Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 16 januari 2007
gepubliceerd op 23 januari 2007

Koninklijk besluit betreffende de aanduiding en de uitoefening van managementfuncties in de Pensioendienst van de Overheidssector

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2007022075
pub.
23/01/2007
prom.
16/01/2007
ELI
eli/besluit/2007/01/16/2007022075/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

16 JANUARI 2007. - Koninklijk besluit betreffende de aanduiding en de uitoefening van managementfuncties in de Pensioendienst van de Overheidssector


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 11;

Gelet op de wet van 12 januari 2006 tot oprichting van de Pensioendienst van de Overheidssector, inzonderheid op artikel 20;

Overwegende dat ingevolge de veralgemening van het principe van de mandaten met het oog op de harmonisering van de regels inzake het federaal administratief openbaar ambt, het systeem van de managementfuncties wordt ingevoerd in meerdere instellingen van openbaar nut;

Dat dit systeem van managementfuncties omschreven is in het generiek koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van managementfuncties in de federale overheidsdiensten en programmatorische federale overheidsdiensten;

Overwegende dat, teneinde de homogeniteit te waarborgen, voormeld systeem van managementfuncties ook dient te worden ingevoerd binnen de Pensiendienst van de Overheidssector;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 4 mei 2006;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 19 mei 2006;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Ambtenarenzaken van 5 september 2006;

Gelet op het protocol nr. 64 van 18 oktober 2006 van het Sectorcomité II - Financiën;

Gelet op de adviezen 40.746/3 en 41.619/2 van de Raad van State, respectievelijk gegeven op 10 juli en 29 november 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Pensioenen, en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder : 1° de wet : de wet van 12 januari 2006 tot oprichting van de "pensioendienst voor de overheidssector";2° de Minister : de Minister die de pensioenen van de openbare sector in zijn bevoegdheid heeft;3° de Dienst : de Pensioendienst voor de overheidssector;4° "SELOR" : Selectiebureau van de Federale Overheid. HOOFDSTUK II. - De managementfuncties en hun juridische aard

Art. 2.§ 1. De managementfuncties binnen de Dienst zijn de volgende : 1° administrateur-generaal;2° de adjunct-administrateur-generaal. Zij worden ingedeeld in de volgende hiërarchische orde : 1° administrateur-generaal;2° de adjunct-administrateur-generaal. § 2. De managementfuncties worden uitgeoefend in het kader van een mandaat, zijnde een hernieuwbare tijdelijke aanstelling overeenkomstig artikel 9. HOOFDSTUK III. - De selectie, de werving en de aanstelling van de houders van een managementfunctie Afdeling 1. - Algemene bepaling

Art. 3.Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk zijn de regels die toepasselijk zijn op de selectie en de werving van het rijkspersoneel van toepassing op de selectie en de werving van de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal. Afdeling 2. - De selectie

Art. 4.§ 1. Om deel te nemen aan de vergelijkende selecties voor de functie van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal, moeten de kandidaten titularis zijn van een functie van niveau A of kunnen deelnemen aan een vergelijkende selectie voor een functie van niveau A. § 2. De kandidaten voor een functie van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal dienen over een managementervaring van minstens zes jaar te beschikken of tien jaar nuttige beroepservaring te hebben. Onder managementervaring wordt verstaan ervaring inzake beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de private sector. Onder nuttige professionele ervaring wordt verstaan de beroepservaring die gerelateerd wordt aan de functiebeschrijving, het competentieprofiel en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden. § 3. De jaren gepresteerd als titularis van minstens een graad van rang 13 en/of in de vakklasse A3 van het federaal administratief openbaar ambt of of van een gelijkwaardige graad van rang of klasse binnen de diensten van de regeringen van de Gewesten en de Gemeenschappen of van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie of van de Franse Gemeenschapscommissie of van de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen worden in aanmerking genomen voor de berekening van de zes jaar managementervaring. De gelijkwaardigheid wordt vastgesteld door Ons, op voordracht van de Minister van Ambtenarenzaken.

Art. 5.§ 1. De kandidaten voor de functie van administrateur-generaal of adjunct-administrateur-generaal moeten beschikken over de competenties, relationele vaardigheden, alsook de vaardigheden op het vlak van organisatie en beheer en voldoen aan de functiespecifieke ervarings- en kennisvoorwaarden bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven managementfunctie. § 2. De functiebeschrijving en het competentieprofiel voor de functie van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal, worden bepaald door de Minister, na akkoord van de Minister van Ambtenarenzaken.

