Koninklijk Besluit van 14 november 2008
gepubliceerd op 19 november 2008
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 26, 27, 28, 31, 34, 36 en 37 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2008003449
pub.
19/11/2008
prom.
14/11/2008
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

14 NOVEMBER 2008. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 26, 27, 28, 31, 34, 36 en 37 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I)


VERSLAG AAN DE KONING Sire, De Kamer en de Senaat hebben respectievelijk op 3 en 14 juli 2008 het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (I) gestemd.

De wet werd afgekondigd op 24 juli 2008 en in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt op 7 augustus 2008.

Hoofdstuk 5 van de wet, dat de artikelen 23 tot 52 omvat, handelt over de slapende rekeningen, safes en verzekeringsovereenkomsten.

Heel wat van deze artikelen verlenen uitdrukkelijk aan de Koning de bevoegdheid om bepaalde aspecten van de wet uit te voeren. Zo zal de Koning onder meer dienen te bepalen : - de nadere regels voor de overdracht van de gegevens en tegoeden van de instellingen-depositaris, de instellingen-verhuurder en de verzekeringsondernemingen naar de Deposito- en Consignatiekas (artikelen 28, 32 en 38 van de wet); - de voorwaarden voor de toegang van de personen die van een wettig belang laten blijken tot het door deze Kas bij te houden register met gegevens over de slapende rekeningen, safes en verzekerings-overeenkomsten (artikelen 30, 32 en 40 van de wet).

De uitvoeringsbesluiten zullen in verscheidene fazen worden genomen.

Het ontwerp dat ik de eer heb aan Uwe Majesteit voor te leggen, bevat de uitvoeringsmaatregelen die bij voorrang en uiterst dringend dienen genomen te worden. Het betreft inzonderheid de gegevens uit het Rijksregister en de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid die de instellingen-depositaris, de instellingen-verhuurder en de verzekeringsondernemingen nodig hebben voor de opsporingen die de wet hun verplicht uit te voeren naar de houders, huurders en begunstigden van de slapende rekeningen, safes en verzekeringsovereenkomsten.

Wat de verzekeringsondernemingen betreft, gaat het daarenboven om de gegevens van het Rijksregister en de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid die hen toelaten na te zien of de verzekerden van verzekeringsovereenkomsten die prestaties in geval van overlijden bevatten, nog in leven zijn en, als dit niet meer het geval is, of de prestaties verschuldigd zijn. 1. Artikel 23 van de wet bevat een lijst met definities die ook van toepassing zijn voor de uitvoeringsbesluiten.Derhalve kan artikel 1 van het ontwerp er zich toe beperken, enerzijds, te stellen dat onder « wet » de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I) dient te worden verstaan en, anderzijds, de omschrijving te geven van het begrip « bankwerkdag » dat wordt gebruikt in artikel 4 van het ontwerp. Dezelfde definitie wordt trouwens gebruikt in het besluit van het Rentenfonds van 1 december 2003 tot vaststelling van de marktregels van de gereglementeerde buitenbeursmarkt van de lineaire obligaties, de gesplitste effecten en de schatkistcertificaten. 2. Artikel 2 van het ontwerp strekt ertoe te bepalen van welke gegevens met betrekking tot de houders van slapende rekeningen en de huurders van slapende safes de instellingen-depositaris en instellingen-verhuurder bij hun opsporingen kennis mogen nemen.Zoals artikel 26, § 2, van de wet vereist gaat het uitsluitend om de in artikel 3 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid beoogde gegevens die zij nodig hebben voor de uitvoering van hun opsporingsverplichtingen. Er dient tevens te worden onderstreept dat de wet deze instellingen geen rechtstreekse toegang tot deze gegevens geeft. Zij zullen slechts via de in uitvoering van artikel 46 van de wet daartoe opgerichte instelling kennis kunnen krijgen van deze gegevens en dit enkel nadat zij daartoe een gemotiveerd verzoek bij voornoemde instelling hebben ingediend.

