Koninklijk Besluit van 15 februari 1999
gepubliceerd op 25 maart 1999
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit betreffende de kwalitatieve toetsing van de medische activiteit in de ziekenhuizen

bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
numac
1999022167
pub.
25/03/1999
prom.
15/02/1999
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

15 FEBRUARI 1999. - Koninklijk besluit betreffende de kwalitatieve toetsing van de medische activiteit in de ziekenhuizen


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, inzonderheid op artikel 15, gewijzigd door de wet van 29 april 1996;

Gelet op de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, inzonderheid artikel 154;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven 17 november 1998;

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid en Pensioenen en van Onze Minister van Sociale Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Met het oog op de verbetering van de kwaliteit van de medische dienstverlening dienen de in artikel 9ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, bedoelde zorgprogramma's, evenals de diensten en hiernavermelde medisch-technische diensten en functies over te gaan tot interne en externe toetsing van de medische activiteit : 1° de dienst voor radiotherapie;2° het centrum voor de behandeling van chronische nierinsufficiëntie;3° de dienst voor medische beeldvorming waarin een magnetische resonantie tomograaf met ingebouwd elektronisch telsysteem wordt opgesteld;4° de functie « gespecialiseerde spoedgevallenzorg »;5° de functie voor intensieve zorg. HOOFDSTUK II. - Interne toetsing van de kwaliteit van de medische activiteit

Art. 2.Voor ieder van de in artikel 1 bedoelde zorgprogramma's, medisch-technische diensten, diensten en functies, moet door de hoofdgeneesheer van het desbetreffend ziekenhuis, een rapport opgemaakt worden over de kwaliteit van de medische activiteit.

Art. 3.§ 1. De in artikel 2 bedoelde rapporten dienen opgesteld te worden op basis van een interne registratie volgens het in artikel 8, 2° bedoelde registratiemodel.Het wordt opgesteld binnen zes maanden na het verstrijken van het jaar gedurende hetwelk de registratie heeft plaatsgehad. § 2. De in § 1 bedoelde geregistreerde gegevens worden op initiatief van de hoofdgeneesheer, door geneesheren die een activiteit uitoefenen in desbetreffend zorgprogramma, dienst, medisch-technische dienst of functie, intern getoetst aan de in artikel 8, 1°, bedoelde indicatoren voor de evaluatie van de medische activiteit in de ziekenhuizen.

Art. 4.De in artikel 2 bedoelde rapporten worden door het ziekenhuis overgemaakt aan het desbetreffend, in artikel 5 bedoelde College van geneesheren. HOOFDSTUK III. - Externe toetsing van de kwaliteit van de medische activiteit Afdeling 1. - Colleges van geneesheren

Onderafdeling 1. - Oprichting

Art. 5.Bij het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu wordt een College van geneesheren opgericht voor ieder van de in artikel 1 bedoelde medisch-technische diensten, diensten, functies en zorgprogramma's.

Onderafdeling 2. - Samenstelling en benoeming

Art. 6.§ 1. Voor ieder van de in artikel 5 bedoelde Colleges wordt het aantal leden vastgesteld door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft en de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft. § 2. Ieder College is samengesteld uit geneesheren waarvan de bekwaamheid ter zake algemeen is erkend door diegenen die daadwerkelijk de betrokken medische activiteit uitoefenen. De mandaten worden verdeeld over de geneesheren die hun medische activiteit uitoefenen in een universitair ziekenhuis en geneesheren die hun medische activiteit uitoefenen in een niet-universitair ziekenhuis naar gelang van het aandeel van de universitaire, respectievelijk niet-universitaire ziekenhuizen, in de beoefening van de desbetreffende activiteit, met dien verstande dat ieder van de beide groepen recht heeft op een minimale vertegenwoordiging van 25 %. § 3. Het college wordt, enkel voor wat betreft de uitvoering van de in artikel 8, 6°, bedoelde opdracht, uitgebreid met drie deskundigen terzake.

Art. 7.De leden van de Colleges worden, na raadpleging van de Wetenschappelijke verenigingen en de Beroepsverenigingen van de betrokken discipline, benoemd door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft en door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft.

Ze worden benoemd voor een duur van 6 jaar met dien verstande dat de helft der mandaten om de drie jaar hernieuwd wordt. Bij overlijden of ontslag van een lid, of indien een lid niet langer aan de benoemingsvoorwaarden voldoet, wordt in de vervanging ervan voorzien.

