsproef en de modelles voor het brevet IV gebeuren met een voertuig van de categorie A, dat beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 38, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs dat uitgerust is met een handschakeling, en dat door de kandidaat geleverd wordt.

De modelles voor het brevet V wordt gegeven aan boord van een voertuig van de categorie C+E of D+E, dat beantwoordt aan de in artikelen 17 en 18, § 4, en § 5 bepaalde voorwaarden, dat uitgerust is met een handschakeling en dat door de kandidaat geleverd wordt.

Art. 30.De houder van een brevet III die kandidaat voor een ander brevet is, wordt vrijgesteld van de leerstof voor de theoretische kennis over de verkeersveiligheid.

De kandidaat die voor zijn modelles mislukte, wordt gedurende de geldigheid van zijn stageattest vrijgesteld voor de leerstof voor de schriftelijke en mondelinge proef.

Art. 31.§ 1. Het puntenaantal dat toegekend wordt aan elke in bijlage 2 opgesomd leerstof, wordt als volgt bepaald : 1° theoretische kennis van de verkeersveiligheid : 60;2° dit besluit en de ministeriële omzendbrieven daarover, evenals het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en de ministeriële omzendbrieven daarover : 20;3° algemene kennis van het bedrijfsbeheer in verband met het beheer en de leiding van rijscholen : 20;4° mechanica, techniek en elektriciteit van auto's, motorfietsen of voertuigen van de categorieën C en D en hun aanhangwagens : 20;5° theoretische modelles en ondervraging over de bij die les toegepaste onderwijsmethode : 60;6° modelrijles en ondervraging over de bij die les toegepaste onderwijsmethode : 60;7° behendigheidsproef : 20. § 2. De schriftelijke en de mondelinge proef zijn schiftingsproeven.

De kandidaat die geen 60 % van de punten behaalt voor elk van de beide examens over het vak « theoretische kennis van de verkeersveiligheid » en geen 50 % van de punten voor elk ander vak afzonderlijk, is niet geslaagd. De kandidaat moet 60 % van de punten behalen voor de modellessen.

Het vereiste minimum aantal punten om het brevet te verkrijgen is vastgesteld op 60 % voor het geheel van de vakken. Indien door de in artikel 30 bepaalde vrijstellingen het examen tot één vak beperkt wordt, moet de kandidaat hiervoor 60 % van de punten behalen.

Voor de modellessen wordt de beoordeling toegekend op basis van het examenprotocol, waarvan het model door de voorzitter van de examencommissie wordt vastgelegd.

Art. 32.Het brevet wordt uitgereikt door de in artikel 34 bepaalde examencommissie, en is ondertekend door de voorzitter ervan of door een kamervoorzitter. HOOFDSTUK III. - Stage

Art. 33.§ 1. De kandidaten voor het brevet II, III, IV of V moeten, na in de schriftelijke en de mondelinge proef geslaagd te zijn en voor ze de modelles geven, een stage in een erkende rijschool doen, in de hoedanigheid van instructeur in het vak dat met het gevraagde brevet overeenstemt. Voor elk brevet, moeten zij een minimumaantal uren les geven : - brevet II : 300 uur, - brevet III : 120 uur, - brevet IV : 180 uur, - brevet V : 300 uur.

Voor de kandidaten die de in artikel 26, § 2 bedoeld opleiding hebben gevolgd, wordt dit minimum verlaagd tot een kwart van het hierboven bepaalde minimum.

De kandidaat voor een brevet van rijschoolinstructeur, die reeds houder is van een ander brevet, moet een stage verrichten waarin hij les geeft gedurende het equivalent van 2/3 van het minimum van de uren voorzien in het eerste lid.

De stage mag hoogstens vijfendertig uur per week duren. § 2. Na het slagen voor de schriftelijke en de mondelinge proef geeft de Minister of zijn gemachtigde een stagetoelating af. Deze toelating is twee jaar geldig. Indien de stage na deze periode niet vervuld is, moet de kandidaat de examens opnieuw afleggen.

Het stageprogramma van de rijschoolinstructeurs omvat : 1° basisprincipes van de werking van een rijschool;2° bijwonen van theoretische, praktische en evaluatielessen;3° onderricht, met inbegrip van de voorbereiding van de lessen en de evaluatie;4° inleiding in de organisatie van de examencentra en het bijwonen van praktische examens. § 3. De stage vindt plaats onder toezicht van een stagemeester. Enkel de rijschooldirecteur, de adjunct-rijschooldirecteur of de instructeur die ten minste twee jaar houder is van het overeenstemmende brevet en die slechts in één rijschool tewerkgesteld is, kan stagemeester zijn.

Het aantal stagiairs mag niet meer dan een derde van het aantal instructeurs bedragen, behalve voor de rijscholen met minder dan drie rijschoolinstructeurs waar het maximum aantal één stagiair is.

Een stagemeester mag niet meer dan twee stagairs tegelijk onder zijn hoede hebben. § 4. De stagemeester moet de stagiair nauwlettend opleiden, overeenkomstig het in § 2 bepaalde stageprogramma.

Voor de stages voor brevet II, III, IV en V moet de stagemeester of een instructeur met minstens twee jaar ervaring bij de theoretische en praktische lessen, die door de stagiair gegeven worden, aanwezig zijn, tot de stagemeester kan waarborgen dat de stagiair geschikt is om een doeltreffend en nuttig onderricht te verstrekken. Hij moet eveneens kunnen waarborgen dat de stagiair bij gevaar tijdens het praktische onderricht passend kan reageren.

