Koninklijk Besluit van 12 september 2013
gepubliceerd op 01 oktober 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen betreffende de loopbaan van de bedienden der hypotheekbewaarders

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2013003314
pub.
01/10/2013
prom.
12/09/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

12 SEPTEMBER 2013. - Koninklijk besluit houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen betreffende de loopbaan van de bedienden der hypotheekbewaarders


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 10 juni 1922 betreffende de lonen van de hypotheekbewaarders, inzonderheid op het enig artikel, derde lid;

Gelet op het besluit van de Regent van 1 juli 1949 houdende het statuut van de bedienden der hypotheekbewaarders;

Gelet op koninklijk besluit van 19 juni 2007 houdende hervorming van de loopbaan van de bedienden der hypotheekbewaarders;

Overwegende dat het noodzakelijk is om de structuur van de loopbanen aan te passen;

Overwegende dat in het Federaal administratief openbaar ambt het begrip competentiemeting werd vervangen door het begrip gecertificeerde opleiding en dat voor de bedienden der hypotheekbewaarders reeds werd bepaald dat de competentiemeting uit een gecertificeerde opleiding bestaat;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 18 oktober 2011;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 4 oktober 2012;

Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken, gegeven op 15 maart 2013;

Gelet op het advies van de syndicale raad van advies van de bedienden der hypotheekbewaarders gegeven op 22 april 2013;

Gelet op advies 53.574/2 van de Raad van State, gegeven op 8 juli 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Financiën, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Wijziging van het besluit van de Regent van 1 juli 1949 houdende het statuut van de bedienden der hypotheekbewaarders

Artikel 1.Artikel 18 van het besluit van de Regent van 1 juli 1949 houdende het statuut van de bedienden der hypotheekbewaarders, vervangen bij het koninklijk besluit van 19 juni 2007, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2 en 3, luidende : « § 2. De door Ons vastgestelde gemene bepalingen voor het geheel van het Federaal administratief openbaar ambt en de bijzondere bepalingen voor de Federale Overheidsdienst Financiën, met betrekking tot de gecertificeerde opleidingen en de premie voor competentieontwikkeling zijn van toepassing, behoudens de door Ons voorziene afwijkingen. § 3. De inhoud en de nadere regelen van de gecertificeerde opleidingen en van de overeenkomstige tests ter validatie van de verworven kennis worden bepaald door het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid na overleg met de Administrateur-generaal van de patrimoniumdocumentatie. ».

Art. 2.In artikel 18ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 juni 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : « § 1.Aan elk van de graden hierna vermeld in kolom 3 wordt de overeenstemmende weddeschaal in kolom 2 verbonden mits aan de in kolom 3 vermelde voorwaarden is voldaan :

1

2

3

1° chef de bureau, grade supprimé:

1° bureauchef, afgeschafte graad:

a. 28F

a.

b. après neuf ans d'ancienneté de grade ou quinze ans d'ancienneté de niveau.Pour le calcul de l'ancienneté de neuf ans, l'ancienneté acquise dans le grade de réviseur principal est prise en considération

28L

b. na negen jaar graadanciënniteit of vijftien jaar niveauanciënniteit.Voor de berekening van de negen jaar komt de anciënniteit verworven in de graad van eerste revisor in aanmerking

2° réviseur principal, grade supprimé:

2° eerste revisor, afgeschafte graad:

a. 28A

a.

b. après neuf ans d'ancienneté de grade ou quinze ans d'ancienneté de niveau

28C

b.na negen jaar graadanciënniteit of vijftien jaar niveauanciënniteit

3° réviseur, grade supprimé:

3° revisor, afgeschafte graad:

a. 26C

a.

b. après neuf ans d'ancienneté de grade

26G

b.na negen jaar graadanciënniteit

4° commis, grade supprimé:

4° klerk, afgeschafte graad:

a.employé, auparavant titulaire du grade rayé de commis, rémunéré dans l'échelle de traitement 30C ;

