Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 12 juli 2009
gepubliceerd op 31 juli 2009

Koninklijk besluit betreffende de intrestbonificatie voor leningovereenkomsten bestemd voor de financiering van energiebesparende uitgaven

bron
federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
numac
2009003261
pub.
31/07/2009
prom.
12/07/2009
ELI
eli/besluit/2009/07/12/2009003261/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

12 JULI 2009. - Koninklijk besluit betreffende de intrestbonificatie voor leningovereenkomsten bestemd voor de financiering van energiebesparende uitgaven


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij de eer hebben aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen strekt ertoe de toepassingsvoorwaarden en -modaliteiten vast te stellen van het eerste lid van artikel 2 van de economische herstelwet van 27 maart 2009 dat een intrestbonificatie invoert voor leningovereenkomsten die natuurlijke personen sluiten voor de financiering van energiebesparende uitgaven. Het zijn inzonderheid de modaliteiten van deze leningovereenkomsten en de toekenning van de intrestbonificatie die het besluit wil bepalen. De rechtsgrond van het besluit wordt gevormd door het tweede lid van datzelfde artikel 2.

Er is rekening gehouden met het advies van de Raad van State, tenzij hierna is uitgelegd waarom dit advies niet is gevolgd. 1. Het ontworpen artikel 1 bevat een aantal definities.De definitie van leningovereenkomst (het ontworpen artikel 1, 3°) dient nader te worden toegelicht. Uiteraard wordt er met leningovereenkomst de leningovereenkomst waarvan sprake in artikel 2, eerste lid van de economische herstelwet van 27 maart 2009 bedoeld. Er wordt echter ook verduidelijkt dat deze leningovereenkomst de vorm dient aan te nemen : - hetzij, als het gaat om een consumentenkrediet, van elke verkoop op afbetaling of elke lening op afbetaling zoals bedoeld in artikel 1, 9° en 11° van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet; dit betekent dat kredietopeningen in het kader van een consumentenkrediet niet worden geviseerd en dit omwille van het feit dat bij deze kredietopeningen wederopnames mogelijk zijn zonder dat dit aanleiding geeft tot het opstellen van een aparte overeenkomst en het bijgevolg ondoenbaar is de evolutie van dergelijke kredietopeningen op te volgen met het oog op de toekenning van een intrestbonificatie; - hetzij van elke overeenkomst in de zin van artikel 2 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecaire krediet; hypothecaire kredietopeningen worden dus wel beoogd vermits hun wederopnames wel het voorwerp zijn van een aparte overeenkomst.

In het ontworpen artikel 1, 4° wordt het begrip kapitaal zoals het in het koninklijk besluit wordt gebruikt, nader omschreven.

Voor leningovereenkomsten andere dan de verkoop op afbetaling is de omschrijving geïnspireerd door artikel 1, 19° van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet en door artikel 4, 3° van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet.

In geval van een verkoop op afbetaling gaat het om alle bedragen die dientengevolge ter beschikking worden gesteld.

Ook het saldo dat verschuldigd blijft verdient nader te worden omschreven (het ontworpen artikel 1, 5°). Er dient met name te worden vermeden dat in geval de kredietnemer zijn lening niet tijdig terugbetaalt of zelfs helemaal niet terugbetaalt, intrestbonificatie zou worden betaald op het volledige bedrag in hoofdsom dat nog verschuldigd is en dat groter is dan aanvankelijk voorzien. Te dien einde is bepaald dat onder het « saldo dat verschuldigd is » dient te worden verstaan het bedrag in hoofdsom dat moet worden gestort voor de terugbetaling van het kapitaal, verminderd met de schuld in hoofdsom die door de kredietnemer niet tijdig is terugbetaald. De niet tijdige terugbetaling wordt beoordeeld telkens op de verjaardag van de eerste terbeschikkingstelling van de gelden aan de kredietnemer. 2. Het ontworpen artikel 2 benadrukt dat het besluit van toepassing is op de leningovereenkomsten die worden gesloten vanaf 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011.3. Het eerste lid van het ontworpen artikel 3 bevat drie voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat de intrestbonificatie mag worden toegekend.De voorwaarde vermeld in de 1° van het eerste lid spreekt voor zich, terwijl de andere enige uitleg behoeven.