De opsomming van de gegevens vangt aan met het identificatienummer van het Rijksregister en de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. Dit ligt volledig in de lijn van wat in de artikelen 26, §§ 2 en 3, en 46 van de wet is bepaald : laaststgenoemde instelling heeft de toelating deze identificatienummers te gebruiken en mee te delen aan de instellingen, die ze op hun beurt mogen registreren en verwerken met als enig doel verdere opzoekingen te laten doen in het Rijksregister en de Kruispuntbank, zo deze nodig mochten zijn, en aan de Kas de informatie mee te delen die zij nodig heeft.

Om de lijst te vervolledigen zijn uit de gegevens die voorkomen in voormeld artikel 3 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, de gegevens geselecteerd die nodig zijn om de opsporingsverplichtingen na te komen. De omschrijving van deze gegevens is identiek dezelfde als deze in artikel 3 van de wet van 8 augustus 1983. In artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid komt een dergelijke opsomming niet voor, maar de in praktijk zijn het wel deze gegevens die door de Kruispuntbank worden bijgehouden. Echter, voor wat betreft het adres, dient te worden vermeld dat in het Rijksregister uitsluitend de hoofdverblijfplaats is opgenomen, terwijl in de Kruispuntbank ook betalingsadressen voorkomen. Het lijkt derhalve zeer nuttig om ook de consultatie van beschikbare adressen andere dan de hoofdverblijfplaats mogelijk te maken.

Bovendien is de raadpleging van de samenstelling van het gezin strikt beperkt tot de gevallen waarin dit gegeven onontbeerlijk is om de rechthebbenden van de houders of huurders te kunnen opzoeken, namelijk wanneer deze laatsten overleden zijn of, wanneer zij na overschrijving van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid, afwezig zijn, alsook wanneer ze minderjarig of handelingsonbekwaam zijn.

Het is onvermijdelijk dat bij de opzoeking van een houder of huurder ook de gegevens van andere personen zullen kunnen worden ingekeken.

Als bijvoorbeeld een instelling-depositaris uitsluitend beschikt over de naam en voornaam van de houder van een slapende rekening, alsook over de datum waarop deze rekening werd geopend, kan het volgende gebeuren. Na opzoeking op de naam en voornaam van de houder, blijkt dat in het Rijksregister verscheidene personen voorkomen die deze naam en voornaam dragen. Van al deze personen zal bijgevolg de geboortedatum geraadpleegd worden ten einde degenen die pas na de datum van opening van de rekening zijn geboren, als houder te kunnen uitsluiten.

De inzage van de gegevens van andere dan de gezochte personen zal in de mate van het mogelijke beperkt worden door gebruik te maken van de beschikbare selectiecriteria. 3. Artikel 3 van het ontwerp strekt ertoe te bepalen van welke gegevens de verzekeringsmaatschappijen bij hun nazichten van de verzekerden en hun opsporingen van begunstigden van slapende verzekeringsovereenkomsten kennis mogen nemen.Er kan hier grotendeels verwezen worden naar de uitleg die is gegeven bij artikel 2 van het ontwerp, met dien verstande dat « artikel 26, §§ 2 en 3 van de wet » dient vervangen te worden door « artikel 36, §§ 2 en 3, van de wet ».

Voor wat betreft het nazicht van de verzekerden van verzekeringsovereenkomsten die prestaties in geval van overlijden bevatten, gaat het onder meer om de naam en voornamen, de geboorteplaats en -datum, het geslacht, de hoofdverblijfplaats met de opeenvolgende wijzigingen en datum van uitwerking, alsook de plaats en datum van overlijden of, in geval van een verklaring van afwezigheid, de datum van de overschrijving van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid. Met behulp van deze laatste drie gegevens kan de verzekeringsonderneming desgevallend nazien of het risico dat zich heeft voorgedaan, wel degelijk verzekerd is.