Onderafdeling 3. - Opdrachten

Art. 8.De Colleges van geneesheren hebben tot opdracht om, op vraag van de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft of de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, of op eigen initiatief : 1° in consensus kwaliteitsindicatoren en toetsingscriteria inzake goede medische praktijkvoering in het desbetreffend zorgprogramma, medisch-technische dienst, dienst of functie op te stellen;deze criteria hebben onder meer betrekking op infrastructuur, mankracht, de medische praktijkvoering voor het geheel van de medisch-technische dienst, de dienst de functie of het zorgprogramma of medisch specialisme, alsook op de resultaten hiervan; 2° een geïnformatiseerd registratiemodel en type rapport concreet uit te werken, rekening houdend met de richtlijnen opgesteld door de in artikel 9 bedoelde werkgroep;3° eventuele visitaties afleggen en controles van de geregistreerde gegevens uitvoeren; 4° een nationaal jaarrapport op te stellen met relevante gegevens m.b.t. desbetreffende medisch-technische dienst, dienst, functie of zorgprogramma; deze rapporten worden overgemaakt aan de in artikel 9 bedoelde werkgroep; 5° vragen te beantwoorden van een dienst of van een beroepsbeoefenaar m.b.t. het evaluatieproces; 6° rapport opstellen over het gebruik van de middelen;bedoeld rapport vormt een apart hoofdstuk van het in punt 4°, bedoeld nationaal rapport; 7° terugkoppeling van de gegevens naar de ziekenhuizen en de geneesheren van desbetreffende medisch-technische dienst, dienst, functie of zorgprogramma, zowel wat betreft de kwaliteitsindicatoren en toetsingscriteria als wat betreft het gebruik van de middelen. Met betrekking tot de in 7° bedoelde opdracht worden de Colleges ondersteund door het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. Afdeling 2. - De overlegstructuur tussen ziekenhuisbeheerders,

geneesheren en verzekeringsinstellingen

Art. 9.Bij de overlegstructuur tussen ziekenhuisbeheerders, geneesheren en verzekeringsinstellingen, bedoeld in artikel 153 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, wordt een bijzondere werkgroep opgericht die het overkoepelend orgaan vormt van de in artikel 5 bedoelde colleges van geneesheren.

Art. 10.De in artikel 9 bedoelde werkgroep is samengesteld uit leden van de overlegstructuur, uitgebreid met : 1° een door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft en de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, vast te stellen aantal vertegenwoordigers van ieder van de in artikel 5 bedoelde Colleges van geneesheren, waarbij een vertegenwoordiging van het Duitstalig landsgedeelte en van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt verzekerd;2° een door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft en de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, vast te stellen aantal experten uit andere domeinen zoals de epidemiologie en de gezondheidseconomie. De in 1°, bedoelde leden maken minstens de helft uit van het totaal aantal leden van de in artikel 9 bedoelde werkgroep.

Art. 11.De overlegstructuur of, in voorkomend geval, de door haar opgerichte bijzondere werkgroep, heeft tot opdracht om, op vraag van de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft of de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft of op eigen initiatief : 1° uniforme richtlijnen op te stellen ten behoeve van de onderscheidene Colleges van geneesheren.Deze richtlijnen hebben betrekking op de werking en de opdrachten van deze Colleges; 2° conclusies te trekken uit de, met betrekking tot de identiteit van het ziekenhuis geänonimiseerde, jaarrapporten van de Colleges van geneesheren naar de federale beleidsvoering, met name inzake programmatie, erkenning en financiering.Ze maakt deze conclusies over aan de federale instanties van Volksgezondheid en de ziekteverzekering, ieder voor wat zijn bevoegdheid betreft; 3° de jaarrapporten, opgesteld door de Colleges van geneesheren, over te maken aan de onderscheiden instanties van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, de ziekteverzekering en aan de federale ministers bevoegd voor het gezondheidszorgbeleid. Ze maakt bedoelde rapporten eveneens aan de hoofdgeneesheren en de betrokken diensthoofden van de medisch-technische diensten, diensten, functies of zorgprogramma's over.

Art. 12.Onze Minister van Volksgezondheid en Pensioenen en Onze Minister van Sociale Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 15 februari 1999.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Volksgezondheid en Pensioenen, M. COLLA De Minister van Sociale Zaken, Mevr. M. DE GALAN

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^