Het eerste lid, 3° bepaalt dat de kredietnemer via de kredietgever ten laatste op het ogenblik dat hij de leningovereenkomst ondertekent verzoekt om toekenning van de intrestbonificatie. Het is de bedoeling dat de kredietnemer zich niet persoonlijk tot de dienst bevoegd voor de toekenning en de storting van de intrestbonificatie zal dienen te wenden, maar dat de kredietgever hiervoor als tussenpersoon zal optreden. Om deze rol te kunnen spelen zal deze laatste uiterlijk op het ogenblik van ondertekening van de leningovereenkomst op de hoogte dienen te zijn van de specifieke aard van deze overeenkomst. Het is trouwens ook ten laatste op datzelfde ogenblik dat de kredietnemer die een leningovereenkomst sluit voor zijn woning die hij deels voor zijn beroep en deels voor privé-doeleinden gebruikt, aan de kredietgever zal moeten melden welk gedeelte van het kapitaal wordt ontleend om de uitgaven voor het privé-gedeelte van de woning te financieren.

Immers, wanneer de kredietnemer een leningovereenkomst sluit om bijvoorbeeld de plaatsing van zonnecelpanelen op het dak van zijn woning die hij deels voor zijn beroep en deels voor privé-doeleinden gebruikt, te financieren, zal - net als de belastingvermindering - de intrestbonificatie niet worden toegekend voor gans het kapitaal, maar enkel voor het deel van het kapitaal dat wordt ontleend om de uitgaven voor het privé-gedeelte van de woning te financieren.

Het kapitaal dient minstens 1.250 euro en hoogstens 15.000 euro te bedragen (het ontworpen artikel 3, eerste lid, 2°). Deze regel geldt per woning, per kredietnemer en per kalenderjaar. Zo zal bijvoorbeeld een echtpaar dat samen eigenaar is van twee woningen, per kalenderjaar vier leningovereenkomsten kunnen sluiten en in aanmerking komen voor intrestbonificatie op een kapitaal van maximaal 60.000 euro.

Wat gebeurt er als het totaal van de kapitalen van verschillende leningovereenkomsten die een kredietnemer tijdens eenzelfde kalenderjaar per woning sluit, meer bedraagt dan voormelde maximumgrens van 15.000 euro ? In dat geval bepaalt het ontworpen artikel 3, derde lid dat de intrestbonificatie enkel wordt toegekend voor die leningovereenkomsten, waarvan het totaal van de kapitalen gelijk is aan de maximumgrens van 15.000 euro of deze maximumgrens het dichtst benadert zonder ze evenwel te overschrijden.

Stel dat de kapitalen van 3 leningovereenkomsten die voor werken aan eenzelfde woning op 5 mei, 10 juni en 30 oktober van eenzelfde kalenderjaar gesloten zijn, respectievelijk 6.000 euro, 2.000 euro en 8.000 euro bedragen. In dat geval zal de intrestbonificatie enkel worden toegekend voor de leningovereenkomsten gesloten op 5 mei en 30 oktober. Als de drie leningovereenkomsten worden gesloten bij dezelfde kredietgever, zal deze zelf voor de toepassing van deze regel verantwoordelijk zijn en zal, mocht hij reeds voor de leningovereen-komst van 10 juni de intrestbonificatie hebben ontvangen, deze door de bevoegde dienst op de kredietgever worden verhaald. Als evenwel de leningovereenkomsten van 5 mei en 10 juni gesloten worden bij een eerste kredietgever en deze van 30 oktober bij een tweede kredietgever, dan zal de intrestbonificatie aan beide kredietgevers worden betaald, maar zal de bevoegde dienst de intrestbonificatie voor de leningovereenkomst van 10 juni verhalen op de kredietnemer (zie het ontworpen artikel 6, § 2, derde lid).