Art. 6.§ 1. De kandidaturen worden ingediend bij SELOR die de toelaatbaarheid ervan onderzoekt, rekening houdend met de algemene en specifieke toelatingsvoorwaarden.

De kandidaturen die toelaatbaar worden verklaard door SELOR worden aan de selectiecommissie overgemaakt. § 2. De kandidaten wier kandidatuur toelaatbaar werd verklaard, leggen voor de selectiecommissie een mondelinge proef af, uitgaande van een praktijkgeval dat verband houdt met de te begeven managementfunctie.

Deze proef heeft tot doel zowel de competenties die eigen zijn aan de te begeven functie als de vaardigheden die vereist zijn voor de uitoefening van een managementfunctie, te evalueren.

De mondelinge proef wordt voorafgegaan door geïnformatiseerde testen, die door SELOR per taalrol of taalaanhorigheid worden georganiseerd en die ertoe strekken de management- en organisatorische vaardigheden van de kandidaten, alsook hun persoonlijkheid te testen. De inhoud van deze testen is dezelfde in het Frans en het Nederlands. De resultaten van de testen worden meegedeeld aan de selectiecommissie die als enige de resultaten ervan beoordeelt en evalueert. § 3. Na de testen en de proef bedoeld in § 2 en na de vergelijking van de diploma's en verdiensten van de kandidaten, worden de kandidaten ingedeeld in de groep "geschikt" of in de groep "niet geschikt". Deze indeling wordt gemotiveerd.

In de groep "geschikt" worden de kandidaten gerangschikt.

Art. 7.§ 1. De selectiecommissie wordt samengesteld uit : 1° de afgevaardigd bestuurder van SELOR of zijn afgevaardigde, voorzitter;2° één externe expert inzake management;3° één externe expert inzake human ressources management;4° twee externe experts met ervaring of een bijzondere kennis van de materie die eigen is aan de te begeven functie;5° twee ambtenaren uit een federale overheidsdienst, programmatorische federale overheidsdienst, uit een federaal Ministerie, uit een openbare instelling van sociale zekerheid, uit een federale wetenschappelijke instelling, uit een federale instelling van openbaar nut of uit diensten van de Gewest- of Gemeenschapsregeringen of uit de Colleges van de Gemeenschapscommissies, die functies uitoefenen die minstens gelijkwaardig zijn aan de te begeven managementfunctie.6° een plaatsvervanger voor elk van de leden vermeld onder 2° tot 5°. Deze worden tezelfdertijd aangesteld als de effectieve leden. § 2. De taalpariteit wordt verzekerd binnen elk van de categorieën van effectieve en plaatsvervangende leden van de selectiecommissie bedoeld in § 1, 4° en 5°. Het effectief lid bedoeld in § 1, 2° en zijn plaatsvervanger behoren tot een andere taalaanhorigheid dan die van het effectief lid bedoeld in § 1, 3°, en zijn plaatsvervanger. De taalaanhorigheid van de leden, bedoeld in § 1, 2°, 3° en 4° en hun plaatsvervangers, wordt bepaald door de taal van het getuigschrift of het diploma dat bewijst dat men geslaagd is voor de studies die in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de competentie die nodig is voor de expertiseopdracht. De taalaanhorigheid van de leden, bedoeld in § 1, 5°, en hun plaatsvervangers, wordt bepaald door de taalrol van de ambtenaar of door toepassing van de artikelen 35 tot 41 van de gewone wet van 9 augustus 1980 over de institutionele hervormingen.

De profielen van de effectieve leden van de selectiecommissie bedoeld in § 1, 2°, 4° en 5°, alsook deze van hun vervangers, worden bepaald door Selor in samenspraak met de Minister.

Wanneer een functie van administrateur-generaal of van adjunct-administrateur-generaal vacant wordt verklaard voor kandidaten van twee taalrollen, dient de voorzitter van de selectiecommissie hetzij de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, hetzij te worden bijgestaan door een ambtenaar die deze kennis heeft bewezen.