30C

a. bediende, voorheen titularis van de geschrapte graad van klerk, bezoldigd in de weddeschaal 30C; b. employé, auparavant titulaire du grade rayé de commis, rémunéré dans l'échelle de traitement 30H

30H

b.bediende, voorheen titularis van de geschrapte graad van klerk, bezoldigd in de weddeschaal 30H

5° assistant administratif temporaire: employé temporaire, lauréat de la sélection-A visée à l'article 10ter, § 1er

CA1

5° tijdelijk administratief assistent: tijdelijk bediende, geslaagd voor de selectie-A bedoeld in artikel 10ter, § 1

6° collaborateur administratif temporaire ; DA1

6° tijdelijk administratief medewerker;

b) in § 2, eerste lid, worden de woorden « van § 1, 2° en 3° » vervangen door de woorden « van § 1, 1° en 2° ».

Art. 3.Artikel 18quater van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 juni 2007, wordt opgeheven.

Art. 4.Artikel 18quinquies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 juni 2007, wordt opgeheven. HOOFDSTUK II. - Wijziging van het koninklijk besluit van 19 juni 2007 houdende hervorming van de loopbaan van de bedienden der hypotheekbewaarders

Art. 5.Artikel 69 van het koninklijk besluit van 19 juni 2007 houdende hervorming van de loopbaan van de bedienden der hypotheekbewaarders wordt vervangen als volgt : «

Art. 69.§ 1. De bedienden die titularis zijn van de graad van financieel deskundige en die door hun inschaling overeenkomstig artikel 68, een fictieve geldelijke anciënniteit toegekend kregen die kleiner is dan hun reële geldelijke anciënniteit krijgen telkens, op de datum waarop een tussentijdse verhoging in hun weddeschaal wordt toegekend na 31 december 2009, twee jaar bijkomende fictieve geldelijke anciënniteit.

In afwijking van het eerste lid wordt op de datum van de tussentijdse verhoging slechts een jaar bijkomende fictieve geldelijke anciënniteit toegekend, indien de bediende effectief bezoldigd wordt in een weddeschaal die uitsluitend opgebouwd is met jaarlijkse tussentijdse verhogingen.

De toepassing van het tweede lid mag niet tot gevolg hebben dat de fictieve geldelijke anciënniteit de reële geldelijke anciënniteit overschrijdt. Indien het verschil tussen de reële geldelijke anciënniteit en de fictieve geldelijke anciënniteit minder bedraagt dan twee jaar, wordt de bijkomende fictieve geldelijke anciënniteit, bedoeld in het eerste lid, beperkt tot dit verschil.

Met ingang van de datum waarop de reële geldelijke anciënniteit gelijk is aan de fictieve geldelijke anciënniteit wordt deze fictieve geldelijke anciënniteit opgeheven voor de in het eerste lid bedoelde bedienden.

De bedienden die na 31 december 2009 worden benoemd in de graad van fiscaal deskundige zijn met ingang van de datum van deze benoeming, niet langer gerechtigd op de toepassing van dit artikel. § 2. Onverminderd paragraaf 1, wordt de fictieve geldelijke anciënniteit opgeheven voor de bedienden die overeenkomstig artikel 68 een fictieve geldelijke anciënniteit toegekend kregen die kleiner is dan hun reële geldelijke anciënniteit, indien zij op grond van hun fictieve geldelijke anciënniteit bezoldigd worden in de maximumwedde van hun weddeschaal. § 3. Dit artikel is eveneens van toepassing op de in paragraaf 1 bedoelde bedienden die zullen worden geïntegreerd als rijksambtenaar in de Federale Overheidsdienst Financiën, in uitvoering van de wet van 11 december 2006 betreffende het statuut van de bedienden der hypotheekbewaarders. ».