De helft van de stage-uren moet door een instructeur met minstens twee jaar ervaring gevolgd worden, en de helft van die uren door de stagemeester zelf.

De stagemeester neemt deel aan de voorbereiding van de lessen.

De Minister kan een instructeur, na zijn voorafgaande verhoor, verbieden om stagemeester te zijn, als hij niet voldoet aan de in § 3 gestelde voorwaarden of hem verbieden om verder stagemeester te blijven als hij de verplichtingen van het eerste, tweede, derde en vierde lid niet naleeft.

De Minister of zijn gemachtigde kan een rijschool aanduiden om stagiairs aan te nemen als een stagiair kan aantonen dat hij geen rijschool vindt waar hij zijn stage kan volbrengen. § 5. De stagiair houdt een formulier « stageverloop » bij, waarvan het model door de Minister bepaald wordt.

Het formulier moet in chronologische volgorde de gegevens over de praktische opleiding en de onder of zonder toezicht gegeven lessen vermelden. Het wordt door de stagiair en de stagemeester ondertekend.

Het wordt aan het einde van de stage bij het stageattest gevoegd. § 6. De rijschooldirecteur of de adjunct-directeur geeft de stagiair een stageattest af, waarvan het model door de Minister bepaald wordt en waarin bevestigd wordt dat de kandidaat voor het brevet de stageverplichtingen vervuld heeft. Een kopie van het door de rijschooldirecteur en de stagiair ondertekende stageattest moet ten laatste een maand na het einde van de stage naar het bestuur gezonden worden.

Het stageattest verliest zijn waarde na twee jaar, te rekenen vanaf het slagen voor de schriftelijke en de mondelinge proef of na drie mislukkingen voor de modelles.

Voor zover de stagetoelating nog geldig is, kan de Minister of zijn gemachtigde, op het met redenen omklede verzoek van de stagiair of de stagemeester, de stagiair toestaan om zijn stage met een andere stagemeester verder te zetten. HOOFDSTUK IV. - Examencommissie

Art. 34.§ 1. Er wordt een examencommissie voor de brevetten van beroepsbekwaamheid opgericht.

De examencommissie bestaat uit drie kamers, voor de examens die respectievelijk in het Nederlands, in het Frans en in het Duits afgelegd worden.

De examencommissie mag niet meer dan 25 % van haar leden tellen die houder zijn van een brevet I. § 2. De Minister benoemt de leden van de examencommissie voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar. Wanneer in de examencommissie een mandaat onbezet raakt, blijft de persoon die in de loop ervan benoemd wordt, benoemd voor de overblijvende duur.

De criteria en de procedure van selectie van de leden van de examencommissie worden bij een ministerieel besluit vastgesteld.

Zodra de leden van de examencommissie 70 jaar worden, wordt er van rechtswege een einde aan hun functies gesteld. § 3. De Minister wijst onder de leden van de examencommissie een voorzitter aan, alsook drie kamervoorzitters en ondervoorzitters, en een vertegenwoordiger van de Minister, titularis van een graad van niveau A. De Minister of zijn gemachtigde benoemt de secretarissen en de helpers van de examencommissie voor een termijn van vijf jaar. Na die vijf jaar wordt de benoeming van rechtswege voor vijf jaar hernieuwd, behalve bij een andersluidende beslissing. Wanneer in de examencommissie een mandaat onbezet raakt, blijft de persoon die in de loop ervan benoemd wordt,benoemd voor de overblijvende duur.

Art. 35.§ 1. De voorzitters, de leden, de secretarissen en de helpers van de examencommissie krijgen ten laste van de Schatkist een vergoeding, waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld : 1° aan de voorzitter en de leden wordt een vergoeding van 17,5 euro per examen toegekend;2° aan de secretarissen wordt een vergoeding van 8 euro per examen toegekend;3° aan de helpers wordt een vergoeding van 7 euro per examen toegekend. De leden, secretarissen en helpers die rijksambtenaar zijn, hebben slechts recht op vergoedingen voor de buiten de reglementaire werkuren verrichte prestaties. § 2. Zij worden bovendien vergoed voor de verplaatsingskosten die de uitvoering van hun opdracht meebrengt, overeenkomstig de voor het rijkspersoneel geldende bepalingen.

Voor de toepassing van deze bepalingen worden de voorzitters en de leden van de examencommissie gelijkgesteld met de titularissen van een functie van niveau A, en de secretarissen en de helpers met de titularissen van een functie van niveau B.

Art. 36.De kamers stellen in gemeenschappelijk overleg hun huishoudelijk reglement vast, dat door de Minister moet goedgekeurd worden.

Art. 37.De Minister of zijn gemachtigde organiseert de examenzittingen, stelt de plaats en datum ervan vast, brengt ze ter kennis van het publiek en bepaalt de inschrijvingswijze voor de examens.

Er worden minstens drie sessies per jaar georganiseerd.

Art. 38.Het inschrijvingsgeld voor het examen is vastgesteld op 25 euro. De Minister bepaalt de betalingswijze van het inschrijvingsgeld.

Het inschrijvingsgeld wordt in geen geval terugbetaald.

TITEL III. - Controle en sancties HOOFDSTUK I. - Controle

Art. 39.§ 1. De rijscholen volgen de instructies die hun door de Minister of zijn gemachtigde worden gegeven om een einde te maken aan de schending van de regelgeving.