In artikel 2, eerste lid van de economische herstelwet van 27 maart 2009 is sprake van een intrestbonificatie van 1,5 pct. Er kan echter niet worden uitgesloten dat de intrest zou dalen onder het niveau van 1,5 pct. Vermits het geenszins de bedoeling kan zijn meer bonificatie toe te kennen dan de werkelijk gedragen intrestlast, wil het tweede lid van het ontworpen artikel 3 de intrestbonificatie verminderen tot de intrestvoet op jaarbasis van de hypothecaire lening of het jaarlijks kostenpercentage van het consumentenkrediet in geval deze intrestvoet of dit jaarlijks kostenpercentage minder dan 1,5 pct bedraagt. 4. Het ontworpen artikel 4 strekt er toe het bewijsstuk vast te stellen dat de kredietnemer aan de kredietgever dient te bezorgen ten einde het voordeel van de intrestbonificatie te kunnen genieten.Zo wordt er een fotokopie gevraagd van de factuur van de energiebesparende werken en van haar bijlage. Op deze factuur of op haar bijlage moeten de gegevens staan waarvan sprake in artikel 6311, § 1 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB1992). Per soort energiebesparende maatregelen dient de overeenkomstig artikel 401 van het voormelde Wetboek geregistreerde aannemer die de bedoelde werken uitvoert een aantal gegevens te bevestigen : voor bijvoorbeeld de isolatie van daken is dat de bevestiging dat het gebruikte isolatiemateriaal een thermische weerstand R heeft die gelijk is aan of groter dan 2,5 vierkante meter Kelvin per watt. Alle verplichte vermeldingen zijn in Bijlage IIbis van het KB/WIB1992 opgenomen.

Het is de kredietgever die dit bewijsstuk zal bezorgen aan de bevoegde dienst die instaat voor de toekenning en storting van de intrestbonificatie zoals in het ontworpen artikel 6 bepaald wordt. 5. Het ontworpen artikel 5 betreft de wijze van berekenen van de intrestbonificatie.Het gaat om een jaarlijkse berekening telkens voor de looptijd van één jaar. Indien de resterende looptijd evenwel minder is dan één jaar, wordt de intrestbonificatie niet berekend over het gehele jaar, maar wordt ze pro rata temporis verminderd : bijvoorbeeld bij een resterende looptijd van 7 maanden, zal er slechts intrestbonificatie worden berekend over die 7 maanden.

De eerste keer zal de intrestbonificatie berekend worden op het volledige kapitaal en de volgende keren op het saldo dat verschuldigd blijft (zie voor de omschrijving van dit begrip hiervoor punt 1) op de verjaardag van het ogenblik dat de gelden de eerste keer ter beschikking van de kredietnemer werden gesteld. 6. De betalingsmodaliteiten van de intrestbonificatie worden bepaald in § 1 van het ontworpen artikel 6.Zoals reeds vermeld in punt 1, is het de kredietgever die zal optreden ten overstaan van de dienst die bevoegd is voor de toekenning en storting van de intrestbonificatie.

De aanvraag tot storting van de intrestbonificatie zal jaarlijks worden ingediend. Bij de eerste aanvraag zal de kredietgever het bewijsstuk bedoeld in het ontworpen artikel 4 voegen. Tevens zal hij de gegevens dienen te vermelden die de bevoegde dienst vraagt en inzonderheid vier gegevens die betrekking hebben op de identiteit van de kredietnemer. Aan de hand van deze laatste gegevens zal de bevoegde dienst onder meer kunnen controleren of het ontworpen artikel 3, derde lid wordt nageleefd.

De bevoegde dienst zal met Febelfin overleg plegen over de technische standaard en andere specificaties waaraan de aanvraag dient te voldoen.