Er dient te worden onderstreept dat, al naargelang de formulering van de begunstigingsclausule, de raadpleging van de gegevens van andere personen nodig kan zijn om de begunstigde te kunnen opsporen. Dit is bijvoorbeeld het geval als het voordeel wordt toegekend aan de kleinkinderen van een bij naam genoemde persoon die zijn geboren of zullen geboren worden. Het spreekt vanzelf dat de gegevens van deze persoon en, indien nodig van zijn kinderen - ook in het geval dat zij zelf geen begunstigden zijn - zullen mogen worden geconsulteerd ten einde de kleinkinderen op te sporen.

Wat betreft de raadpleging van de samenstelling van het gezin, verschilt de situatie voor het opsporen van begunstigden van slapende verzekeringsovereenkomsten van deze van houders van slapende rekeningen en huurders van slapende safes, voor wie deze raadpleging beperkt is tot de gevallen waarin ze overleden, afwezig, minderjarig of handelingsonbekwaam zijn. Zo zal de gezinssamenstelling van de begunstigden niet alleen nodig zijn in dergelijke gevallen, maar tevens in vrijwel alle gevallen waarin de begunstigden op een generieke manier zijn aangeduid (bijvoorbeeld de wettige erfgenamen van een bij naam genoemde persoon), tenzij hun burgerlijke stand voor opheldering zou kunnen zorgen (wat in principe het geval zal zijn wanneer de begunstigde wordt omschreven als de echtgenoot van een bij naam genoemde persoon). In plaats van de concrete gevallen op te sommen waarin de gezinssamenstelling mag worden ingezien - op gevaar af sommige te vergeten-, verdient het de voorkeur te bepalen dat dit gegeven uitsluitend mag worden ingezien in geval het onontbeerlijk wordt geacht om de begunstigden op te sporen, met andere woorden wanneer de andere gegevens die reeds zijn geconsulteerd of nog mogen worden geconsulteerd, niet volstaan om dit doel te bereiken.

Aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer werd gevraagd advies te geven over de artikelen 1 en 2. Haar advies nr. 31/2008 dat gegeven werd op 24 september 2008, kan worden geraadpleegd op haar webstek met volgend adres : http://www.privacycommission.be/nl/docs/ Commission/2008/avis_31_2008.pdf.

Er werd rekening gehouden met dit advies. 4. Artikel 26, § 4 van de wet ontslaat de instellingen-depositaris van de verplichting de houder van een slapende rekening op te sporen, als het tegoed op de rekening minder dan 20 euro bedraagt.Bijgevolg dragen de instellingen-depositaris dergelijke tegoeden zonder informatie en eventueel globaal over aan de Kas (artikel 28, tweede lid, van de wet). Artikel 28, vierde lid van de wet daarentegen verplicht hen om de tegoeden in deviezen met een tegenwaarde van minder dan 50 euro, om te zetten in euro vooraleer ze aan de Kas over te dragen. Om deze bedragen van 20 en 50 euro te berekenen, schrijft artikel 4 van het ontwerp voor dat alle tegoeden op de rekeningen van eenzelfde houder bij eenzelfde instelling-depositaris worden opgeteld.

Dit artikel wil tevens bepalen welke koersen dienen te worden gebruikt om de tegenwaarde te berekenen van speciën in deviezen en de marktwaarde van de effecten vast te stellen. Deze koersen zullen verschillen al naargelang ze zullen worden gebruikt bij de start van de opsporingen voor de toepassing van de artikelen 26, § 4 en 27, eerste lid, van de wet of bij de overdracht van de tegoeden aan de Kas voor de toepassing van 28, tweede en vierde lid, van de wet.

