Koninklijk Besluit van 12 mei 2014
gepubliceerd op 19 mei 2014
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Pensioendienst voor de Overhei

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2014003166
pub.
19/05/2014
prom.
12/05/2014
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

12 MEI 2014. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Pensioendienst voor de Overheidssector


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de Grondwet, de artikelen 37 en 107, tweede lid;

Gelet op het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Pensioendienst voor de Overheidssector;

Gelet op de vrijstelling van de uitvoering van de impactanalyse, overeenkomstig artikel 8, § 1, 4°, van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;

Gelet op het advies van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Financiën, gegeven op 11 oktober 2013;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën gegeven op 4 december 2013;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 29 januari 2014;

Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken, d.d. 7 februari 2014;

Gelet op het protocol van onderhandelingen nr. D.I. 337/D/91/1 van het sectorcomité II - Financiën, gesloten op 18 maart 2014;

Gelet op het advies 55.727/2 van de Raad van State, gegeven op 9 april 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Eerste Minister, de Minister van Financiën en de Staatssecretaris voor de Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude, en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Pensioendienst voor de Overheidssector

Artikel 1.Het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Pensioendienst voor de Overheidssector wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 2 tot 19 wat betreft de Federale Overheidsdienst Financiën en zijn personeel.

Art. 2.Het opschrift van het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Pensioendienst voor de Overheidssector wordt vervangen als volgt : "koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën".

Art. 3.In hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk I, vervangen bij het koninklijk besluit van 27 april 2007, vervangen als volgt : "Sommige oude specifieke weddeschalen die van toepassing zijn in de Federale Overheidsdienst Financiën".

Art. 4.Artikel 1 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk besluit van 27 april 2007 wordt hersteld als volgt : "

Artikel 1.§ 1. Onverminderd de bijlagen III en IV van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, zijn de volgende oude specifieke weddeschalen van toepassing : 1° weddeschaal 28L 22.393,07 - 32.067,71 3/1 x 252,18 2/2 x 390,04 2/2 x 672,31 10/2 x 679,34 (Kl. 23j. - N.B. - G.A.) 2° weddeschaal 26G 16.456,84 - 24.859,06 3/1 x 252,18 1/2 x 292,59 1/2 x 390,04 2/2 x 672,31 9/2 x 624,27 (Kl. 23j. - N.B. - G.A.) 3° weddeschaal 30H 14.363,34 - 19.576,98 3/1 x 218,66 4/2 x 266,79 10/2 x 349,05 (Kl. 18j. - N.D. - G.A.) 4° weddeschaal 30C 12.901,13 - 16.887,63 3/1 x 140,09 5/2 x 194,67 8/2 x 324,11 (Kl. 18j. - N.D. - G.A.). § 2. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt dient onder oude specifieke weddeschalen te worden verstaan : -de weddeschalen vermeld in de bijlagen III en IV van bovenvermeld koninklijk besluit van 25 oktober 2013; - de weddeschalen vermeld in paragraaf 1.".

Art. 5.In hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk III, vervangen bij het koninklijk besluit van 10 september 2009, vervangen als volgt : "HOOFDSTUK III. - Afwijkingen op het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt".

Art. 6.In hetzelfde besluit, worden in hoofdstuk III de opschriften van de afdelingen I tot VIII opgeheven.

Art. 7.Artikel 6 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 wordt hersteld als volgt : "

Art. 6.§ 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient te worden verstaan onder : 1° het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 : het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;2° complement : een complement bedoeld in artikel 26;3° weddecomplement : het weddecomplement bedoeld in artikel 27;4° supplement : het supplement bedoeld in artikel 32;5° bezoldiging : de jaarwedde zoals bedoeld in artikel 60 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 verhoogd met het complement en/of weddecomplement en/of supplement;6° oude weddeschaal : een weddeschaal bepaald in bijlage II van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013".

Art. 8.Artikel 7 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 wordt hersteld als volgt : "

Art. 7.In afwijking van artikel 17 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013, heeft de ambtenaar die gerechtigd is op een complement en/of weddecomplement en/of supplement en wordt bevorderd tot het hogere niveau of de hogere klasse nooit een lagere bezoldiging dan deze die hij zou hebben genoten in zijn vroegere graad of klasse.".