De intrestbonificatie zal voor een bepaalde leningovereenkomst voor de eerste maal aan de kredietgever gestort worden zes maand nadat de bevoegde dienst de aanvraag heeft ontvangen op voorwaarde dat de aanvraag volledig is, dit wil zeggen dat het vereiste bewijsstuk is bezorgd en dit volgens overeengekomen technische standaarden. In het ontworpen artikel 6 dat voor advies aan de Raad van State is voorgelegd, was sprake van een termijn van drie maand in plaats van zes maand, maar was ook uitdrukkelijk bepaald dat de intrestbonificatie zou kunnen worden gestort zonder dat controle van het bewijsstuk diende te zijn uitgevoerd. Om tegemoet te komen aan de opmerking van de Raad van State dat deze controle beter voorafgaat aan de storting van de intrestbonificatie, zijn thans in het ontworpen artikel 6, § 1, derde lid de woorden « zonder dat de in § 2 bedoelde controle dient te zijn voltooid » geschrapt en is wegens organisatorische redenen de termijn voor de storting van de intrestbonificatie van drie maand verhoogd tot zes maand. Daarenboven zal het nodige personeel voor het uitvoeren van deze controle ter beschikking dienen te worden gesteld van de Administratie van de Thesaurie, voor wie deze controle-opdracht volledig nieuw is.

De volgende keren zal voor diezelfde leningovereenkomst de intrestbonificatie één maand na ontvangst van de aanvraag ervan worden gestort. Ook zal de bevoegde dienst in overleg met Febelfin aan de storting nadere modaliteiten kunnen verbinden.

De technische standaarden en modaliteiten inzake de aanvraag en de storting van de intrestbonificatie betreffen louter praktische afspraken omtrent het dagelijks beheer van de dossiers en de aanlevering van de gegevens door de kredietgevers en worden best door de bevoegde dienst in overleg met Febelfin bepaald. De vaststelling van deze technische standaarden en modaliteiten dient dan ook - in tegenstelling tot wat de Raad van State adviseert - niet te worden toevertrouwd aan de Minister van Financiën, die trouwens op basis van het ontworpen artikel 9 samen met de andere bevoegde Ministers belast zal zijn met de uitvoering van dit besluit.

In § 2 van het ontworpen artikel 6 wordt nader ingegaan op de controle van het bewijsstuk en eventuele gevolgen voor kredietnemer en kredietgever naargelang de resultaten van de door de bevoegde dienst uitgevoerde controle.

De bevoegde dienst zal, indien hij dit noodzakelijk acht, aanvullende inlichtingen en stukken kunnen inwinnen met eerbiediging van de bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging opgenomen in artikel 508, § 2 en § 3 van de programmawet van 22 december 2003. Een controle ter plaatse zal kunnen uitgevoerd worden door een door de Minister van Financiën aangeduide dienst. De bedoeling hiervan is de werkelijkheid van de aangegeven energiebesparende werken ter plaatse vast te stellen.

Indien uit de controle blijkt dat de intrestbonificatie niet mocht of niet mag worden toegekend ondanks het feit dat het bewijsstuk voldoet aan de bepalingen van het ontworpen artikel 4, zullen er volgende mogelijkheden zijn : - ofwel is de kredietgever ervan op de hoogte dat de voorwaarden bepaald in de ontworpen artikelen 2 tot 4 niet zijn vervuld. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer éénzelfde kredietgever voor éénzelfde woning in éénzelfde kalenderjaar verscheidene leningovereenkomsten sluit met éénzelfde natuurlijke persoon en deze leningovereenkomsten samen qua kapitaal het maximum toegestaan kapitaal zoals bepaald in het ontworpen artikel 3, eerste lid, 2° overschrijden. Bijgevolg zal de intrestbonificatie voor de leningovereenkomst die volgens het ontworpen artikel 3, derde lid hiervoor niet in aanmerking komt, niet worden toegekend en, mocht ze toch reeds aan de kredietgever zijn gestort, dan zal ze door de bevoegde dienst op hem verhaald worden. - ofwel is de kredietgever er niet van op de hoogte dat de voorwaarden bepaald in de ontworpen artikelen 2 tot 4 niet zijn vervuld en draagt hij hiervoor geen verantwoordelijkheid. De bevoegde dienst zal de intrestbonificatie wel storten aan de kredietgever, doch hij zal ze verhalen op de kredietnemer; hier kan worden verwezen naar het voorbeeld dat is gegeven bij het ontworpen artikel 3, derde lid (zie hiervoor punt 3).