Indien een functie van administrateur-generaal of van adjunct-administrateur-generaal uitsluitend vacant wordt verklaard voor kandidaten van één enkele taalrol, of indien er enkel kandidaten van één enkele taalrol overblijven na het onderzoek van de ontvankelijkheid van de kandidaturen door SELOR, of wanneer alle kandidaten van eenzelfde taalrol afwezig zijn op de geïnformatiseerde testen bedoeld in artikel 6, § 2, wordt de selectiecommissie samengesteld door één enkele vertegenwoordiger per categorie van leden bedoeld in § 1, 2°, 3°, 4° en 5°. Ze behoren tot dezelfde taalrol of taalaanhorigheid als deze van de kandidaat. De voorzitter van de selectiecommissie, als hij tot die taalrol of tot deze taalaanhorigheid behoort, dient niet te worden bijgestaan door een ambtenaar bedoeld in het derde lid. § 3. De afgevaardigd bestuurder van SELOR deelt de samenstelling van de selectiecommissie met inbegrip van de plaatsvervangers, mee aan de Minister van Ambtenarenzaken binnen zijn bevoegdheid heeft. Deze brengt dadelijk de regeringsleden op de hoogte, die over een termijn van zeven werkdagen beschikken om hem hun bezwaren kenbaar te maken.

In dit geval legt de Minister van Ambtenarenzaken, een volledig dossier ter beslissing voor aan de Ministerraad, nadat hiervan een kopie werd overgemaakt aan het regeringslid die het bezwaar heeft gemaakt.

Als de Ministerraad op basis van het dossier dat voorgelegd werd door de Minister van Ambtenarenzaken, een lid van de selectiecommissie wraakt, benoemt SELOR een ander lid, in dat geval is het eerste lid van toepassing. § 4. De selectiecommissie kan slechts op geldige wijze overgaan tot het horen van de kandidaten en tot deliberatie voor zover de meerderheid van de leden aanwezig is, minstens twee van de leden tot de taalrol van de kandidaat behoren en elke categorie van leden bedoeld in § 1, eerste lid, 2° tot 5°, vertegenwoordigd is.

Alleen de commissieleden die hebben deelgenomen aan het horen van al de kandidaten, kunnen deelnemen aan de deliberatie met het oog op de indeling van de kandidaten in de groep "geschikt" of de groep "niet geschikt" en op hun rangschikking in de groep "geschikt". Geen enkel lid kan zich onthouden.

Bij staking van stemmen beslist de voorzitter. § 5. De kandidaten worden ingelicht over hun indeling in groep "geschikt" of de groep "niet geschikt" en hun rangschikking in de groep "geschikt". Afdeling 3. - De werving

Art. 8.SELOR deelt het resultaat, bedoeld in artikel 6 mee aan de Minister.

Met de kandidaten van de groep "geschikt" wordt een aanvullend onderhoud georganiseerd met de bedoeling hen te vergelijken wat betreft hun specifieke competenties, hun relationele en managementvaardigheden zoals bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven functie. Dit onderhoud wordt geleid door de Minister.

Een verslag van elk onderhoud wordt opgemaakt en bij het aanstellingsdossier gevoegd. Afdeling 4. - De aanstelling

Art. 9.§ 1. De kandidaten, gekozen overeenkomstig artikel 8, worden voor een periode van zes jaar aangesteld door de Koning, bij besluit waarover in de Ministerraad werd beraadslaagd, op voorstel van de Minister. § 2. In afwijking van de artikelen 28 tot 33quinquies van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, moeten de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal geen stage doormaken. HOOFDSTUK IV. - Nadere regels betreffende de uitoefening van de managementfuncties Afdeling 1. - Het managementplan van de houder van een

managementfunctie

Art. 10.§ 1. Binnen een termijn van zes maanden na de aanstelling bezorgen de houders van een managementfunctie een ontwerp van managementplan en operationeel plan aan de Minister. § 2. In het ontwerp van managementplan en operationeel plan zijn de elementen uit de regeringsverklaring, de elementen die voortvloeien uit de opdrachten die zijn toevertrouwd aan de Dienst krachtens wettelijke en reglementaire bepalingen die op de Dienst betrekking hebben, opgenomen, alsook de grote richtlijnen, bepaald door de Minister.