Art. 9.Artikel 8 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk van 25 oktober 2013 wordt hersteld als volgt : "

Art. 8.In afwijking van artikel 27, vierde lid, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013, wordt : 1° de administratief medewerker bezoldigd in de weddeschaal NDA3 bij zijn benoeming tot financieel medewerker bezoldigd in de weddeschaal NDA4, indien deze benoeming afhankelijk is van het slagen voor een proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot deze graad;2° de administratief medewerker bezoldigd in de weddeschaal NDA4 bij zijn benoeming tot financieel medewerker bezoldigd in de weddeschaal NDA5, indien deze benoeming afhankelijk is van het slagen voor een proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot deze graad. De administratief medewerker bezoldigd in de weddeschaal NDA2 of NDA3 die op grond van een proef over de beroepsbekwaamheid benoemd wordt tot financieel medewerker, neemt zijn schaalanciënniteit mee alsook de vermeldingen die hij in deze weddeschaal heeft gekregen.".

Art. 10.Artikel 9 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk van 25 oktober 2013 wordt hersteld als volgt : "

Art. 9.§ 1. De ambtenaar die bezoldigd was in de oude weddeschaal DA1, DA2, DA3 of DA4 die, op grond van het slagen voor een proef over de beroepsbekwaamheid, bij wege van verandering van graad werd of wordt benoemd tot financieel medewerker vanaf de inwerkingtreding van dit besluit en die in uitvoering van artikel 59 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 geen verhoging van zijn jaarwedde verkrijgt van minstens 1.000 euro, wordt in afwijking van artikel 4, tweede lid, van hetzelfde besluit bezoldigd in de eerstvolgende trap van die eerste weddeschaal verbonden aan zijn graad die deze verhoging waarborgt.

Indien geen enkele trap in de weddeschaal toegekend overeenkomstig hetzelfde artikel 59 een verhoging van de jaarwedde waarborgt met minstens 1.000 euro, wordt de ambtenaar bezoldigd in de eerstvolgende hogere weddeschaal van zijn graad en dit op de eerste trap van die weddeschaal die deze verhoging waarborgt.

Indien geen enkele trap kan worden toegekend die een verhoging waarborgt van de jaarwedde met minstens 1.000 euro wordt aan de ambtenaar de maximumwedde toegekend van de laatste weddeschaal verbonden aan zijn graad. § 2. De ambtenaar die een in paragraaf 1 bedoelde verandering van graad krijgt en in zijn oude weddeschaal nog geen schaalbonificatie kreeg, neemt de vermeldingen mee die werden toegekend op grond van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt. De geldelijke anciënniteit die de ambtenaar verwierf sinds 1 januari 2014 wordt beschouwd als schaalanciënniteit in zijn nieuwe weddeschaal.

De ambtenaar die een in paragraaf 1 bedoelde verandering van graad krijgt en in zijn oude weddeschaal al een schaalbonificatie kreeg, neemt de vermeldingen mee die hij kreeg sinds zijn laatste schaalbonificatie. De geldelijke anciënniteit die de ambtenaar verwierf sinds zijn laatste schaalbonificatie wordt beschouwd als schaalanciënniteit in zijn nieuwe weddeschaal. § 3. Als de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaar nadien wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal van zijn graad gebeurt dit in de trap die hij had in zijn vorige weddeschaal. § 4. Als de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaar wordt bevorderd tot het hogere niveau wordt hij bezoldigd in zijn nieuwe weddeschaal op grond van zijn geldelijke anciënniteit.".

Art. 11.Artikel 10 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk van 25 oktober 2013 wordt hersteld als volgt : "

Art. 10.§ 1. De ambtenaar die bezoldigd was in de oude weddeschaal CA1, CA2 of CA3 die, op grond van het slagen voor een proef over de beroepsbekwaamheid of een vergelijkende selectie voor overgang die toegang verleent tot de graad van financieel assistent, bij wege van verandering van graad werd of wordt benoemd in deze graad, vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit, en die in uitvoering van artikel 59 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 geen verhoging van zijn jaarwedde verkrijgt van minstens 851 euro, wordt in afwijking van artikel 4, tweede lid, van hetzelfde besluit, bezoldigd in de eerstvolgende trap van die eerste weddeschaal verbonden aan zijn graad die deze verhoging waarborgt.

Indien geen enkele trap in de weddeschaal toegekend overeenkomstig hetzelfde artikel 59 een verhoging van de jaarwedde waarborgt met minstens 851 euro, wordt de ambtenaar bezoldigd in de eerstvolgende hogere weddeschaal van zijn graad en dit op de eerste trap van die weddeschaal die deze verhoging waarborgt.

Indien geen enkele trap kan worden toegekend die een verhoging waarborgt van de jaarwedde met minstens 851 euro wordt aan de ambtenaar de maximumwedde toegekend van de laatste weddeschaal verbonden aan zijn graad. § 2. De ambtenaar die een in paragraaf 1 bedoelde verandering van graad krijgt en in zijn oude weddeschaal nog geen schaalbonificatie kreeg, neemt de vermeldingen mee die werden toegekend op grond van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt. De geldelijke anciënniteit die de ambtenaar verwierf sinds 1 januari 2014 wordt beschouwd als schaalanciënniteit in zijn nieuwe weddeschaal.