De bevoegde dienst zal, indien ze er niet in slaagt de onverschuldigde intrestbonificatie te recupereren, het dossier bezorgen aan de dienst Invorderingen van de FOD Financiën. 7. Ten einde ook de personen die tussen 1 januari 2009 en de datum van inwerkingtreding van dit besluit een leningovereenkomst aangingen voor de financiering van energiebesparende werken, in aanmerking te laten komen voor de intrestbonificatie, is in het ontworpen artikel 7 hiervoor een overgangsregeling uitgewerkt. Deze overgangsregeling dient strikt geïnterpreteerd te worden.

De kredietnemer zal op voorwaarde dat zijn leningovereenkomst voldoet aan de voorwaarden van de ontworpen artikelen 3 en 4 of binnen een termijn van 3 maand na de inwerkingtreding van dit besluit in orde is gesteld met die voorwaarden en in afwijking van de ontworpen artikelen 3, eerste lid, 3°, en 4, de intrestbonificatie kunnen aanvragen door aan de kredietgever het bewijsstuk bedoeld in het ontworpen artikel 4 te bezorgen uiterlijk binnen een termijn van 3 maand na de inwerkingtreding van dit besluit, zijnde de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch staatsblad (zie het ontworpen artikel 8).

Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer respectvolle en trouwe dienaars, De Minister van Financiën, D. REYNDERS De Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, V. VAN QUICKENBORNE De Minister van Klimaat en Energie belast met Consumentenzaken, P. MAGNETTE De Staatssecretaris voor de Milieufiscaliteit, B. CLERFAYT

ADVIES 46.862/2 VAN 17 JUNI 2009 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 10 juni 2009 door de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën verzocht hem, binnen een termijn van vijf werkdagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « betreffende de intrestbonificatie voor leningovereenkomsten bestemd voor de financiering van energiebesparende uitgaven », heeft het volgende advies gegeven : Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996 en vervangen bij de wet van 2 april 2003, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.

De motivering in de brief luidt aldus : « Compte tenu de l'urgence motivée par le fait qu'il est impératif que les modalités pratiques de ce prêt soient adoptées sans attendre afin d'assurer une plus grande sécurité juridique et que tous les prêts conclus depuis le 1er janvier 2009 sont concernés. »

Aangezien de adviesaanvraag is ingediend op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voormelde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.

Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.

Onderzoek van het ontwerp Dispositief Artikel 1 In 1° moet « kredietnemer » gedefinieerd worden als « de natuurlijke persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de economische herstelwet van 27 maart 2009 », wat overeenstemt met de verwijsmethode gebruikt in 3° en 6°, alsook in artikel 2.

Zo ook moet in 2° « kredietgever » gedefinieerd worden als de kredietgever bedoeld in datzelfde artikel 2, eerste lid, in plaats van, zoals in het ontwerp, op dat punt de definitie uit die wetsbepaling over te nemen. Bepalingen van een hogere regeling mogen immers niet worden herhaald door ze over te nemen of te parafraseren (1).

Artikel 3 Om dezelfde reden als die uiteengezet in de opmerking bij artikel 1, moet de voorwaarde vermeld in 2° worden geschrapt in het eerste lid van dat artikel.

Artikel 2, eerste lid, van de voormelde wet van 27 maart 2009 heeft immers betrekking op de leningovereenkomst « die bestemd is om uitgaven als bedoeld in artikel 14524, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 te financieren » en artikel 6311, § 1, van het KB/WIB 92 bepaalt aan welke voorwaarden de werkzaamheden die verband houden met de uitgaven opgesomd in het eerste lid van dat artikel 14524, § 1, moeten voldoen.

Artikel 6 1. Het derde lid van paragraaf 1 bepaalt inzonderheid het volgende : « De bevoegde dienst stort de intrestbonificatie aan de kredietgever die het bewijsstuk voorlegt, zonder dat de in § 2 bedoelde controle dient te zijn voltooid.De eerste keer wordt de intrestbonificatie binnen drie maand na ontvangst van de volledige aanvraag gestort. » Het eerste lid van de tweede paragraaf bepaalt evenwel het volgende : « De bevoegde dienst controleert aan de hand van dit bewijsstuk of de intrestbonificatie mag worden toegekend. Hij mag aan de kredietnemer en de kredietgever de aanvullende inlichtingen en stukken vragen die hij noodzakelijk acht om zijn controle te kunnen uitvoeren. Hij mag controle laten uitvoeren door een door de Minister van Financiën aangeduide dienst in de woning waar de werken bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2°, zijn uitgevoerd ».