Art. 6.In hetzelfde besluit wordt een artikel 69bis ingevoegd, luidende : «

Art. 69bis.§ 1. De bedienden die titularis zijn van de graad van fiscaal deskundige en die door hun inschaling overeenkomstig artikel 68 of 71, § 2, een fictieve geldelijke anciënniteit toegekend kregen die kleiner is dan hun reële geldelijke anciënniteit krijgen telkens, op de datum waarop een tussentijdse verhoging in hun weddeschaal wordt toegekend na 31 december 2011, twee jaar bijkomende fictieve geldelijke anciënniteit, dit onverminderd de eventuele toepassing van artikel 73.

In afwijking van het eerste lid wordt op de datum van de tussentijdse verhoging slechts een jaar bijkomende fictieve geldelijke anciënniteit toegekend, indien de bediende effectief bezoldigd wordt in een weddeschaal die uitsluitend opgebouwd is met jaarlijkse tussentijdse verhogingen.

De toepassing van het tweede lid mag niet tot gevolg hebben dat de fictieve geldelijke anciënniteit de reële geldelijke anciënniteit overschrijdt. Indien het verschil tussen de reële geldelijke anciënniteit en de fictieve geldelijke anciënniteit minder bedraagt dan twee jaar, wordt de bijkomende fictieve geldelijke anciënniteit, bedoeld in het eerste lid, beperkt tot dit verschil.

Met ingang van de datum waarop de reële geldelijke anciënniteit gelijk is aan de fictieve geldelijke anciënniteit wordt deze fictieve geldelijke anciënniteit opgeheven voor de in het eerste lid bedoelde bedienden. § 2. Onverminderd paragraaf 1, wordt de fictieve geldelijke anciënniteit opgeheven voor de bedienden die overeenkomstig artikel 68 of 71, § 2, een fictieve geldelijke anciënniteit toegekend kregen die kleiner is dan hun reële geldelijke anciënniteit, indien zij op grond van hun fictieve geldelijke anciënniteit bezoldigd worden in de maximumwedde van hun weddeschaal. § 3. Dit artikel is eveneens van toepassing op de in paragraaf 1 bedoelde bedienden die zullen worden geïntegreerd als rijksambtenaar in de Federale Overheidsdienst Financiën, in uitvoering van de wet van 11 december 2006 betreffende het statuut van de bedienden der hypotheekbewaarders. ».

Art. 7.Artikel 71 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende : « § 4. De paragrafen 1 en 2 worden slechts toegepast indien deze tot een hogere bezoldiging leiden voor de bediende. ».

Art. 8.Artikel 73 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 73.§ 1. Voor de fiscaal deskundige die bij wege van overgangsmaatregel wordt bevorderd in de weddeschaal 28L en geslaagd is of slaagt voor de gecertificeerde opleiding 3 wordt het bedrag van de premie voor competentieontwikkeling beperkt tot het verschil tussen de wedde die hij zou verkrijgen in de weddeschaal BF4 op basis van zijn reële geldelijke anciënniteit en de bezoldiging waarop hij gerechtigd is.

Bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de in het vorige lid bedoelde gecertificeerde opleiding, wordt de bediende op basis van zijn reële geldelijke anciënniteit bevorderd in de weddeschaal BF4. § 2. De fiscaal deskundige die wordt bezoldigd in de weddeschaal BF4 en die nadien bij wege van overgangsbepaling gerechtigd wordt op de weddeschaal 28L, wordt vanaf de datum van het ontstaan van het recht op de weddeschaal 28L, bezoldigd in de weddeschaal BF4 uit hoofde van zijn reële geldelijke anciënniteit, indien deze groter is dan hun fictieve geldelijke anciënniteit. § 3. De fiscaal deskundige die op 10 juli 2007 gerechtigd is op de weddeschaal 28L en slaagt voor de gecertificeerde opleiding 3 wordt vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van zijn inschrijving voor de geslaagde gecertificeerde opleiding, bevorderd in de weddeschaal BF4 op basis van zijn reële geldelijke anciënniteit.