De grote richtlijnen kunnen in een nota of strategisch plan verduidelijkt worden, of tijdens een overleg besproken worden. § 4. Onverminderd § 2, worden in het managementplan van de adjunct-administrateur-generaal de elementen uit het managementplan van de administrateur-generaal, indien hij is aangewezenen die tot zijn bevoegdheid behoren, opgenomen. § 4. De vorm en de minimuminhoud van het managementplan en operationeel plan worden door Ons, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voordracht van de Minister van Ambtenarenzaken, bepaald. § 5. Binnen twee maanden na behoorlijk vastgestelde ontvangst van de ontwerpen keurt de Minister het managementplan en het operationeel plan goed na overleg met de betrokken houder van de managementfunctie. § 6. Het managementplan en het operationeel plan worden minstens éénmaal per jaar, en in ieder geval na de goedkeuring van de begroting in onderling overleg aangepast op basis van ontwerpen tot aanpassing die door de houder van de managementfunctie worden opgesteld. De aanpassingen worden goedgekeurd door de Minister binnen de twee maanden na behoorlijk vastgestelde ontvangst van de ontwerpen. § 7. Als de houder van een managementfunctie binnen de voorgeschreven termijn noch een ontwerp van managementplan, noch een ontwerp van operationeel plan heeft opgesteld en/of binnen de voorgeschreven termijn geen ontwerp tot aanpassing voor de bovenvermelde plannen heeft opgesteld, zal zijn evaluatie betrekking hebben op dit element en op elk ander element dat relevant zal blijken. § 8. Indien de Minister de hiervoor vermelde plannen of aanpassing niet binnen de voorziene termijn goedkeurt, worden die geacht te zijn goedgekeurd. Afdeling 2. - Nadere regelen betreffende de uitvoering van de

managementfuncties

Art. 11.Tijdens de duur van hun mandaat is, behoudens de afwijkende bepalingen in onderhavig besluit, het statuut van het rijkspersoneel van toepassing op de houders van een managementfunctie.

Voor de toepassing van het statuut van het Rijkspersoneel maken de houders van een managementfunctie deel uit van niveau A. Ze staan hiërarchisch boven de klasse A5.

Art. 12.De houder van een managementfunctie die op het ogenblik van zijn indienstneming vast benoemd is in de overheidsdiensten, bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 22 juli 1993 houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken, wordt, in afwijking van de bepalingen van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, in ambtshalve verlof voor opdracht van algemeen belang geplaatst voor de duur van het mandaat. Hun betrekking kan vacant verklaard worden na twee jaar en intussen kan er enkel in voorzien worden door middel van contractuele tewerkstelling of hogere functies.

Art. 13.De houder van een managementfunctie oefent zijn taak voltijds uit.

Tijdens zijn mandaat kan hij : 1° geen verlof voor loopbaanonderbreking krijgen, uitgezonderd deze die het ouderschapsverlof, de palliatieve verzorging en de zorgen in geval van ernstige ziekte betreffen;2° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen van de federale wetgevende kamers, van de gewest- en gemeenschapsraden of van de provincieraden of om een ambt uit te oefenen in een cel beleidsvoorbereiding of het kabinet van een Minister of een staatssecretaris of in het kabinet van de voorzitter of van een lid van de regering van een Gemeenschap, van een Gewest, van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, van het College van de Franse Gemeenschapscommissie of van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie;3° geen verlof krijgen voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst;4° geen verlof krijgen voor onthaal en opleiding;5° geen verlof krijgen om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps burgerlijke veiligheid als vrijwillige indienstnemer bij dit korps;6° geen verlof krijgen om minder-validen en zieken te vergezellen en bij te staan;7° geen verlof voor opdracht van algemeen belang krijgen;8° geen toelating verkrijgen om zijn functies uit te oefenen met verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid;9° geen afwezigheid van lange duur voor persoonlijke aangelegenheden verkrijgen;10° geen verloven krijgen zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de rijksdiensten en in het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten.

Art. 14.§ 1. De uitoefening van een managementfunctie is onverenigbaar met : 1° elke activiteit, tewerkstelling of mandaat die, zelfs gratis, wordt uitgeoefend door de houder van een managementfunctie zelf, door een tussenpersoon of door een bemiddelaar, in elke instelling, onderneming, bedrijf of vereniging en die aanleiding kan geven tot een belangenconflict met de activiteiten van de Dienst of schade kan berokkenen aan de neutraliteit van de mandaathouder;2° elke activiteit die indruist tegen de waardigheid van de functie of die de vervulling van taken voor de functie zou kunnen schaden. § 2. De houder van een managementfunctie verklaart welke belangen hij, of leden van zijn familie die onder hetzelfde dak wonen, heeft (hebben) of welke activiteiten hij (zij) uitoefent (uitoefenen) in elke instelling, bedrijf of vereniging waarvan de activiteiten kunnen vallen onder de bevoegdheden van de Dienst. De verenigbaarheid van belangen of activiteiten met de uitoefening van de managementfunctie binnen de Dienst wordt door de Minister onderzocht.