Het is niet duidelijk hoe die aldus in onderling verband gelezen bepalingen toegepast zouden moeten worden. Het is immers niet denkbaar dat de intrestbonificatie de eerste keer binnen drie maanden na ontvangst van de volledige aanvraag gestort zou worden aan « de kredietgever die het bewijsstuk voorlegt, zonder dat de in § 2 bedoelde controle dient te zijn voltooid », en dus zonder dat de bevoegde dienst « controleert aan de hand van dit bewijsstuk of de intrestbonificatie mag worden toegekend ».

De regeling moet dus zo worden herzien dat de termijn van drie maanden waarbinnen de eerste intrestbonificatie gestort moet worden, geen beletsel kan vormen voor de bevoegde dienst om, op grond van redelijke twijfel die kan bestaan, een gepaste voorafgaande controle uit te voeren, zodat de overbodige stappen en ongewisheden van een voorzienbare latere terugvordering overeenkomstig de bepalingen van het tweede en het derde lid van de tweede paragraaf, voorkomen worden. 2. Aangezien het tweede en het vierde lid (2) voorzien in een machtiging voor het uitvaardigen van detailmaatregelen van reglementaire aard, moet deze toevertrouwd worden aan de minister en niet aan het overheidsbestuur. Artikel 7 Dit artikel heeft betrekking op : « (...) leningovereenkomsten die de kredietnemer heeft ondertekend tussen 1 januari 2009 en de datum van inwerkingtreding van dit besluit en die de voorwaarden bepaald in de artikelen 2 tot 4 vervullen of die binnen een termijn van drie maand na de inwerkingtreding van dit besluit in orde gesteld worden met deze voorwaarden. » Het spreekt evenwel vanzelf dat dit « in orde » brengen of deze « mise en conformité » (welke bewoordingen gebruikt worden in punt 7 van de Franse versie van het verslag aan de Koning gevoegd bij het ontwerp) alleen betrekking kan hebben op de vervulling van de voorwaarden ingevoerd bij het ontworpen besluit tot uitvoering van artikel 2 van de voornoemde wet van 27 maart 2009, met uitsluiting van die welke rechtstreeks voortvloeien uit die wet en waarvan de Koning niet mag afwijken.

Artikel 9 De steller van het ontwerp moet nagaan of alle aangelegenheden genoemd in artikel 9 wel die zijn die in de uitvoeringsbepaling moeten worden vermeld.

De kamer was samengesteld uit : de heren : Y. KREINS, kamervoorzitter.

P. VANDERNOOT, Mevr. M. BAGUET, staatsraden.

Mevr. B. VIGNERON, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de H. J.-L. PAQUET, eerste auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de H. P. VANDERNOOT. De Griffier, B. VIGNERON. De Voorzitter, Y. KREINS. Nota's (1) Zie Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, 2008, tab « Wetgevingstechniek », aanbeveling nr.80, www.raadvst-consetat.be (17 juni 2009) : « Bepalingen waarin de tekst van een hogere regeling wordt overgenomen, vertonen drie tekortkomingen : a) ze wekken de indruk dat de steller ervan bevoegd is om de hogere regeling uit te vaardigen of te wijzigen, hoewel hij dat niet is;b) ze kunnen vernietigd worden op grond van de onbevoegdheid van de steller ervan;c) als de hogere regeling wordt gewijzigd maar niet de bepaling waarin de inhoud ervan overgenomen is, dreigt tussen beide bepalingen een contradictie te ontstaan die de lezer zelf zal moeten oplossen door de hogere regeling te laten primeren boven de bepaling van lagere rang die daarmee strijdig is en die moet worden geacht stilzwijgend te zijn opgeheven.» (2) In de Franse versie komt het vierde lid overeen met de laatste zin van het derde lid in de Nederlandse versie van de regeling. 12 JUNI 2009. - Koninklijk besluit betreffende de intrestbonificatie voor leningovereenkomsten bestemd voor de financiering van energiebesparende uitgaven ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de economische herstelwet van 27 maart 2009, artikel 2;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 20 mei 2009;

Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 27 mei 2009;

Gelet op het verzoek tot spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat, enerzijds, artikel 2 van de economische herstelwet van 27 maart 2009 dat een intrestbonificatie invoert voor leningovereenkomsten bestemd voor de financiering van energiebesparende uitgaven, van toepassing is op leningovereenkomsten die gesloten zijn vanaf 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 en tevens krachtens artikel 6 van diezelfde wet uitwerking heeft op 1 januari 2009, en, anderzijds, artikel 4, 5° van diezelfde wet dat een belastingvermindering invoert voor de intresten van dergelijke leningovereenkomsten, van toepassing is op intresten gedragen vanaf 1 januari 2009; dat bijgevolg de toepassingsvoorwaarden en -modaliteiten van deze leningovereenkomsten en de toekenning van de intrestbonificatie onverwijld dienen te worden geregeld;

Gelet op het advies 46.862/2 van de Raad van State, gegeven op 17 juni 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Financiën, de Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, de Minister van Klimaat en Energie belast met consumentenzaken en de Staatssecretaris voor de Milieufiscaliteit en op advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° kredietnemer : natuurlijke persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de economische herstelwet van 27 maart 2009;2° kredietgever : kredietgever bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de economische herstelwet van 27 maart 2009;3° leningovereenkomst : leningovereenkomst bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de economische herstelwet van 27 maart 2009, met inbegrip van elke verkoop op afbetaling en elke lening op afbetaling in de zin van artikel 1, 9° en 11° van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet en elke overeenkomst in de zin van artikel 2 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecaire krediet;4° kapitaal : a) wat betreft een leningovereenkomst andere dan een verkoop op afbetaling in de zin van artikel 1, 9° van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet : schuld in hoofdsom die het voorwerp uitmaakt van de leningovereenkomst;b) wat betreft een verkoop op afbetaling in de zin van artikel 1, 9° van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet : alle bedragen die op grond van de verkoop op afbetaling ter beschikking worden gesteld.5° saldo dat verschuldigd blijft : bedrag in hoofdsom dat moet gestort worden voor de terugbetaling van het kapitaal verminderd met de schuld in hoofdsom die door de kredietnemer niet tijdig is terugbetaald;6° intrestbonificatie : intrestbonificatie bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de economische herstelwet van 27 maart 2009;7° bevoegde dienst : Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën.

Art. 2.Dit besluit is van toepassing op de leningovereenkomsten bedoeld in artikel 2, derde lid, van de economische herstelwet van 27 maart 2009.

Art. 3.De intrestbonificatie wordt toegekend indien de volgende voorwaarden zijn vervuld : 1° de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet of titel I van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet is van toepassing op de leningovereenkomst; 2° het kapitaal bedraagt minstens 1.250 euro en hoogstens 15.000 euro; 3° de kredietnemer verzoekt via de kredietgever ten laatste op het ogenblik dat hij de leningovereenkomst ondertekent om toekenning van de intrestbonificatie. De intrestbonificatie wordt verminderd tot de intrestvoet op jaarbasis van de hypothecaire lening of het jaarlijks kostenpercentage van het consumentenkrediet in geval deze intrestvoet of dit jaarlijks kostenpercentage minder dan 1,5 percent bedraagt.

In geval het totaal van de kapitalen van verschillende leningovereenkomsten die een kredietnemer tijdens eenzelfde kalenderjaar per woning sluit, meer bedraagt dan de in het eerste lid, 2°, bedoelde maximumgrens van 15.000 euro, wordt de intrestbonificatie enkel toegekend voor die leningovereenkomsten, waarvan het totaal van de kapitalen gelijk is aan de maximumgrens van 15.000 euro of deze maximumgrens het dichtst benadert zonder ze evenwel te overschrijden.

Art. 4.De kredietnemer levert aan de kredietgever voorafgaand aan de terbeschikkingstelling van het kapitaal een fotokopie van de factuur van de werken in verband met de uitgaven die met het kapitaal worden gefinancierd, en van haar bijlage. Deze factuur of de bijlage ervan vermeldt de gegevens bepaald in artikel 6311, § 1, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

De kredietgever kan dit bewijsstuk aanwenden als bewijs voor het bekomen van de intrestbonificatie.