Elke aanvraag tot erkenning van rijschool, of elke aanvraag tot exploitatievergunning van een vestigingseenheid of goedkeuring van een oefenterrein, houdt de toestemming in voor de door de Minister speciaal aangewezen ambtenaren of beambten, om de voor het onderricht en de administratie van de school bestemde lokalen evenals op het oefenterrein te betreden, en om de theoretische en praktische lessen bij te wonen. Zij mogen de boeken en de documentatie van de school, de inschrijvingskaarten van de leerlingen, de dagelijkse fiches, de aanwezigheidslijsten, de inschrijvingsregisters en, in het algemeen, alle bescheiden betreffende de schoolactiviteiten raadplegen. Zij mogen zich, zo nodig, met het oog op onderzoek een kopie laten overhandigen.

De Minister of zijn gemachtigde controleert de goede werking van de erkende rijscholen. § 2. De rijschoolinstructeur of de stagiair leggen op hun verzoek de instructietoelating of de stagetoelating voor aan de in artikel 3, 1° en 2° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 betreffende het algemeen reglement over de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg bepaalde bevoegde personen, aan de in artikel 26 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde examinatoren, en aan de in § 1, tweede lid, bedoelde ambtenaren en beambten.

De in het eerste lid bepaalde personen zijn aan het beroepsgeheim gehouden.

De personen die de erkenning van rijschool verkregen, geven op verzoek van de Minister of zijn gemachtigde alle inlichtingen betreffende de toepassing van dit besluit.

Art. 40.De Minister of zijn gemachtigde kan elke instructeur die houder is van een brevet II, IV of V en een instructietoelating verplichten om het in artikel 42 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde geneeskundige onderzoek te ondergaan, wanneer hij kennis heeft - door gelijk welk middel - van de staat van deze laatste.

De instructietoelating wordt geschorst, zodra de geneesheer de ongeschiktheid van de betrokkene vaststelt.

Wanneer de betrokkene opnieuw een in het vorig lid bepaald geneeskundig onderzoek met goed gevolg heeft ondergaan, wordt de schorsing opgeheven. HOOFDSTUK II. - Sancties

Art. 41.De Minister kan, wanneer de in de hoofdstukken IV en V van titel I bepaalde voorwaarden niet worden nageleefd en na de rijschooldirecteur en in voorkomend geval de adjunct-rijschooldirecteur of de instructeur gehoord te hebben, de erkenning van rijschool, de exploitatievergunnin g van een vestigingseenheid of de goedkeuring van een oefenterrein voor een termijn van minstens acht dagen en hoogstens zes maanden schorsen.

Indien de Minister ondanks een voorafgaandelijke schorsingsmaatregel van minstens twee maanden vaststelt dat in de hoofdstukken IV en V van titel I bepaalde voorwaarden nog altijd niet worden nageleefd, trekt hij de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of de goedkeuring van een oefenterrein in, na de rijschooldirecteur en in voorkomend geval de adjunct-rijschooldirecteur of de instructeur gehoord te hebben.

Gedurende de schorsingsperiode of na de intrekkingsbeslissing mag geen enkele theoretische of praktische lessenreeks beginnen.

Het schorsings- of intrekkingsbesluit wordt bij de ingang van de les- en administratielokalen uitgehangen.

Art. 42.De Minister kan, na de belanghebbende of in voorkomend geval de rijschooldirecteur en de adjunct-rijschooldirecteur voorafgaandelijk te hebben gehoord, de instructie- of directietoelating van elk les- of leidinggevend personeelslid schorsen, wanneer de in de hoofdstukken IV en V van titel I bepaalde bepalingen niet worden nageleefd.

De schorsing wordt uitgesproken voor een periode van minstens acht dagen en hoogstens twee jaar.

Indien de Minister ondanks een voorafgaandelijke schorsingsmaatregel van minstens acht maanden vaststelt dat de in de hoofdstukken IV en V van titel I bepaalde voorwaarden nog altijd niet worden nageleefd, kan hij de instructie- of directietoelating intrekken na de belanghebbende en in voorkomend geval de rijschooldirecteur en de adjunct-rijschooldirecteur voorafgaandelijk te hebben gehoord.

Gedurende de schorsingsperiode van de directietoelating, mag geen enkele theoretische of praktische lessenreeks beginnen. De Minister heft dit verbod op, zodra een rijschooldirecteur aangesteld is.

Het schorsings- of intrekkingsbesluit wordt bij de ingang van de les- en administratielokalen uitgehangen.

Art. 43.De Minister of zijn gemachtigde kan met onmiddellijke ingang de directie- of instructietoelating schorsen van een personeelslid van een rijschool, dat het voorwerp van een gerechtelijk onderzoek vormt of van een strafvordering wegens inbreuk op artikel 12, § 1, 1°, a) en b), en wiens aanwezigheid in de rijschool onverenigbaar met het onderricht is.

Binnen de strikt nodige tijd en maximum binnen de tien werkdagen die op de maatregel van onmiddellijke schorsing volgen, wordt de in artikel 42 bepaalde intrekkings- of schorsingsprocedure aangevat. Bij gebrek daaraan houdt de schorsing van rechtswege op.

Art. 44.Onderricht dat door een instructeur die niet beschikt over een instructietoelating of wiens instructietoelating geschorst is, verstrekt werd, wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van het door de artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde aantal lesuren. De rijschool moet de leerlingen terug betalen voor de lesuren en de voor de inschrijving voor de examens of voor het verkrijgen van de documenten verschuldigde bijdragen.

