Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 14 oktober 1999
gepubliceerd op 21 december 1999

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 juni 1998, gesloten in het Paritair Comité voor de socio-culturele sector, betreffende maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling in de socio-culturele sector

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
1999012688
pub.
21/12/1999
prom.
14/10/1999
ELI
eli/besluit/1999/10/14/1999012688/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

14 OKTOBER 1999. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 juni 1998, gesloten in het Paritair Comité voor de socio-culturele sector, betreffende maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling in de socio-culturele sector (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, inzonderheid op artikel 2;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de socio-culturele sector;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 5 juni 1998, gesloten in het Paritair Comité voor de socio-culturele sector, betreffende maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling in de socio-culturele sector.

Art. 2.Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 14 oktober 1999.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Koninklijk besluit van 5 februari 1997, Belgisch Staatsblad van 27 februari 1997.

Bijlage Paritair Comité voor de socio-culturele sector Collectieve arbeidsovereenkomst van 5 juni 1998 Maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling in de socio-culturele sector (Overeenkomst geregistreerd op 30 juli 1998 onder het nummer 48795/CO/329) HOOFDSTUK I. - Juridisch kader

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten overeenkomstig de bepalingen van de wet van 5 december 1968 op de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en in toepassing van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 5 mei 1997, van 6 juli 1997 en van 16 april 1998.

De bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst zijn eveneens van toepassing op de groeperingen van werkgevers zoals vermeld in artikel 3 en 16 van deze collectieve arbeidsovereenkomst. HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied en omschrijving van de begrippen

Art. 2.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en de werknemers tewerkgesteld in de organisaties die ressorteren onder het Paritair Comité voor de socio-culturele sector.

Onder "werknemers" wordt verstaan: de mannelijke en vrouwelijke arbeiders en bedienden, onder welk statuut ook tewerkgesteld.

Art. 3.Onder "koninklijk besluit" wordt verstaan: het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 5 mei 1997, van 6 juli 1997 en van 16 april 1998.

Onder "groepering van werkgevers" wordt begrepen: de groeperingen van organisaties die tot een akkoord komen om gezamenlijk te genieten van de voordelen van de verminderingen van de sociale maribel.

Onder "Sociaal fonds" wordt begrepen: het "Sociaal fonds Sociale Maribel van de sociaal-culturele sector van de Vlaamse Gemeenschap".

Onder "Fonds social" wordt begrepen: het "Fonds social Maribel social du secteur socio-culturel des Communautés française et germanophone". HOOFDSTUK III. - Vermindering werkgeversbijdrage sociale zekerheid

Art. 4.Bij een netto-aangroei van het aantal werknemers en een toename van het totale arbeidsvolume, kan de sector genieten van een vermindering van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid zoals bepaald in het koninklijk besluit.

Art. 5.De globale kwartaalopbrengst van de bijdragevermindering vermeld in artikel 4, wordt als volgt berekend : het aantal werknemers dat minstens halftijds is tewerkgesteld, vermenigvuldigd met het bedrag van de bijdragevermindering per kwartaal : - het aantal werknemers die minstens halftijds zijn tewerkgesteld, wordt genaamd op 13 100 voor de sector, waarvan 5 100 behoren tot het "Fonds social" en 8 000 tot het "Sociaal fonds". - de kwartaalopbrengst wordt geraamd op 13 100 x 6 500 F = 85 150 000 F per kwartaal.

Deze berekening is gebaseerd op een raming van het tewerkstellingsvolume vastgesteld op 31 december 1997 en houdt rekening met het bedrag van de bijdragevermindering voorzien in het koninklijk besluit van 16 april 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 februari 1998 tot bepaling van het kwartaalbedrag van de forfaitaire bijdragevermindering in de non-profit sector.

De partijen komen overeen zo nodig op kwartaalbasis het tewerkstellingsvolume te actualiseren. HOOFDSTUK IV. - Inning en bestemming van de bijdrageverminderingen

Art. 6.De ondertekenende partijen komen overeen de inning van de bijdrageverminderingen toe te vertrouwen aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid.

