Koninklijk Besluit van 16 februari 2001
gepubliceerd op 28 april 2001
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 mei 1995, gesloten in het Paritair Subcomité voor de cementagglomeraten, betreffende de arbeidsvoorwaarden van de werklieden en werksters

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
2001012091
pub.
28/04/2001
prom.
16/02/2001
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

16 FEBRUARI 2001. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 mei 1995, gesloten in het Paritair Subcomité voor de cementagglomeraten, betreffende de arbeidsvoorwaarden van de werklieden en werksters (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Subcomité voor de cementagglomeraten;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 11 mei 1995, gesloten in het Paritair Subcomité voor de cementagglomeraten, betreffende de arbeidsvoorwaarden van de werklieden en werksters.

Art. 2.Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 16 februari 2001.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Subcomité voor de cementagglomeraten Collectieve arbeidsovereenkomst van 11 mei 1995 Arbeidsvoorwaarden van de werklieden en werksters (Overeenkomst geregistreerd op 13 juli 1995 onder het nummer 38375/CO/106.02) Toepassingsgebied

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers, werklieden en werksters van de ondernemingen welke onder het Paritair Subcomité voor de cementagglomeraten ressorteren.

Sectie I. - Lonen en arbeidsvoorwaarden HOOFDSTUK I. - Indeling van de werklieden en werksters

Art. 2.De werklieden en werksters worden in vijf categorieën ingedeeld : 1. Hulparbeiders : de werklieden en werksters die geen bijzondere kennis of voorafgaande opleiding nodig hebben, doch enkel een oplettendheid en een gewoonte van arbeid welke zij kunnen verwerven door een aanpassingsperiode van minder dan vijftien dagen. Deze werklieden en werksters kunnen gemeenschappelijke vervoerapparaten gebruiken (kruiwagen, transpaletten met of zonder motor, drijfschoppen, duivels, wagentjes, loopwagentjes, roltransporteurs, enz.).

Dit zijn namelijk : de werklieden en werksters tewerkgesteld aan het lossen en het behandelen van grondstoffen, aan de voorbereiding van de wapeningen (puntlassers), aan het bevochtigen en het behandelen van de afgewerkte producten of van de producten tijdens de fabricatie, aan het opstapelen en het inpakken van de producten, aan het bergen ervan in magazijn, aan het laden van de afgewerkte producten, aan het reinigen van de lokalen en de binnenplaatsen, de begeleiders van vrachtwagens, enz.

De helpers van de geoefende werklieden en werksters van tweede categorie worden eveneens in deze categorie ingedeeld.

Het aantal werklieden en werksters dat een onderneming met het loon van de categorie "hulparbeiders" mag bezoldigen, is als volgt beperkt : - indien de onderneming in totaal minder dan 10 werklieden tewerkstelt : 0; - indien de onderneming in totaal van 10 tot 19 werklieden tewerkstelt : 1; - indien de onderneming in totaal van 20 tot 29 werklieden tewerkstelt : 2; - indien de onderneming in totaal van 30 tot 39 werklieden tewerkstelt : 3; enz. 2. Geoefenden van tweede categorie : de werklieden en werksters die in de eigenlijke fabricatie zijn betrokken en zij die verantwoordelijkheid en/of leiding hebben van productiemachines of van hijs- en behandelingstoestellen met titularis. Dit zijn namelijk : de werklieden en werksters die verantwoordelijk zijn voor het bereiden en het samenstellen van de mengsels, voor het bedienen van de tot dit doel gebruikte toestellen (meng-, zeef-, droogmolens, kneedtoestellen, betonmolens, betoncentrales, enz.); de samenstellers van de wapeningen, de verantwoordelijken voor de triltafels, trilmachines, persen en andere gelijkaardige productietoestellen, voor het vervaardigen en afwerken van gegoten stukken uit beton of uit hersamengestelde steen, voor het vormgieten en het persen van cementtegels en tegels uit marmermozaiek, voor het vormgieten van speciale stukken in marmeragglomeraten (traptreden, vensterbanken, enz.), voor het werk aan de zogenaamde automatische persen en aan de slijp- en polijsttoestellen zonder deze te besturen, voor het stoppen, het sorteren en het nazien van de producten, voor zaagmachines, voor het bedienen van spantoestellen; de titularissen van hijs- en behandelingstoestellen zoals "clarks", "lifttrucks", kranen, automatische schoppen, rolbruggen; de vrachtwagenbestuurders, enz. 3. Geoefenden van eerste categorie : de werklieden en werksters van de vorige categorie waarvan de functies bijzondere hoedanigheden van aanpassing, initiatief en doorzicht, een langere en betere opleiding, een voortdurende gespannen aandacht in de uitvoering van het werk vereisen, wegens de belangrijkheid van het materieel dat zij moeten besturen en waarvoor zij verantwoordelijk zijn en de waarde van de grondstoffen die zij moeten aanwenden. Dit zijn namelijk : de verantwoordelijken die de leiding hebben van de zogenaamde automatische persen en de geperfectioneerde slijp- en polijstmachines, enz.