Art. 15.§ 1. Het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft criteria die aan de basis ervan liggen en de beloningsmethodiek van de Dienst. § 2 De Ministerraad legt de weging vast van de functie van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal, op voordracht van de Minister, na akkoord van de Ministers van Ambtenarenzaken en Begroting.

De functie van adjunct-administrateur-generaal wordt ingedeeld in de klasse die onmiddellijk lager is dan deze waarin de functie van administrateur-generaal is ingedeeld. § 3 Het resultaat van de wegingen wordt in de betrokken besluiten tot aanstelling opgenomen. § 4. Het bruto jaarlijks beloningspakket van de houders van een managementfunctie bevat : 1° een maandelijkse brutowedde;2° deelname aan een aanvullende pensioenregeling, gefinancierd door persoonlijke en werkgeversbijdragen. § 5. Bovenop de in de § 4 vermelde bezoldigingen, kan het beloningspakket in een forfaitaire terugbetaling voorzien voor gemaakte onkosten en de terbeschikkingstelling van een dienstvoertuig dat voor privé-doeleinden mag worden gebruikt. HOOFDSTUK V. - De evaluatie van de houder van een managementfunctie Afdeling 1. - Duur van de evaluatiecyclus

Art. 16.Elke houder van een managementfunctie wordt tijdens zijn mandaat driemaal geëvalueerd. De twee eerste cycli duren twee jaar en worden, ieder, met een tussentijdse evaluatie afgesloten. De derde cyclus eindigt zes maanden vóór het verstrijken van het mandaat en wordt met een eindevaluatie afgesloten. Afdeling 2. - Onderwerp van de evaluatie.

Art. 17.De tussentijdse evaluatie en de eindevaluatie van de houder van een managementfunctie hebben betrekking op : 1° de verwezenlijking van de doelstellingen die werden vastgelegd in het in artikel 10 bedoelde managementplan en operationeel plan;2° de wijze waarop die doelstellingen al dan niet werden behaald;3° de persoonlijke bijdrage van de houder van de managementfunctie aan de verwezenlijking van die doelstellingen;4° de geleverde inspanningen om zijn competenties te ontwikkelen. Afdeling 3. - Actoren van de evaluatie

Art. 18.§ 1. De evaluatie van de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal wordt uitgevoerd door de Minister. § 2. Voor een externe ondersteuning inzake evaluatietechnieken kan de Minister een beroep doen op de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie. Afdeling 4. - Verloop van de evaluatiecyclus.

Onderafdeling 1. - De functioneringsgesprekken

Art. 19.Tijdens elke evaluatiecyclus vinden er op initiatief van de houder van een managementfunctie of de Minister, telkens wanneer dat noodzakelijk blijkt, functioneringsgesprekken plaats.

De functioneringsgesprekken hebben betrekking op alles wat met het functioneren van de houder van de managementfunctie te maken heeft, alsook op de doelstellingen die in het managementplan en het operationeel plan werden vastgesteld, de eventuele aanpassingen die eraan moeten worden aangebracht en hun verwezenlijking.

Onderafdeling 2. - Het evaluatiegesprek

Art. 20.§ 1. Op het einde van elke evaluatiecyclus nodigt de Minister de houder van de management uit voor een evaluatiegesprek.

Een door de Minister aangewezen secretaris kan aan dat gesprek deelnemen. § 2. Als voorbereiding op het evaluatiegesprek maakt de houder van de managementfunctie een zelfevaluatie op. Die wordt ten laatste twintig werkdagen vóór de vastgestelde datum van het gesprek aan de Minister bezorgd. § 3. De Minister bereidt het evaluatiegesprek voor door de zelfevaluatie van de houder van de managementfunctie te toetsen op consistentie en onderbouwing. Hij vergelijkt ze met de elementen waarover hij beschikt, die resulteren uit feiten en geobserveerd gedrag tijdens de dagelijkse opvolging van het functioneren van de geëvalueerde. Bovendien verzamelt hij alle bijkomende informatie die kan bijdragen tot een billijke en objectieve evaluatie. § 4. De Minister wordt bijgestaan door een extern bureau dat hem steunt om de zelfevaluatie van de houder van de managementfunctie te beoordelen. Daartoe verzamelt dit bureau alle bijkomende of tegenstrijdige informatie inzake de evaluatie-elementen, vermeld in artikel 17. Het bureau bereidt het evaluatiegesprek voor, structureert het voor de Minister en staat in voor de opvolging. Afdeling 5. - Het evaluatieverslag en de toegekende vermelding