TITEL IV. - Intrekkings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen

Art. 45.Het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen en het ministerieel besluit van 24 april 1968 betreffende de vergoedingen toegekend aan de leden, de secretarissen en helpers van de examencommissies, ingesteld bij het koninklijk besluit van 17 april 1968 tot vaststelling van de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen, worden opgeheven.

Art. 46.In afwijking van artikel 5, § 1, beschikt de Minister, gedurende een periode die eindigt twee jaar na de invoegetreding van dit besluit, over een termijn van 6 maand voor het afgeven van erkenningen aan rijscholen, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuringen van oefenterrein.

In afwijking van artikel 12, § 2, beschikt de Minister of zijn gemachtigde, gedurende de bovenvermelde periode, over een termijn van 3 maand voor het afgeven van een directie- of instructietoelating aan een leidinggevend of onderwijzend personeelslid.

Art. 47.§ 1. De houder van een voor de inwerkingtreding van dit besluit gegeven erkenning van rijschool moet de hernieuwing van zijn erkenning volgens de bepalingen van dit besluit aanvragen.

Die hernieuwing wordt ten laatste drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Minister of zijn gemachtigde gevraagd volgens de in artikel 5 bedoelde procedure.

Voor die hernieuwing zijn de in artikel 10, § 1, bepaalde bijdragen niet van toepassing.

De bepalingen van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen blijven van toepassing, zolang niet over de hernieuwingsaanvraag werd beslist. § 2. De bestaande erkenningen van rijschool, waarvan de hernieuwing niet binnen de in § 1, tweede lid, bepaalde termijn gevraagd werd, worden van rechtswege nietig.

Elke aanvraag tot wijziging van de gegevens van een op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit bestaande erkenning van rijschool moet het voorwerp uitmaken van een nieuwe erkenning van rijschool, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

Alle aanvragen voor de erkenning van rijschool of van een exploitievergunning van vestigingseenheid waarover geen beslissing werd genomen voor de inwerkingtreding van dit besluit, moeten worden hernieuwd.

Art. 48.§ 1. De in artikel 11 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen bedoelde instructeurs, die bij de inwerkingtreding van dit besluit in dienst zijn, moeten het examen voor het brevet ten laatste negen maanden na hun indienstneming afleggen. Na deze termijn of bij mislukking mogen zij geen onderricht meer geven.

Gedurende een termijn van één jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van het slagen, zijn zij vrijgesteld van de schriftelijke proef over de theoretische kennis van de verkeersveiligheid.

De lesuren die de door in het eerste lid bepaalde instructeurs in een erkende rijschool gegeven werden, komen in aanmerking voor de duur van de stage en het aantal lesuren die in artikel 33, § 1, bepaald worden.

De instructietoelating wordt toegekend zodra de voorwaarden van artikel 12, § 1, behalve 5° en 6°, vervuld zijn. De aanvrager moet houder zijn van een door een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, dat minstens geldig is voor het besturen van een voertuig van de categorie B of van een evenwaardige categorie, en de personen die praktisch onderricht geven, moeten houder zijn van een door een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, geldig voor de categorie of subcategorie van voertuigen waarvoor zij onderricht verstrekken. § 2. De houders van een brevet II, III of IV dat op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit niet gehomologeerd is, verkrijgen op schriftelijk verzoek gericht aan de Minister of zijn gemachtigde de instructietoelating, indien zij binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de aflevering van hun brevet aan de Minister of zijn gemachtigde een stageattest voorleggen.

De instructietoelating wordt gegeven, zodra de vervulde stage minstens : - zestig uur bedraagt voor de kandidaten voor het brevet III of IV, - tweehonderd uur bedraagt voor de kandidaten voor het brevet II. De houders van een brevet I dat op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit niet gehomologeerd is, verkrijgen op schriftelijk verzoek gericht aan de Minister of zijn gemachtigde binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de aflevering van hun brevet de directietoelating zonder een stage te moeten vervullen De toelating wordt toegekend, zodra de voorwaarden van artikel 12, § 1, behalve 5° en 6°, vervuld zijn. De aanvrager moet houder zijn van een door een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, dat minstens geldig is voor het besturen van een voertuig van categorie B of van een evenwaardige categorie, en de personen die praktisch onderricht geven, moeten houder zijn van een door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, geldig voor de categorie of subcategorie van voertuigen, waarvoor zij het onderricht verstrekken. § 3. De houders van het brevet II dat vóór de inwerkingtreding van dit besluit gehomologeerd werd, krijgen op schriftelijk verzoek gericht aan de Minister of zijn gemachtigde, het brevet V binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit.

Bij deze aanvraag moet een verklaring op erewoord gevoegd worden dat zij reeds voor één of meerdere door het brevet V beoogde categorieën les gegeven hebben.

De instructietoelating wordt toegekend zodra de voorwaarden van artikel 12, § 1, behalve 5° en 6°, vervuld zijn. De aanvrager moet houder zijn van een door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, geldig voor de categorie of subcategorie van voertuigen, waarvoor hij het onderricht verstrekt. § 4. De houders van een brevet dat op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit gehomologeerd werd, moeten hun instructie- of directietoelating overeenkomstig artikel 12, § 2, binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit op hun rijbewijs laten vermelden.

Daartoe dienen ze bij de Minister of zijn gemachtigde een schriftelijke aanvraag in.