Ten slotte wil dit artikel vermijden dat zich volgende situatie zou voordoen. Op het ogenblik dat de opsporingen normaal gezien zouden aanvangen, kunnen sommige tegoeden (speciën in deviezen of effecten) minder dan 20 euro waard zijn. Bijgevolg moeten er voor deze tegoeden geen opsporingen worden verricht. Op het ogenblik dat ze aan de Kas moeten worden overgedragen, kunnen ze echter 20 euro of meer waard geworden zijn. In zo'n geval zouden ze aan de Kas worden bezorgd met enkel de vermelding van het rekeningnummer en de naam van de houder, doch zonder zijn nummer van het Rijksregister of de Kruispuntbank en daar dertig jaar bewaard worden tot de verjaring is ingetreden. Dit laatste is evenwel zinloos, vermits de kans dat de houder de tegoeden opvraagt nagenoeg onbestaande is door het summiere karakter van de verstrekte informatie. Bijgevolg bepaalt het vijfde lid van artikel 4 dat dergelijke tegoeden zonder informatie en desgewenst globaal aan de Kas worden overgedragen en de houder door deze overdracht alle rechten op deze tegoeden verliest. 5. Krachtens de artikelen 33 en 34 van de wet dienen de verzekeringsondernemingen voor wat betreft verzekeringsovereenkomsten die prestaties bij overlijden bevatten, op bepaalde tijdstippen na te zien of de verzekerde overleden is.De wet bepaalt hoe dit nazicht kan gebeuren. Op grond van artikel 34, vierde lid van de wet mag de Koning andere manieren van nazicht bepalen. Gebruikmakend van deze delegatie aan de Koning wil artikel 5 van het ontwerp bepalen dat dit nazicht geacht wordt gedaan te zijn wanneer de verzekerde persoonlijk bij dezelfde verzekeringsonderneming tussenkomt met betrekking tot een overeenkomst bedoeld in de wet van 25 juni 1992 op landverzekeringsovereenkomst. Deze tussenkomst mag dus ook slaan op een andere verzekeringsdekking dan deze van de overeenkomst waarvoor de wet het nazicht oplegt. De vereiste dat de tussenkomst « persoonlijk » door verzekerde moet worden gedaan, heeft uiteraard te maken met het feit dat een « persoonlijke » tussenkomst aantoont dat de verzekerde nog in leven is. Bijgevolg volstaat bijvoorbeeld de tussenkomst van een lasthebber niet opdat het nazicht geacht zou worden te zijn gedaan. 6. De artikelen 27, eerste lid, en 37, eerste lid, van de wet machtigen de Koning om het maximaal bedrag vast te stellen van de kosten die de instellingen-depositaris en de verzekeringsondernemingen respectievelijk mogen aanrekenen voor de opsporingen bedoeld in artikel 26 van de wet en de nazichten en opsporingen bedoeld in de artikelen 33 tot 36 van de wet. Er wordt voorgesteld om dit maximaal bedrag voor de door de instellingen-depositaris te verrichten opsporingen op 200 euro vast te stellen.

Voor kosten van de door de verzekeringsondernemingen te verrichten nazichten en opsporingen wordt er een maximaal bedrag van 200 euro voorgesteld. 7. Voor de voorraad van slapende rekeningen is het niet aangewezen om bij de start van de opsporingen voor de toepassing van de artikelen 26, § 4 en 27, eerste lid, van de wet koersen te gebruiken die van toepassing waren op het ogenblik dat de rekening een slapende rekening is geworden (zie artikel 4, tweede lid, van het ontwerp), vermits dit ogenblik zich in een ver verleden kan situeren.Daarom wordt er in een overgangsregeling voorzien : voor deze voorraad rekeningen worden de koersen toegepast die gelden op de dag van inwerkingtreding van dit besluit en, als die dag geen bankwerkdag is, de eerstvolgende bankwerkdag. 8. Luidens artikel 32, eerste lid van de wet moeten de instellingen-verhuurder van slapende safes de speciën en effecten die zich in de safes bevinden op rekeningen en effectenrekeningen inschrijven.Er wordt verduidelijkt dat dergelijke rekeningen onmiddellijk en niet pas nadat nog eens vijf jaar is verlopen zonder een tussenkomst van de houder, worden beschouwd als slapende rekeningen, vermits de huurder van de safe die houder van de rekening is geworden, vruchteloos werd opgespoord door de instelling-verhuurder die instelling-depositaris is geworden. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat op dergelijke rekeningen die reeds bestaan bij de inwerkingtreding van hoofdstuk 5 van de wet, de overgangsregeling vervat in artikel 49 van de wet van toepassing is. 9. Tot slot dient te worden vermeld dat er rekening werd gehouden met al de opmerkingen van de Raad van State. Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer respectvolle en trouwe dienaar, De Minister van Financiën, D. REYNDERS