De opbrengst van de bijdrageverminderingen geïnd door de Rijksdienst voor sociale zekerheid, wordt als volgt verdeeld : A. De opbrengst van de bijdrageverminderingen die worden doorgestort aan het "Sociaal fonds", zijn afkomstig van de organisaties die aan één van de volgende voorwaarden voldoen : - een vereniging zijn waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is in het Vlaamse Gewest, - een vereniging zijn waarvan de maatschappelijke zetel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gevestigd is en die bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid ingeschreven is op de Nederlandse taalrol.

B. De opbrengst van de bijdrageverminderingen die worden doorgestort aan het "Fonds social", zijn afkomstig van de organisaties die aan één van de volgende voorwaarden voldoen : - een vereniging zijn waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is in het Waals Gewest, - een vereniging zijn waarvan de maatschappelijke zetel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gevestigd is en die bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid ingeschreven is op de Franse taalrol.

Wanneer een organisatie de aansluiting bij het "Fonds social" of het "Sociaal fonds", zou betwisten, onderwerpt zij haar betwisting aan een commissie die plenair is samengesteld, zoals beschreven in de collectieve arbeidsovereenkomsten tot oprichting van een Fonds social - Maribel social du secteur socio-culturel des Communautés francophone et germanophone en een Sociaal Fonds - Sociale Maribel voor de sociaal-culturele sector van de Vlaamse Gemeenschap, opdat deze een advies over het onderwerp zou uitbrengen.

Deze commissie is ook belast met het onderzoeken van de situatie van de federale en bicommunautaire organisaties die wensen bij te dragen aan de beide fondsen in verhouding tot het aantal werknemers per taalrol.

De partijen komen overeen respectievelijk het "Sociaal fonds" en het "Fonds social" te belasten met de ontvangst van, toewijzing van en controle op de hun toegekende opbrengst van de bijdrageverminderingen. HOOFDSTUK V. - Gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde werknemers

Art. 7.In de socio-culturele sector wordt geraamd dat de werkgevers voor gemiddeld 50 pct. van de werknemers een subsidie voor de personeelskosten ontvangen. HOOFDSTUK VI. - Tewerkstellingsverbintenis

Art. 8.De werkgevers verbinden zich ertoe een bijkomende inspanning te leveren voor de tewerkstelling onder de vorm van een netto-aangroei van het aantal werknemers ten belope van te minste de opbrengst van de bijdrageverminderingen bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit, en van het totaal arbeidsvolume in vergelijking tot de tewerkstelling en het arbeidsvolume van het overeenstemmende kalenderkwartaal van het referentiejaar bepaald door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de Minister van Sociale Zaken.

De netto-aangroei van het aantal werknemers en het totaal arbeidsvolume worden berekend volgens de bepalingen van het koninklijk besluit.

Een werkgever kan niet worden uitgesloten van de voordelen toegekend in het kader van de sociale maribel, op grond van verminderingen van de tewerkstelling die een gevolg zijn van maatregelen genomen door de subsidieerde overheden, in zoverre de voorwaarden vermeld in artikel 4, § 6 van het koninklijk besluit, zijn nageleefd. HOOFDSTUK VII. - Waarborgen van de integrale besteding van de bijdragevermindering voor de realisatie van tewerkstelling

Art. 9.In toepassing van artikel 3, § 6 van het koninklijk besluit maakt iedere organisatie of groepering van werkgevers die zich kandidaat stelt op basis van deze collectieve arbeidsovereenkomst volgens de procedure bepaald in hoofdstuk XI, om de zes maanden een gedetailleerd verslag over aan het "Sociaal fonds" of het "Fonds social".

Het niet respecteren van deze bepalingen kan aanleiding geven tot sancties zoals bepaald in artikel 3, § 7 van het koninklijk besluit.

Art. 10.Dit verslag moet voor ieder kwartaal minstens volgende gegevens bevatten : - de totale tewerkstelling uitgedrukt in personen en arbeidsuren voor het referentiekwartaal en voor het desbetreffende kwartaal; - de opbrengst van de bijdrageverminderingen; - de nominatieve lijst van werknemers aangeworven ten gevolge van de bijdragevermindering met vermelding van het arbeidsregime en de functie.

Indien nodig is het "Fonds social" of het "Sociaal fonds" gemachtigd bijkomende informatie op te vragen.

Een model van dit rapport zal door respectievelijk het "Fonds social" en het "Sociaal fonds" worden uitgewerkt.

