Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 12 november 1998
gepubliceerd op 24 december 1998

Koninklijk besluit betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen

bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
numac
1998014323
pub.
24/12/1998
prom.
12/11/1998
ELI
eli/besluit/1998/11/12/1998014323/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

12 NOVEMBER 1998. - Koninklijk besluit betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op richtlijn 94/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg;

Gelet op de wet van 10 augustus 1960 houdende goedkeuring van het Europese Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (A.D.R.) en van de bijlagen ondertekend op 30 september 1957 te Genève;

Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd door de wetten van 21 juni 1985 en 20 juli 1991;

Gelet op de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1990, 5 april 1995, 4 augustus 1996 en 27 november 1996;

Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;

Gelet op het koninklijk besluit van 11 oktober 1995 houdende bevoegdheidsverdeling tussen de Minister van Vervoer, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Staatssecretaris voor Veiligheid, toegevoegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken, meer bepaald artikel 5;

Gelet op het advies van de raadgevende commissie administratie-nijverheid, gegeven op 27 maart 1996;

Overwegende dat de Gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit zijn betrokken;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 19 maart 1996;

Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk van 23 juni 1997;

Gelet op het advies van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 augustus 1996;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting gegeven op 1 juli 1996;

Gelet op het advies van de Raad van State van 25 juni 1997;

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, van Onze Minister van Vervoer en van de Staatssecretaris voor Veiligheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Definities.

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "ADR" : het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg en zijn bijlagen, ondertekend op 30 september 1957 te Genève en goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1960, zoals gewijzigd;2° "richtlijn 94/55/EG" : de richtlijn 94/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg;3° "voertuig" : ieder voor deelname aan het wegverkeer bestemd compleet of niet-compleet motorvoertuig op ten minste vier wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/u, alsmede aanhangwagens daarvan, met uitzondering van voertuigen die zich over rails voortbewegen, landbouw- en bosbouwtrekkers en alle mobiele machines; 4° "vervoer" : ieder vervoer over de weg door een voertuig als hierboven omschreven, dat geheel of gedeeltelijk plaatsvindt via het openbare wegennet, met inbegrip van het onder het A.D.R. vallende laden en lossen; vervoer dat volledig binnen een gesloten ruimte plaatsvindt valt niet onder deze definitie; 5° "klassen" : de klassen van gevaarlijke stoffen opgesomd in randnummer 2002 van het A.D.R.; 6° "gevaarlijke goederen" : de in randnummer 2000 van het A.D.R. gedefinieerde goederen die behoren tot de klassen 2, 3 behalve 3,6°, 4.1 behalve 4.1, 21° tot 25°, 4.2, 4.3, 5.1 behalve 5.1, 20° en 21°, 5.2, 6.1, 6.2, 8 en 9 behalve 9,8°; 7° "bevoegde overheid" : de Minister tot wiens bevoegdheid het vervoer te land behoort of zijn gemachtigde. HOOFDSTUK II. - Algemene voorschriften

Art. 2.§ 1. De bepalingen van bijlagen A en B van het A.D.R. zijn toepasselijk op het nationaal vervoer van gevaarlijke goederen. § 2. Onder voorbehoud van de in § 3 beoogde afwijkingen toegestaan door de bevoegde overheid, zijn de bepalingen van dit besluit toepasselijk op het nationaal vervoer en, behalve indien uitdrukkelijk anders wordt bepaald, ook op het internationaal vervoer. § 3. In nationaal vervoer mag het vervoerdocument uitsluitend in het Frans, in het Nederlands of in het Duits opgesteld zijn. Ten minste een gedeelte van de reisweg moet gelegen zijn in een landsgedeelte waar de in het vervoerdocument gebruikte taal de of een officiële taal is;

In nationaal vervoer is het gebruik van vóór 1 januari 1997 gebouwde voertuigen die niet conform zijn aan het A.D.R. toegestaan, indien de constructie in overeenstemming is met de op 31 december 1996 geldende nationale wetgeving;

De constructie van nieuwe houders genoemd in randnummer 2211 van het A.D.R. en van nieuwe tanks genoemd in randnummer 10 014 van het A.D.R. is toegestaan, mits ze voldoen aan de bepalingen van de bijlagen 1 tot 5 van dit besluit. De bestaande houders en tanks mogen in gebruik blijven;

In nationaal vervoer is het gebruik van vóór 1 november 1993 vervaardigde doch niet overeenkomstig de A.D.R.-bepalingen gecertificeerde grote houders voor losgestort vervoer toegestaan, onder de voorwaarden vastgelegd in de op 12 oktober 1995 verleende afwijking 4-93 bis.

In nationaal vervoer kan de bevoegde overheid het vervoer van kleine hoeveelheden van bepaalde gevaarlijke goederen toestaan onder minder strenge voorwaarden dan het A.D.R.;

In nationaal vervoer en mits de veiligheid daar niet onder lijdt, kan de bevoegde overheid tijdelijke afwijkingen aan het A.D.R. toestaan teneinde de nodige proefnemingen te kunnen verrichten om de A.D.R.-bepalingen te kunnen wijzigen met het oog op de aanpassing ervan aan de technische en de industriële ontwikkelingen;die afwijkingen hebben een looptijd van maximaal vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar;

In nationaal vervoer kan de bevoegde overheid transporten ad hoc toestaan van gevaarlijke goederen onder voorwaarden die verschillen van die in het A.D.R.; § 4. De transporten verricht door middel van voertuigen ingeschreven in het buitenland, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van bijlagen 1 tot 5 van dit besluit, wanneer voldaan is aan de bepalingen van het A.D.R. en van zijn bijlagen. § 5. De bepalingen van dit besluit zijn niet van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen door voertuigen die eigendom zijn of onder de verantwoordelijkheid vallen van de strijdkrachten.

Art. 3.Het is de verzender, de commissionair-expediteur, de vervoerscommissionair, de vervoerder en de bestuurder van het voertuig verboden gevaarlijke goederen te laden, te vervoeren, te doen laden of te doen vervoeren indien het vervoer niet voldoet aan de bepalingen van het A.D.R. en van dit besluit.

De commissionair-expediteur en de vervoerscommissionair moeten hun naam en adres op het vervoerdocument vermelden.

Wanneer de goederen bij de fabrikant of bij de handelaar zelf worden geladen, is deze eveneens onderworpen aan de voorschriften van randnummers 2002, 3901 en 10385 die op de verzender toepasselijk zijn. HOOFDSTUK III. - Controles

Art. 4.§ 1. De minister tot wiens bevoegdheid het vervoer te land behoort, erkent de instellingen die gemachtigd zijn om : 1° de nazichten en de periodieke keuringen uit te voeren die in bijlage A van het A.D.R. zijn voorgeschreven en die betrekking hebben op de gevaarlijke goederen of op de verpakkingen; 2° de nazichten en de perodieke keuringen uit te voeren die in bijlage B van het A.D.R. zijn voorgeschreven en die betrekking hebben op de tanks; 3° de homologatieproeven voorgeschreven in aanhangsel B2 van het A.D.R.uit te voeren. § 2. Indien de resultaten van de nazichten of van de periodieke keuringen die door een erkende instelling op een tank worden uitgevoerd positief zijn, geeft deze instelling een getuigschrift af.

Indien de instelling, gelet op de negatieve resultaten, geen getuigschrift kan afgeven, brengt ze het Bestuur van de Verkeers-reglementering en van de Infrastructuur daarvan op de hoogte.

Als de nazichten of de periodieke keuringen worden overgedaan, moet dat geschieden door dezelfde instelling. § 3. De instellingen voor automobielinspectie, die erkend zijn voor de technische controle van de voertuigen voor vervoer te land, van de onderdelen ervan alsook van het veiligheidstoebehoren, zijn bevoegd om de andere controles uit te voeren die vereist zijn om het in het randnummer 10282 van het A.D.R. voorgeschreven keuringsdocument te verkrijgen. § 4. De Minister tot wiens bevoegdheid het vervoer te land behoort, kan het administratief beheer van de dossiers betreffende de in aanhangsel B2 bij het A.D.R. voorziene homologatie overlaten aan een daartoe erkende instelling.

Art. 5.Voor het vaststellen van overtredingen van de bepalingen van het A.D.R. en van dit besluit zijn, behalve de officieren van gerechtelijke politie, bevoegd : 1° het personeel van de rijkswacht, het personeel van de gemeentelijke politie en de ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen bij de uitoefening van hun dienst;2° de ambtenaren en beambten van het Bestuur van het Vervoer te Land en van het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, die met een mandaat van gerechtelijke politie bekleed zijn. De in het eerste lid genoemde personen kunnen bij de uitoefening van hun opdracht inzonderheid een controle op de weg uitvoeren. HOOFDSTUK IV. - Documenten en vergoedingen

Art. 6.Het keuringsdocument, voorgeschreven in het randnummer 10282 van het A.D.R., wordt afgegeven door de instellingen voor automobielinspectie die erkend zijn voor de technische controle.

De keuringsdocumenten voorgeschreven in het randnummer 10282 van het A.D.R. stemmen overeen : 1° indien het uitsluitend binnenlands vervoer betreft, met het model dat in aanhangsel B3 van het A.D.R. gegeven wordt zonder de roze diagonaal; 2° indien het internationaal vervoer betreft, met het model dat in aanhangsel B3 van het ADR gegeven wordt. Indien voor een voertuig een keuringsdocument kan afgegeven worden of de geldigheidsduur van dit document verlengd kan worden, dient zulks onmiddellijk na de controle van dat voertuig te geschieden.

Art. 7.Het getuigschrift van de typehomologatie voorgeschreven in randnummer 221.000 wordt afgegeven door het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur;

De kosten verbonden aan de keuringen die uitgevoerd werden door ambtenaren van het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur alsmede de retributies die werden geïnd bij de afgifte van het getuigschrift van typehomologatie vallen ten laste van de aanvrager;

De retributies die door het Bestuur moeten worden geïnd zijn als volgt vastge-steld : 1° 2.000 fr. voor elk getuigschrift van typehomologatie of voor een verlenging ervan; 2° 500 fr.voor een afschrift van een getuigschrift van typehomologatie. HOOFDSTUK V. - Sancties

Art. 8.De overtredingen van de bepalingen van dit besluit en van het A.D.R. worden opgespoord, vastgesteld en gestraft overeenkomstig : 1° de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, wanneer het gaat om inbreuken op de voorschriften betreffende de wijze waarop de gevaarlijke goederen worden vervoerd, op de algemene dienstvoorschriften en op de speciale voorschriften voor onderweg;2° de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, wanneer het gaat om inbreuken op de speciale voorschriften waaraan de voertuigen en hun uitrusting moeten voldoen.3° de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk wanneer het gaat om inbreuken op de voorschriften betreffende het laden, het lossen en de behandeling. HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen

Art. 9.Het koninklijk besluit van 16 september 1991 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 december 1991 en 1 december 1994 wordt opgeheven.

Art. 10.Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Art. 11.Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van Vervoer en de Staatssecretaris voor Veiligheid zijn ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 12 november 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, L. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Vervoer, M. DAERDEN De Staatssecretaris voor Veiligheid, J. PEETERS

Bijlage 1 De bepalingen van bijlage A en van bijlage B (zonder haar aanhangsels B.1a, B.1b en B.1c) bij het A.D.R. worden aangevuld met de bepalingen van deze bijlage.

Deze worden voorafgegaan door de letters N of IN en het randnummer van het A.D.R. waarop ze betrekking hebben. De letters N en IN hebben volgende betekenis : - de randnummers, voorafgegaan door de letter N zijn enkel van toepassing op het binnenlands vervoer; - de randnummers, voorafgegaan door de letters IN zijn van toepassing op het internationaal en binnenlands vervoer.

IN 2002 - De verzender moet zich ervan vergewissen of het vervoerdocument aan de eisen van randnummer 2002(3) beantwoordt.

N 2010. - De afwijkingen, overeengekomen tussen België en één of meer andere overeenkomstsluitende partijen, gelden ook voor het binnenlands vervoer.

