Koninklijk Besluit van 12 maart 2013
gepubliceerd op 25 maart 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2013022154
pub.
25/03/2013
prom.
12/03/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

12 MAART 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Artikel 131bis, § 1septies, eerste lid, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bepaalt de bedragen van het minimumpensioen in het pensioenstelsel van de zelfstandigen. Het tweede lid voorziet Uw bevoegdheid om het eerste lid te wijzigen en aan te vullen met het oog op de verhoging van de bedragen die erin worden vermeld op de tijdstippen die U bepaalt.

In het kader van de geleidelijke afstemming van de minimumpensioenen van de zelfstandigen op die van de loontrekkenden, wordt het bedrag van het minimale gezinspensioen in het pensioenstelsel van de zelfstandigen op hetzelfde niveau gebracht als het bedrag voorzien in het pensioenstelsel van de loontrekkenden.

In dit opzicht beoogt het besluit dat wij aan Uwe Majesteit ter ondertekening voorleggen, de vervollediging van het artikel 131bis, § 1septies, eerste lid, van de voormelde wet van 15 mei 1984 met een 8° dat het bedrag bepaalt van het jaarlijkse minimale gezinspensioen op 12.608,39 euro, met inwerkingtreding op 1 april 2013.

In antwoord op het advies 52.652/1 dat door de Raad van State werd gegeven op 21 januari 2013 werd een voorafgaand onderzoek gerealiseerd inzake de behoefte om een evaluatie uit te voeren van de impact op de duurzame ontwikkeling met toepassing van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling. Dit werd voorgelegd aan de in raad vergaderde ministers.

Omdat deze tekst betrekking heeft op een effectieve verhoging, maar van een relatief laag percentage van bepaalde pensioenen, heeft dit onderzoek uitgewezen dat een evaluatie van de impact niet nodig bleek.

Een aanvullend onderzoek van de bestaande regelgeving inzake het minimumpensioen ten aanzien van de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en non-discriminatie heeft ook niet aangetoond dat dit de situatie van de begunstigden van een pensioen zou verslechteren, met name ten aanzien van de begunstigden van de kleine minima van de gemengde pensioenen in het stelsel van de loontrekkenden bedoeld in het artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector. Deze tekst heeft immers tot doel ervoor te zorgen dat de gepensioneerden die over een gemengde loopbaan als zelfstandige en loontrekkende beschikken, een verhoging kunnen genieten van het pensioen of een deel van het pensioen dat hen wordt toegekend in het pensioenstelsel van de zelfstandigen.

Wij hebben de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Zelfstandigen, Mevr. S. LARUELLE De Minister Van Pensioenen, A. DE CROO

ADVIES 52.652/1 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, VAN 21 JANUARI 2013, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT 'TOT WIJZIGING VAN ARTIKEL 131BIS, § 1SEPTIES, VAN DE WET VAN 15 MEI 1984 HOUDENDE MAATREGELEN TOT HARMONISERING IN DE PENSIOENREGELINGEN' Op 21 december 2012 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Zelfstandigen verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.

Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 17 januari 2012. De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraden, Marc Rigaux en Michel Tison, assessoren, en Wim Geurts, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Brecht Steen, auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Marnix Van Damme, kamervoorzitter.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 21 januari 2013.

Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 1. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe het minimumpensioen voor zelfstandigen met ingang van 1 april 2013 te verhogen voor zowel een gezin als een alleenstaande of een rechthebbende op een overlevingspensioen.Met de verhoging beoogt de steller van het ontwerp het minimum gezinspensioen voor zelfstandigen op hetzelfde niveau te brengen als het minimum gezinspensioen voor werknemers. Daartoe wordt artikel 131bis, § 1septies, eerste lid, van de wet van 15 mei 1984 'houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen' aangevuld. 2. De ontworpen regeling vindt rechtsgrond in artikel 131bis, § 1septies, tweede lid, van de wet van 15 mei 1984, dat luidt : « De Koning kan bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het eerste lid [van artikel 131bis, § 1septies] wijzigen en aanvullen, om op de data die Hij bepaalt de in dat lid bedoelde bedragen te verhogen.» Vormvereisten 3. Uit artikel 19/1, § 1, van de wet van 5 mei 1997 'betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling' vloeit voort dat elk voorontwerp van wet, elk ontwerp van koninklijk besluit en elk voorstel van beslissing dat ter goedkeuring aan de Ministerraad moet worden voorgelegd, aanleiding moet geven tot een voorafgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectbeoordeling inzake duurzame ontwikkeling uit te voeren, tenzij het voorontwerp, het ontwerp of het voorstel hiervan is vrijgesteld. Die vrijstellingen zijn bepaald bij het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende uitvoering van artikel 19/1, § 1, tweede lid van hoofdstuk V/1 van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling'.

