Koninklijk Besluit van 15 oktober 2017
gepubliceerd op 23 oktober 2017
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 februari 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoör

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2017205568
pub.
23/10/2017
prom.
15/10/2017
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2017205568

FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID


15 OKTOBER 2017. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 februari 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het koninklijk besluit dat ik de eer heb aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, heeft tot doel om de herwaarderingsmaatregel die bepaalt dat het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid de duur van vijftien jaar bereikt uiterlijk op 31 augustus van het betrokken jaar, op 1 september met 2 % wordt verhoogd, in 2018 verder op te schorten.

In het licht van het advies nr. 62.029/2/V van 21 augustus 2017 van de Raad van State en gelet op de gemaakte opmerkingen, wordt hierna enige toelichting gegeven.

De Raad van State vraagt in dit advies meer concreet naar een rechtvaardiging van dit (nieuwe) uitstel (voor het jaar 2018) van de uitvoering van artikel 98 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in het licht van artikel 108 van de Grondwet.

Op grond van artikel 108 van de Grondwet maakt de Koning de verordeningen en neemt hij de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen. Er moet worden opgemerkt dat deze grondwettelijk verankerde uitvoeringsbevoegdheid ruim dient te worden geïnterpreteerd (cfr. ook het arrest Mertz van het Hof van Cassatie van 18 november 1924).

Artikel 98, eerste lid, van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, bepaalt dat op de invaliditeitsuitkeringen, vanaf het jaar 2005, een herwaarderingscoëfficiënt wordt toegepast. De Koning bepaalt de herwaarderingscoëfficiënt, evenals de categorieën van invaliden die er aanspraak op kunnen maken in functie van de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid. Op grond van deze uitdrukkelijke delegatie beschikt Uwe Majesteit dus over een zeer ruime bevoegdheid om vast te stellen op welke invaliditeitsuitkeringen eventueel een herwaarderingscoëfficiënt wordt toegepast en wat in voorkomend geval de precieze herwaarderingscoëfficiënt is. Er zijn geen nadere specificaties in de wet zelf opgenomen.

Uit deze ruime delegatie vloeit bovendien voort dat Uwe Majesteit ook de mogelijkheid heeft om een herwaarderingsmaatregel waarvan U zelf integraal de nadere voorwaarden heeft bepaald, indien nodig wegens welbepaalde redenen, op te schorten, zonder dat dit kan worden gekwalificeerd als een schorsing van de wet zelf of het verlenen van een vrijstelling van uitvoering ervan.

In uitvoering van de artikelen 72 en 73bis van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact moeten de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven elke twee jaar de omvang en de verdeling van de geldmiddelen bestemd voor de welvaartsaanpassing van de vervangingsinkomens en de uitkeringen van sociale bijstand bepalen.

Ze brengen hierover een advies uit.

Ook de regering moet zich systematisch om de twee jaar daarover uitspreken. De beslissingen worden genomen in functie van de beschikbare middelen en vervolgens billijk gespreid over de verschillende sectoren van de sociale zekerheid en regelingen van sociale bijstand. Ze zijn dus niet noodzakelijk steeds hetzelfde.

Het is belangrijk om aan te stippen dat dergelijke welvaartsaanpassingen met toepassing van artikel 72 van de voormelde wet van 23 december 2005 een wijziging van een berekeningsplafond of van een al dan niet minimale uitkering zijn. De nadere regels van de aanpassing kunnen, in voorkomend geval, per regeling, per berekeningsplafond of per uitkering binnen een regeling, of nog, per categorie van uitkeringsgerechtigde, verschillen. De wetgever benadrukt bijgevolg zelf dat de verdeling van de middelen voorzien in de welvaartsenveloppe een welbepaalde onderscheiden behandeling van de gerechtigden op een vervangingsinkomen tot gevolg kan hebben.

In het kader van een dergelijke welvaartsaanpassing van de vervangingsinkomens was het o.a. initieel de bedoeling van de sociale partners en de regering om vanaf 1 september 2009 jaarlijks een verhoging van 2 % toe te kennen aan de invalide gerechtigden die in het betrokken jaar een arbeidsongeschiktheidsduur van 15 jaar hadden bereikt.

In uitvoering van de hierboven omschreven verstrekte delegatie bedoeld in artikel 98, eerste lid van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, is dan ook met ingang van 1 september 2009 een recurrente maatregel omschreven die bepaalt dat het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid de duur van vijftien jaar bereikt uiterlijk op 31 augustus van het betrokken jaar, met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 % vanaf 1 september van dat jaar wordt verhoogd. Indien de duur van 15 jaar arbeidsongeschiktheid bereikt wordt na 31 augustus, wordt de herwaarderingscoëfficiënt toegepast vanaf 1 september van het volgende jaar (artikel 237quater van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, ingevoegd bij artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 juni 2007 tot wijziging van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996).