De in het vorige lid bedoelde bediende ontvangt geen premie voor competentieontwikkeling. ».

Art. 9.In hetzelfde besluit wordt afdeling V, die de artikelen 74 en 75 bevat, opgeheven. HOOFDSTUK III. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 10.De geldigheidsduur van de gecertificeerde opleiding waarvoor de financieel deskundigen en de fiscaal deskundigen geslaagd zijn of ingeschreven zijn vóór de inwerkingtreding van dit besluit, overeenkomstig de bepalingen die toen van kracht waren, wordt gebracht op acht jaar.

Onder de voorwaarden bepaald voor het Rijkspersoneel van het Federaal Openbaar Ambt, worden op het einde van de geldigheidsduur van de in het vorige lid bedoelde gecertificeerde opleiding : 1° de fiscaal deskundigen bevorderd door verhoging in de weddeschaal BF4;2° de financieel deskundigen die geslaagd zijn voor de gecertificeerde opleiding 1 bevorderd door verhoging in de weddeschaal BF2. Het eerste lid is niet van toepassing op de bevorderingen door verhoging in weddeschaal en op de gecertificeerde opleidingen bedoeld in de artikelen 11 en 12.

Art. 11.De financieel deskundigen die geslaagd zijn of slagen voor de gecertificeerde opleiding 2, waarvoor zij waren ingeschreven vóór 4 februari 2013, overeenkomstig de bepalingen die toen van kracht waren, worden bevorderd door verhoging in weddeschaal BF2 op het einde van de geldigheidsduur van die gecertificeerde opleiding, onder de voorwaarden bepaald voor het Rijkspersoneel van het Federaal Openbaar Ambt.

Art. 12.§ 1. De fiscaal deskundigen die vóór 4 februari 2013, overeenkomstig de bepalingen die toen van kracht waren, ingeschreven waren voor de gecertificeerde opleiding 4 en hiervoor slagen of reeds geslaagd zijn, worden bevorderd door verhoging in de weddeschaal BF4 op het einde van de geldigheidsduur van die gecertificeerde opleiding, onder de voorwaarden bepaald voor het Rijkspersoneel van het Federaal Openbaar Ambt.

De bepalingen van artikel 73 van het koninklijk besluit van 19 juni 2007 houdende hervorming van de loopbaan van de bedienden der hypotheekbewaarders zijn van toepassing op de in het vorige lid bedoelde bedienden, voor de toepassing ervan dienen de woorden « de gecertificeerde opleiding 3 » te worden vervangen door de woorden « de gecertificeerde opleiding 4 ». § 2. In afwijking van paragraaf 1 worden de fiscaal deskundigen die op 10 juli 2007 bezoldigd waren in de weddeschaal 28L en die vóór 4 februari 2013, overeenkomstig de bepalingen die toen van kracht waren, ingeschreven waren voor de gecertificeerde opleiding 4 en hiervoor slagen of reeds geslaagd zijn, de eerste dag van de maand die volgt op hun inschrijving voor de geslaagde gecertificeerde opleiding, bevorderd in de weddeschaal BF4 op grond van hun reële geldelijke anciënniteit.

Art. 13.De financieel deskundigen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit geslaagd zijn of vóór 4 februari 2013 ingeschreven zijn voor de gecertificeerde opleiding 3 worden geacht geslaagd of ingeschreven te zijn voor de gecertificeerde opleiding 2.

Art. 14.Dit besluit treedt in werking de tiende dag nadat het in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, met uitzondering van : - de artikelen 1 tot 4 en 7 tot 10 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2007; - het artikel 5 dat uitwerking heeft met ingang van 31 december 2009; - het artikel 6 dat uitwerking heeft met ingang van 31 december 2011.

Art. 15.De minister bevoegd voor de Financiën wordt belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 12 september 2013.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Financiën, K. GEENS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^