De helpers van de werklieden en werksters van deze categorie worden gelijkgesteld met de hulparbeiders of de geoefende werklieden en werksters van tweede categorie, naargelang het werk dat zij verrichten. 4. Vaklieden van tweede categorie : de werklieden en werksters die minstens gedurende één jaar hun vak hebben uitgeoefend, nadat zij de daarmee in verband staande beroepsleergangen met vrucht hebben gevolgd;de werklieden en werksters die minstens gedurende drie jaar hetzelfde vak hebben uitgeoefend en waarvoor beroepsleergangen bestaan; deze werklieden en werksters moeten het bewijs leveren van een klaarblijkelijke praktische en technische kennis.

Dit zijn namelijk : de monteerders, bankwerkers, draaiers, booglassers, autogeenlassers, gereedschapmakers, boetseerders, elektriciens, schrijnwerkers, timmerlieden, metselaars, cementbezetters, mecaniciens, enz.

De helpers van de werklieden en werksters van deze categorie worden opgenomen in één van de drie vorige categorieën, naargelang het werk dat zij verrichten. 5. Vaklieden van eerste categorie : de werklieden en werksters van de voorgaande categorie, die kunnen worden beschouwd als bijzonder geschoolden omwille van hun meer dan gemiddelde geschiktheid.

Art. 3.De minderjarige werklieden en werksters kunnen tot alle categorieën behoren. HOOFDSTUK II. - Vaststelling van de lonen A. Uurlonen

Art. 4.Vanaf 1 januari 1995 worden de minimumuurlonen van de werklieden en werksters, naargelang van de categorie waartoe zij behoren en voor een wekelijkse arbeidsduur van achtendertig uur, als volgt vastgesteld : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Art. 5.Onverminderd de bepalingen van sectie VIII wordt het minimumuurloon van de minderjarige werklieden en werksters berekend op grond van volgende percentages van het minimumuurloon van de werkman en werkster van dezelfde categorie : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld B. Stuk-, premie- of rendementswerk

Art. 6.Het voor stuk-, premie- of rendementswerk te betalen loon wordt derwijze berekend dat de betrokken werklieden en werksters minstens 12,5 pct. meer verdienen dan het effectief betaalde loon aan de werknemers en werksters van de categorie waartoe ze behoren.

Art. 7.De minderjarige werklieden en werksters die stuk-, premie- of rendementswerk verrichten, ontvangen, indien zij evenveel produceren, hetzelfde loon als de werklieden en werksters van 21 jaar en ouder die hetzelfde werk uitvoeren.

Art. 8.Het staat de werkgever vrij de productie te bepalen welke inzake stuk-, premie- of rendementswerk niet mag worden overschreden. HOOFDSTUK III. - Ploegenarbeid en verschoven uurroosters

Art. 9.Ploegenarbeid : wanneer de arbeid in ploegen wordt verricht en onverminderd artikel 36 van de arbeidswet van 16 maart 1971, hebben de werklieden en werksters, zonder onderscheid van leeftijd, per werkuur en voor een wekelijkse arbeidsduur van achtendertig uur, recht op betaling van een premie vastgesteld als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Art. 10.Verschoven uurroosters : het al of niet bestaan van verschoven uurroosters hangt af van de afpaling van de normale daguurrooster zoals vastgesteld is in het arbeidsreglement.

Een uurrooster wordt geacht verschoven te zijn wanneer het begin ervan minstens één uur valt vóór het begin van de normale daguurrooster of wanneer het einde ervan minstens één uur valt na het einde van deze uurrooster.

De werkman en werkster die werken volgens een verschoven uurrooster hebben, voor elk van de uren die zij presteren vóór of na de normale daguurrooster, recht op de ploegenpremie die overeenstemt met het ogenblik waarop deze uren gepresteerd worden.