IN 3500(13). 1. Onderhavige voorschriften hebben betrekking op het toezicht op de fabricage van verpakkingen die door de hoofding van aanhangsel A5 beoogd worden en die van een in België afgeleverd kenmerk (UN-, RID-ADR- of reconditionerings-kenmerk) voorzien zijn.2. Het toezicht door derden wordt uitgeoefend door de bevoegde overheid of door een door haar erkende instelling.In combinatie met het intern toezicht uitgeoefend door de fabrikant vormt het een gemengd controlesysteem. 2.1. Het intern toezicht bestaat uit de initieële controle, de fabricagecontrole, de eindcontrole en het optekenen van de resultaten.

Het intern toezicht wordt in overeenstemming met de instructies van de bevoegde overheid uitgevoerd. 2.1.1. Bij de initiële controle, voor de fabricage, moet men er zich van vergewissen dat de grondstof, de voorwerpen en de andere materialen die bij de fabricage gebruikt worden overeenstemmen met deze die bij de prototypekeuring gebruikt werden. 2.1.2. De fabricage- en controleinstallaties moeten met verloren stalen getest worden bij het opstarten van de fabricage en telkens wanneer de uitrusting aangepast wordt. Tijdens de fabricage dienen controles uitgevoerd te worden op het fabricageproces en het eindprodukt. 2.1.3. Na de fabricage worden de verpakkingen gecontroleerd. 2.1.4. De resultaten van het intern toezicht moeten opgetekend worden en gedurende ten minste vijf jaar bewaard blijven. 2.1.5. Het intern toezicht moet door competent personeel uitgeoefend worden. 2.1.6. De fabrikant moet over de vereiste installaties beschikken om het intern toezicht uit te voeren. 2.2. Het toezicht door derden omvat steekproeven om de overeenstemming met het prototype te controleren en supervisie over het intern toezicht. Het moet onaangekondigd en minstens een maal per jaar en per fabricageatelier uitgevoerd worden. 3. Maatregelen in geval van tekortkoming. 3.1. In het raam van het inwendig toezicht.

Indien tekortkomingen t.o.v. het prototype worden vastgesteld moeten alle verpakkingen, die geproduceerd werden sinds de laatste kontrole waarbij de overeenstemming met het prototype werd vastgesteld, individueel gecontroleerd worden en het UN- of RID-ADR merk wordt uitgewist op deze die de tekorkomingen vertonen. Op de verpakkingen die na het vaststellen van de tekorkomingen worden geproduceerd, mag het UN of ADR/RID merk pas weer aangebracht worden nadat de overeenstemming met het prototype opnieuw is aangetoond. 3.2. In het raam van het toezicht door derden.

Indien tekortkomingen t.o.v. het prototype worden vastgesteld dient men tewerk te gaan zoals aangegeven in 3.1.

Indien blijkt dat het inwendig toezicht tekort schiet zal het erkend organisme eisen dat de fabrikant de in punt 2.1 vermelde instructies naleeft.

Het erkend organisme brengt de bevoegde overheid van de tekortkomingen op de hoogte en voert binnen de drie maand steekproefsgewijs bijkomende testen uit.

Indien opnieuw dezelfde tekortkomingen vastgesteld worden brengt het erkend organisme de bevoegde overheid daarvan op de hoogte, die dan het UN- of RID-ADR merk van de desbetreffende verpakking intrekt. 4. De kosten die het toezicht door derden met zich brengt zijn ten laste van de aanvrager van het UN of RID-ADR kenmerk of van de reconditioneerder. IN 3601(1) 1. Deze voorschriften hebben betrekking op het toezicht op de fabricage van grote recipiënten voor los gestort vervoer die in het opschrift van aanhangsel A6 beoogd worden en van een in België afgegeven kenmerk (UN- of reconditioneringskenmerk) voorzien zijn.2. Het toezicht door derden wordt uitgeoefend door de bevoegdt overheid of door een door haar erkende instelling.In combinatie met het intern toezicht, uitgeoefend door de fabrikant, vormt het een gemengd controlesysteem. 2.1. Het intern toezicht bestaat uit de initiële controle, de fabricagecontrole, de eindcontrole en het optekenen van de resultaten.

Het intern toezicht wordt in overeenstemming met de instructies van de bevoegde overheid uitgevoerd. 2.1.1. Bij de initiële controle, vóór de fabricage, vergewist men er zich van dat de grondstof, de voorwerpen en de andere materialen die bij de fabricage gebruikt worden overeenstemmen met die welke bij de prototypekeuring gebruikt zijn. 2.1.2. De fabricage- en controleinstallaties worden getest bij het opstarten van de fabricage en telkens wanner de uitrusting aangepast wordt. Tijdens de fabricage worden controles uitgevoerd op het fabricageproces en het eindprodukt. 2.1.3. Na de fabricage worden de grote recipiënten voor los gestort vervoer gecontroleerd. 2.1.4. De résultaten van het intern toezicht worden opgetekend en blijven gedurende ten minste vijf jaar bewaard. 2.1.5. Het intern toezicht wordt door competent personeel uitgeoefend. 2.1.6. De fabrikant beschikt over de vereiste installatie om het intern toezicht uit te voeren. 2.2. Het toezicht door derden omvat steekproeven om de overeenstemming met het prototype te controleren en supervisie over het intern toezicht. Het geschiedt onverwachts minstens eenmaal per jaar en per fabricageatelier. 3. Maatregelen in geval van tekortkoming. 3.1. In het raam van het intern toezicht.

Indien tekortkomingen t.o.v. het prototype worden vastgesteld worden alle grote recipiënten voor los gestort vervoer die geproduceerd werden sinds de laatste kontrole waarbij de overeenstemming met het prototype werd vastgesteld, individueel gecontroleerd en het UN merk wordt uitgewist op deze die de tekortkomingen vertonen. Op de grote recipiënten voor los gestort vervoer die na het vaststellen van de tekortkomingen worden geproduceerd, mag het UN merk pas weer aangebracht worden nadat de overeenstemming met het prototype opnieuw is aangetoond. 3.2. In het raam van het toezicht door derden.

Indien tekortkomingen t.o.v. het prototype worden vastgesteld, gaat men tewerk zoals aangegeven in 3.1.

Indien blijkt dat het intern toezicht onvoldoende wordt bevonden, eist de erkende instelling dat de fabrikant de in punt 2.1. vermelde instructies naleeft.

De erkende instelling brengt de bevoegde overheid van de tekortkomingen op de hoogte en voert binnen drie maanden bij wijze van steekproef aanvullende tests uit.

Indien opnieuw dezelfde tekorkomingen vastgesteld worden, brengt de erkende instelling de bevoegde overheid daarvan op de hoogte, die dan het UN-merk van het desbetreffend groot recipiënt voor los gestort vervoer intrekt. 4. De kosten die het toezicht door derden met zich brengt, zijn ten laste van de aanvrager van het UN kenmerk of van de reconditioneerder. IN 3662 De dichtheidsbeproeving voorafgaande aan de ingebruikneming wordt door de fabrikant verricht.

De periodieke dichtheidsbeproevingen worden verricht ofwel door een erkende instelling ofwel op een andere wijze vastgesteld door de bevoegde overheid.

IN 3663 Iedere grote recipiënt voor los gestort vervoer wordt door de fabrikant geschouwd voordat hij in gebruikt wordt genomen.

Ieder groot recipient voor los gestort vervoer wordt om de 5 jaar en na herstelling geschouwd ofwel door een erkende instelling ofwel op een andere wijze vastgesteld door de bevoegde overheid.

IN 10220(1). De schokbrekers mogen niet rechtstreeks aan de houder bevestigd zijn.

IN 10221. Het bewijs dat het ABS remsysteem en de remvertrager in overeenstemming met randnummer 10221 werden gemonteerd, bevindt zich aan boord van het voertuig. Dit dokument bevat ten minste de vermeldingen die in bijlage 5 zijn gegeven.

IN 10260 b). De beschermende uitrusting van de chauffeur bestaat ten minste uit een volledig aansluitende veiligheidsbril, handschoenen uit materiaal dat aangepast is aan het vervoerd produkt, een oogspoelfles gevuld met zuiver water, een fluorescerende jak en een zaklamp. De uitrusting wordt door de vervoerder geleverd.

IN 10282(2). Voor voertuigen bestemd voor het vervoer van stoffen van klasse 9, 20° in tanks, gebouwd voor 1 januari 1977, wordt een keuringsdocument afgeleverd op de wijze bepaald door de bevoegde overheid.

N 10381(1) b). Wanneer een transport uitgevoerd wordt op basis van een afwijking, die door de bevoegde overheid werd toegestaan op basis van artikel 2, § 2, van dit besluit, moet een kopij van deze afwijking zich in de cabine van het voertuig bevinden.

IN 10381(2) c). De schriftelijke instructies die in randnummer 10385 van het A.D.R. worden voorzien moeten zich in de kabine van het voertuig bevinden.

Indien de gevaarlijke stoffen in tanks worden vervoerd moeten deze instructies tegen de binnenzijde van één van de vensters worden geplaatst; in de andere gevallen mogen ze zich ook in een oranje omslag op een andere zichtbare plaats in de kabine bevinden.

Op de bovengenoemde plaatsen mogen zich enkel de schriftelijke instructies voor de vervoerde produkten bevinden.

IN 10.414. De voertuigen die colli vervoeren moeten aan de zijkanten en achteraan voorzien zijn van schotten van een voldoende hoogte en stevigheid, of van een ander systeem van gelijkwaardige sterkte.

IN 10500. Wanneer een vervoer niet onderworpen is aan de bepalingen van het A.D.R. mogen er noch schilden, noch etiketten zoals bepaald in randnummer 10500 zijn aangebracht ofwel dienen ze zodanig afgedekt te worden dat ze niet meer zichtbaar zijn.

N 10602. De afwijkingen overeengekomen tussen België en één of meer andere overeenkomstsluitende partijen, gelden ook voor het binnenlands vervoer.

N 220514. Er is ook voldaan aan de vereisten van randnummer 220514 indien : - bij voertuigen die vóór 1 oktober 1978 zijn ingeschreven, de stroomketen van de tachograaf voorzien is van een weerstand die de stroomsterkte beperkt tot een maximale waarde van 150mA of van een zekering met een maximale waarde van 150mA; - bij voertuigen, die tussen 1 oktober 1978 en 1 januari 1997 zijn ingeschreven, de stroomketen van de tachograaf voorzien is van een weerstand, die de stroomsterkte beperkt tot een maximale waarde van 150mA en een intrinsieke veiligheid biedt in een mengsel bestaande uit 20 pct. waterstof en 80 pct. lucht.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 12 november 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, L. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Vervoer, M. DAERDEN De Staatssecretaris voor Veiligheid, J. PEETERS

Bijlage 2 De bepalingen van aanhangsel B.1a van bijlage B bij het A.D.R. worden aangevuld met de bepalingen van deze bijlage.

Deze worden voorafgegaan door de letters Bn of (B + Bn) en het randnummer van het A.D.R. waarop ze betrekking hebben.

De letters Bn en (B + Bn) betekenen het volgende : - de randnummers voorafgegaan door de letters Bn zijn van toepassing op de in aanhangsel B.1a bedoelde tanks die vanaf 1 oktober 1978 gebouwd werden. - de randnummers, voorafgegaan door (B + Bn) zijn van toepassing op alle in aanhangsel B.1a bedoelde tanks. (B + Bn) 211102 (3). De door de bevoegde overheid erkende methode voor het uitvoeren van de dichtheidsbeproeving is, al naargelang van de eventuele technische onmogelijkheden en de eventuele gevaren : - ofwel het onder druk zetten van de met water gevulde tank; - ofwel het onder druk zetten, eventueel door een luchtkussen, van de tank gevuld met de te vervoeren vloeistof; - ofwel het onder gasdruk zetten van de tank.

Bij een gedeeltelijk of geheel onder gasdruk zetten, moet de erkende instelling de nodige veiligheidsmaatregelen voorzien en derwijze doen toepassen, dat de veiligheid van haar eigen personeel, van het personeel van de onderneming waar de beproeving gebeurt en van de omgeving verzekerd is.

Bn 211120 (1). Bij het vaststellen van de ongevoeligheid voor brosse breuk en barstenverwekkende spanningscorrosie meot rekening gehouden worden met de aard van het vervoerd produkt.

De fabrikant verstrekt de attesten, die slaan op de in tanks verwerkte basismaterialen.

Deze attesten zijn minstens van het niveau 3.1 B volgens de norm EN10204.