Art. 11.Het voormelde verslag wordt in de ondernemingsraad, of bij ontstentenis, met de syndicale afvaardiging of bij ontstentenis, met minstens twee regionale of nationale verantwoordelijken van de syndicale organisaties die in het paritair comité zijn vertegenwoordigd, besproken en goedgekeurd.

Bij gebrek aan akkoord binnen de 15 dagen die volgen op de betekening van het rapport door de werkgever aan de vertegenwoordigers van de werknemers, kan de meest gerede partij het rapport overmaken aan het "Fonds social" of het "Sociaal fonds", dat beslist.

Art. 12.Het "Fonds social" en het "Sociaal fonds" stellen elk een globaal verslag op met betrekking tot de organisaties waarvoor zij bevoegd zijn en bezorgen dit aan de voorzitter van het paritair comité. HOOFDSTUK VIII. - Deeltijdse werknemers

Art. 13.De ondertekenende partijen stellen vast dat in de socio-culturele sector reeds meer dan 30 pct. van de werknemers deeltijds zijn tewerkgesteld. HOOFDSTUK IX. - Tijdsschema van realisatie van de bijkomende netto-aanwervingen

Art. 14.De nieuwe aanwervingen en de toename van het arbeidsvolume worden gerealiseerd vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op de datum van de bevestiging van de goedkeuring van de akte van kandidatuurstelling zoals bepaald in artikel 4, § 3 van het ministerieel besluit van 20 mei 1998, tot vaststelling van de modaliteiten bedoeld in artikel 2, 2de lid van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector.

De betrokken werkgevers moeten vóór het einde van het bovenvermelde kwartaal overgaan tot minstens 50 pct. van de voorziene aanwervingen en tot verhoging van minstens 25 pct. van het voorziene arbeidsvolume; tegen de laatste dag van het daaropvolgende kwartaal moet worden overgegaan tot 100 pct. van de vooropgestelde aanwervingen en tot minstens 75 pct. van het voorziene arbeidsvolume. HOOFDSTUK X. - Functies en categorieën van werknemers die in aanmerking komen voor de bijkomende netto-aanwervingen

Art. 15.Het "Fonds social" en het "Sociaal fonds" zal bepalen respectievelijk welke criteria in aanmerking worden genomen bij de goedkeuren van de akte van kandidatuurstelling.

De fondsen kunnen hiervoor een tegemoetkoming toekennen die overeenstemt met de werkelijke kost van de werknemer met een maximum van 300 000 F per kwartaal per voltijdse equivalent. HOOFDSTUK XI. - Procedure van kandidatuurstelling

Art. 16.De werkgevers of de groeperingen van werkgevers, die een bijkomende inspanning op het vlak van tewerkstelling wensen te realiseren in toepassing van onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst moeten een akte van kandidatuurstelling per aangetekende brief overmaken aan het "Sociaal fonds", respectievelijk het "Fonds social".

Deze brief wordt opgemaakt en ondertekend door de werkgever en omvat minstens een uitvoerige omschrijving van de tewerkstellingsverbintenis die de werkgever aangaat, evenals de eventuele opmerkingen bedoeld in artikel 17.

Het model hiervoor wordt door respectievelijk het "Fonds social" en het "Sociaal fonds" opgesteld.

Art. 17.Een afschrift van de akte van kandidatuurstelling vermeld in artikel 16, wordt voorafgaandelijk ter informatie en ter raadpleging medegedeeld aan de ondernemingsraad, bij ontstentenis, aan de syndicale delegatie, of, bij ontstentenis, aan de werknemers.

De vertegenwoordigers van de werknemers of de werknemers hebben een termijn van 15 dagen, vanaf het overhandigen van het afschrift, om schriftelijk opmerkingen ter kennis te brengen van de werkgever. De eventuele opmerkingen worden bij de akte gevoegd. HOOFDSTUK XII. - Geldigheidsduur

Art. 18.Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 juli 1998 en is gesloten voor onbepaalde duur. Zij kan worden opgezegd door één van de ondertekenende partijen bij aangetekende brief gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de socio-culturele sector met inachtname van een opzeggingstermijn van drie maanden.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 oktober 1999.

De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX

^