Aan de Raad van State werd een « DOEB-vrijstellingsformulier (formulier A). Maatregel behoort tot vrijstellingscategorie » meegedeeld.

In de op dat formulier vermelde motivering wordt erop gewezen dat de ontworpen maatregellouter betrekking heeft op begrotingstechnische of fiscaaltechnische aangelegenheden. Met die redenering kan evenwel niet worden ingestemd nu het ontwerp niet louter begrotingstechnisch van aard is, doch precies rechtstreeks gevolgen heeft voor de pensioenrechten van de zelfstandigen en ermee een fundamentele ongelijkheid tussen de verschillende pensioenstelsels op het vlak van de individuele pensioenrechten wordt wegwerkt. Er blijkt met andere woorden niet dat de ontworpen regeling kan worden ingepast in één van de vrijstellingscategorieën bepaald in artikel 2 van het voornoemde koninklijk besluit, op grond waarvan geen voorafgaand onderzoek in voormelde zin moet worden uitgevoerd. Dergelijk onderzoek dient derhalve alsnog plaats te vinden. Wanneer uit dat onderzoek bovendien zou blijken dat een effectbeoordeling in de zin van artikel 19/2 van de voornoemde wet noodzakelijk is, en als gevolg van die effectbeoordeling wijzigingen zouden worden aangebracht in de tekst van het ontwerp, zoals die thans om advies aan de Raad van State, afdeling Wetgeving, is voorgelegd, zullen deze wijzigingen eveneens om advies aan de afdeling Wetgeving moeten worden voorgelegd.

Onderzoek van de tekst Artikel 1 4. Het valt niet uit te sluiten dat de harmonisering van minimumpensioenen waartoe de ontworpen regeling aanleiding geeft, gevolgen heeft voor andere, bestaande regelgeving in het licht van de grondwettelijke beginselen van de gelijkheid en de niet-discriminatie. Zo kan bijvoorbeeld het ontwerp een weerslag hebben op de regeling inzake de gemengde loopbaan werknemer-zelfstandige in het pensioenstelsel voor werknemers, waarbij het minimumpensioen voor werknemers wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt waarvan de hoegrootheid wordt geacht een rechtstreeks verband te vertonen met het verschil tussen het minimumpensioen voor werknemers en het minimumpensioen voor zelfstandigen (1).

Het staat aan de steller van het ontwerp om de bestaande regelgeving vanuit dat oogpunt aan een bijkomend onderzoek te onderwerpen en, in voorkomend geval, de nodige regelgevende initiatieven te nemen om bestaande ongelijke behandelingen die niet langer kunnen worden verantwoord op grond van het verschil tussen het bedrag van het minimum gezinspensioen voor zelfstandigen, enerzijds, en het bedrag van het minimum gezinspensioen voor werknemers, anderzijds, weg te werken.

De griffier, W. Geurts.

De voorzitter, M. Van Damme. _______ Nota (1) Zie artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit van 28 september 2006 'tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector'. 12 MAART 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, artikel 131bis, § 1septies, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 juli 2011;

Gelet op het advies van het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen, gegeven op 20 december 2012;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 12 december 2012;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 20 december 2012;

Gelet op het advies nr. 52.652/1 van de Raad van State, gegeven op 21 januari 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Pensioenen en de Minister van Zelfstandigen en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Artikel 131bis, § 1septies, eerste lid, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 juli 2011, wordt aangevuld met de bepaling onder 8°, luidende : « 8° op 1 april 2013, op 12.608,39 euro en 9.529,45 euro. »

Art. 2.Dit besluit treedt in werking op 1 april 2013.

Art. 3.De minister bevoegd voor Zelfstandigen en de minister bevoegd voor Pensioenen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 12 maart 2013.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Zelfstandigen, Mevr. S. LARUELLE De Minister Van Pensioenen, A. DE CROO

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^