Art. 21.§ 1. Na afloop van het evaluatiegesprek stelt de Minister het beschrijvend evaluatieverslag op en kent de eventuele vermelding toe. § 2. Het evaluatieverslag wordt, met bewijs van ontvangst, medegedeeld aan de geëvalueerde binnen twintig werkdagen die volgen op het evaluatiegesprek. § 3. Tijdens de tussentijdse evaluatie staat er in het beschrijvend evaluatierapport geen eindvermelding, behalve wanneer de Minister van mening is dat de houder van de management de vermelding "onvoldoende" verdient.

De eindevaluatie wordt afgesloten met de vermelding "onvoldoende", "voldoende" of "zeer goed". § 4. De tussentijdse evaluaties en de eindevaluaties van de houder van de managementfunctie worden besloten met de vermelding "onvoldoende" als uit de evaluatie blijkt dat het functioneren van de houder van de managementfunctie onder het verwachte niveau ligt en/of de doelstellingen, zoals vervat in de in artikel 10 bedoelde plannen, niet werden verwezenlijkt en/of de wijze voor het behalen van die doelstellingen niet optimaal was en/of de geëvalueerde slechts een kleine persoonlijke bijdrage levert aan het behalen van de doelstellingen. § 5. De eindevaluatie van de houder van de managementfunctie wordt besloten met de vermelding "zeer goed" als uit de evaluatie blijkt dat de vooropgestelde doelstellingen op de juiste manier werden verwezenlijkt en dat de persoonlijke bijdrage van de houder van de management onbetwistbaar bewezen is. § 6. De eindevaluatie van de houder van de managementfunctie wordt besloten met de vermelding "voldoende" als uit de evaluatie blijkt dat de vooropgestelde doelstellingen voor een deel op de juiste manier werden verwezenlijkt maar dat er nog wezenlijke verbeteringen moeten worden aangebracht om de toevertrouwde managementopdracht optimaal en volledig te verwezenlijken en/of dat de persoonlijke bijdrage van de houder van de managementfunctie beperkt is. § 7. De eindevaluatie van de houder van de managementfunctie wordt gestaafd met de beschrijvende evaluatieverslagen betreffende de verstreken periodes voor de tussentijdse evaluaties en de totale periode van het mandaat voor de eindevaluatie. § 8. Indien de houder van de managementfunctie geen eindevaluatie heeft gekregen, wordt hem van rechtswege de vermelding "voldoende" toegekend. Afdeling 6. - Het evaluatiedossier

Art. 22.§ 1. Het evaluatiedossier van de houder van de managementfunctie bestaat uit : 1° een identificatiefiche met de persoonlijke gegevens en het aanstellingsbesluit;2° een gevalideerde functiebeschrijving;3° het managementplan en het operationeel plan alsook de opeenvolgende aanpassingen die daaraan werden aangebracht;4° in voorkomend geval, de verslagen over de functioneringsgesprekken en/of ieder ander document dat inzicht verschaft in de aanpassingen, de afspraken en de schikkingen die tussen de geëvalueerde houder van de managementfunctie en zijn Minister werden getroffen;5° de zelfevaluatie van de houder van de managementfunctie;6° de beschrijvende evaluatieverslagen;7° eventueel dossier van het ingestelde beroep. De geëvalueerde kan documenten laten opnemen in zijn evaluatiedossier.

De evaluatiedossiers worden bewaard bij verantwoordelijke belast met het personeelsbeheer binnen de Dienst. § 2. Het evaluatiedossier is toegankelijk voor de geëvalueerde houder van de managementfunctie, voor de verantwoordelijke belast met het personeelsbeheer binnen de Dienst alsook voor de Minister.

