Koninklijk Besluit van 13 maart 2011
gepubliceerd op 29 maart 2011
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 1, 2 en 17 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2011201290
pub.
29/03/2011
prom.
13/03/2011
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

13 MAART 2011. - Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 1, 2 en 17 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van besluit dat we de eer hebben Zijne Majesteit ter ondertekening voor te leggen, heeft betrekking op de wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.

Deze wijzigingen brengen geen verandering inzake de inhoud teweeg.

Deze tekst heeft vooral tot doel het koninklijk besluit van 9 juni 1999 in overeenstemming te brengen met een aantal reglementeringen : - de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Het koninklijk besluit van 20 maart 2007 dat werd genomen in uitvoering van Hoofdstuk 8, Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006 (LIMOSA-systeem).

Deze aanpassingen maken ook een betere leesbaarheid van de tekst mogelijk en zorgen voor meer rechtszekerheid.

De aangebrachte wijzigingen zijn gebaseerd op de volgende wettelijke bepalingen.

Artikel 7, eerste lid, van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers biedt de Koning de gelegenheid om, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, de categorieën van buitenlandse werknemers die Hij bepaalt, vrij te stellen van de verplichting over een arbeidskaart te beschikken.

Artikel 8, § 1, eerste lid van de bovengenoemde wet van 30 april 1999 biedt de Koning de gelegenheid om, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, de categorieën en de voorwaarden voor de toekenning van de arbeidskaarten te bepalen.

Artikelsgewijze bespreking Artikel 1 en artikel 2 Artikel 1 en artikel 2 zetten, ten dele, de Europese Richtlijnen 2004/38/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden en 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.

In deze twee Richtlijnen wordt het begrip echtgenoot uitgebreid tot de geregistreerde partner.

Dit begrip van geregistreerde partner heeft reeds het voorwerp uitgemaakt van een omzetting betreffende de reglementering inzake het verblijf.

Om zich te voegen naar deze twee richtlijnen moet de Belgische Staat de geregistreerde partners en de echtgenoten op voet van gelijkheid behandelen inzake de voorwaarden betreffende de toegang tot de arbeidsmarkt.

We wijzen erop dat een interpretatieve omzendbrief tot uitbreiding van het begrip van echtgenoot tot geregistreerde partner reeds sedert 17 december 2008 van toepassing is.

Met het oog op de rechtszekerheid is het verkieslijk dat dit wordt opgenomen in de tekst van het besluit.

Artikel 3 In dit artikel wijzigt men een lijst van de categorieën van buitenlandse onderdanen die worden vrijgesteld van de arbeidskaart.

Bij koninklijk besluit van 12 september 2007 wordt deze lijst meer bepaald uitgebreid naar de volgende twee categorieën : - de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld zijn bij een werkgever die is gevestigd in het buitenland en naar België komen om wetenschappelijke congressen bij te wonen (27°); - de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld zijn bij een werkgever die is gevestigd in het buitenland en naar België komen om vergaderingen in beperkte kring bij te wonen (28°).

Deze twee vrijstellingen werden meer bepaald ingevoerd in 2007 om een correlatie tot stand te brengen tussen het systeem voor de registratie van buitenlandse werknemers dat « LIMOSA » wordt genoemd en de reglementering over de arbeidskaarten.

Het LIMOSA-systeem voorziet immers in uitzonderingen op de verplichting tot registratie van bepaalde categorieën van werknemers en het was dus logisch dat, parallel hiermee, voor dezelfde werknemers ook voorzien wordt in een vrijstelling van de arbeidskaart.

De twee reglementeringen verschillen -voor wat deze categorie van werknemers betreft- echter inzake de duur van de vrijstelling : - voor de wetenschappelijke congressen voorziet de LIMOSA-reglementering niet in een beperking in de tijd, terwijl het koninklijk besluit van 9 juni 1999 bepaalt dat de vrijstelling beperkt is tot vijf dagen per maand; - voor de vergaderingen in beperkte kring voorziet de LIMOSA-reglementering in een beperking in de tijd van maximum zestig dagen per kalenderjaar met een maximum van twintig opeenvolgende kalenderdagen per vergadering, terwijl het koninklijk besluit van 9 juni 1999 bepaalt dat de vrijstelling beperkt is tot vijf dagen per maand.

Dit besluit heeft dus tot doel deze verschillen tussen de twee reglementeringen weg te werken. Het koninklijk besluit van 9 juni 1999 is gewijzigd, zodat de duur van de twee bovengenoemde vrijstellingen overeenstemt met de duur van de uitzonderingen die zijn bepaald in het LIMOSA-systeem.

Anders gezegd : - voor de wetenschappelijke congressen is de vrijstelling beperkt tot de duur van het congres; - voor de vergaderingen in beperkte kring is de vrijstelling beperkt tot maximum zestig dagen per kalenderjaar met een maximum van twintig opeenvolgende kalenderdagen per vergadering.

Artikel 4 Dit artikel bepaalt de categorieën van buitenlandse onderdanen die een arbeidskaart C kunnen ontvangen.