Daarenboven moeten de platen uit ongelegeerd koolstofstaal en gelegeerd nikkelstaal beantwoorden of gelijkwaardig zijn aan platen volgens NBN630 (kwaliteit 2 voor niet-gelegeerd staal).

De austenitische staalsoorten en de aluminiumsoorten moeten beantwoorden aan een internationaal bekend norm, zonder dat zij echter moeten voldoen aan eisen inzake kerfslagwaarde.

Bn 211120 (3). De werkwijzen, toegepast voor het lassen, moeten het voorwerp hebben uitgemaakt van een proceduregoedkeuring. De lassen moeten uitgevoerd worden door lassers die vooraf bekwaam werden verklaard voor deze laswerken.

De erkende instelling doet proeven met het oog op het aanvaarden van de lasmethode en van de bekwaamheid van de lassers, tenzij door documenten onomstootbaar bewezen wordt dat de procedure-goedkeuringen en bekwaamheidsverklarin-gen reeds zijn gebeurd. De erkende instelling oordeelt of deze dokumenten geldig zijn. (B + Bn) 211127 (1). Voor de niet-atmosferische tanks moet, bij het berekenen van de spanningen, voor elk geval de in randnummer 211102 (2) e) iii bedoelde effectieve druk in rekening worden gebracht. Bn 211127 (1). Bevestigingen van de tanks op het chassis.

De firma, die de tank of het vals chassis vasthecht aan het chassis van het voertuig, legt aan de erkende instelling documenten voor, waaruit blijkt dat de vasthechting voldoet aan de eisen van randnummer 211127, en een attest van de constructeur van het chassis, of van de invoerder ervan in België, volgens welk de voorgenomen vasthechting de veiligheid van het chassis niet in gevaar brengt.

Aan de hand van deze documenten kijkt de erkende instelling na of de voorgenomen vasthechting beantwoordt aan de voorschriften van randnummer 211127.

De erkende instellingen controleren of de vasthechting van de tank stevig genoeg is en goed uitgevoerd werd.

Bn 211127 (5). 1° voor tanks, gebouwd vóór 1 januari 1990, bezit de houder een bescherming tegen beschadigingen te wijten aan een zijdelingse schok of aan een omkanteling, indien de volgende (of gelijkaardige) maatregelen genomen werden : - De houder mag op de twee zijkanten en op een hoogte, gelegen tussen zijn horizontale middelijn en zijn onderste helft, voorzien zijn van een bescherming tegen zijdelingse schokken, die bestaat uit een proefiel dat ten minste 25 mm buiten de uiterste omtrek van de houder uitsteekt.Indien deze bescher-ming vervaardigd is uit zacht staal 3/ of materiaal van een hogere weerstand, moet de traagheidsmodulus van de rechte door-snede van dit proefiel ten minste gelijk zijn aan 5 cm3 waarbij de kracht horizontaal gericht is en loodrecht op de rijrichting. Indien materialen met een lagere weerstand worden gebruikt, moet de traagheidsmodu-lus evenredig met de rekgrenzen verhoogd worden. De bescherming tegen het om-kantelen kan bestaan uit versterkingsringen, beschermkappen, of elementen in de dwarsrichting of in de langsrichting met een zodanig profiel dat in geval van omkan-teling de uitrusting op het bovenste gedeelte van de houder niet beschadigd wordt.

De bescherming tegen zijdelingse schokken mag eveneens gebeuren door aan de twee zijkanten van de tank, daar waar deze het breedst is, aanvullende beschermingen aan te brengen die voldoen aan de volgende eisen : - voor zacht staal of materialen met hogere weerstand moet de totale dikte van tankwand en bescherming samen ten minste 6 mm bedragen; voor materialen met een lagere weerstand moet de formule van randnummer 211127 (3) en (4) gebruikt worden; - de beschermingen moeten ten minste 30 cm hoog zijn; - er is eveneens bescherming : 1. Indien de houders dubbelwandig uitgevoerd zijn, met vacuum tussen beide wanden;de som van de dikten van de metalen buitenwand en van de houder moet ten minste gelijk zijn aan de minimale wanddikte, vastgesteld in paragraaf (3); de wanddikte van de houder zelf mag niet lager zijn dan de minimale wanddikte, vastgesteld in paragraaf (4). 2. Indien de houders dubbelwandig uitgevoerd zijn, met een tussenlaag uit vaste stof van ten minste 50 mm dikte;de buitenste wand moet ten minste 0,5 mm dik zijn indien hij uit zacht staal vervaardigd is 3/ of ten minste 2 mm indien hij bestaat uit met glasvezels versterkte kunststof. Als tussenlaag mag vast schuim worden gebruikt (dat een even groot absorbtievermogen van schokken heeft als bijvoorbeeld polyurethaanschuim). De buitenwand moet ten minste 1 mm dik zijn indien hij van aluminium is. 2° voor tanks, gebouwd vanaf 1 januari 1990, geldt het volgende : (a) bij de tanks bestemd voor het vervoer van poedervormige of korrelvormige stoffen dient de bescherming zich aan de zijkanten van de tank te bevinden, daar waar de tank het breedst is;deze bescherming dient aan de volgende eisen te voldoen : - zij moet ten minste 30 cm hoog zijn; - de som van de wanddikte van de tank en van de dikte van de bescherming moet ten minste 5 mm bedragen voor zacht staal; voor andere materialen moet de formule van randnummer 211127 (3) en (4) gebruikt worden om de gelijkwaardige dikte te bekomen. (b) 3.De buitenwand moet ten minste 1 mm dik zijn indien hij van aluminium is.

Bn 211127 (7). De slingerschotten en tussenwanden bezitten een gelijkwaardige stevigheid indien ze weerstaan aan een totale druk gelijk aan tweemaal het gewicht van de vloeistof, die in het vak of de afdeling van de tank wordt vervoerd. Deze druk wordt uniform op het ganse slingerschot of de ganse tussenwand uitgeoefend in de rijrichting van het voertuig alsook in tegengestelde richting. Hierbij wordt rekening gehouden met de eventuele doorstromingsopeningen.

Bn 211130. De structuur- en dienstuitrustingen, die rechtstreeks op de houder zijn bevestigd, mogen slechts op de volgende plaatsen aangebracht worden : a) aan de onderkant van de houder : in een sector die reikt over een hoek van 60 ° aan weerszijden van zijn onderste beschrijvende rechte;b) aan de bovenkant van de houder : in een sector die reikt over eenhoek van 30° aan weerszijden van zijn bovenste beschrijvende rechte, indien een bescherming het (of de) toebehoren volledig omsluit. De hoogte van de bescherming moet groter zijn dan die van de te beschermen toebehoren.

De bescherming mag niet vervormen door de inwerking van het totaal gewicht van het voertuig en zijn nuttige last, in omgekantelde stand; c) op de achterste en voorste wand van de houder : buiten de welvingsstraal en de rechte rand. Elk deel van de uitrusting op de achterwand van de houder moet zich ten minste 10 cm vóór het achterste punt van de schokbreker bevinden.

Bn211140. Elke tank, die gebruikt wordt voor het vervoer van produkten van de klasse 2, wordt beschouwd als een prototype en dient de goedkeurings-procedure te ondergaan vastgelegd in randnummer Bn211240.

Voor de tanks, bestemd voor het vervoer van andere gevaarlijke produkten dan die van de klasse 2, bestaat de goedkeu-ringsprocedure van het prototype uit de toekenning van een goedkeuringsnummer aan een tankprototype, op basis van een technisch dossier. 1. De fabrikant van de tank moet bij de erkende instelling een technisch dossier in drievoud indienen, dat door die laatste wordt onderzocht met het oog op de goedkeuring van het tankprototype. 2. Het technisch dossier wordt opgesteld voor één enkel type constructiemateriaal (inox, aluminium, koolstofstaal, enz.). Indien de fabrikant ook een ander type constructiemateriaal wil gebruiken, moet hij hiervoor een apart dossier indienen. 3. Het technisch dossier moet ten minste de volgende gegevens bevatten : 3.1. De mechanische eigenschappen van de constructiematerialen; 3.2. De tekeningen en berekeningen van de volgende elementen : - tankwanden; - tussenwanden; - slingerschotten; - bevestigingssysteem van de tank op het chassis en/of op het vals chassis; - bescherming - versterkingen en andere tankonderdelen.

Vermits de berekeningsnota's opgemaakt worden volgens de bepalingen van dit besluit en van bijlage B van het A.D.R. mogen de gegevens als volgt gegroepeerd worden in twee van elkaar onafhankelijke delen : 3.2.1. De tekeningen en berekeningen van de variabele elementen van de tank, als daar zijn : - tankwand; - tussenwanden; - slingerschotten; - bevestiging op het chassis, enz.

Dit gedeelte van het technisch dossier dekt insgelijks alle tanks van dezelfde fabrikant die van hetzelfde type zijn, doch waarvan de inhoud, de lengte, de uitrustingen, het aantal tussenwanden of slingerschotten verschillen; dit evenwel voor zover de berekeningen van het prototype uitgaan van belastingen die groter zijn dan of gelijk aan degene die optreden bij de te bouwen tank. 3.2.2. De tekeningen en berekeningen van de onveranderlijke elementen van een tank, als daar zijn : de mangaten, morsbakken, beschermingen, enz. Dit gedeelte van het technisch dossier mag gebruikt worden voor goedkeuringen van andere tankprototypes van dezelfde fabrikant. 4. Op basis van het voornoemd technisch dossier beslist de erkende instelling of het tankprototype voldoet aan de diverse voorschriften. Indien dit het geval is, verleent ze aan dit prototype een goedkeuringsnummer. 5. Alle uitrustingen van tanks, gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke goederen (de stoffen van de klasse 2 inbegrepen) over de weg, moeten van een type zijn dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een goedkeuring.Deze goedkeuring wordt verleend door een der erkende instellingen bedoeld in artikel 4, § 1, van dit besluit, nadat het heeft nagegaan of dit uitrustingstype beantwoordt aan de bepalingen die er op van toepassing zijn.

Bij zijn aanvraag om goedkeuring voegt de leverancier van de uitrusting een technische documentatie en een attest van de fabrikant waaruit blijkt dat ze geschikt is voor de te vervoeren produkten.

Elke beslissing tot afkeuren van een uitrustingstype moet met redenen omkleed zijn en betekend worden aan het bestuur van het vervoer door de erkende instelling die de aanvraag tot goedkeuring heeft onderzocht.

De uitrustingen van de tanks, gebouwd vanaf 1 mei 1986, moeten gemakkelijk te identificeren zijn. Te dien einde dienen ze op duurzame wijze gemerkt te worden met ten minste : - de naam of het zegel van de fabrikant; - het type; - de uiterste toegelaten werkingsvoorwaar-den (druk, temperatuur,...).

Deze gegevens dienen leesbaar te zijn nadat de uitrusting gemonteerd is.

Ze mogen desnoods op een plaatje geplaatst worden dat aan corrosie weerstaat en dat op duurzame wijze op de uitrusting vastgehecht wordt (bij voorkeur met behulp van klinknageltjes).

Bovenstaande bepalingen zijn niet van toepassing op tanks die uitsluitend binnenlands vervoer van stoffen van de klasse 3, 31°c) en 61° c) en van de klasse 9, 20° c) uitvoeren Bn211150.Voor elke tank, bestemd voor het vervoer van andere gevaarlijke produkten dan die van de klasse 2, bestaat de eerste controle uit het volgende : 1. Uitdrukkelijke vergunning om de bouw van een tank aan te vatten. 1.1. Alvorens de bouw van om het even welke nieuwe tank aan te vatten, moet de fabrikant een vergunning bekomen van een erkende instelling.