De Minister, alsook de administrateur-generaal hebben eveneens toegang tot de evaluatiedossiers van de houders van een managementfunctie die onder hun bevoegdheid, binnen hun activiteitsgebied of onder hun gezag vallen. § 3. Na afloop van elk evaluatiegesprek wordt een kopie van het aangepaste evaluatiedossier overgemaakt aan de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Personeel en Organisatie die belast is met de kwaliteitscontrole van de evaluatieprocedure van de houders van een managementfunctie. Afdeling 7. - Beroepsmogelijkheden

Art. 23.§ 1. De administrateur-generaal of de adjunct-administrateur-generaal wiens tussentijdse evaluatie resulteert in de vermelding "onvoldoende" of wiens eindevaluatie niet resulteert in de vermelding "zeer goed" kan, per aangetekende brief, beroep aantekenen bij een beperkt Ministerieel comité, dat is samengesteld uit drie leden van de regering, van wie twee van eenzelfde taalaanhorigheid als de geëvalueerde en die hiertoe werden aangewezen door de Ministerraad binnen de vijftien kalenderdagen na betekening van het evaluatieverslag.

De Minister mag niet aanwezig zijn bij, noch deelnemen aan de beraadslaging van het beperkt Ministerieel comité. Hij kan echter wel worden gehoord.

Het beroep wordt ingesteld bij het secretariaat van de Ministerraad en is opschortend. § 3. De houder van de managementfunctie wordt opgeroepen, uiterlijk acht werkdagen voor de zitting, ten einde zijn verweermiddelen uiteen te zetten. Hij dient persoonlijk te verschijnen. Hij mag zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. De verdediger mag op geen enkel ogenblik en in welke hoedanigheid ook deelgenomen hebben aan de evaluatieprocedure van de houder van de managementfunctie.

Indien de houder van de managementfunctie of zijn verdediger, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, doet het beroepsorgaan uitspraak op grond van de stukken van het dossier.

Hetzelfde geldt van zodra de zaak voor de tweede maal ter zitting komt, zelfs indien de houder van de managementfunctie of zijn verdediger een geldige reden kan aanvoeren.

De afwezigheid van de verdediger is, behoudens overmacht, geen reden van uitstel.

Het beroepsorgaan hoort iedereen en verzamelt alle nodige gegevens opdat het met volle kennis van zaken zich kan uitspreken. § 4. Het beroepsorgaan kan slechts op een rechtsgeldige manier de houder van de managementfunctie horen en beraadslagen voor zover de meerderheid van de leden aanwezig is.

De stemming is geheim. Bij staking van stemmen valt de beslissing in het voordeel van de verzoeker. Indien het beroep is ingesteld tegen een tussentijdse evaluatie met vermelding "onvoldoende", dan bestaat de beslissing in het voordeel van de verzoeker uit de intrekking van deze vermelding. Indien het beroep ingesteld is tegen een eindevaluatie met vermelding "onvoldoende", dan zal de beslissing in het voordeel van de verzoeker de vermelding "voldoende" of "zeer goed" inhouden. Indien het beroep is ingesteld tegen een eindevaluatie met vermelding "voldoende", dan zal de beslissing in het voordeel van de verzoeker de vermelding "zeer goed" inhouden. § 5. Het beroepsorgaan beslist in de maand na de instelling van het beroep en deelt zijn beslissing zonder verwijl mee aan de houder van de managementfunctie. § 6. Het beroepsorgaan kan zich laten bijstaan door een specialist in de evaluatiemethoden van de federale overheid. HOOFDSTUK VI. - Einde van het mandaat en de niet-hernieuwing ervan Afdeling 1. - Einde van het mandaat

Onderafdeling 1. - Einde van rechtswege

Art. 24.Het mandaat eindigt van rechtswege op het einde van de periodes bedoeld in artikel 9 en wanneer de houder van de managementfunctie de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Het mandaat van de houder van de managementfunctie kan verlengd worden met maximum zes maanden tot de aanvang van het mandaat van zijn opvolger.

Onderafdeling 2. - Vroegtijdige beëindiging

Art. 25.§ 1. Wanneer de evaluatie, bedoeld in artikel 16, eerste lid, leidt tot een vermelding "onvoldoende", eindigt het mandaat op de eerste dag van de maand na die waarin de vermelding werd toegekend. § 2. De houder van een managementfunctie van wie het mandaat werd beëindigd omwille van een vermelding "onvoldoende" en die geen beroepsinkomen of rustpensioen geniet of zou kunnen genieten, ontvangt een beëindigingvergoeding. § 3. De beëindigingvergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de managementfunctie.

Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.

Naargelang de vermelding "onvoldoende" wordt toegekend bij de eindevaluatie, bij de tweede tussentijdse evaluatie of bij de eerste tussentijdse evaluatie, verkrijgt de houder van een managementfunctie negen maal, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid.