14 NOVEMBER 2008. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 26, 27, 28, 31, 34, 36 en 37 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op artikel 108 van de Grondwet;

Gelet op de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I), artikelen 26, § 2, derde lid, en § 4, 27, eerste lid, 28, vierde lid, 31, eerste lid, 34, vierde lid, 36, § 2, derde lid, en 37, eerste lid;

Gelet op het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer nr 31/2008, gegeven op 24 september 2008;

Gelet op het advies 45.242/2 van de Raad van State, gegeven op 20 oktober 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Financiën, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° wet : wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I);2° bankwerkdag : iedere dag dat het Target 2-systeem (Trans-European Automated Real-time Gross Settlement Express Transfer System) operationeel is.

Art. 2.De gegevens bedoeld in artikel 26, § 2, eerste en tweede lid, van de wet zijn, voor wat de houders en de huurders betreft, de volgende : 1° de identificatienummers van het Rijksregister en van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;2° de naam en voornamen;3° de geboorteplaats en -datum;4° het geslacht;5° de hoofdverblijfplaats en de andere beschikbare adressen;6° de plaats en datum van het overlijden, of, in geval van een verklaring van afwezigheid, de datum van de overschrijving van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid;7° de burgerlijke staat;8° in geval van overlijden, afwezigheid, minderjarigheid of handelingsonbekwaamheid van de houders of de huurders, de samenstelling van het gezin;9° de wettelijke samenwoning. In de in het eerste lid bedoelde gegevens zijn hun opeenvolgende wijzigingen en de datum waarop zij uitwerking hebben, inbegrepen.

Art. 3.De gegevens bedoeld in artikel 36, § 2, eerste en tweede lid, van de wet zijn de volgende : a) voor wat betreft de verzekerden van verzekeringsovereenkomsten die prestaties in geval van overlijden bevatten : 1° de identificatienummers van het Rijksregister en van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;2° de naam en voornamen;3° de geboorteplaats en -datum;4° het geslacht;5° de hoofdverblijfplaats en de andere beschikbare adressen;6° de plaats en datum van het overlijden, of, in geval van een verklaring van afwezigheid, de datum van de overschrijving van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid;b) voor wat betreft de begunstigden en de andere personen die nodig zijn om de begunstigden op te sporen : 1° de identificatienummers van het Rijksregister en van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;2° de naam en voornamen;3° de geboorteplaats en -datum;4° het geslacht;5° de hoofdverblijfplaats en de andere beschikbare adressen;6° de plaats en datum van het overlijden, of, in geval van een verklaring van afwezigheid, de datum van de overschrijving van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid;7° de burgerlijke staat;8° de samenstelling van het gezin, uitsluitend in geval dit gegeven onontbeerlijk wordt geacht om de begunstigden op te sporen;9° de wettelijke samenwoning. In de in het eerste lid bedoelde gegevens zijn hun opeenvolgende wijzigingen en de datum waarop zij uitwerking hebben, inbegrepen.

Art. 4.Voor de berekening van de bedragen van 20 en 50 euro bedoeld in de artikelen 26, § 4 en 28, tweede en vierde lid, van de wet, worden al de tegoeden op rekeningen van eenzelfde houder bij eenzelfde instelling-depositaris samengeteld.