Er is geen samenvoeging van de ploegenpremies voor verschoven uurrooster en de overlonen voor dezelfde uren. HOOFDSTUK IV. - Koppeling van de bezoldigingen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen

Art. 11.De in artikel 4 vastgestelde lonen, de werkelijk uitbetaalde lonen, alsook de lonen van de werklieden en werksters die geheel of gedeeltelijk per stuk, met premies of tegen rendement worden betaald, de ploegenpremies bedoeld bij artikel 9 en de andere van kracht zijnde premies welke een integrerend deel uitmaken van de lonen, worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen en staan tegenover het referte-indexcijfer 116,57.

Art. 12.Het referte-indexcijfer 116,57 is de spil van de stabilisatieschijf waarvan 114,28 de laagste grens en 118,90 de hoogste grens is.

Elke volgende stabilisatieschijf wordt bekomen door de cijfers van de voorgaande schijf te verhogen met 2 pct.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De lonen en premies, bedoeld in artikel 11 worden verlaagd of verhoogd met 2 pct. wanneer het indexcijfer de laagste of hoogste grens van de van kracht zijnde stabilisatieschijf heeft bereikt.

Art. 13.De verhogingen en verlagingen ingevolge de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen hebben uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand volgend op deze waarop het indexcijfer dat de verhoging of verlaging van de lonen en premies bedoeld in artikel 11 veroorzaakt, betrekking heeft. HOOFDSTUK V. - Geschillen

Art. 14.Alle geschillen betreffende de interpretatie van de bepalingen van deze sectie I kunnen voor bemiddeling worden voorgelegd aan een beperkt comité van het Paritair Subcomité voor de cementagglomeraten. HOOFDSTUK VI. - Geldigheid

Art. 15.De bepalingen van deze sectie I treden in werking op 1 januari 1995 en houden op van kracht te zijn op 1 januari 1997.

Sectie II. - Werkzekerheid en inkomenszekerheid Rekening houdend met de herhaalde tussenkomsten van de overheid ten gunste van het personeel dat het slachtoffer kan worden van afdankingsmaatregelen, nemen de partijen volgende regeling aan om de problemen van de werk- en inkomenszekerheid in de sector cementagglomeraten op te lossen.

Art. 16.Ingeval de activiteit afneemt, en alvorens tot afdankingen over te gaan, voeren de ondernemingen een stelsel van beurtwerkloosheid in, voor zoveel mogelijk werklieden en werksters, en in zover dit verenigbaar is met de individuele kwalificatie en de noodwendigheden van de werkorganisatie.

De werkgevers vermijden werken door derden te laten uitvoeren welke normaal door eigen personeel kunnen worden uitgevoerd.

Indien de herstructureringsmaatregelen van de maatschappij afdankingen onafwendbaar maken, onderzoeken de werkgevers, met hun syndicale afvaardiging (regionale vakbondssecretarissen en afgevaardigden), de toestand grondig, alvorens tot een beslissing over te gaan; meer in bijzonder streven zij alle mogelijkheden van herklassering en wederaanpassing na.

Art. 17.Deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt uitgevoerd in het kader van de collectieve arbeidsovereenkomst van 27 april 1972 tot vaststelling van het statuut van de vakbondsafvaardigingen in de ondernemingen van cementagglomeraten, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 februari 1973, inzonderheid de artikelen 10, 3° en 19.

Art. 18.De bepalingen van deze sectie II treden in werking op 1 januari 1995 en houden op van kracht te zijn op 1 januari 1997.

Sectie III. - Vergoeding van de verplaatsings-, huisvestings- en voedingskosten van de werklieden en werksters die op een ongewone plaats worden tewerkgesteld

Art. 19.Wanneer de werkgever de werkman of werkster opdraagt zich van de fabriek of werf naar een andere werkplaats te begeven, draagt de werkgever de verplaatsingskosten.

Bovendien ontvangt de werkman of werkster een vergoeding van 0,75 BEF per effectief afgelegde kilometer. Deze vergoeding kan niet gecumuleerd worden met bestaande gunstigere regelingen op ondernemingsvlak. In ondernemingen waar evenwel gunstiger maatregelen bestaan, blijven deze behouden.

Art. 20.Wanneer ingeval voorzien in artikel 19 de werklieden en werksters werkzaam zijn op een werf die zo ver van hun woonplaats verwijderd is dat zij onmogelijk dagelijks naar huis kunnen gaan, is de werkgever gehouden hun naar behoren voeding en huisvesting te verstrekken.