De toelating wordt toegekend zodra de voorwaarden van artikel 12, § 1, behalve 5° en 6°, vervuld zijn. De aanvrager moet houder zijn van een door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, dat minstens geldig is voor het besturen van een voertuig van categorie B of van een evenwaardige categorie, en de personen die praktisch onderricht geven, moeten houder zijn van een door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, geldig voor de categorie of subcategorie van voertuigen, waarvoor zij het onderricht verstrekken. § 5. Tot 30 maart 2005 gaan de examens voor het behalen van de brevetten van beroepsbekwaamheid over de in bijlage 3 bepaalde leerstof. § 6. De leden van examencommissie die voor de inwerkingtreding van dit besluit benoemd zijn, blijven in functie gedurende een periode die eindigt twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, tenzij ze voor die datum al 70 jaar werden. § 7. Alle in dit koninklijk besluit vermelde bedragen worden elk jaar aangepast, rekening houdend met de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen dat daartoe berekend en benoemd wordt van de maand februari van elk jaar, zoals voorzien in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's landsconcurrentievermogen.

Het aanvangsindexcijfer is dat van de maand februari 2004 (113,74).

Elke verhoging of verlaging van het indexcijfer brengt een verhoging of verlaging van de bedragen met zich mee, overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer. Het resultaat wordt afgerond tot de hogere euro.

De nieuwe bedragen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Zij worden van kracht vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun aanpassing.

Art. 49.Dit besluit treedt in werking 6 maand na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.

Art. 50.Onze Minister van Mobiliteit is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 11 mei 2004.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit, B. ANCIAUX

Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen Uitrusting voor de manoeuvres op het oefenterrein Het oefenterrein moet een stevige en stabiele bedekking hebben, die aangepast is aan de voertuigen waarvoor het erkend is. Het moet vrij zijn van steenslag, bladeren en elk ander materiaal dat ongevallen zou kunnen veroorzaken. Het moet uitgerust zijn met een brandblusser van minstens vijf kilogram, met een olie opslorpende stof en met een EHBO-tas. Worden aanvaard als oefenterreinen : openbare of privé-terreinen met inbegrip van parkings (station, supermarkten,...), hetzij gratis of tegen betaling, of de school er nu eigenaar van is of niet.

De voorwaarden voor de goedkeuring van het oefenterrein staan in artikel 8 van het bovenvermeld koninklijk besluit.

Volgens de onderrichtcategorie waarvoor het erkend is, moet het de volgende uitrustingen hebben : Onderrichtcategorie A : - Radio-inrichting voor elk lesvoertuig - Kegels - Plank - Chronometer - Telefoontoestel of GSM - Afmetingen overeenkomstig de uitvoering in alle veiligheid van de bewegingen bedoeld in punt 6 van bijlage 2 van de Europese richtlijn 2000/56/EU Onderrichtcategorie B : - Bakens Kegels - Boordstenen Onderrichtcategorie C - D : - Bakens - Boordstenen - Kaai Onderrichtcategorie E : - Boordstenen van 15 cm hoog en minstens 30 m lang - Bakens en verhogingen - Ononderbroken witte lijn van 50 m.

Indien de lessen na zonsondergang worden verstrekt dient het terrein te zijn uitgerust met een goed werkende vaste lichtinstallatie die toelaat de manoeuvres in alle veiligheid uit te voeren.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit, B. ANCIAUX

Bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen I. Inhoud van de schriftelijke en de mondelinge proef 1. Inhoud van de schriftelijke en de mondelinge proef voor het brevet I : 1.1. Dit besluit en de ministeriële omzendbrieven in verband daarmee; 1.2. Het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en de ministeriële omzendbrieven in verband daarmee; 1.3. Algemene kennis van het bedrijfsbeheer in verband met het beleid en het beheer van rijscholen. 2. Inhoud van de schriftelijke en de mondelinge proef voor het brevet II : 2.1. Theoretische kennis van de verkeersveiligheid : 2.1.1. Wettelijke en reglementaire bepalingen voor het wegverkeer : - wet betreffende de politie op het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 - koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie op het wegverkeer en aan het gebruik van de openbare weg 2.1.2. De bestuurder : - het belang van oplettendheid en van de houding ten opzichte van medeweggebruikers, - waarneming, beoordeling en reactie, met name reactietijd, en gedragsveranderingen bij de bestuurder tengevolge van alcohol, drugs en geneesmiddelen, gemoedsgesteldheid en vermoeidheid, - medische criteria die in bijlage 6 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaald zijn. 2.1.3. De weg : - de belangrijkste richtlijnen voor het bewaren van afstand, remweg en wegligging van het voertuig in uiteenlopende weg- en weersomstandigheden, - verkeersrisico's in verband met de wegomstandigheden, in het bijzonder veranderingen tengevolge van de weerstoestand en het tijdstip van de dag of de nacht; - kenmerken van de verschillende soorten wegen en daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften. 2.1.4. De medeweggebruikers : - specifieke risico's in verband met de onervarenheid van medeweggebruikers en de deelneming aan het verkeer van de meest kwetsbare categorieën, zoals kinderen, voetgangers, fietsers en personen die in hun mobiliteit beperkt zijn; - risico's in verband met de deelneming aan het verkeer en het besturen van diverse typen voertuigen en in verband met het verschillende gezichtsveld van de bestuurders van deze voertuigen. 2.1.5. Algemene voorschriften en diversen : - voorschriften voor de administratieve bescheiden in verband met het gebruik van het voertuig; - algemene regels voor de door de bestuurder te volgen gedragslijn bij ongevallen (plaatsen van de gevarendriehoek, waarschuwen, enz.) en maatregelen die hij zo nodig kan nemen om hulp te verlenen aan verkeersslachtoffers; - veiligheidseisen voor de lading van het voertuig en de passagiers. 2.1.6. Voorzorgsmaatregelen bij het verlaten van het voertuig. 2.1.7. Veiligheidsinrichtingen van de voertuigen, met name het gebruik van veiligheidsgordels, hoofdsteunen en veiligheidsvoorzieningen voor kinderen. 2.1.8. Regels voor het milieuvriendelijke gebruik van het voertuig (alleen claxonneren indien nodig, matig brandstofgebruik, beperking van uitlaatgassen, enz.). 2.2. Automechaniek, -techniek en -elektriciteit : de kandidaten moeten in staat zijn de meest voorkomende defecten te ontdekken, in het bijzonder aan de stuurinrichting, de wielophanging, de remmen, de banden, de verlichting en richtingaanwijzers, de reflectoren, de achteruitkijkspiegels, de voorruit en ruitenwissers, het uitlaatsysteem, de veiligheidsgordels en de claxon. 3. Inhoud van de schriftelijke en mondelinge proef voor het brevet III : De in punten 2, 4 en 5 bepaalde leerstof; 4. Inhoud van de schriftelijke en mondelinge proef voor het brevet IV : 4.1. De in punt 2.1. bepaalde leerstof; 4.2. Algemene kennis van : 4.2.1. het gebruik van beschermende uitrusting, zoals handschoenen, schoeisel, kleding en helm; 4.2.2. zichtbaarheid van motorrijders voor medeweggebruikers; 4.2.3. specifieke risico's in verband met uiteenlopende wegomstandigheden, met bijzondere aandacht voor gladde delen als putdeksels, wegmarkeringen zoals strepen en pijlen, tramrails; 4.3. mechanica, techniek en elektriciteit met betrekking tot de veiligheid van het motorrijden, met bijzondere aandacht voor de noodstopschakelaar, het oliepeil, de ketting, de cardanas en de drijfriemen. 5. Inhoud van de schriftelijke en mondelinge proef voor het brevet V : 5.1. De in punt 2.1. bepaalde leerstof; 5.2. Algemene kennis van : 5.2.1. de voorschriften inzake rij- en rusttijden zoals beschreven in Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad; het gebruik van controleapparatuur zoals beschreven in verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad; 5.2.2. de voorschriften inzake het type vervoer : goederen of personen; 5.2.3. de voertuig- en vervoersdocumenten die zijn vereist voor nationaal en internationaal vervoer van goederen en personen; 5.2.4. de maatregelen bij ongevallen; kennis van de maatregelen die moeten worden genomen na een ongeval of een vergelijkbare gebeurtenis, met inbegrip van noodmaatregelen zoals de evacuatie van passagiers en de grondbeginselen van eerste hulp; 5.2.5. de voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen bij de afname en het verwisselen van wielen; 5.2.6. de voorschriften inzake gewichten en afmetingen; voorschriften inzake snelheidsbegrenzers; 5.2.7. de beperking van het gezichtsveld voor de bestuurder en de overige weggebruikers die door de kenmerken van het voertuig wordt veroorzaakt; 5.2.8. het lezen van een wegenkaart, de routeplanner, inclusief het gebruik van elektronische navigatiesystemen (optioneel); 5.2.9. de veiligheidseisen bij het laden van het voertuig : het beheersen van de lading (laden en vastzetten), problemen met verschillende soorten lading (bijvoorbeeld vloeistoffen, hangende lading, enz.), het laden en lossen van goederen en het gebruik van laadapparatuur (alleen categorieën C, C+E, C1, C1+E); 5.2.10.de verantwoordelijkheid van de bestuurder met betrekking tot het vervoer van passagiers; comfort en de veiligheid van passagiers; vervoer van kinderen; nodige controles vóór het wegrijden; in het theoretische examen moeten de verschillende soorten bussen aan bod komen; 5.2.11.de verantwoordelijkheid van de bestuurder voor de ontvangst, het vervoer en de aflevering van goederen volgens afspraak (alleen categorieën C, C+E). 5.3. Mechanica, techniek en elektriciteit voor de categorieën en subcategorieën B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D en D+E : 5.3.1. de principes van de constructie en de werking van de volgende onderdelen : verbrandingsmotoren, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof), het brandstofsysteem, het elektrische systeem, de ontsteking, het transmissiesysteem (koppeling, versnellingsbak, enz.); 5.3.2. smering en antivriesbescherming; 5.3.3. de principes van de constructie, montage, correct gebruik en onderhoud van banden; 5.3.4. de principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van reminrichtingen en snelheidsbegrenzers; 5.3.5. de principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van het koppelmechanisme (alleen categorieën C+E, D+E); 5.3.6. methoden voor het opsporen van oorzaken van defecten; 5.3.7. preventief onderhoud van voertuigen en noodzakelijke lopende reparaties.