Nadat is beslist geweest om op 1 september 2008 aan alle invaliden wier arbeidsongeschiktheid is aangevat in de periode vanaf 1 september 1987 tot en met 31 augustus 1993 een verhoging van 2 % van hun uitkeringen toe te kennen (hierdoor hebben alle invaliden met een ziekteduur van 15 jaar of meer uiteindelijk een bijkomende verhoging ontvangen van twee keer 2 % (recurrentie 2 % na 6 jaar én na 15 jaar en langer)), heeft de regering bovendien via een algemene inhaaloperatie op 1 september 2009 de invaliditeitsuitkeringen van de gerechtigden die arbeidsongeschikt zijn erkend vanaf 1 september 1993 tot en met 31 december 2002, al met 2 % verhoogd (bovenop de verhoging van 2 % na zes jaar arbeidsongeschiktheid).

Om te vermijden dat de invaliden die met ingang van 1 januari 2009 een ziekteduur van 15 jaar bereiken, een hogere geherwaardeerde invaliditeitsuitkering zouden ontvangen dan zij die voor 1 januari 2009 15 jaar of langer arbeidsongeschikt zijn, is evenwel de in het voormelde artikel 237quater bedoelde herwaardering sinds 2009 voortdurend opgeschort (cf. artikel 7 van het koninklijk besluit van 12 februari 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994).

Een dergelijke opschorting van een recurrente herwaarderingsmaatregel na 15 jaar 'anciënniteit' is op basis van de uitvoering van de in het verleden gesloten interprofessionele akkoorden ook al gebeurd in andere sectoren van de sociale zekerheid zoals de sector pensioenen.

In het Interprofessioneel Akkoord 2017-2018 is opnieuw op een algemene wijze de (verdere) schorsing van de herwaardering van de desbetreffende sociale prestaties voor de jaren 2017 en 2018 bepaald zodra de gerechtigde de 'anciënniteit' van 15 jaar bereikt.

Hoewel de voormelde op 1 september 2009 doorgevoerde inhaaloperatie niet van toepassing was op de invaliden die met ingang van 1 januari 2018 15 jaar arbeidsongeschikt erkend zijn, kan het verschil in behandeling dat deze verdere opschorting van de herwaarderingsmaatregel voor die groep gerechtigden tot gevolg heeft ten opzichte van de groep van invaliden die vóór 2018 de arbeidsongeschiktheidsduur van 15 jaar hebben bereikt, in het licht van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden gerechtvaardigd.

In de algemene context van de onderhandelingen over akkoorden inzake welvaart is immers een soortgelijke schorsingsmaatregel in andere sectoren in 2018 van toepassing (zoals de sector pensioenen (vgl. het koninklijk besluit van 18 juni 2017 tot wijziging van artikel 7 van het koninklijk besluit van 9 april 2007 tot verhoging van sommige pensioenen en tot toekenning van een welvaartsbonus aan sommige pensioengerechtigden)).

Met het oog op de nodige samenhang tussen de maatregelen die door de sociale partners zijn beslist en door de regering zijn goedgekeurd in de moeilijke oefening die een evenwichtige verdeling van de enveloppe onder de verschillende sectoren van de sociale zekerheid tot doelstelling heeft, moet ook voor de sector uitkeringen een verdere schorsing van deze herwaarderingsmaatregel behouden blijven.

Een dergelijke globale benadering binnen de sociale zekerheid met een mogelijke onderscheiden behandeling blijkt uit de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact zelf en rechtvaardigt dus de opschorting zoals beoogd in het aan Uwe Majesteit ter ondertekening voorgelegde koninklijk besluit.

Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Sociale Zaken, M. DE BLOCK

15 OKTOBER 2017. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 februari 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, artikel 98, eerste lid, vervangen bij de programmawet van 27 december 2004;

Gelet op het koninklijk besluit van 12 februari 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;

Gelet op het advies van het Beheerscomité van de uitkeringsverzekering voor werknemers van de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, gegeven op 19 april 2017;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 16 mei 2017;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 20 juli 2017;

Gelet op het advies nr. 62.029/2/V van de Raad van State, gegeven op 21 augustus 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 7 van het koninklijk besluit van 12 februari 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, vervangen bij de koninklijke besluiten van 21 juni 2011, 18 juli 2013 en 30 augustus 2015, wordt het woord "2017" vervangen door het woord "2018".

Art. 2.De minister bevoegd voor Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 15 oktober 2017.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, M. DE BLOCK


begin


Publicatie : 2017-10-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^