Art. 21.De werkgever kan zich van de in artikel 20 voorziene verplichting kwijten door per werkdag een forfaitaire uitkering voor huisvesting en voor voeding te betalen van 565 BEF.

Art. 22.Het in artikel 21 vermelde bedrag wordt aan het indexcijfer van de consumptieprijzen aangepast in dezelfde mate en op hetzelfde ogenblik als de aanpassing van de lonen en premies aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.

Art. 23.De bepalingen van deze sectie III treden in werking op 1 januari 1995 en houden op van kracht te zijn op 1 januari 1997.

Sectie IV. - Toekenningsmodaliteiten van uitkeringen voor bestaanszekerheid

Art. 24.De in artikel 1 bedoelde werklieden en werksters kunnen aanspraak maken op dagelijkse uitkeringen voor bestaanszekerheid zodra zij gedeeltelijk of toevallig werkloos worden gesteld zonder dat de arbeidsovereenkomst voor werklieden is verbroken en voor zover zij minstens twee weken dienst hebben in de ondernemingen welke ressorteren onder het Paritair Subcomité voor de cementagglomeraten en de hierna voorziene voorwaarden vervullen.

Art. 25.De werklieden en werksters hebben recht op maximum vijfenzestig uitkeringen gedurende de periode lopende van 1 april 1995 tot 31 maart 1996. Zij genieten een tweede krediet van vijfenzestig uitkeringen gedurende de periode gaande van 1 april 1996 tot 31 maart 1997.

Deze kredieten zijn niet overdraagbaar na de vervaldatum.

Art. 26.Nochtans hebben de werklieden en werksters met minder dan één jaar anciënniteit respectievelijk op 1 april 1995 en op 1 april 1996 slechts recht op vijf uitkeringen per volledige of begonnen maand op datum van in werkloosheidsstelling te rekenen vanaf de indiensttreding.

Art. 27.In geval van schorsing van de arbeidsovereenkomst om reden van staking, wordt het recht op de uitkeringen verminderd naar rato van één uitkering per vier stakingsdagen.

Art. 28.Het bedrag van de dagelijkse uitkeringen voor bestaanszekerheid wordt als volgt vastgesteld : 1° 220 BEF voor de meerderjarige werklieden en werksters;2° 138 BEF voor de werklieden en werksters van minder dan 18 jaar.

Art. 29.In zover de dagen gedeeltelijke werkloosheid niet voortspruiten uit een schorsing van de arbeidsovereenkomst voor werklieden in toepassing van artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, betaalt de werkgever bovendien aan de werklieden en werksters die recht hebben op de vergoeding voorzien in artikel 28 : 1° 197 BEF per werkloze dag aan de meerderjarige werklieden en werksters;2° 99 BEF per werkloze dag aan de werklieden en werksters van minder dan 18 jaar.

Art. 30.Bovendien moet de werkgever aan de werklieden en werksters die in de artikelen 28 en 29 beoogde uitkeringen genieten de werkelijk door hen gedragen kosten van het abonnement met betrekking tot het openbaar vervoer naar rata van de om reden van werkloosheid niet gewerkte dagen, terugbetalen.

Art. 31.De werkgever betaalt de in de artikelen 28 en 30 beoogde uitkeringen aan de werklieden en werksters op de normale dagen van de uitbetaling van het loon.

De vergoeding voor verlies aan vakantiegeld zoals bedoeld in artikel 29 is verschuldigd op het ogenblik van het nemen van het hoofdverlof respectievelijk van het jaar 1995 en van het jaar 1996 of op het ogenblik dat de betrokkene de onderneming verlaat. De vergoeding op dat ogenblik betaald heeft dus betrekking op de dagen werkloosheid om andere dan economische redenen tijdens de periode respectievelijk van 1 april 1995 tot 31 maart 1996 en van 1 april 1996 tot 31 maart 1997.

Art. 32.De werklieden en werksters die recht hebben op de uitkeringen moeten hun werk onmiddellijk hervatten wanneer de werkgever erom verzoekt, of bij het verstrijken van de wettelijke opzeggingstermijn welke zij moeten naleven tegenover een andere werkgever indien zij gedurende de periode van werkloosheid een andere arbeidsovereenkomst voor werklieden zouden hebben gesloten.