De ambtenaar die een in paragraaf 1 bedoelde verandering van graad krijgt en in zijn oude weddeschaal al een schaalbonificatie kreeg, neemt de vermeldingen mee die hij kreeg sinds zijn laatste schaalbonificatie. De geldelijke anciënniteit die de ambtenaar verwierf sinds zijn laatste schaalbonificatie wordt beschouwd als schaalanciënniteit in zijn nieuwe weddeschaal. § 3. Als de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaar nadien wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal van zijn graad gebeurt dit in de trap die hij had in zijn vorige weddeschaal. § 4. Als de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaar wordt bevorderd tot het hogere niveau wordt hij bezoldigd in zijn nieuwe weddeschaal op grond van zijn geldelijke anciënniteit.".

Art. 12.Artikel 11 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk van 25 oktober 2013 wordt hersteld als volgt : "

Art. 11.In afwijking van artikel 24 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 wordt de ambtenaar die bezoldigd is in een weddeschaal vermeld in kolom 1 van de onderstaande tabel bezoldigd in de hiertegenover vermelde weddeschaal in kolom 2, wanneer hij bij wege van overgang naar het hogere niveau benoemd wordt in de graad van fiscaal deskundige op grond van een vergelijkende selectie voor overgang naar deze graad :

kolom 1/colonne 1

kolom 2/colonne 2

C3/NCF3

B3

C4/NCF4

B3

C5/NCF5

B4


Art. 13.Artikel 12 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk van 25 oktober 2013 wordt hersteld als volgt : "

Art. 12.In afwijking van artikel 56 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013, de ambtenaar die bezoldigd was in de oude weddeschaal CA1, CF1, CA2, CF2, CA3, CF3 of 22B en die bij wege van overgang naar het hogere niveau werd of wordt benoemd tot fiscaal deskundige, vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, wordt bezoldigd in de eerste weddeschaal van deze graad die hem in de trap overeenstemmend met zijn geldelijke anciënniteit in deze graad een verhoging van zijn jaarwedde waarborgt van minstens 1.500 euro.".

Art. 14.Artikel 13 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk van 25 oktober 2013 wordt hersteld als volgt : "

Art. 13.In afwijking van artikel 28 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013, is artikel 26 van hetzelfde besluit van toepassing op de verandering van graad naar de graad van fiscaal deskundige, indien deze verandering van graad afhankelijk is van het slagen van een proef over de beroepsbekwaamheid of een vergelijkende selectie voor overgang naar die graad.".

Art. 15.Artikel 14 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk van 25 oktober 2013 wordt hersteld als volgt : "

Art. 14.§ 1. De ambtenaar die bezoldigd was in de oude weddeschaal BF1, BF2 of BF3 die, op grond van het slagen voor een proef over de beroepsbekwaamheid of een vergelijkende selectie voor overgang, bij wege van verandering van graad werd of wordt benoemd tot fiscaal deskundige, vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit, en die in uitvoering van artikel 59 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 geen verhoging van zijn jaarwedde verkrijgt van minstens 2.000 euro, wordt in afwijking van artikel 4, tweede lid, van hetzelfde besluit bezoldigd in de eerstvolgende trap van die eerste weddeschaal verbonden aan zijn graad die deze verhoging waarborgt.

Indien geen enkele trap in de weddeschaal toegekend overeenkomstig hetzelfde artikel 59 een verhoging van de jaarwedde waarborgt met minstens 2.000 euro, wordt de ambtenaar bezoldigd in de eerstvolgende hogere weddeschaal van zijn graad en dit op de eerste trap van die weddeschaal die deze verhoging waarborgt.

Indien geen enkele trap kan worden toegekend die een verhoging waarborgt van de jaarwedde met minstens 2.000 euro wordt aan de ambtenaar de maximumwedde toegekend van de laatste weddeschaal verbonden aan zijn graad. § 2. De ambtenaar die een in paragraaf 1 bedoelde verandering van graad krijgt en in zijn oude weddeschaal nog geen schaalbonificatie kreeg, neemt de vermeldingen mee die werden toegekend op grond van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt. De geldelijke anciënniteit die de ambtenaar verwierf sinds 1 januari 2014 wordt beschouwd als schaalanciënniteit in zijn nieuwe weddeschaal.