Hiertoe moet hij volgende documenten indienen bij die instelling : 1.1.1. een fabricageschema dat op zijn minst de volgende inlichtingen bevat : 1° goedkeuringsnummer van het prototype;2° afmetingen van de tank;3° afmetingen van het chassis;4° bevestigingssysteem van de tank op het chassis;5° ligging van het zwaartepunt van de tankwagen, de tankoplegger of de tankaanhangwagen. 1.1.2. een inlichtingsfiche die o.m. de volgende gegevens beat : 1° de lijst, de plaatsing en de bescherming van de gebruikte uitrustingen;2° de mechanische eigenschappen en de diktes van de fabricagematerialen, bedoeld in randnummer Bn211120 (1);3° de klassen en cijfers van de te vervoeren produkten. 1.1.3. de goedkeuringsattesten betreffende de lasmethoden, bedoeld in randnummer Bn211127 (8). 1.1.4. de bekwaamheidsverklaringen van de lassers, bedoeld in randnummer Bn211127 (8). Deze verklaringen zijn één jaar geldig. 1.2. De erkende instelling gaat na of deze inlichtingen overeenstemmen met het goedgekeurd technisch dossier, bedoeld in randnummer Bn211140, en beantwoorden aan de reglementering. Indien dit het geval is verleent het de bouwvergunning. 2. Controles en beproevingen door de erkende instelling te verrichten op de tank : 2.1. het nemen van een lasproefplaat indien de tank berekend werd met een lasfactor g = 1 of in geval van twijfel over de kwaliteit van het toegepast lasprocédé. 2.2. een röntgenonderzoek dat als volgt dient te worden uitgevoerd : 2.2.1. op alle knopen en over ten minst 10 pct van de totale lengte der stuiklasnaden indien voor de berekening van de tank een lascoëfficient g < 0,8 gebruikt werd; 2.2.2. volgens de voorschriften van randnummer 211127, (8) indien voor de berekening van de tank een lascoëfficient g van 0,9 of 1 gebruikt werd; 2.3. een hydraulische proefpersing, uitgevoerd vóór het schilderen van de tank en vóór het eventueel aanbrengen van isolatie of bekleding; 2.4. een visuele in- en uitwendige controle van ieder vak van de tank; 2.5. een visuele controle van de tankbevestiging en van de bescherming van zijn toebehoren; 2.6. een dichtheidsproef op de volledig uitgeruste tank en een nazicht van de goede werking der toebehoren; 2.7. een controle van het overeenstemmen van de tank met de inlichtingen vervat in punt 1.1. van het onderhavig randnummer; een controle van de uitrusting van de tank volgens de verstrekte lijst inbegrepen; 2.8. een controle van de stabiliteit van het voertuig, rekening houdend met randnummer 211128; 2.9. in voorkomend geval een controle van de electrostatische overbrugging. 3. Verificatie van de volgende attesten door de erkende instelling : 3.1. attest van de constructeur van het chassis, bedoeld in randnummer Bn211127 (1); 3.2. attesten van de gebruikte materialen, bedoeld in randnumer Bn211120 (1); 3.3. attesten waarbij de bouwer van de tank bevestigt dat de materialen (met vermelding van de gietnummers), die het voorwerp uitmaken van de in punt 3.2 vermelde materiaalattesten, werkelijk gebruikt zijn voor deze tank; 3.4. attesten van de bouwer van de tank betreffende de toegepaste lasmethoden, met opgave van de namen der lassers die de lassen van de tank hebben uitgevoerd; 4. Afgifte van een A.D.R.-gelijkvor-migheidsattest.

Indien is voldaan aan de voorschriften van punt 1 t.e.m. 3 en indien de resultaten der controles en beproevingen aan de gestelde eisen beantwoorden, brengt de erkende instelling haar slagstempel aan op de plaat met kenmerken en levert zij een A.D.R.-gelijkvormigheidsattest af. (B + Bn)211152. Bij elk onderzoek onderwerpt de erkende instelling de bevestiging van de tank aan het chassis aan een visueel onderzoek. (B + Bn)211160. De plaat met kenmerken moet gemakkelijk waarneembaar en leesbaar zijn voor een waarnemer die op de grond staat. (B + Bn)211161. Op de achterkant van de tankwagen, tankoplegger of tankaanhangwagen moeten volgende gegevens aangebracht worden : de naam of de kenletters van de ondernemer, het telefoonnummer van de ondernemer of van het kantoor der firma, die bij ongeval moet verwittigd worden.

De letters en cijfers van deze aanduidingen moeten ten minste 7 cm hoog en 1 cm dik zijn. (B+Bn) 211174. De tanks die gebouwd werden na het van kracht worden van onderhavig besluit en die bestemd zijn voor het vervoer van benzine van een terminal naar een andere of van een terminal naar een tankstation, moeten zodanig ontworpen en ingezet worden dat de vrijkomende dampen bij het laden en lossen gerecupereerd worden, dit volgens de door de bevoegde overheid vastgestelde modaliteiten; de technische richtlijnen treden 6 maanden na hun publicatie in voege.

De tanks die gebouwd werden voor het van kracht worden van onderhavig besluit moeten ten laatste aan deze voorschriften voldoen bij de tweede van de door randnummers 211151 en 211152 voorzien controles die volgt op het van kracht worden van onderhavig besluit.

Bn 211223. Thermische behandeling op tanks bestemd voor het vervoer van stoffen van klasse 2. 1. Thermische behandeling na de vormgeving. 1.1. Bij tanks in koolstofstaal, in gelegeerd staal met Ni en in austenitisch staal met Cr-Ni moeten de delen van de tank, die door de vormgeving een koudharding hebben ondergaan te wijten aan een permanente vervorming van meer dan 3 pct., onderworpen worden aan een thermische behandeling die past bij de aard van het metaal zodat het zijn gunstige eigenschappen terugkrijgt. Bij tanks in austenistisch staal mag deze thermische behandeling weggelaten worden, mits instemming van de erkende instelling. 1.2. Tanks in aluminium of in aluminium-legeringen moeten onderworpen worden aan de thermische behandelingen, die eventueel vereist zijn wegens de aard van het vormgevingsprocédé. Deze behandelingen moeten verricht worden volgens de voorschriften verstrekt door de walserij. 2. Ontspanningsuitgloeiing na het lassen. De hieronder beschreven ontspanningsuit-gloeiing moet verricht worden op de volledig voltooide tank, uitgerust met alle toebehoren die door lassing permanent eraan vastgehecht moeten blijven. 2.1. Tanks in koolstofstaal en in gelegeerd staal met Ni, die na de montage geen normaliseringsuitgloeiing hebben onder-gaan volgens een bekende norm, behalve indien aan de volgende drie voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1. De/e < 0,2 Rm 2.Rm < 480 N/mm2 3. e < 15 mm waarbij De = buitendiameter van de cilindervormige romp, uitgedrukt in mm. e = dikte van de cilindervormige romp, uitgedrukt in mm.

Rm = gewaarborgde minimumbreukspanning bij een eenvoudige uitrekking bij omgevingstemperatuur, uitgedrukt in N/mm2.

De erkende instelling kan een ontspanningsuitgloeiing eisen, indien het oordeelt dat de bouw van de tank zodanig is opgevat en uitgevoerd dat abnormale accumulatie van belangrijke residuele spanningen te vrezen is in de gelaste verbindingen. 2.2. Bij tanks in austenitisch staal met Cr-Ni, in aluminium en in aluminiumlege-ringen moeten eventueel thermische behandelingen toegepast worden, die aan de tanks en het metaal zo gunstig mogelijke eigenschappen geven.

Bn 211240. Elke tank, die gebruikt wordt voor het vervoer van produkten van klasse 2, wordt door een erkende instelling, bedoeld in artikel 4, § 1 van dit besluit, onderworpen aan de onderzoeken, proeven en beproevingen bepaald in een keuringsprogramma. Dit programma moet de instelling in voorkomend geval in staat stellen te verklaren dat de gekeurde tank (haar bevestigingsmiddelen en uitrusting inbegrepen) geschikt is voor het gebruik waarvoor ze werd ontworpen en beantwoordt aan de voorschriften welke van toepassing zijn op de te vervoeren goederen.

Voor elke tank en tankbatterij, gebouwd vanaf de datum van de in voegetreding van dit besluit, wordt een technisch dossier samengesteld en een keuringsprogramma opgesteld dat ten minste de onderzoeken, proeven en beproevingen omvat opgelegd door het A.D.R. en dit besluit.

A. Voor tanks beantwoorden dit technisch dossier en dit keuringsprogramma aan de volgende minimale eisen : 1. Technisch dossier. 1.1. Het dossier wordt in drievoud ingediend door de constructeur van de tank bij de erkende instelling. 1.2. Dit dossier omvat ten minste de volgende gegevens : 1.2.1. de tekeningen en berekeningen van de volgende elementen : - tankwanden; - slingerschotten; - bevestigingssysteem van de tank op het chassis en/of op het vals chassis; - beschermingen; - versterkingen en andere tankonderdelen zoals mangaten, enz.; - leidingen 1.2.2. de gebruikte materialen van elk tankonderdeel met verwijzing naar de kwaliteitsnorm; 1.2.3. de ligging van het zwaartepunt van de tankwagen; 1.2.4. de bouwtekeningen van de leidingen waarop hun ligging alsook de eventuele equipotentiale verbindingen zijn aange-geven; 1.2.5. de lijst, de plaatsbepaling en de afmetingen van de uitrustingen; 1.2.6. de aard van de te vervoeren produkten (A.D.R. klassificatie); 1.2.7. de technische documentatie van de uitrustingen en de verenigbaarheidsattesten overeenkomstig randnummer Bn211140; 1.2.8. het attest van de leverancier van het chassis volgens randnummer Bn211127 (1); 1.2.9. de gebruikte lasmethoden; 1.2.10. het debiet van de eventuele veiligheidskleppen en de verrecht-vaardiging van dit debiet.

Voor de houders bestemd voor het vervoer van gassen van 2° F is dit een berekenings-nota betreffende het afvoervermogen van de kleppen, gebaseerd op een norm of code van goede praktijk. 1.2.11. een attest betreffende de verenigbaarheid van de materialen met de vervoerde produkten. 2. Onderzoek van het technisch dossier. De erkende instelling gaat na of de elementen van het technisch dossier beantwoorden aan punt 1 en aan de bepalingen van de bijlagen van het A.D.R. Met dit doel verifieert het organisme de berekeningen, de keuze van de materialen en de uitrustingen. 3. Onderzoek van de gebruikte materialen. De erkende instelling gaat na of de gebruikte materialen overeenstemmen met de gegevens van het technisch dossier. 4. Goedkeuring van de lasmethode en de lassers. De erkende instelling gaat over tot de goedkeuring van de lasmethode en van de lassers overeenkomstig het bepaalde in randnummer Bn211127 (8). 5. Toezicht op de bouw. De bouw heeft plaats onder toezicht van de erkende instelling.

Die instelling : - gaat door middel van steekproeven de belangrijkste fabricagefasen na (bijvoorbeeld het vervaardigen van de mantel, het aanlassen, de identiteit van de lassers, de goede toepassing van de las- en controlemethoden, enz.); - is aanwezig bij het nemen van het in punt 6 bedoelde proefstuk; - bepaalt en onderzoekt de uitvoeringsvoorwaarden van de niet-destructieve testen; - verifieert de diagrammen van de thermische behandeling. 6. Proeven op het proefstuk. Voor elke tank wordt een proefstuk genomen op het uiteinde van een der langsnaden; in voorkomend geval ook op het uiteinde van een der stomplassen van de uit meerdere stukken samengestelde bodems.

Elk proefstuk ondergaat dezelfde thermische behandelingen als het stuk waarop het betrekking heeft.

Na radiografisch onderzoek worden uit elk proefstuk proefstaven genomen ter uitvoering van volgende proeven : - een trekproef loodrecht op de las; - een trekproef op een proefstaal met insnoering in de las, wanneer de plaatdikten kleiner zijn dan of gelijk zijn aan 12 mm; - een trekproef op het neergesmolten metaal wanneer de plaatdikte groter is dan 12 mm; - een buigproef over de keerzijde en een buigproef over de bovenzijde van de lasnaad; - zes Charpy V kerfslagproeven (3 in het neergesmolten metaal en 3 in de warmte-invloedzone).

Het uitvoeren van de kerfslagproeven is niet vereist voor aluminium of aluminiumlegeringen en ook niet wanneer de plaatdikte kleiner is dan 2,5 mm.

De kerfslagproeven worden uitgevoerd op een temperatuur lager dan of gelijk aan de minimum bedrijfstemperatuur, zonder dat deze temperatuur hoger dan - 20 °C mag zijn. De gemiddelde waarden die voor elke reeks proeven bekomen worden, moeten minstens gelijk zijn aan 35 J/cm2.

Daarbij moeten per reeks van drie proeven ten minste twee proeven de voorggeschreven gemiddelde waarde bereiken, zonder dat het resultaat van de derde proef minder dan 70 pct. van deze waarde mag bedragen.