De arbeidskaart C wordt afgeleverd aan categorieën van personen, waarbij rekening wordt gehouden met hun verblijfssituatie. Bij de bepaling van de begunstigden van de arbeidskaart C wordt verwezen naar de reglementering over het verblijf. Het is echter zo dat de wet van 15 december 1980 de laatste jaren verscheidene keren werd gewijzigd, zonder dat sommige van deze wijzigingen werden opgenomen in het koninklijk besluit van 9 juni 1999.

Dit besluit heeft meer bepaald tot doel artikel 17 in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de wet van 15 december 1980.

Punt 1 heeft betrekking op de gevallen waarin de asielzoekers een arbeidskaart C kunnen bekomen. Deze bepaling wordt onderverdeeld in twee delen.

Punt « a) » heeft betrekking op de asielzoekers die hun asielaanvraag hebben ingediend vóór 31 mei 2007. Deze categorie van personen kan een arbeidskaart C verkrijgen, wanneer ze, binnen een periode van zes maanden vanaf de indiening van hun aanvraag, geen betekening hebben ontvangen van de beslissing van het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatslozen.

Punt « b) » heeft betrekking op de asielzoekers die hun asielaanvraag hebben ingediend vóór 1 juni 2009. De bedoelde personen kunnen een arbeidskaart C verkrijgen, op voorwaarde dat hun aanvraag op 1 juni 2009 ontvankelijk werd verklaard of dat er geen beslissing werd genomen over de ontvankelijkheid van deze aanvraag.

Punt 2 heeft betrekking op de buitenlandse onderdanen die subsidiaire bescherming genieten tijdens de periode waarin hun verblijf is beperkt.

Punt 3 heeft betrekking op de buitenlandse onderdanen die een bijzondere verblijfstitel hebben gekregen in het kader van de strijd tegen de mensenhandel.

Punt 4 heeft betrekking op de buitenlandse onderdanen die over een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister omwille van een ernstige medische situatie beschikken.

De drie eerste categorieën zijn reeds opgenomen in de vroegere versie van artikel 17, maar voor punt 4 was dat als dusdanig niet het geval.

Ten gevolge van een vergissing werd deze categorie ondergebracht bij het « vroegere » punt 4 (dat betrekking had op de personen wier verblijf was geregulariseerd om humanitaire redenen).

Punt 5 heeft betrekking op de buitenlandse onderdanen die een machtiging tot verblijf hebben om humanitaire redenen, voor zover de verlenging van het verblijf onderworpen is aan de voorwaarde dat men tewerkgesteld is.

Deze bepaling was opgenomen in de vroegere versie van artikel 17 (onder punt 4).

Punt 6 heeft betrekking op de buitenlandse onderdanen wier aanvraag tot gezinshereniging wordt onderzocht. Deze bepaling was opgenomen in de vroegere versie van artikel 17 (onder punt 5). Omwille van wijzigingen in de wet van 15 december 1980 over het verblijf waren de buitenlandse onderdanen in procedure tot gezinshereniging met een buitenlandse onderdaan wiens verblijf is beperkt, hier niet meer in opgenomen. In dit ontwerp is de tekst aangepast, opdat deze ook betrekking zou hebben op deze categorie van personen.

Punt 7 heeft betrekking op de buitenlandse onderdanen die een gunstige beslissing hebben ontvangen met betrekking tot hun aanvraag tot gezinshereniging. Deze categorie was niet uitdrukkelijk opgenomen in de vroegere tekst. In de praktijk werd hen echter een arbeidskaart C toegekend op basis van het vroegere artikel 17, 3°.

Punt 8 heeft betrekking op de buitenlandse studenten waarvan het verblijf toegelaten is wegens studieredenen. Deze categorie was in de vroegere versie opgenomen in punt 6. De benaming is gewijzigd om zich te voegen naar de wet van 15 december 1980 over het verblijf.

Punt 9 heeft betrekking op de familieleden van het diplomatiek personeel. Deze categorie wordt bedoeld in punt 8. De benaming is niet gewijzigd.

Punt 10 heeft betrekking op de buitenlandse onderdanen die tijdelijke bescherming genieten. Deze categorie wordt bedoeld in punt 9. De benaming is niet gewijzigd.

Ten slotte wordt punt 7 van de vroegere versie van dit artikel geschrapt. Dit punt had betrekking op het geval van de echtgenoot van een grensarbeider. In de praktijk werd deze bepaling niet toegepast of aangewend voor andere doeleinden.

De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, Mevr. J. MILQUET 13 MAART 2011. - Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 1, 2 en 17 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, artikelen 7 en 8, § 1;

Gelet op het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, artikel 1, artikel 2 en artikel 17;

Gelet op het advies van de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gegeven op 3 juni 2010;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 9 juli 2010;

Gelet op het akkoord van Onze Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 23 november 2010;

Gelet op het advies van de Raad van Staten nr. 49.192/1 gegeven op 17 februari 2011 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Werk en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de bepalingen die betrekking hebben op de toegang tot de arbeidsmarkt van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden en van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.