Art. 33.De werklieden en werksters verliezen hun aanspraak op de uitkeringen : 1° ingeval de arbeidsovereenkomst voor werklieden wordt verbroken gedurende de periode van werkloosheid;2° ingeval de werkman of werkster de arbeidsovereenkomst voor werklieden opzegt vóór de betalingsdatum van de uitkeringen of het saldo van de uitkeringen;3° ingeval de in artikel 32 vastgestelde termijn om het werk te hervatten niet wordt nageleefd;4° in geval van werkstakingen of lock-out.

Art. 34.Alle geschillen betreffende de interpretatie van de bepalingen van deze sectie IV kunnen voor bemiddeling aan een beperkt comité van het Paritair Subcomité voor de cementagglomeraten worden voorgelegd.

Art. 35.Met uitzondering van de bepalingen van de artikelen 25, 28, 29 en 31, tweede lid, treden de bepalingen van deze sectie IV in werking op 1 april 1995 en houden op van kracht te zijn op 1 april 1997.

De bepalingen van de artikelen 28 en 29 treden in werking op 1 januari 1995 en houden op van kracht te zijn op 1 januari 1997.

Sectie V. - Toekenningsmodaliteiten van de afdankingsuitkeringen of premie voor einde loopbaan

Art. 36.§ 1. De in artikel 1 bedoelde werklieden en werksters kunnen aanspraak maken op een afdankingsuitkering wanneer de arbeidsovereenkomst voor werklieden door de werkgever wordt verbroken, behalve wegens dringende redenen, voor zover zij minstens drie maand ononderbroken dienst hebben in de onderneming. § 2. Dezelfde uitkering wordt toegekend aan de op rust of op brugpensioen gestelde werklieden en werksters. Zij wordt nochtans niet gecumuleerd met bestaande gelijkaardige voordelen die reeds in de onderneming worden toegekend.

Art. 37.De bedragen van de enige en forfaitaire uitkering welke wordt betaald bij het overhandigen van de eindafrekening aan de werkman of werkster worden als volgt vastgesteld : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De anciënniteit wordt berekend op de dag waarop de opzegging begint te lopen of zou moeten beginnen te lopen.

Art. 38.De bepalingen van deze sectie V treden in werking op 1 januari 1995 en houden op van kracht te zijn op 1 januari 1997.

Sectie VI. - Toekenning van een eindejaarspremie

Art. 39.De in artikel 1 bedoelde werklieden en werksters genieten zowel in 1995 als in 1996 een eindejaarspremie, voor zover zij op 15 december sinds minstens drie maand in het personeelsregister ingeschreven zijn. Deze premie wordt uitbetaald tussen 16 en 20 december.

Art. 40.De eindejaarspremie is gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de minimumuurlonen zoals bedoeld in artikel 4, aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen volgens hoofdstuk IV van de sectie I en geldig op 1 december van het bewust jaar, vermenigvuldigd met het aantal per maand gewerkte uren. Dit aantal wordt conventioneel vastgesteld op 173,33 uren in het regime van veertig uur per week en op 164,66 uren in het regime van achtendertig uren.

Art. 41.Het bedrag voorzien in artikel 40 wordt verhoogd met een anciënniteitspremie van 50 BEF per jaar dienst voor de eerste tien jaar dienst en met een anciënniteitpremie van 150 BEF per jaar vanaf het elfde jaar dienst in de onderneming.

Art. 42.In afwijking van de bepalingen van artikel 39 ontvangen de in de loop van beide jaren gepensioneerde of op brugpensioen gestelde werklieden en werksters, de werklieden en werksters die zelf de onderneming op regelmatige wijze verlaten, de ontslagen werklieden en werksters, behalve wegens dringende reden, en de rechthebbenden van de overleden werklieden en werksters een premie welke echter wordt verlaagd in verhouding tot hetgeen bepaald is in artikel 43.

Hun anciënniteit wordt als volgt berekend : wanneer de arbeidsovereenkomst voor werklieden eindigt vóór 16 juni wordt er rekening gehouden met de anciënniteit welke zij op 16 december van het vorig jaar hadden; wanneer de arbeidsovereenkomst voor werklieden een einde neemt vanaf 16 juni en later wordt er rekening gehouden met de anciënniteit welke zij op 16 december van dat jaar zouden hebben gehad, indien hun arbeidsovereenkomst geen einde had genomen.

Art. 43.In afwijking van de bepalingen van artikel 39, wordt de eindejaarspremie aangepast in verhouding tot de werkelijk gepresteerde dagen in de loop van het refertedienstjaar. Onder refertedienstjaar wordt verstaan de periode begrepen tussen 1 december van het vorige kalenderjaar en 30 november van het betrokken jaar.