Indien deze proeven geen bevredigend resultaat geven, mogen drie bijkomende proeven uitgevoerd worden; van de zes bekomen resultaten moeten ten minste vier proefresultaten en het gemiddelde van de zes proeven de voorgeschreven waarde bereiken, terwijl slechts één van de twee overige resultaten minder dan 70 pct. van deze waarde mag bedragen.

Bij de trekproef op de ingesnoerde proefstaaf mag de breukspanning de in de kwaliteitsnorm van de platen bepaalde maximale breukspanning met niet meer dan 25 pct. overschrijden.

De waarde van de elasticiteitsgrens, bepaald tijdens de trekproef op de uit het neergesmolten metaal genomen proefstaaf, is minstens gelijk aan deze van het basismetaal. 7. Niet-destructief onderzoek van de lassen. 7.1. De erkende instelling onderwerpt alle lasnaden aan een visueel onderzoek om elke fout op te sporen die de veiligheid zou kunnen schaden, zoals inkartelingen, groeven, scheuren en barsten, enz. 7.2. Alle stomplassen van de tanks worden 100 pct. geradiografeerd.

De instelling interpreteert alle radiografieën. 7.3. Hoeklassen met volledige doorsmelting (stompen, valse chassis, enz.).

De hoeklassen met volledige doorsmelting worden 100 pct. onderworpen aan een ultrasoononderzoek.

De lassen die moeilijk bereikbaar zijn of niet geschikt zijn voor ultrasone controle, mogen onderzocht worden door middel van een electromagnetische of penetrante controle.

Deze controles worden uitgevoerd door de erkende instelling. 7.4. Hoeklassen met een onvolledige doorlassing. a) Lasnaden in kontakt met de wanden van de tank. Controle over 100 pct. door middel van een magnetisch, penetrant of ultrasoon onderzoek. Deze controles worden uitgevoerd door de erkende instelling. De erkende instelling bepaalt de methode van controle, rekening houdend met de gebruikte materialen en de ligging en de vorm van de lasnaden. Wanneer deze controles niet mogelijk zijn, omwille van de aard van de materialen, en de gebruiksvoorwaarden van het toestel, mogen ze mits goedkeuring door de erkende instelling, vervangen worden door andere niet-destructieve controles. b) Steunen en valse chassis. Magnetisch of penetrant onderzoek van alle bereikbare lassen. De instelling behoudt zich het recht voor deze onderzoeken bij te wonen of steekproeven uit te voeren. 7.5. Rondnaden van de leidingen.

Totale radiografische controle van 10 pct. van de naden met een minimum van 3 naden.

Voor giftige gassen wordt deze controle evenwel op 100 pct. van de lasnaden uitgevoerd.

Nota : Al de niet-destructieve testen worden uitgevoerd na eventuele uitgloeiing. Het radiografisch onderzoek na uitgloeiing mag vervangen worden door andere niet-destructieve proeven op voorwaarde dat een radiografisch onderzoek reeds uitgevoerd was vóór de thermische behandeling. 8. Controle van de overeenkomst met het plan. De erkende instelling voert een inwendig onderzoek uit om na te gaan of de tank beantwoordt aan de gegevens van het plan. 9. Hydraulische proef en inhoudsbepaling van de tank. De erkende instelling voert de hydraulische proef uit volgens de voorschriften van de bijlagen van het A.D.R. en bepaalt de inhoud van de tank door weging of door een volumetrische meting.

De leidingen worden met inbegrip van de uitrustingen onderworpen aan een hydraulische beproeving op een druk die minstens gelijk is aan de beproevingsdruk van de tank.

Voor tanks bestemd voor het vervoer van diepgekoelde gassen mag deze proef uitgevoerd worden met een ander fluidum dan water, rekening houdend met de veiligheidsvoorschriften voorzien door randnummer (B+Bn)211102 (3). 10. Controle van de uitrusting. De erkende instelling verifieert de aanwezigheid, de keuze en de bescherming van de uitrustingsstukken.

Indien de tanks en hun uitrustingsstukken afzonderlijk aan een hydraulische proef worden onderworpen, wordt op het geheel na assemblage een dichtheidsproef uitgevoerd op de door het A.D.R. voorgeschreven druk.

De erkende instelling kijkt de goede werking van de toebehoren na. 11. Controle van de bevestiging van de tank. De erkende instelling voertuig een visuele controle uit op de bevestiging van de tank aan het chassis of van het vals chassis aan het chassis. 12. Afgifte van een A.D.R.-gelijkvormigheidsattest.

Indien is voldaan aan de in de punten 1 tot 11 vervatte voorschriften en de resultaten der controles en beproevingen beantwoorden aan de gestelde eisen, brengt de erkende instelling zijn slagstempel aan op de plaat met kenmerken, levert het een A.D.R.-gelijkvormigheidsattest af en kent het een goedkeuringsnummer toe.

B. Voor tankbatterijen beantwoorden het technisch dossier en het keurings-programma aan de volgende minimale eisen. 1. Technisch dossier. 1.1. Een technisch dossier opgesteld in 3 exemplaren wordt door de constructeur ingediend bij een erkende instelling. 1.2. Het technisch dossier omvat ten minste de volgende gegevens : 1.2.1. de constructieplannen en berekeningen van het raam, de houders, het bevestigingssysteem van het raam aan het chassis en de leidingen; 1.2.2. de lijst, de plaatsbepaling en de afmetingen van de uitrustingen; 1.2.3. de hoogste dienstdruk van de houders en de aard van de te vervoer produkten. 1.2.4. het fabricageprocédé van de houders, de gebruikte materialen, de thermische behandeling en de mechanische eigen-schappen (breuksterkte, elasticiteitsgrens, rek, kerfslagwaarde) gewaarborgd na de thermische eindbehandeling; 1.2.5. het attest van de leverancier van het chassis volgens randnummer Bn211127 (1). 2. Onderzoek van het technisch dossier. De erkende instelling gaat na of de elementen van het technisch dossier beantwoorden aan de bepalingen van dit besluit. Met dit doel verifieert het organisme de berekeningen, de keuze van de materialen en de uitrustingen. 3. Toezicht op de bouw. 3.1. Fabricage van de houders.

De fabricage van de houders vindt plaats onder toezicht van een erkende instelling.

Die instelling : 1° gaat de chemische samenstelling van elke gieting na op basis van de analysecertificaten van de fabrikant;zo nodig voert het de scheikundige analyse zelf uit : 2° verifieert, op de basis van de uitgloeiingsdiagrammen, of de thermische behandeling overeenstemt met deze aangeduid in het thermisch dossier.Zonodig wordt de thermische behandeling gecontroleerd op afgewerkte houders door middel van hardheidsproeven; 3° verifieert de mechanische eigenschappen van elke houder na de afwerking en de thermische behandeling. Het controleren van de mechanische eigenschappen vindt plaats op een proefstuk dat genomen wordt uit de overlengte van het cilindrisch gedeelte vóór de vorming van het ogief en dat onderworpen wordt aan dezelfde thermische behandeling als de houders.

Deze controle bestaat uit : - een trekproef uitgevoerd in de langsrichting; - een dwarse buigproef op een stempel met aangepaste diameter; de proefstaaf moet gebogen worden over 180° zonder barst of scheur; - drie Charpy - V kerfslagproeven op een temperatuur lager dan of gelijk aan -20 °C, uitgevoerd op proefstaven genomen in de langsrichting; de as van de kerf moet loodrecht op de wand zijn.

Minimaal te bekomen waarden : - gemiddelde waarde : 50 J/cm2; - individuele waarden : 40 J/cm2. 4° verifieert door middel van steekproeven op elke houder de wanddikte van de houders;5° gaat door middel van een inwendig en uitwendig visueel onderzoek op elke houder na of er geen onaanvaardbare fouten aanwezig zijn.Indien nodig wordt dit onderzoek aangevuld met een ultrasoon onderzoek. 3.2. De bevestiging van het raam aan het chassis.

De bevestiging van het raam aan het chassis wordt nagezien door de erkende instelling. 4. Hydraulische proef. Elke houder wordt overeenkomstig de bepalingen van randnummer 211151 onderworpen aan een hydraulische proef door de erkende instelling.

Tijdens deze proef gaat de erkende instelling na of er geen overdreven onrondheid optreedt; in geen enkel geval mag de onrondheid meer dan 2 pct. van de gemiddelde diameter bedragen. 5. Afleveren van een A.D.R.-gelijkvormigheidsattest.

Wanneer aan de voorschriften, bedoeld in de punten 1 tot 4, voldaan is en de resultaten van de controle en onderzoeken voldoening schenken, brengt de erkende instelling zijn stempel aan op de kenplaat, bedoeld in randnummer 211261, evenals op de recipiënten; het levert een A.D.R.-gelijkvormigheidsattest af en kent een goedkeuringsnummer toe.

Het attest vermeldt de nummers van de houders die deel uitmaken van de batterij.

C. Onze Minister van Vervoer of zijn gemachtigde kan door middel van een ministerieel rondschrijven of door middel van instructies aan de erkende instellingen gedetailleerde regels ter uitvoering van de door dit randnummer geviseerde keuringsprogramma's uitvaardigen.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 12 november 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, L. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Vervoer, M. DAERDEN De Staatssecretaris voor Veiligheid, J. PEETERS

Bijlage 3 De bepalingen van aanhangsel B.1b van bijlage B bij het A.D.R. worden aangevuld met de bepalingen van deze bijlage.

Deze worden voorafgegaan door de letters Bn of (B + Bn) en het randnummer van het A.D.R. waarop ze betrekking hebben.

De letters Bn en (B + Bn) hebben volgende betekenis : - de randnummers voorafgegaan door de letters Bn zijn van toepassing op de in aanhangsel B.1b bedoelde laadketels die vanaf 1 mei 1986 gebouwd werden; - de randnummers voorafgegaan door de letters (B + Bn) zijn van toepassing op alle in aanhangsel B.1b bedoelde laadketels. (B + Bn) 212102 (3). De door de bevoegde overheid erkende methode voor het uitvoeren van de dichtheidsbeproeving is al naargelang van de eventuele technische onmogelijkheden en de eventuele gevaren : - owel het onder druk zetten, van de met water gevulde laadketel; - ofwel het onder druk zetten, eventueel door een luchtkussen, van de laadketel gevuld met de te vervoeren vloeistof; - ofwel het onder gadruk zetten van de laadketel;

Bij een gedeeltelijk of geheel onder gasdruk zetten moet de erkende instelling de nodige veiligheidsmaatregelen voorzien en derwijze doen toepassen, dat de veiligheid van haar eigen personeel, van het personeel van de onderneming waar de beproeving gebeurt en van de omgeving verzekerd is Bn212120(1). Bij het vaststellen van de ongevoeligheid voor brosse breuk en barstenverwekkende spanningscorrosie moet rekening gehouden worden met de aard van het vervoerd produkt.

De fabrikant verstrekt de attesten die slaan op de in de tanks verwerkte basismaterialen. Deze attesten zijn minstens van het niveau 3.1.B volgens de norm EN10204. Daarenboven moeten de platen uit ongelegeerd koolstofstaal en gelegeerd nikkelstaal beantwoorden of gelijkwaardig zijn aan platen volgens NBN630 (kwaliteit 2 voor niet-gelegeerd staal). De austenitische staalsoorten en de aluminiumsoorten moeten beantwoorden aan een internationaal bekende norm, zonder dat zij echter moeten voldoen aan eisen inzake kerfslagwaarde.

Bn 212120 (3). De werkwijze toegepast voor het lassen moeten het voorwerp hebben uitgemaakt van een proceduregoedkeuring. De lassen moeten uitgevoerd worden door lassers die vooraf bekwaam werden verklaard voor deze laswerken.

De erkende instelling doet proeven met het oog op het aanvaarden van de lasmethode en van de lassers, tenzij door documenten onomstootbaar bewezen wordt dat de proceduregoedkeuringen en bekwaamheidsverklaringen reeds zijn gebeurd. De erkende instelling oordeelt of deze documenten geldig zijn. (B + Bn) 212127 (1). Voor de niet-atmosferische houders moet bovendien, bij het berekenen van de spanningen, voor elk geval de in randnummer 212102, punt (2) e) iii bedoelde effectieve druk in rekening worden gebracht.