Art. 2.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 februari 2003, 12 september 2007, 23 april 2008 en 28 mei 2009, wordt aangevuld met een 17°, luidend als volgt : « 17° echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980. »

Art. 3.In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 februari 2003, 12 september 2007, 23 april 2008 en 28 mei 2009 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, worden 27° en 28° vervangen als volgt : « 27° de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;» « 28° de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007. » 2° in het derde lid, worden de woorden "in het eerste lid, 19° en 22°, a) " vervangen door de woorden "in het eerste lid 1°, 2°, 19° en 22°, a) ".

Art. 4.Artikel 17 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 6 februari 2003 en gewijzigd door de koninklijke besluiten van 15 juli 2004, 31 januari 2007, 28 mei 2009 en 22 december 2009, wordt vervangen als volgt : «

Artikel 17.De arbeidskaart C wordt toegekend : 1° a) aan de buitenlandse onderdanen die een asielaanvraag hebben ingediend na 31 mei 2007 en die zes maanden na hun asielaanvraag nog geen betekening van de beslissing hebben gekregen van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen totdat een beslissing wordt betekend door deze laatste, of, in geval van beroep, totdat een beslissing wordt betekend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.; b) aan de buitenlandse onderdanen die een asielaanvraag hebben ingediend vóór 1 juni 2007, waarvan de aanvraag ontvankelijk werd verklaard of waarover nog geen beslissing werd betekend met betrekking tot de ontvankelijkheid, tot wanneer een beslissing wordt betekend inzake de gegrondheid van hun aanvraag tot erkenning als vluchteling door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen of, in geval van beroep, door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen;2° aan de buitenlandse onderdanen die erkend zijn voor de subsidiaire beschermingsstatus gedurende de periode waarbinnen hun verblijf is beperkt;3° aan de buitenlandse onderdanen die, in het kader van de strijd tegen de mensenhandel, een verblijfsvergunning hebben ontvangen in toepassing van artikel 110bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;4° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit zijn van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;5° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980, voorzover de verlenging van de machtiging tot verblijf afhankelijk wordt gemaakt van tewerkstelling, behalve als het buitenlandse onderdanen betreft die een verblijfsvergunning toegekend kregen nadat een werkgever in België voor hen een aanvraag om arbeidsvergunning had ingediend;6° aan de buitenlandse onderdanen die het voorrecht inroepen van een recht op verblijf op basis van artikel 10 van de wet van 15 december 1980 of van een recht op verblijfsvergunning op basis van artikel 10bis van dezelfde wet, tijdens de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het verblijfsrecht alsook tijdens het beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, met uitzondering van de : - familieleden van buitenlandse onderdanen wier verblijf beperkt is tot de duur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandige activiteit, - familieleden van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 2, 1e lid, 4° (behalve als het onderdanen zijn van een land dat met België verbonden is door een akkoord van wederkerigheid), 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25 en 26°, - familieleden van een student;7° aan de buitenlandse onderdanen die een definitieve gunstige beslissing hebben verkregen betreffende een verblijfsrecht op basis van artikel 10 van de wet van 15 december 1980 of betreffende een verblijfsvergunning op basis van artikel 10bis van de voorvermelde wet met uitzondering van de : - familieleden van buitenlandse onderdanen wier verblijf beperkt is tot de duur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandige activiteit, - familieleden van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 2, 1e lid, 4° (behalve als het onderdanen zijn van een land dat met België verbonden is door een akkoord van wederkerigheid) 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° en 26°, - familieleden van een student;8° aan de personen die een recht op verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België voor arbeidsprestaties buiten de schoolvakanties, voor zover hun tewerkstelling twintig uren per week niet overschrijdt en deze verenigbaar is met hun studies;9° aan de echtgenoot en aan de kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt van diplomaten en consuls alsook de echtgenoot van andere titularissen van een bijzondere verblijfstitel indien zij onderdaan zijn van een land waarmee België verbonden is via een wederkerigheidsakkoord;10° aan de personen die gemachtigd werden te verblijven als begunstigden van de tijdelijke bescherming bedoeld bij artikel 57/29 van de wet van 15 december 1980 door de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of door diens gemachtigde. »

Art. 5.De Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 13 maart 2011.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, Mevr. J. MILQUET _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 30 april 1999, Belgisch Staatsblad van 21 mei 1999. Koninklijk besluit van 9 juni 1999, Belgisch Staatsblad van 26 juni 1999.

Koninklijk besluit van 6 februari 2003, Belgisch Staatsblad van 27 februari 2003.

Koninklijk besluit van 15 juli 2004, Belgisch Staatsblad van 23 augustus 2004.

Koninklijk besluit van 31 januari 2007, Belgisch Staatsblad van 13 februari 2007.

Koninklijk besluit van 28 mei 2009, Belgisch Staatsblad van 29 mei 2009.

Koninklijk besluit van 22 december 2009, Belgisch Staatsblad van 12 januari 2010.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^