De berekening wordt als volgt doorgevoerd : De volgens artikel 40 vastgestelde eindejaarspremie wordt vermenigvuldigd met een verhouding waarvan de noemer 241 bedraagt en de teller het aantal effectief gepresteerde dagen.

Worden gelijkgesteld met effectief gepresteerde dagen : - de tien betaalde feestdagen; - de dagen klein verlet; - de dagen syndicale vorming tot een beloop van maximum vijf dagen per jaar; - de dagen verlet omwille van een arbeidsongeval; - de dagen verlet omwille van een beroepsziekte; - de dagen verlet omwille van ziekte tot een beloop van maximum vijfenzestig dagen; - de dagen verlet omwille van gedeeltelijke werkloosheid tot een beloop van maximum vijfenzestig dagen.

Art. 44.De langdurige zieken behouden hun recht op eindejaarspremie slechts gedurende een periode die afhankelijk is van de anciënniteit in de onderneming, volgens volgende tabel : - 1 jaar dienst : 12 maanden - 2 jaar dienst : 13 maanden - 3 jaar dienst : 14 maanden - 4 jaar dienst : 15 maanden - 5 jaar dienst : 18 maanden - 6 jaar dienst : 19 maanden - 7 jaar dienst : 20 maanden - 8 jaar dienst : 21 maanden - 9 jaar dienst : 22 maanden - 10 jaar dienst : 24 maanden - 11 jaar dienst : 25 maanden - 12 jaar dienst : 26 maanden - 13 jaar dienst : 27 maanden - 14 jaar dienst : 28 maanden - 15 jaar en meer dienst : 30 maanden.

Worden aanzien als zieken van lange duur de werklieden en werksters die de 7e maand ononderbroken afwezigheid om reden van ziekte ingegaan zijn.

Voor deze werklieden en werksters wordt de periode die ligt tussen de 65e dag en het begin van de zevende maand ziekte gelijkgesteld met gepresteerde dagen voor de berekening van de eindejaarspremie.

De in aanmerking te nemen anciënniteit is deze die bereikt is op de datum dat betrokkene als zieke van lange duur beschouwd wordt.

Art. 45.De bepalingen van deze sectie VI treden in werking op 1 januari 1995 en houden op van kracht te zijn op 1 januari 1997.

Sectie VII. - Meldingsplicht van contracten voor bepaalde duur en contracten van uitzendarbeid

Art. 46.Behoudens wettelijke of conventionele schikkingen die andere verplichtingen opleggen (bv. voorafgaande toestemming) moeten de ondernemingen die werklieden aanvaarden met een contract voor bepaalde duur of beroep doen op uitzendkrachten voorafgaandelijk de ondernemingsraad, of, bij ontstentenis daarvan, de representatieve werknemersorganisaties hiervan in kennis stellen. In dringende gevallen moet deze kennisgeving binnen de 8 dagen na de afsluiting van de contracten gebeuren.

Bij niet-naleving van de hiervoor vermelde procedure wordt het interimcontract een overeenkomst van onbepaalde duur met de "gebruiker".

Art. 47.In geval van tewerkstelling van werklieden en werksters onder voormelde contracten dienen de ondernemingen de bestaande collectieve arbeidsovereenkomsten inzake loon- en arbeidsvoorwaarden en eigen aan de sector integraal toe te passen en dit onverminderd de wettelijke beschikkingen betreffende bedoelde contracten.

Art. 48.Opeenvolging van contracten voor bepaalde duur in éénzelfde onderneming geeft recht aan de werknemers op de voordelen voortspruitend uit de gecumuleerde anciënniteit in de onderneming.

Art. 49.De bepalingen van deze sectie VII gaan in op 1 januari 1995 en houden op van kracht te zijn op 1 januari 1997.

Sectie VIII. - Bevordering van de tewerkstelling van jongeren

Art. 50.De jongeren van 18 tot en met 21 jaar die volledig werkloos zijn en voor de eerste maal in een onderneming worden tewerkgesteld kunnen gedurende maximum één jaar vergoed worden aan 90 pct. van het met de beroepskwalificatie overeenstemmend uurloon

Art. 51.De bepalingen van sectie VIII treden in werking op 1 januari 1995 en houden op van kracht te zijn op 1 januari 1997.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 16 februuari 2001.

De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^