Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 11 september 2003
gepubliceerd op 18 november 2003

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 mei 2002, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer, betreffende het reglement op de arbeidsduur van het rijdend personeel van de ondernemingen van openbare autobusdiensten die werken in opdracht van de "Vlaamse Vervoermaatschappij"

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2003012727
pub.
18/11/2003
prom.
11/09/2003
ELI
eli/besluit/2003/09/11/2003012727/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

11 SEPTEMBER 2003. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 mei 2002, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer, betreffende het reglement op de arbeidsduur van het rijdend personeel van de ondernemingen van openbare autobusdiensten die werken in opdracht van de "Vlaamse Vervoermaatschappij" (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor het vervoer;

Op de voordracht van Onze Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 28 mei 2002, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer, betreffende het reglement op de arbeidsduur van het rijdend personeel van de ondernemingen van openbare autobusdiensten die werken in opdracht van de "Vlaamse Vervoermaatschappij".

Art. 2.Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Athene, 11 september 2003.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, F. VANDENBROUCKE _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor het vervoer Collectieve arbeidsovereenkomst van 28 mei 2002 Reglement op de arbeidsduur van het rijdend personeel van de ondernemingen van openbare autobusdiensten die werken in opdracht van de "Vlaamse Vervoermaatschappij" (Overeenkomst geregistreerd op 15 juli 2002 onder het nummer 63375/CO/140.01) HOOFDSTUK I. - Bepalingen

Artikel 1.Voor de toepassing van dit reglement : 1. wordt "het geregeld vervoer" gedefinieerd zoals in artikel 2, 1°, van het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg en tot oprichting van de Mobiliteitsraad van Vlaanderen;2. is de "dagelijkse diensttijd" of "amplitude" de periode begrepen tussen 2 dagelijkse rusttijden en tussen een dagelijkse en een wekelijkse rusttijd;3. is het "stationnement", de tijd van stilstand op de lijn;4. is de "onderbreking", de tijd van stilstand op de stelplaats van vertrek, die in de diensttijd is begrepen;5. zijn de "onvoorziene prestaties" elke effectieve arbeid die complementair is ten opzichte van de op de diensttabel voorziene dagprestatie waarvan de werkman niet de dag tevoren werd verwittigd;6. is de "dagprestatie" de totale arbeidstijd geleverd binnen de dagelijkse diensttijd;7. is de "wekelijkse diensttijd", het geheel van over een kalenderweek verdeelde diensttijden;8. is de "dagelijkse rusttijd", de periode gelegen tussen twee diensttijden, waarover de werkman vrij mag beschikken.Wordt onder rusttijd begrepen : a) de nodige tijd om zich te kleden en te wassen vóór en na de arbeid;b) de nodige tijd om de afstanden van de woon- of verblijfplaats naar de stelplaats van vertrek en omgekeerd af te leggen;9. is de "rustdag" die waarin er van 2 uur tot 24 uur niet wordt gewerkt;10. is de "administratieve tijd", de tijd besteed aan het vervullen van de opgelegde werkzaamheden bij aanvang en einde van de prestaties. HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied

Art. 2.§ 1. Dit reglement is van toepassing op de werkgevers behorend tot de subsector van de openbare autobusdiensten die ressorteren onder het Paritair Comité voor het vervoer en die werken in opdracht van de "Vlaamse Vervoermaatschappij (VVM)" alsook op hun werklieden behorend tot de categorie van het rijdend personeel. § 2. Onder "werklieden" wordt verstaan : de werklieden en werksters.

Art. 3.De werklieden van de ondernemingen die een bijzondere vorm van geregeld vervoer en/of ongeregeld vervoer uitbaten, zijn aan dit reglement onderworpen, wanneer zij gedurende eenzelfde diensttijd eveneens geregeld vervoer verrichten. HOOFDSTUK III. - Dienst- en arbeidstijd

Art. 4.De diensttijd bedraagt twaalf uur per dag. Ingeval van overschrijding wordt 25 pct. van de overschrijding bij de arbeidstijd gevoegd.

De wekelijkse diensttijd mag 70 uur niet overschrijden.