Bn212140. Elke laadketel, die gebruikt wordt voor het vervoer van produkten van de klasse 2, wordt beschouwd als een prototype en dient de goedkeuringsprocedure te ondergaan vastgelegd in randnummer Bn212240.

Voor de laadketels, bestemd voor het vervoer van andere gevaarlijke produkten dan die van de klasse 2 over de openbare weg in België,bestaat de goedkeurings-procedure van het prototype uit de toekenning van een goedkeuringsnummer aan een tankprototype, op basis van een technisch dossier. 1. De fabrikant van de tank moet bij de erkende instelling een technisch dossier in drievoud indienen, dat door die laatste wordt onderzocht met het oog op de goedkeuring van het tankprototype. 2. Het technisch dossier wordt opgesteld voor één enkel type constructiemateriaal (inox, aluminium, koolstofstaal, enz.). Indien de fabrikant ook een ander type constructiemateriaal wil gebruiken, moet hij hiervoor een apart dossier indienen. 3. Het technisch dossier moet ten minste de volgende gegevens bevatten : 3.1. De mechanische eigenschappen van de constructiematerialen; 3.2. De tekeningen en berekeningen van de volgende elementen : - wanden van de laadketel; - tussenwanden; - slingerschotten; - bescherming; - versterkingen en andere onderdelen.

Vermits de berekeningsnota's opgemaakt worden volgens de bepalingen van dit besluit en bijlage B van het A.D.R., mogen de gegevens als volgt gegroepeerd worden in twee van elkaar onafhankelijke delen : 3.2.1. De tekeningen en berekeningen van de variabele elementen van de laadketel, als daar zijn : - ketelwand; - tussenwanden; - slingerschotten.

Dit gedeelte van het technisch dossier dekt insgelijks alle laadketels van dezelfde fabrikant die van hetzelfde type zijn, doch waarvan de inhoud, de lengte, de uitrustingen, het aantal tussenwanden of slingerschotten verschillen; dit evenwel voor zover de berekeningen van het prototype uitgaan van belastingen die groter zijn dan of gelijk aan degene die optreden bij de te bouwen laadketel. 3.2.2. De tekeningen en berekeningen van de onveranderlijke elementen van een laadketel, als daar zijn : de mangaten, morsbakken, beschermingen, enz. Dit gedeelte van het technisch dossier mag gebruikt worden voor goedkeuringen van andere prototypes van laadketel van dezelfde fabrikant. 4. Op basis van het voornoemd technisch dossier, beslist de erkende instelling of het prototype van laadketel voldoet aan de diverse voorschriften.Indien dit het geval is, verleent ze aan dit prototype een goedkeuringsnummer. 5. Alle uitrustingen van laadketels, gebouwd vanaf 1 mei 1986 en gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke goederen (de stoffen van de klasse 2 inbegrepen) over de weg, moeten van een type zijn dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een goedkeuring.Deze goedkeuring wordt verleend door één der erkende instellingen bedoeld in artikel 4, § 1, van dit besluit, nadat zij heeft nagegaan of dit uitrustingstype beantwoordt aan de bepalingen die er op van toepassing zijn. Bij zijn aanvraag om goedkeuring voegt de leverancier van de uitrusting een technische documentatie en een attest van de fabrikant waaruit blijkt dat ze geschikt is voor de te vervoeren produkten.

Elke beslissing tot afkeuren van een uitrustingstype moet met redenen omkleed zijn en betekend worden aan het bestuur van het vervoer door de erkende instelling die de aanvraag tot goedkeuring heeft onderzocht.

De uitrustingen van de laadketels, die vanaf 1 mei 1986 gebouwd worden, moeten gemakkelijk te identificeren zijn, te dien einde dienen ze op duurzame wijze gemerkt te worden met ten minste : - de naam of het zegel van de fabrikant; - het type; - de uiterst toegelaten werkingsvoorwaarden (druk, temperatuur,...).

Deze gegevens dienen leesbaar te zijn nadat de uitrusting gemonteerd is; ze mogen desnoods op een plaatje geplaatst worden dat aan corrosie weerstaat en dat op duurzame wijze op de uitrusting vastgehecht wordt (bij voorkeur met behulp van klinknageltjes).

Vanaf 1 oktober 1993 geldt deze bepaling voor alle laadketels.

Bn212150. Voor elke laadketel, bestemd voor het vervoer van gevaarlijke produkten andere dan die van de klasse 2, bestaat de eerste controle uit het volgende : 1. Uitdrukkelijke vergunning om de bouw van een laadketel aan te vatten. 1.1. Alvorens de bouw van om het even welke nieuwe laadtekel aan te vatten, moet de fabrikant een vergunning bekomen van een erkende instelling. Hiertoe moet hij volgende documenten indienen bij die instelling : 1.1.1. een fabricageschema dat op zijn minst de volgende inlichtingen bevat : 1° goedkeuringsnummer van het prototype;2° afmetingen van de laadketel; 1.1.2. een inlichtingsfiche die o.m. de volgende gegevens bevat : 1° de lijst, de plaatsing en de bescherming van de gebruikte uitrustingen;2° de mechanische eigenschappen en de dikte van de fabricagematerialen, bedoeld in randnummer Bn212120;3° de klassen en cijfers van de te vervoeren produkten. 1.1.3. de goedkeuringsattesten betreffende de lasmethoden, bedoeld in randnummer Bn212120. 1.1.4. de bekwaamheidsverklaringen van de lassers, bedoeld in randnummer Bn212120. Deze verklaringen zijn één jaar geldig. 1.2. De erkende instelling gaat na of deze inlichtingen overeenstemmen met het goedgekeurd technisch dossier, bedoeld in randnummer Bn212140, en beantwoorden aan de technische reglementering. Indien dit het geval is verleent het de vereiste bouwvergunning. 2. Controles en beproevingen door de erkende instelling te verrichten op de laadketel. 2.1. Het nemen van een lasproefplaat indien de laadketel berekend werd met een lasfactor g = 1 of in geval van twijfel over de kwaliteit van het toegepast lasprocédé. 2.2. Een röntgenonderzoek dat als volgt dient te worden uitgevoerd : 2.2.1. op alle knopen en over ten minst 10 pct van de totale lengte der stuiklasnaden indien voor de berekening van de laadketel een lascoëfficient g < 0,8 gebruikt werd; 2.2.2. volgens de voorschriften van randnummer 211127, (8) indien voor de berekening van de laadketel een lascoëfficient g van 0,9 of 1 gebruikt werd; 2.3. een hydraulische proefpersing, uitgevoerd vóór het schilderen van de laadketel en vóór het eventueel aanbrengen van isolatie of bekleding; 2.4. een visuele in- en uitwendige controle van ieder vak van de laadketel; 2.5. een visuele controle van de bescherming van de toebehoren; 2.6. een dichtheidsproef op de volledig uitgeruste laadketel en een nazicht van de goede werking der toebehoren; 2.7. een controle van het overeenstemmen van de laadketel met de inlichtingen vervat in punt 1.1. van het onderhavig randnummer; een controle van de uitrusting van de laadketel volgens de verstrekte lijst inbegrepen; 3. Verificatie van de volgende attesten door de erkende instelling : 3.1. attesten van de gebruikte materialen, bedoeld in randnumer Bn212120 (1); 3.2. attesten waarbij de bouwer van de laadketel bevestigt dat de materialen (met vermelding van de gietnummers), die het voorwerp uitmaken van de in punt 3.1 vermelde materiaalattesten, werkelijk gebruikt zijn voor deze laadketel; 3.3. attesten van de bouwer van de laadketel betreffende de toegepaste lasmethoden, met opgave van de namen der lassers die de lassen van de laadketel hebben uitgevoerd; 4. Afgifte van een A.D.R.-gelijkvormigheidsattest.

Indien is voldaan aan de voorschriften van punt 1 t.e.m. 3 en indien de resultaten der controles en beproevingen aan de gestelde eisen beantwoorden, brengt de erkende instelling haar slagstempel aan op de plaat met kenmerken en levert zij een A.D.R.-gelijkvormigheidsattest af. (B+Bn) 212160. De plaat met kenmerken moet gemakkelijk waarneembaar en leesbaar zijn voor een waarnemer die op de grond staat. (B+Bn) 212174. De tanks die gebouwd werden na het van kracht worden van onderhavig besluit en die bestemd zijn voor het vervoer van benzine van een terminal naar een andere of van een terminal naar een tankstation, moeten zodanig ontworpen en ingezet worden dat de vrijkomende dampen bij het laden en lossen gerecupereerd worden, dit volgens de door de bevoegde overheid vastgestelde modaliteiten; de technische richtlijn treden 6 maanden na hun publicatie in voege. De tanks die gebouwd werden voor het van kracht worden van onderhavig besluit moeten ten laatste aan deze voorschriften voldoen bij de tweede van de door randnummers 212151 en 212152 voorzien controles die volgt op het van kracht worden van onderhavig besluit.

Bn 212223. Thermische behandeling op laadketels bestemd voor het vervoer van stoffen van klasse 2. 1. Thermische behandeling na de vormgeving. 1.1. Bij laadketels in koolstofstaal, in gelegeerd staal met Ni en in austenitisch staal met Cr-Ni moeten de delen van de laadketel, die door de vormgeving een koudharding hebben ondergaan te wijten aan een permanente vervorming van meer dan 3 pct., onderworpen worden aan een thermische behandeling die past bij de aard van het metaal zodat het zijn gunstige eigenschappen terugkrijgt. Bij laadketels in austenistisch staal mag deze thermische behandeling weggelaten worden, mits instemming van de erkende instelling. 1.2. Laadketels in aluminium of in aluminium-legeringen moeten onderworpen worden aan de thermische behandelingen, die eventueel vereist zijn wegens de aard van het vormgevingsprocédé. Deze behandelingen moeten verricht worden volgens de voorschriften verstrekt door de walserij. 2. Ontspanningsuitgloeiing na het lassen. De hieronder beschreven ontspanningsuitgloeiing moet verricht worden op de volledig voltooide laadketel, uitgerust met alle toebehoren die door lassing permanent eraan vastgehecht moeten blijven. 2.1. Laadketels in koolstofstaal en in gelegeerd staal met Ni, die na de montage geen normaliseringsuitgloeiing hebben ondergaan volgens een bekende norm, behalve indien aan de volgende drie voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1. De/e < 0,2 Rm 2.Rm < 480 N/mm2 3. e < 15 mm waarbij De = buitendiameter van de cilindervormige romp, uitgedrukt in mm. e = dikte van de cilindervormige romp, uitgedrukt in mm.

Rm = gewaarborgde minimumbreukspanning bij een eenvoudige uitrekking bij omgevingstemperatuur, uitgedrukt in N/mm2.

De erkende instelling kan een ontspanningsuitgloeiing eisen, indien het oordeelt dat de bouw van de laadketel zodanig is opgevat en uitgevoerd dat abnormale accumulatie van belangrijke residuele spanningen te vrezen is in de gelaste verbindingen. 2.2. Bij laadketels in austenitisch staal met Cr-Ni, in aluminium en in aluminiumlegeringen moeten eventueel thermische behandelingen toegepast worden, die aan de laadketel en het metaal zo gunstig mogelijke eigenschappen geven.

Bn 212240. Elke houder van laadketel die gebruikt wordt voor het wegvervoer van produkten van klasse 2, wordt door een erkende instelling, bedoeld in artikel 4, § 1 van dit besluit, onderworpen aan de onderzoeken, proeven en beproevingen bepaald in een keuringsprogramma. Dit programma moet de instelling in voorkomend geval in staat stellen te verklaren dat de gekeurde laadketel (zijn uitrusting inbegrepen) geschikt is voor het gebruik waarvoor ze werd ontworpen en beantwoordt aan de voorschriften welke van toepassing zijn op de te vervoeren goederen.

Voor elke laadketel wordt een technisch dossier samengesteld en een keuringsprogramma opgesteld dat ten minste de onderzoeken, proeven en beproevingen omvat opgelegd door het A.D.R. en dit besluit.