Art. 5.Jaarlijks wordt de intrestbonificatie berekend voor een looptijd van één jaar : de eerste keer op het kapitaal en vervolgens op het saldo dat verschuldigd blijft op de verjaardag van de eerste terbeschikkingstelling van de gelden.

In geval de resterende looptijd van de leningovereenkomst minder is dan één jaar, wordt de intrestbonificatie pro rata temporis verminderd.

Art. 6.De kredietgever vraagt jaarlijks bij de bevoegde dienst de storting van de intrestbonificatie voor de door hem gesloten leningovereenkomst. Wanneer hij voor de eerste keer de storting van de intrestbonificatie vraagt, voegt hij bij zijn aanvraag het bewijsstuk bedoeld in artikel 4 en de gegevens die de bevoegde dienst vaststelt, inzonderheid : 1° de naam en voornamen van de kredietnemer;2° de geboorteplaats en -datum van de kredietnemer;3° het nummer van de identiteitskaart van de kredietnemer;4° bij gebrek aan een identiteitskaart, de aard en het nummer van het gelijkwaardig bewijs van de identiteit van de kredietnemer. De aanvraag gebeurt volgens de technische standaard en de nadere specificaties die de bevoegde dienst vaststelt.

De bevoegde dienst stort de intrestbonificatie aan de kredietgever die het bewijsstuk voorlegt. De eerste keer wordt de intrestbonificatie binnen zes maand na ontvangst van de volledige aanvraag gestort. De volgende keren wordt de intrestbonificatie binnen één maand na ontvangst van de aanvraag gestort. De bevoegde dienst bepaalt de nadere modaliteiten van de storting van de intrestbonificatie. § 2. De bevoegde dienst controleert aan de hand van dit bewijsstuk of de intrestbonificatie mag worden toegekend. Hij mag aan de kredietnemer en de kredietgever de aanvullende inlichtingen en stukken vragen die hij noodzakelijk acht om zijn controle te kunnen uitvoeren.

Hij mag controle laten uitvoeren door een door de Minister van Financiën aangeduide dienst in de woning waar de werken zijn uitgevoerd.

Indien uit deze controle blijkt dat ondanks het feit dat het bewijsstuk beantwoordt aan hetgeen bepaald is in artikel 4, de intrestbonificatie niet mag worden toegekend, kan de kredietgever hiervoor niet verantwoordelijk worden gesteld tenzij hij op de hoogte was van het niet vervullen van de voorwaarden bepaald in de artikelen 2 tot 4.

In geval de kredietgever niet verantwoordelijk kan worden gesteld, verhaalt de bevoegde dienst de aan de kredietgever gestorte intrestbonificatie die niet verschuldigd is op de kredietnemer. In geval de kredietgever verantwoordelijk kan worden gesteld, wordt de intrestbonificatie, als ze reeds aan hem is gestort, op hem verhaald.

Art. 7.Wat betreft leningovereenkomsten die de kredietnemer heeft ondertekend tussen 1 januari 2009 en de datum van inwerkingtreding van dit besluit en die de voorwaarden bepaald in de artikelen 3 en 4 vervullen of die binnen een termijn van drie maand na de inwerkingtreding van dit besluit in orde gesteld worden met deze voorwaarden, verzoekt de kredietnemer in afwijking van de artikelen 3, eerste lid, 3°, en 4, om de toekenning van de intrestbonificatie en levert hij aan de kredietgever het bewijsstuk bedoeld in artikel 4 uiterlijk binnen drie maand na de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 8.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 9.De Minister bevoegd voor Financiën, de Minister bevoegd voor Ondernemen en Vereenvoudigen en de Minister bevoegd voor Klimaat, Energie en Consumentenzaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 12 juli 2009.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Financiën, D. REYNDERS De Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, V. VAN QUICKENBORNE De Minister van Klimaat en Energie belast met Consumentenzaken, P. MAGNETTE De Staatssecretaris voor de Milieufiscaliteit, B. CLERFAYT

^