Wanneer elke diensttijd 14 uur omvat, mag de wekelijkse diensttijd niet over meer dan 5 dagen worden verdeeld.

Art. 5.Indien in de loop van eenzelfde diensttijd, de werkman slechts op zijn stelplaats van vertrek terugkeert op het einde van zijn dienst en er een stationnement is van minstens vier opeenvolgende uren, worden twee van deze uren niet in de berekening van de diensttijd begrepen.

Indien er in de loop van eenzelfde diensttijd een onderbreking tussenkomt van minstens vier opeenvolgende uren, worden zestig minuten van deze periode niet in de berekening van de diensttijd begrepen.

De bepalingen van vorig lid mogen slechts worden toegepast mits goedkeuring van het paritair comité.

Het verzoek om goedkeuring moet worden ingediend binnen de 14 dagen volgend op de datum waarop de "Vlaamse Vervoermaatschappij (VVM)" aan de exploitant van de wijziging kennis geeft van de uurregeling die een overschrijding van de amplitude vergt.

Art. 6.In de bij artikel 5, 1e of 2e lid bedoelde gevallen, mag de diensttijd van de week in de loop waarvan deze bepalingen worden toegepast, of van de week die op deze laatste volgt, over niet meer dan vijf dagen worden verdeeld.

Art. 7.Voor de berekening van de arbeidstijd worden niet als tijd aangezien gedurende dewelke de werklieden ter beschikking staan van de werkgever : 1. de stationnementen;2. de onderbrekingen. Nochtans worden 15 minuten per stationnement, namelijk 5 minuten na aankomst en 10 minuten vóór vertrek, beschouwd als arbeidstijd, in zover de werkman tijdens het stationnement niet tot effectieve arbeidsprestaties van langere duur is verplicht.

Art. 8.De administratieve tijd bedraagt : 1. 5 minuten bij aanvang van de prestatie;2. 10 minuten op het einde van de prestatie. Deze administratieve tijd wordt beschouwd als arbeidstijd. HOOFDSTUK IV. - Rust

Art. 9.De werkman heeft recht op een ononderbroken rust van minstens tien uur tussen twee dagelijkse diensttijden.

Art. 10.De dagelijkse rusttijd mag om de twee dagen tot acht uur worden verkort, indien het begin en het einde van de diensttijd van eenzelfde werkman niet iedere dag hetzelfde kenmerk hebben, op voorwaarde dat de gemiddelde duur van de dagelijkse rusttijd over twee weken, voor deze werkman niet lager dan tien uur is.

De rusttijd wordt eveneens tot acht uren verkort wanneer de werkman in de loop van eenzelfde diensttijd slechts naar zijn vertrekstelplaats terugkeert op het einde van zijn dienst tijdens welke een stationnement van minstens vier opeenvolgende uren voorkwam waarvan twee uren niet in de berekening van de diensttijd begrepen zijn.

Hetzelfde geldt wanneer er in de loop van eenzelfde diensttijd een onderbreking van minstens vier opeenvolgende uren tussenkomt waarvan zestig minuten niet in de berekening van de diensttijd zijn begrepen.

Art. 11.De werkman heeft eens per kalenderweek recht op minstens dertig opeenvolgende uren rust.

Deze wekelijkse rust bedraagt zesendertig opeenvolgende uren wanneer één van de in artikel 5 door dit reglement voorziene gevallen zich voordoet op de dag die de wekelijkse rust voorafgaat. Wanneer de rusttijd na negentien uur en vóór twee uur aanvangt, bedraagt de wekelijkse rusttijd eveneens zesendertig uur.

Art. 12.Daar de exploitanten van de "Vlaamse Vervoermaatschappij (VVM)" een openbare dienst van doorlopende aard verzekeren, kan op alle dagen gewerkt worden, ook op zaterdag, zon- en feestdagen.

Het activiteitsschema van de onderneming moet zodanig worden opgesteld dat de werkman per jaar van 104 rustdagen en 10 wettelijke feestdagen geniet. HOOFDSTUK V. - Lonen en premies

Art. 13.De arbeidstijd wordt bezoldigd tegen het door het Paritair Comité voor het vervoer vastgesteld uurloon.