Dit technisch dossier en dit keuringsprogramma beantwoorden aan de volgende minimale eisen : 1. Technisch dossier. 1.1. Het dossier wordt ingediend door de constructeur van de laadketel bij de erkende instelling. 1.2. Dit dossier omvat ten minste de volgende gegevens : 1.2.1. de tekeningen en berekeningen van de volgende elementen : - tankwanden; - bevestigingssysteem van de houder; - beschermingen; - versterkingen en andere tankonderdelen; - leidingen 1.2.2. de gebruikte materialen van elk tankonderdeel met verwijzing naar de kwaliteitsnorm; 1.2.3. de bouwtekeningen van de leidingen waarop hun ligging alsook de eventuele equipotentiale verbindingen zijn aangegeven; 1.2.4. de lijst, de plaatsbepaling, de afmetingen, de technische documentatie van de uitrustingen en de verenigbaarheidsattesten overeenkomstig rand-nummer Bn 212140; 1.2.5. de aard van de te vervoeren produkten (A.D.R. klassificatie); 1.2.6. de gebruikte lasmethoden; 1.2.7. het debiet van de eventuele veiligheidskleppen en de verrechtvaardiging van dit debiet. 1.2.8. een attest betreffende de verenigbaarheid van de materialen met de vervoerde produkten. 2. Onderzoek van het technisch dossier. De erkende instelling gaat na of de elementen van het technisch dossier beantwoorden aan punt 1 en aan de bepalingen van de bijlagen van het A.D.R. Met dit doel verifieert het organisme de berekeningen, de keuze van de materialen en de uitrustingen. 3. Onderzoek van de gebruikte materialen. De erkende instelling gaat na of de gebruikte materialen overeenstemmen met de gegevens van het technisch dossier. 4. Goedkeuring van de lasmethode en de lassers. De erkende instelling gaat over tot de goedkeuring van de lasmethode en van de lassers overeenkomstig het bepaalde in randnummer Bn212120. 5. Toezicht op de bouw. De bouw heeft plaats onder toezicht van de erkende instelling.

Die instelling : - gaat door middel van steekproeven de belangrijkste fabricagefasen na (bijvoorbeeld het vervaardigen van de mantel, het aanlassen, de identiteit van de lassers, de goede toepassing van de las- en controlemethoden, enz.); - is aanwezig bij het nemen van het in punt 6 bedoelde proefstuk; - bepaalt en onderzoekt de uitvoeringsvoorwaarden van de niet-destructieve testen; - verifieert de diagrammen van de thermische behandeling. 6. Proeven op het proefstuk. Voor elke laadketel wordt een proefstuk genomen op het uiteinde van een der langsnaden; in voorkomend geval ook op het uiteinde van een der stomplassen van de uit meerdere stukken samengestelde bodems.

Elk proefstuk ondergaat dezelfde thermische behandelingen als het stuk waarop het betrekking heeft.

Na radiografisch onderzoek worden uit elk proefstuk proefstaven genomen ter uitvoering van volgende proeven : - een trekproef loodrecht op de las; - een trekproef op een proefstaal met insnoering in de las, wanneer de plaatdikten kleiner zijn dan of gelijk zijn aan 12 mm; - een trekproef op het neergesmolten metaal wanneer de plaatdikte groter is dan 12 mm; - een buigproef over de keerzijde en een buigproef over de bovenzijde van de lasnaad; - zes Charpy V kerfslagproeven (3 in het neergesmolten metaal en 3 in de warmte-invloedzone).

Het uitvoeren van de kerfslagproeven is niet vereist voor aluminium of aluminiumlegeringen en ook niet wanneer de plaatdikte kleiner is dan 2,5 mm.

De kerfslagproeven worden uitgevoerd op een temperatuur lager dan of gelijk aan de minimum bedrijfstemperatuur, zonder dat deze temperatuur hoger dan - 20°C mag zijn. De gemiddelde waarden die voor elke reeks proeven bekomen worden, moeten minstens gelijk zijn aan 35 J/cm2.

Daarbij moeten per reeks van drie proeven ten minste twee proeven de voorggeschreven gemiddelde waarde bereiken, zonder dat het resultaat van de derde proef minder dan 70 pct. van deze waarde mag bedragen.

Indien deze proeven geen bevredigend resultaat geven, mogen drie bijkomende proeven uitgevoerd worden; van de zes bekomen resultaten moeten ten minste vier proefresultaten en het gemiddelde van de zes proeven de voorgeschreven waarde bereiken, terwijl slechts één van de twee overige resultaten minder dan 70 pct. van deze waarde mag bedragen.

Bij de trekproef op de ingesnoerde proefstaaf mag de breukspanning de in de kwaliteitsnorm van de platen bepaalde maximale breukspanning met niet meer dan 25 pct. overschrijden.

De waarde van de elasticiteitsgrens, bepaald tijdens de trekproef op de uit het neergesmolten metaal genomen proefstaaf, is minstens gelijk aan deze van het basismetaal. 7. Niet-destructief onderzoek van de lassen. 7.1. De erkende instelling onderwerpt alle lasnaden aan een visueel onderzoek om elke fout op te sporen die de veiligheid zou kunnen schaden, zoals inkartelingen, groeven, scheuren en barsten, enz. 7.2. Alle stomplassen van de tanks worden 100 pct. geradiografeerd.

De instelling interpreteert alle radiografieën. 7.3. Hoeklassen met volledige doorsmelting.

De hoeklassen met volledige doorsmelting worden 100 pct. onderworpen aan een ultrasoononderzoek.

De lassen die moeilijk bereikbaar zijn of niet geschikt zijn voor ultrasone controle, mogen onderzocht worden door middel van een electromagnetische of penetrante controle.

Deze controles worden uitgevoerd door de erkende instelling. 7.4. Hoeklassen met een onvolledige doorlassing.

Lasnaden in kontakt met de wanden van de tank.

Controle over 100 pct. door middel van een magnetisch, penetrant of ultrasoon onderzoek. Deze controles worden uitgevoerd door de erkende instelling. De erkende instelling bepaalt de methode van controle, rekening houdend met de gebruikte materialen en de ligging en de vorm van de lasnaden. Wanneer deze controles niet mogelijk zijn, omwille van de aard van de materialen, en de gebruiksvoorwaarden van het toestel, mogen ze mits goedkeuring door de erkende instelling, vervangen worden door andere niet-destructieve controles. 7.5. Rondnaden van de leidingen.

Totale radiografische controle van 10 pct. van de naden met een minimum van 3 naden.

Voor giftige gassen wordt deze controle evenwel op 100 pct. van de lasnaden uitgevoerd.

Nota : Al de niet-destructieve testen worden uitgevoerd na eventuele uitgloeiing. Het radio-grafisch onderzoek na uitgloeiing mag vervangen worden door andere niet-destructieve proeven op voorwaarde dat een radiografisch onderzoek reeds uitgevoerd was vóór de thermische behandeling. 8. Controle van de overeenkomst met het plan. De erkende instelling voert een inwendig onderzoek uit om na te gaan of de laadketel beantwoordt aan de gegevens van het plan. 9. Hydraulische proef en inhoudsbepaling van de laadketel. De erkende instelling voert de hydraulische proef uit volgens de voorschriften van de bijlagen van het A.D.R. en bepaalt de inhoud van de laadketel door weging of door een volumetrische meting.

De leidingen worden, met inbegrip van de uitrustingen, onderworpen aan een hydraulische beproeving op een druk die minstens gelijk is aan de beproevingsdruk van de laadketel.

Voor laadketels bestemd voor het vervoer van diep gekoelde gassen mag dee proef uitgevoerd worden met een ander fluidum dan water, rekening houdend met de veiligheidsvoorschriften voorzien door randnummer (B + Bn) 212102 (3). 10. Controle van de uitrustingen. De erkende instelling verifieerd de aanwezigheid, de keuze en de bescherming van de uitrustingsstukken.

Indien de tanks en hun uitrustingsstukken afzonderlijk aan een hydraulische proef worden onderworpen, wordt op het geheel na assemblage een dichtheidsproef uitgevoerd op de door het A.D.R. voorgeschreven druk.

De erkende instelling kijkt de goede werking van de toebehoren na. 11. Controle van de bevestiging van de houder. De erkende instelling voert een visuele controle uit op de bevestiging van de steunen aan de houder. 12. Afgifte van een A.D.R.-gelijkvormigheidsattest.

Indien is voldaan aan de in de punten 1 tot 11 vervatte voorschriften en de resultaten der controles en beproevingen beantwoorden aan de gestelde eisen, brengt de erkende instelling zijn slagstempel aan op de plaat met kenmerken en levert zij een A.D.R.-gelijkvormigheidsattest en een goedkeuringsnummer af. 13. Onze Minister van Vervoer of zijn gemachtigde kan door middel van een ministerieel rondschrijven of door middel van instructies aan de erkende instellingen gedetailleerde regels ter uitvoering van het door dit randnummer geviseerd keuringsprogramma uitvaardigen. Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 12 november 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, L. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Vervoer, M. DAERDEN De Staatssecretaris voor Veiligheid, J. PEETERS

Bijlage 4 De bepalingen van aanhangsel B.1c van bijlage B bij het A.D.R. worden aangevuld met de bepalingen van deze bijlage.

Deze worden voorafgegaan door de letters B, Bn of (B + Bn) en het randnummer van het A.D.R. waarop ze betrekking hebben.

De letters B, Bn en (B + Bn) hebben volgende betekenis : - de randnummers, voorafgegaan door de letter B, zijn van toepassing op de in aanhangsel B.1c bedoelde tanks die vr 1 september 1976 gebouwd werden en uitsluitend binnenlands vervoer verrichten; - de randnummers, voorafgegaan door de letters Bn zijn van toepassing op alle in aanhangsel B.1c bedoelde tanks die vanaf 1 september 1976 gebouwd werden en op de in aanhangsel B.1c bedoelde tanks, gebouwd tussen 1 april 1974 en 1 september 1976, die voor internationaal vervoer gebruikt worden.

Na afloop van de overgangsperiode voorzien in het randnummer B213181 zal het randnummer Bn211130 (2) van toepassing zijn op alle in aanhangsel B.1c bedoelde tanks. - de randnummers, voorafgegaan door (B + Bn) zijn van toepassing op alle in aanhangsel B.1c bedoelde tanks.

B213100 (1). De tanks moeten niet voldoen aan de eisen, gesteld in randnummer 211140 en 211150 van bijlage B.1a bij het A.D.R. Bn213100(1). De tanks moeten voldoen aan de eisen, gesteld in volgende randnummers van bijlage 2 bij dit besluit : Bn211127 (1), Bn211127 (7), Bn211130. (B + Bn)213100 (1). De tanks moeten voldoen aan de eisen, gesteld in volgende randnummers van bijlage B.1a bij het A.D.R. en bijlage 2 bij dit besluit : (B + Bn)211102 (3), 211131, 211133 tot 211135, (B + Bn)211160, (B + Bn)211161 en 211172 (4). Bij de dichtheidsbeproeving is het geheel onder gasdruk zetten om veiligheidsredenen verboden. (B + Bn)213100 (2). Voor tanks bestemd voor nationaal vervoer zal de inwendige inspectie om de zes jaar uitgevoerd worden.

Bn213140. Het onderzoek en de aanneming van het prototype gebeurt als volgt : de fabrikant van de tank moet bij een erkende instelling een technisch dossier in drievoud indienen, dat door dit laatste wordt onderzocht met het oog op de goedkeuring van de tankprototype. 1. Het technisch dossier moet ten minste de volgende gegevens bevatten : 1.1. aard en eigenschappen van de constructiematerialen met o.m. de maximale dienstvoorwaarden. 1.2. de tekeningen van de volgende elementen : - tankwanden; - tussenwanden; - slingerschotten; - bevestigingssysteem van de tank op het chassis en/of op het vals chassis; - bescherming; - versterkingen en andere tankonderdelen.

De gegevens mogen als volgt gegroepeerd worden in twee van elkaar onafhankelijke delen : 1.2.1. de tekeningen van de variabele elementen van de tank, als daar zijn : - tankwand; - tussenwanden; - slingerschotten; - bevestiging op het chassis, enz...