De beëindigingvergoeding wordt maandelijks uitbetaald, mits maandelijkse voorlegging door de belanghebbende van een verklaring op eer waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode geen beroepsinkomen, of rustpensioen heeft genoten zoals bepaald in § 2.

Indien door de belanghebbende een valse verklaring op eer wordt afgelegd, is deze een bedrag verschuldigd dat overeenstemt met de onterecht uitgekeerde beëindigingvergoeding of beëindigingvergoedingen."

Art. 26.Indien de houder van een managementfunctie vraagt om zijn mandaat te beëindigen, is een opzegging van zes maand evenals het akkoord van de minister vereist. Deze termijn kan in onderling akkoord verkort worden. Afdeling 2. - Niet-hernieuwing

Art. 27.§ 1. De houder van een managementfunctie van wie de eindevaluatie aanleiding heeft gegeven tot de vermelding "zeer goed" of "voldoende" en die, na deelname aan een nieuwe vergelijkende selectie geen nieuw mandaat krijgt of van wie de managementfunctie niet meer vacant wordt verklaard ontvangt een herintegratievergoeding. § 2 De herintegratievergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de managementfunctie.

Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde. § 3. In afwijking van § 2 bestaat voor de in artikel 12 vermelde houder van een managementfunctie de herintegratievergoeding uit een forfaitaire som dewelke overeenstemt met één twaalfde van het verschil tussen enerzijds, de wedde zoals vastgesteld in kolom 3 van artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde en anderzijds, het beroepsinkomen dat de houder van de managementfunctie zal genieten in de maand volgend op het einde van zijn mandaat.

De herintegratievergoeding wordt toegekend mits het afleggen door de betrokkene van een verklaring op eer met de vermelding van de maandwedde waarop hij recht heeft of recht zou hebben bij voltijdse prestaties. § 4. Indien de eindevaluatie aanleiding gegeven heeft tot de vermelding "zeer goed", verkrijgt de houder van de managementfunctie bedoeld in § 1 door een éénmalige betaling twaalf keer de herintegratievergoeding berekend conform § 2 of § 3.

Indien de eindevaluatie aanleiding gegeven heeft tot de vermelding "voldoende", verkrijgt de houder van de managementfunctie bedoeld in § 1 de herintegratievergoeding berekend conform § 2 of § 3 volgens de volgende modaliteiten : 1 1° indien hij één mandaat volbracht heeft, verkrijgt hij tien keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een éénmalige betaling; 2 2° indien hij twee of meerdere aansluitende mandaten voor dezelfde management volbracht heeft, verkrijgt hij twaalf keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een éénmalige betaling. § 5. Indien de rechthebbende op de herintegratievergoeding binnen de 12 maanden na het einde van zijn mandaat de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is § 4 van toepassing. Niettemin wordt in dat geval het bedrag van de herintegratievergoeding, berekend conform § 2 of § 3, vermenigvuldigd met het aantal maanden tussen het einde van het mandaat en de aanvang van het pensioen." HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van het mandaat

Art. 28.Wanneer een managementfunctie door de Minister vacant wordt verklaard en de houder ervan, van wie het mandaat verstrijkt, zijn kandidatuur stelt, wordt hem een nieuw mandaat gegeven voorzover hij de eindvermelding "zeer goed" kreeg.

In afwijking van de bepalingen van Hoofdstuk III, Afdelingen II en III, wordt hij in dit geval geacht voldaan te hebben aan de vergelijkende selectie, bedoeld in artikel 6, zonder dat een nieuwe selectieprocedure moet worden georganiseerd. HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen

Art. 29.Vóór de eerste aanstelling van de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal, blijven de directeur-generaal en de directeur-generaal, tweetalig adjunct van de Administratie der Pensioenen hun functie uitoefenen tot de dag dat de houders van de managementfuncties in dienst treden.

De directeur-generaal en de directeur-generaal, tweetalig adjunct van de Administratie der Pensioenen die niet in een managementfunctie worden aangesteld en voor zover ze niet worden geïntegreerd in loopbaan A, worden door de bevoegde minister aangesteld als opdrachthouder. De opdracht wordt na overleg door de minister bepaald.

Zij behouden het voordeel van hun weddenschaal die gekoppeld is aan hun afgeschafte graad.

Art. 30.Onze Ministers zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 12 januari 2007.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Leefmilieu en Pensioenen, B. TOBBACK

^