De ambtenaar die een in paragraaf 1 bedoelde verandering van graad krijgt en in zijn oude weddeschaal reeds een schaalbonificatie kreeg, neemt de vermeldingen mee die hij kreeg sinds zijn laatste schaalbonificatie. De geldelijke anciënniteit die de ambtenaar verwierf sinds zijn laatste schaalbonificatie wordt beschouwd als schaalanciënniteit in zijn nieuwe weddeschaal. § 3. Als de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaar nadien wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal van zijn graad gebeurt dit in de trap die hij had in zijn vorige weddeschaal. § 4. Als de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaar wordt bevorderd tot het hogere niveau wordt hij bezoldigd in zijn nieuwe weddeschaal op grond van zijn geldelijke anciënniteit.".

Art. 16.Artikel 15 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk van 25 oktober 2013 wordt hersteld als volgt : "

Art. 15.De ambtenaar die vanaf de inwerkingtreding van dit besluit bij wege van overgang naar het hogere niveau werd of wordt bevorderd in de klasse A2, op grond van een vergelijkende selectie bedoeld in artikel 28 van het organiek reglement, en die in uitvoering van artikel 24 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 geen verhoging van de jaarwedde verkrijgt met minstens 3.000 euro wordt in afwijking van artikel 4, tweede lid, van hetzelfde besluit bezoldigd in de eerstvolgende trap van de weddeschaal verbonden aan zijn klasse die deze verhoging waarborgt.

Indien geen enkele trap in de weddeschaal toegekend overeenkomstig hetzelfde artikel een verhoging van de jaarwedde waarborgt met minstens 3.000 euro, wordt de ambtenaar bezoldigd in de eerstvolgende hogere weddeschaal van zijn klasse en dit op de eerste trap van die weddeschaal die deze verhoging waarborgt.

Indien geen enkele trap kan worden toegekend die een verhoging waarborgt van de jaarwedde met minstens 3.000 euro wordt aan de ambtenaar de maximumwedde toegekend van de laatste weddeschaal verbonden aan zijn klasse. § 2. Als de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaar nadien wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal van zijn klasse gebeurt dit in de trap die hij had in zijn vorige weddeschaal. § 3. Als de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaar wordt bevorderd tot de hogere klasse wordt hij bezoldigd in zijn nieuwe weddeschaal op grond van zijn geldelijke anciënniteit.".

Art. 17.Artikel 16 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk van 25 oktober 2013 wordt hersteld als volgt : "

Art. 16.§ 1. De ambtenaar die bezoldigd was in de oude weddeschaal BF2, BF3 of BF4 die, vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit, op grond van het slagen van een vergelijkende selectie bedoeld in artikel 28 van het organiek reglement, bij wege van overgang naar het hogere niveau werd of wordt bevorderd in de klasse A2 en die in uitvoering van artikel 57 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 geen verhoging van zijn jaarwedde verkrijgt van minstens 3.000 euro, wordt in afwijking van artikel 4, tweede lid, van hetzelfde besluit bezoldigd in de eerstvolgende trap van de weddeschaal verbonden aan zijn klasse die deze verhoging waarborgt.

Indien geen enkele trap in de weddeschaal toegekend overeenkomstig hetzelfde artikel een verhoging van de jaarwedde waarborgt met minstens 3.000 euro, wordt de ambtenaar bezoldigd in de eerstvolgende hogere weddeschaal van zijn klasse en dit op de laagste trap van die weddeschaal die deze verhoging waarborgt.

Indien geen enkele trap kan worden toegekend die een verhoging waarborgt van de jaarwedde met minstens 3.000 euro wordt aan de ambtenaar de maximumwedde toegekend van de laatste weddeschaal verbonden aan zijn klasse. § 2. Als de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaar nadien wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal van zijn klasse gebeurt dit in de trap die hij had in zijn vorige weddeschaal. § 3. Als de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaar wordt bevorderd tot de hogere klasse wordt hij bezoldigd in zijn nieuwe weddeschaal op grond van zijn geldelijke anciënniteit.".

Art. 18.Artikel 38 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk van 25 oktober 2013 wordt hersteld als volgt : "

Art. 38.De toelage bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt wordt, in voorkomend geval, verminderd met het bedrag van het complement, het weddecomplement en het supplement bedoeld in respectievelijk de artikelen 26, 27 en 32 van onderhavig besluit.".

Art. 19.Artikel 41bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 juli 2013, wordt opgeheven. HOOFDSTUK 2. - Slotbepalingen

Art. 20.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2014, met uitzondering van artikelen 18 en 19 die in werking treden op de eerste dag van de maand na afloop van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Art. 21.De Eerste Minister en de minister bevoegd voor de Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 12 mei 2014.

FILIP Van Koningswege : De Eerste Minister, E. DI RUPO De Minister van Financiën, K. GEENS De Staatssecretaris voor de Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude, J. CROMBEZ

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^