Dit gedeelte van het technisch dossier dekt insgelijks alle tanks van dezelfde fabrikant die van hetzelfde type zijn, doch waarvan de inhoud en de lengte kleiner zijn, waarvan de uitrustingen verschillen of waarvan het aantal tussenwanden of slingerschotten groter is. 1.2.2. de tekeningen van de onveranderlijke elementen van een tank, als daar zijn : de mangaten, morsbakken, beschermingen, enz... Dit gedeelte van het technisch dossier mag gebruikt worden voor goedkeuringen van andere tankprototypes van dezelfde fabrikant. 2. Op het tankprototype worden de testen en beproevingen uitgevoerd, beschreven in randnummers 213140, 213141 en Bn213141;dit door of onder toezicht van de erkende instelling. 3. Aan de hand van het in punt 1 vernoemd technisch dossier en de resultaten van de in punt 2 vernoemde testen en beproevingen, beslist de erkende instelling of het tankprototype voldoet aan de diverse voorschriften.Indien dit het geval is, verleent ze aan dit prototype een goedkeuringsnummer.

Het goedkeuringsnummer blijft hetzelfde voor alle tanks van hetzelfde type, die gebouwd worden met materialen waarvan de eigenschappen identiek of superieur zijn aan dit van het prototype. 4. Behalve in het geval van tanks die uitsluitend binnenlands vervoer van stoffen van de klasse 3, 31° c) en 61° c) en van de klasse 9, 20° c) uitvoeren, moeten de uitrustingen van een type zijn dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een goedkeuring in konformiteit met randnummer Bn 211140. Bn 213141. Het prototype moet aan volgende dynamische proef worden onderworpen : op tien verschillende plaatsen van de voorwand, van de inklemmingen van de stunen in de mantel en van de verbindingen tussen de bodem en de beslagring van het prototype, die las kritiek worden beschouwd door de erkende instelling, worden rekstrookjes geplaatst wanneer de tank nog leeg is. De tank wordt vervolgens tot 80 % van haar inhoud met water gevuld. Dan laat men ze een proeftraject aflopen, waarbij men de waarden van de versnelling in de richting van de verplaatsing en van de spanningen gelijktijdig registreert.

De spanningen bij een versnelling van 2 g worden d.m.v. een lineaire extrapolatie van de gemeten spanningen bepaald. De buigspanning bij breuk moet groter zijn dan 5,5 maat de door extrapolatie bekomen spanning op de meest belaste plaats.

Voor de berekeningen zal het volgende bepaald worden : - de elasticiteitsmodulus bij buiging : Ef; - de buigspanning bij breuk : 6 fr volgens de methode van de drie storingen (NBN T.41-002). De proefstukken die bestemd zijn voor deze proeven worden genomen tijdens de constructie van het prototype.

Bn213142. De controle op de overeenstemming van in serie geproduceerde tanks bestaat uit het volgende : 1. alvorens de bouw van om het even welke nieuwe tank aan te vatten, moet de fabrikant een vergunning bekomen van de erkende instelling. Hiertoe moet hij de volgende documenten indienen bij dit organisme : 1.1. een fabricageschema dat op zijn minst de volgende inlichtingen bevat : - goedkeuringsnummer van het prototype; - afmetingen van de tank; - afmetingen van het chassis; - bevestigingssysteem van de tank op het chassis; - ligging van het zwaartepunt van de tankwagen, tankoplegger of tankaanhangwagen. 1.2. een inlichtingenfiche die o.m. de volgende gegevens bevat : - de lijst, de plaatsing en de bescherming van de gebruikte uitrustingen; - aard, eigenschappen en diktes van de fabricagematerialen; - de klassen en cijfers van de te vervoeren produkten; 2. de erkende instelling gaat na of deze inlichtingen overeenstemmen met het goedgekeurd technisch dossier en beantwoorden aan de reglementering.Indien dit het geval is, verleent zij de bouwvergunning. 3. de erkende instelling voert volgende controles en beproevingen op de tank uit : 3.1. een hydraulische proefpersing, uitgevoerd vóór het schilderen van de tank en vóór het eventueel aanbrengen van isolatie of bekleding. 3.2. een visuele in- en uitwendige controle van ieder vak van de tank. 3.3. een visuele controle van de tankbevestiging en van de bescherming van zijn toebehoren. 3.4. een dichtheidsproef op de volledig uitgerust tank en een nazicht van de goede werking der toebehoren. 3.5. een controle van het overeenstemmen van de tank met de inlichtingen vervat in punt 1 van het onderhavig randnummer; een controle van de uitrusting van de tank volgens de verstrekte lijst inbegrepen. 3.6. een controle van de stabiliteit van het voertuig. 3.7. in voorkomend geval een controle van de electrostatische overbrugging. 4. de erkende instelling verifieert de volgende attesten : 4.1. attest van de constructeur van het chassis, bedoeld in randnummer Bn211127 (1); 4.2. attest waarbij de bouwer van de tank bevestigt dat de materialen die het voorwerp uitmaken van de in punt 1.2. vermelde gegevens, werkelijk gebruikt zijn voor deze tank. 5. indien voldaan is aan de voorschriften van punt 1 t.e.m. 4 en indien de resultaten der controles en beproevingen aan de gestelde eisen beantwoorden, brengt de erkende instelling zijn slagstempel aan op de plaat met kenmerken en levert zij een A.D.R.-gelijkvormigheidsattest af. 6. het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur verricht de gelijkvormig-heidscontrole volgens randnummer 213142 (1) door middel van steekproeven op elementen genomen tijdens de fabrikatie van de tanks.Ieder element dient van een opschrift voorzien te zijn waaruit de identiteit van de persoon blijkt die de lagen kunststof heeft aangebracht. De kosten van deze gelijkvormigheidscontrole vallen ten laste van de fabrikant.

B213154 (2). Indien tanks voorzien zijn van een metalen netwerk, mag de maasoppervlakte van dat netwerk groter zijn dan 64 cm2. Deze tanks moeten nochtans voldoen aan de eisen voorgeschreven voor de waarden van de weerstanden. (B + Bn)213154 (3). Alle metingen van de oppervlakteweerstand of van de aardingsweerstand dienen slechts binnen de drie jaar te worden herhaald voor de voertuigen die uitsluitend binnenlands vervoer verrichten.

B213156. De bepalingen van randnummer 213156 zijn niet van toepassing. (B+Bn) 213174. De tanks die gebouwd werden na het van kracht worden van onderhavig besluit en die bestemd zijn voor het vervoer van benzine van een terminal naar een andere of van een terminal naar een tankstation, moeten zodanig ontworpen en ingezet worden dat de vrijkomende dampen bij het laden en lossen gerecupereerd worden, dit volgens de door de bevoegde overheid vastgestelde modaliteiten; de technische richtlijnen treden 6 maanden na hun publicatie in voege. De tanks die gebouwd werden voor het van kracht worden van onderhavig besluit moeten ten laatste aan deze voorschriften voldoen bij de tweede van de door randnummers 211151 en 211152 voorzien controles die volgt op het van kracht worden van onderhavig besluit.

B213181. Het gebruik van tanks, die gebouwd zijn vóór 1 januari 1969, is verboden. De tanks gebouwd tussen 1 januari 1969 en 1 september 1976 mogen in het verkeer blijven.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 12 november 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, L. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Vervoer, M. DAERDEN De Staatssecretaris voor Veiligheid, J. PEETERS

Bijlage 5 Montageattest (dit attest moet zich aan boord van het voertuig bevinden) De ondertekenaar (mandataris of constructeur) (*) verzekert dat het voertuig met volgende kenmerken : merk : type : chassisnummer : maximaal toegelaten massa SOLO : maximaal toegelaten massa TREIN : door hem werd uitgerust in overeenstemming met : - randummer 10221 (1) van het A.D.R. (antiblokkeringssysteem) - randnummer 10221 (2) van het A.D.R. (remvertrager) Datum en handtekening (*) schrappen indien nodig.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 12 november 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, L. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Vervoer, M. DAERDEN De Staatssecretaris voor Veiligheid, J. PEETERS _______ Nota Richtlijn 96/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 december 1996 tot aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 94/55/EG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg bevoogt als resultaat dat het ADR van toepassing is op het nationaal vervoer. Dit resultaat wordt bereikt door de uitvoering van artikel 2 van het koninkljk besluit van 12 november 1998 voor wat betreft de goederen genoemd in artikel 1, 6° van dit koninklijk besluit.

Europees Verdrag betreffende het Internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (A.D.R.) I. Lijst van de bilaterale akkoorden afgesloten tussen België en andere bij de A.D.R.-aangesloten landen gerangschikt volgens het UNO-nummer : nr. 3572 : Frankrijk - België Vervoer van gesmolten zwavel van de klasse 4.1 in tanks. vervaldatum : 26/01/2001 II. Multilaterale akkoorden M 19 : Verenigd Koninkrijk, Slovakije, Zweden, Republiek Tsjechië, Frankrijk, Zwitserland, Polen, België : Vervoer van goederen van de klasse 9 (reddingstoestellen) met sommige stoffen van de klasse 1 Vervaldatum : 25.10.1999.

M20 Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Zwitserland, België, Finland, Zweden, Slovakije, Nederland, Oostenrijk, Polen, Italië, Duitsland, Republiek Tsjechië, Denemarken, Portugal, Noorwegen.

Klassering van stoffen die bezoedelend zijn voor het watermilieu.

Vervaldatum : 01.01.1999.

M25 Verenigd Koninkrijk, Slovakije, Zwitserland, Zweden, België, Polen, Oostenrijk, Noorwegen, Duitsland, Denemarken, Italië : Beproevingen van samengestelde verpakkingen met een binnenverpakking uit kunststof.

Vervaldatum : 03.08.2000.

M28 Frankrijk, Luxemburg, Zwitserland, België, Portugal, Denemarken, Oostenrijk, Noorwegen, Duitsland, Italië, Spanje, Zweden : Vervoer van afvalstoffen en vaste residu's die antimoon- en loodverbindingen van de klasse 6.1 bevatten.

Vervaldatum : 01.07.2000.

M31 Duitsland, Nederland, Slovakije, Zweden, Oostenrijk, Noorwegen, Luxemburg, Zwitserland, België, Portugal, Italië : Vervoer van stoffen van klasse 3, 61° c) in tanks.

Vervaldatum : 28/07/2000 M41 Duitsland, Nederland, Slovakije, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, België, Noorwegen, Portugal : Verpakking van UN 2968 Maneb van de klasse 4.3, 20°c) Vervaldatum : 19.03.2001.

M46 Duitsland, België, Luxemburg, Tsjechische Republiek, Verenigd Koninkrijk, Slowakije, Frankrijk, Noorwegen, Zweden, Portugal, Italië : Vervoer van dimethylaminoboraan en zijn preparaten van de klasse 6.1 in IBC's voorzien van verluchtingsopeningen Vervaldatum : 01.07.2001.

M56 : Nederland, België, Noorwegen, Slovakije, Duitsland, Oostenrijk, Italië, Frankrijk : Vervoer van opblaasinrichtingen voor airbags UN3353.

Vervaldatum : 01.05.2002 M63 : Duitsland, België, Nederland, Oostenrijk, Luxemburg : Vervoer : van kool (UNO nr 1361) in tanks en laadketels.

Vervaldatum : 01.07.2002 M67 : Portugal, Zwitserland, Frankrijk, Noorwegen, Oostenrijk, Italië, België, Duitsland, Slovakije : Vervoer van gevaarlijke goederen in beperkte hoeveelheden.

Vervaldatum : 30.06.1999 M68 : België, Noorwegen, Tsjechische Republiek, Italië, Slowakije : Vervoer van herlaadbare gashouders - markering niet in overeenstemming met randnummer 2223(2) vervaldatum : 31.12.1999 M73 : Duitsland, België, Oostenrijk : Vervoer van gevaarlijke goederen in tanks uit versterkte kunststof. vervaldatum : 01/07/2001 M76 : Frankrijk, België : Vervoer van ethylalcohol van de klasse 3 in tankvoertuigen. vervaldatum : 15/07/2003 M77 : Frankrijk, België : Vervoer van ethylalcohol van de klasse 3 in laadketels. vervaldatum : 15/07/2003 M80 : Frankrijk, België : Klassering van stoffen die bezoedelend zijn voor het watermilieu. vervaldatum : 12/11/2003 III. Lijst van de nationale afwijkingen Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De nationale afwijkingen hebben een looptijd van maximaal 5 jaar.

De tekst van deze afwijking kan verkregen worden op eenvoudige aanvraag aan het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur - Dienst A.D.R. - Résidence Palace, blok C, 5de verd. - Wetstraat 155 - 1040 BRUSSEL (tel. : 02/287.44.93-94-95-96-97-98 en 99).

^