II. 1. Inhoud van de modelles voor het brevet II : De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze de volgende leerstof aan de kandidaat-bestuurders kunnen onderwijzen : 1.1. Rijklaar maken en technische controle van het voertuig in verband met de verkeersveiligheid : 1.1.1. zo nodig de zitplaats van de bestuurder bijstellen voor een juiste zithouding; 1.1.2. zo nodig de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordels en hoofdsteunen bijstellen; 1.1.3. controleren of de portieren goed gesloten zijn; 1.1.4. steekproefsgewijze controle van banden, stuurinrichting, remmen, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof), verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers en claxon; 1.2. Bijzondere verrichtingen in verband met de verkeersveiligheid moeten worden getest : 1.2.1. in rechte lijn achteruitrijden of achteruitrijdend rechts of links een bocht omgaan en daarbij op de juiste rijstrook blijven; 1.2.2. keren met voor- en achteruitschakeling; 1.2.3. parkeren op en verlaten van een (evenwijdige, schuine of loodrechte) parkeerruimte, vooruit en achteruit, zowel op een vlakke weg als op een stijgende of dalende weg; 1.2.4. remmen tot stilstand; een noodstop is optioneel. 1.3. Rijgedrag : 1.3.1. wegrijden : na parkeren, na een stop in het verkeer, na verlaten van een oprit; 1.3.2. rijden op rechte wegen; tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen; 1.3.3. rijden door bochten; 1.3.4. kruispunten : naderen en oversteken van kruispunten en overwegen; 1.3.5. veranderen van richting : naar links en rechts; veranderen van rijstrook; 1.3.6. oprijden/verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen (indien aanwezig) : invoegen vanaf de invoegstrook; uitvoegen op de uitvoegstrook; 1.3.7. inhalen/passeren : inhalen van ander verkeer (indien mogelijk); obstakels zoals geparkeerde auto's voorbijrijden; ingehaald worden (in voorkomend geval); 1.3.8. speciale verkeerselementen (indien aanwezig) : rotondes; gelijkvloerse spoorwegovergangen, tram-/ bushaltes; voetgangersoversteekplaatsen; stijgende/dalende weg over een lange afstand; 1.3.9. de nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het uitstappen uit het voertuig. 1.4. De oefening op het privé-terrein en op de openbare weg zal geschieden met een lesvoertuig, reglementair in orde en behorende tot de categorie B. De duur van de proef, de evaluatie inbegrepen, bedraagt maximaal 25 minuten. 2. Inhoud van de modelles voor het brevet III : De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze de leerstof onder punt I, met uitzondering van I.1 en I. 2, aan de kandidaat-bestuurders kunnen onderwijzen. 3. Inhoud van de modelles voor het brevet IV : De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze de volgende leerstof aan de kandidaat-bestuurders kunnen onderwijzen : 3.1 Rijklaar maken en technische controle van het voertuig in verband met de verkeersveiligheid.

De kandidaten moeten aantonen dat zij goed voorbereid het voertuig veilig rijklaar kunnen maken door aan de volgende eisen te voldoen : 3.1.1. correct dragen van beschermende uitrusting, zoals handschoenen, schoeisel, kleding en helm; 3.1.2. steekproefsgewijze controle van banden, remmen, stuurinrichting, noodstopschakelaar (indien aanwezig), ketting, oliepeil, verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers en claxon. 3.2. Bijzondere verrichtingen in verband met de verkeersveiligheid 3.2.1. motorfiets op de standaard plaatsen, er vanaf halen en zonder hulp van de motor het rijwiel verplaatsen door ernaast te lopen; 3.2.2. motorfiets op de standaard plaatsen; 3.2.3. de examenjury bepaalt de uit te voeren verrichtingen uit de volgende oefeningen : 3.2.3.1. oefening bij een lage snelheid, waaronder een slalom ter beoordeling van de bediening van de koppeling in combinatie met de rem, balans, kijkrichting en de houding op het motorrijwiel, en de positie van de voeten op de voetsteunen; 3.2.3.2. oefening bij een hogere snelheid, waaronder één verrichting in tweede of derde versnelling, minimaal 30 km per uur, en één verrichting voor het ontwijken van obstakels bij een snelheid van minimaal 50 km per uur, ter beoordeling van de houding op de motorfiets, kijkrichting, balans, stuurtechniek en schakeltechniek; 3.2.3.3. remoefening, een noodstop bij een snelheid van minimaal 50 km per uur, ter beoordeling van de bediening van de voor- en achterrem, kijkrichting en de houding op de motorfiets. 3.3. Rijgedrag De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze in normale verkeerssituaties veilig en met de vereiste voorzichtigheid de volgende handelingen kunnen uitvoeren : 3.3.1. wegrijden : na parkeren, na een stop in het verkeer, na het verlaten van een oprit; 3.3.2. rijden op rechte wegen; voertuigen kruisen, ook bij wegversmallingen; 3.3.3. rijden door bochten; 3.3.4. kruispunten : naderen en oversteken van kruispunten en overwegen; 3.3.5. veranderen van richting : naar links en rechts; veranderen van rijstrook; 3.3.6. oprijden /verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen (indien aanwezig) : invoegen vanaf de invoegstrook; uitvoegen op de uitvoegstrook; 3.3.7. inhalen /kruisen : inhalen van ander voertuigen (indien mogelijk); obstakels voorbijrijden, bijvoorbeeld geparkeerde auto's; ingehaald worden (indien mogelijk); 3.3.8. speciale verkeerselementen (indien aanwezig) : rotondes; gelijkvloerse spoorwegovergangen, tram-/ bushaltes; voetgangersoversteekplaatsen; stijgende/dalende weg over een lange afstand; 3.3.9. de nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het afstappen van het voertuig. 4. De oefening op de openbare weg moet geschieden met een leerling op de motorfiets gevolgd door de kandidaat-lesgever in een personenwagen in aanwezigheid van de jury.Via een radioverbinding geeft de lesgever passende rij-instructies aan de leerling op de motorfiets. De duur van de proef, evaluatie inbegrepen, bedraagt maximaal 25 minuten. 4. Inhoud van de modelles voor het verkrijgen van het brevet V : De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze de volgende leerstof aan de kandidaat-bestuurders kunnen onderwijzen : 4.1. Rijklaar maken en technische controle van het voertuig in verband met de verkeersveiligheid De kandidaten moeten het bewijs leveren dat zij zich op veilig rijden kunnen voorbereiden door aan de onderstaande eisen te voldoen : 4.1.1. de zitplaats van de bestuurder zo nodig bijstellen voor een juiste zithouding; 4.1.2. zo nodig bijstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun; 4.1.3. steekproefsgewijze controle van banden, remmen, stuurinrichting, verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers en claxon; 4.1.4. controle van de rem- en stuurbekrachtiging; controle van de wielen, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof en ruitensproeiervloeistof); controle en gebruik van alle onderdelen op het instrumentenbord, inclusief de in Verordening (EEG) nr. 3821/85 bepaalde controleapparatuur; 4.1.5. controle van de luchtdruk, luchttanks en de wielophanging; 4.1.6. controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, laadmechanisme (indien aanwezig), cabineslot (indien aanwezig), manier van laden, vastzetten lading (alleen categorieën C, C+E, C1, C1+E); 4.1.7. controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen (alleen categorieën C+E, C1+E, D+E, D1+E); 4.1.8. in staat zijn bijzondere maatregelen te treffen voor de veiligheid van het voertuig; controle van carrosserie, bedrijfsdeuren, nooduitgangen, EHBO-benodigdheden, brandblussers en andere veiligheidsvoorzieningen (alleen categorieën D, D+E, D1, D1+E); 4.1.9. lezen van een wegenkaart (optioneel). 4.2. Bijzondere verrichtingen in verband met de verkeersveiligheid : 4.2.1. koppelen en loskoppelen van een aanhangwagen of oplegger aan /van een trekkend motorvoertuig; aan het begin van deze verrichting moeten het voertuig en de aanhangwagen of oplegger naast elkaar staan (dus niet in elkaars verlengde) (alleen categorieën C+E, C1+E, D+E, D1+E); 4.2.2. achteruitrijdend een bocht maken; 4.2.3. veilig parkeren voor laden/lossen bij een laadvloer /laadhelling of soortgelijke inrichting (alleen categorieën C, C+E, C1, C1+E); 4.2.4. parkeren om passagiers veilig in of uit de autobus te laten stappen (alleen categorieën D, D+E, D1, D1+E). 4.3. De proef moet op het privé-terrein van een examencentrum plaatsvinden met een lesvoertuig behorende tot de categorieën C+E of D+E teneinde er de verrichtingen uit voeren. Voor het gedeelte op de openbare weg heeft de kandidaat een geldig rijbewijs C+E of D+E nodig.