Voor de toepassing van de artikelen 26, § 4 en 27, eerste lid, van de wet worden volgende koersen gebruikt : 1° voor de omzetting van vreemde munten in euro, de indicatieve koersen die zijn bekendgemaakt door de Europese Centrale Bank of de Nationale Bank van België overeenkomstig artikel 212, § 2, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, de dag dat de rekening een slapende rekening wordt en, als die dag geen bankwerkdag is, de eerstvolgende bankwerkdag;2° voor de berekening van de marktwaarde van de effecten, de koers die op de meest liquide markt waarop de betrokken effecten zijn verhandeld, geldt op de dag dat de rekening een slapende rekening wordt en, als die dag geen bankwerkdag is, de eerstvolgende bankwerkdag. Als in toepassing van het eerste lid de tegoeden van verscheidene rekeningen zijn samengeteld en deze rekeningen niet op dezelfde dag slapende rekeningen worden, wordt, voor de toepassing van het tweede lid, enkel de rekening gehouden met de dag waarop al deze rekening slapende rekeningen zijn geworden.

Voor de toepassing van artikel 28, tweede en vierde lid, van de wet worden volgende koersen gebruikt : 1° voor de omzetting van vreemde munten in euro, de indicatieve koersen die zijn bekendgemaakt door de Europese Centrale Bank of de Nationale Bank van België overeenkomstig artikel 212, § 2, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, de vijfde bankwerkdag die de overdracht van de tegoeden aan de Kas voorafgaat;2° voor de berekening van de marktwaarde van de effecten, de koers die op de meest liquide markt waarop de betrokken effecten zijn verhandeld, geldt op de vijfde bankwerkdag die de overdracht van de effecten aan de Kas voorafgaat. Wanneer de tegenwaarde van speciën uitgedrukt in deviezen of de marktwaarde van effecten bij de start van de opsporingen minder dan 20 euro en bij de overdracht aan de Kas 20 euro of meer bedraagt, worden deze speciën en effecten zonder informatie aan de Kas overgedragen en doven door deze overdracht aan de Kas de rechten van de houder erop uit. Ze mogen op een globale manier aan de Kas worden overgedragen.

Art. 5.Het nazicht bedoeld in de artikelen 33 en 34 van de wet wordt geacht gedaan te zijn telkens de verzekerde persoonlijk bij dezelfde verzekeringsonderneming tussenkomt met betrekking tot een overeenkomst bedoeld in de wet van 25 juni 1992 op de landsverzekeringsovereenkomst.

Art. 6.De kosten die de instellingen-depositaris voor de in artikel 26 van de wet bedoelde opsporingen aanrekenen, mogen niet meer dan 200 euro bedragen.

De kosten die de verzekeringsondernemingen voor de nazichten en opsporingen bedoeld in de artikelen 33 tot 36 van de wet aanrekenen, mogen niet meer dan 200 euro bedragen.

Art. 7.In afwijking van artikel 4, tweede lid, worden voor de toepassing van de artikelen 26, § 4, en 27, eerste lid, van de wet op de rekeningen bedoeld in artikel 49 van de wet, volgende koersen gebruikt : 1° voor de omzetting van vreemde munten in euro, de indicatieve koersen die zijn bekendgemaakt door de Europese Centrale Bank of de Nationale Bank van België overeenkomstig artikel 212, § 2, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, de dag waarop dit besluit in werking treedt en, als die dag geen bankwerkdag is, de eerstvolgende bankwerkdag;2° voor de berekening van de marktwaarde van de effecten, de koers die op de meest liquide markt waarop de betrokken effecten zijn verhandeld, geldt op de dag waarop dit besluit in werking treedt en, als die dag geen bankwerkdag is, de eerstvolgende bankwerkdag.

Art. 8.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 5 dat uitwerking heeft met ingang van 7 augustus 2008.

Art. 9.De Minister die bevoegd is voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 14 november 2008.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Financiën, D. REYNDERS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^