Art. 14.Per stationnement wordt de volgende vergoeding betaald, evenwel rekening houdend met de reële stationnementsduur : 1. 15 minuten als arbeidstijd, zoals vermeld in artikel 7, 2e lid van dit reglement;2. een premie gelijk aan 100 pct.van het uurloon voor de eerstvolgende 30 minuten; 3. een premie gelijk aan 50 pct.van het uurloon voor de overige tijd.

Art. 15.De onderbrekingen worden als volgt vergoed : 1. de eerste onderbreking van de dag die maximum 60 minuten duurt, wordt vergoed met een premie gelijk aan 100 pct.van het uurloon voor de reële duur van de onderbreking; 2. de eerste onderbreking van de dag die meer dan 60 minuten duurt, wordt vergoed met een premie van 1,54 EUR.Deze premie is gebonden aan de evolutie van het gezondheidsindexcijfer volgens hetzelfde indexeringsmechanisme voorzien voor de uurlonen; 3. de tweede en volgende onderbreking van de dag wordt vergoed met een premie gelijk aan 100 pct.van het uurloon voor de reële duur van de onderbreking met een maximum van 60 minuten.

Art. 16.Er wordt per periode van twee weken aan de voltijdse werkman een loon gewaarborgd overeenstemmend met 74 uur en berekend op grond van de loonschaal die door het Paritair Comité voor het Vervoer is vastgesteld. HOOFDSTUK VI. - Overloon - overwerk

Art. 17.De onvoorziene prestaties geven aanleiding tot betaling van een bijkomende uurvergoeding gelijk aan 25 pct. van het uurloon.

Art. 18.Wordt voor de berekening van het overloon als overwerk beschouwd de arbeidstijd die tien uur per dag, vijftig uur per week of een gemiddelde van 37 uur per week berekend over een periode van een trimester overschrijdt.

Dit overwerk wordt vergoed met een toeslag zoals bepaald in artikel 29 van de wet van 16 maart 1971 (Belgisch Staatsblad van 30 maart 1971) (Arbeidswet).

Daarnaast worden de volgende toeslagen voor overwerk betaald : 1. toeslag van 50 pct.voor overwerk voor arbeid verricht boven de op de diensttabel voorziene dagprestatie; 2. toeslag van 100 pct.voor overwerk voor arbeid verricht op rustdagen en voor arbeid verricht op compensatiedagen voor rustdagen. HOOFDSTUK VII. - Ondernemingsovereenkomsten

Art. 19.De bepalingen van het huidige reglement doen geen afbreuk aan bepalingen van meer gunstige overeenkomsten op ondernemingsvlak afgesloten. HOOFDSTUK VIII. - Opheffingsbepaling

Art. 20.Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt, overeenkomstig de bepalingen van artikel 21, voor het rijdend personeel van de ondernemingen van openbare autobusdiensten die werken in opdracht van de "Vlaamse Vervoermaatschappij (VVM)", de collectieve arbeidsovereenkomsten van 22 september 1967 en 31 oktober 1968 betreffende de arbeidsvoorwaarden van sommige categorieën van werklieden, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 september 1969, (Belgisch Staatsblad van 1 november 1969). HOOFDSTUK IX. - Geldigheidsduur

Art. 21.Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003 en is voor onbepaalde duur gesloten.

Zij treedt evenwel in werking op 1 maart 2002 voor het rijdend personeel tewerkgesteld op de nieuwe contracten gegund door de "VVM" krachtens de algemene administratieve bepalingen en voorwaarden tot exploitatie van geregeld vervoer voor rekening van de "VVM", behalve wat betreft die leden van het rijdend personeel die een personeelslid tewerkgesteld op een dergelijk contract, vervangen wegens ziekte, vakantie, e.d.

Deze collectieve arbeidsovereenkomst kan opgezegd worden door iedere ondertekenende partij per aangetekende brief gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het vervoer met een opzeggingstermijn van drie maanden.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 11 september 2003.

De Minister van Werk, F. VANDENBROUCKE

^