De houders van een geldig brevet II zijn vrijgesteld van het gedeelte openbare weg.

De kandidaat zal zich aanmelden voor het examen « modelles » met een reglementair lesvoertuig behorende tot de categorieën C+E of D+E. De duur van een examen dat op de openbare weg dient afgelegd, evaluatie inbegrepen bedraagt maximaal 25 minuten.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen ALBERT Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit, B. ANCIAUX

Bijlage 3 bij het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen 1. Het examen om het brevet I te halen bestaat uit een schriftelijke en een mondelinge proef over de volgende leerstof : 1° dit besluit en de ministeriële omzendbrieven in verband daarmee;2° het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en de ministeriële omzendbrieven in verband daarmee;3° algemene kennis van het bedrijfsbeheer in verband met het beheer en de leiding van rijscholen.2. Het examen om het brevet II te halen bestaat uit : 1° een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende leerstof : a) theoretische kennis van de verkeersveiligheid (wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende politie op het wegverkeer);b) voertuigmechanica, - techniek en - elektriciteit;2° een modelrijles op een van het verkeer gescheiden terrein en op de openbare weg, met ondervraging over de bij die les toegepaste onderwijsmethode;3° een behendigheidsproef op een van het verkeer gescheiden terrein.3. Het examen om het brevet III te halen bestaat uit : een schriftelijke en een mondelinge proef over de volgende leerstof : 1° een schriftelijke en mondelinge proef over de theoretische kennis van de verkeersveiligheid (wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende politie op het wegverkeer);2° een modelles theorie en ondervraging over de bij die les toegepaste onderwijsmethode;3° voertuigmechanica, - techniek en - elektriciteit.4. Het examen om het brevet IV te halen bestaat uit : een schriftelijke en een mondelinge proef over de volgende leerstof : 1° een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende leerstof : a) theoretische kennis van de verkeersveiligheid (wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende politie op het wegverkeer);b) motormechanica, - techniek en - elektriciteit;2° een behendigheidsproef op een van het verkeer gescheiden terrein;3° een modelrijles op een van het verkeer gescheiden terrein en op de openbare weg en ondervraging over de bij die les toegepaste onderwijsmethode;5. Het examen om het brevet V te halen bestaat uit : 1° een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende leerstof : a) theoretische kennis van de verkeersveiligheid (wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende politie op het wegverkeer);b) mechanica, techniek en elektriciteit van de voertuigen van de categorieën C en D en van hun aanhangwagens;2° een behendigheidsproef op een van het verkeer gescheiden terrein. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit, B. ANCIAUX

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^