Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 16 juli 1998
gepubliceerd op 26 september 1998

Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de aanleg en de exploitatie van niet-openbare telecommunicatienetwerken

bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
numac
1998014188
pub.
26/09/1998
prom.
16/07/1998
ELI
eli/besluit/1998/07/16/1998014188/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

16 JULI 1998. - Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de aanleg en de exploitatie van niet-openbare telecommunicatienetwerken


VERSLAG AAN DE KONING Sire, De wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven bepaalt in artikel 92 zoals gewijzigd door de wet van 19 december 1997 tot wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven teneinde het reglementaire kader aan te passen aan de verplichtingen die inzake vrije mededinging en harmonisatie, voortvloeien uit de van kracht zijnde beslissingen van de Europese Unie, dat de aanleg en exploitatie van niet-openbare telecommunicatienetwerken onderworpen is aan een aangifte aan het Instituut. Dit besluit regelt de uitvoering en de praktische uitwerking van dit artikel.

Het onderhavig besluit is een aanpassing van het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 betreffende de voorwaarden waaronder afgeweken kan worden van artikel 92, § 1 van wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven aan het gewijzigde reglementaire kader, meer bepaald van de artikelen 18 tot 20 van eerdervernoemd besluit. Overeenkomstig artikel 92, § 1 in fine van de wet worden de aangiftemodaliteiten geregeld door de Minister.

Deze modaliteiten zijn terug te vinden in het ministerieel besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake de aangifte en de overdracht van niet-openbare telecommunicatienetten. Deze tekst moet derhalve samen met onderhavig besluit gelezen worden.

Artikelsgewijze bespreking De definities van artikel 1 blijven volledig in de lijn van de definities van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven zoals gewijzigd door de wet van 19 december 1997. De definitie van niet-openbaar netwerk is gebaseerd op artikel 38 van de memorie van toelichting bij de wet van 19 december 1997 waarin een niet-openbaar net omschreven wordt als « een netwerk dat door een onderneming wordt gebruikt om aan zichzelf een telecommunicatiedienst te verstrekken (een netwerk voor eigen rekening) of een net dat uitsluitend bestemd is voor diensten die aan gesloten gebruikersgroepen worden aangeboden ». Als antwoord op het advies van de Raad van State, wordt erop gewezen dat de wet in haar huidige vorm een definitie van gesloten gebruikersgroep bevat. Als voorbeeld van gesloten gebruikersgroep kan worden verwezen naar systemen voor de reservering van luchtlijnen of universiteiten die gegevens over een gezamenlijk project uitwisselen via hun eigen netwerk.

De artikelen 2 en 3 leggen de principes vast die onderhavig besluit beheersen: niet-openbare netten mogen slechts aangelegd en/of geëxploiteerd worden indien zij aangegeven zijn. Voor een niet-openbaar netwerk is een aangifte voldoende. Een net dat geheel of gedeeltelijk openbaar is, moet immers gedekt worden door een vergunning. Ter herinnering wordt erop gewezen dat een netwerk als openbaar wordt beschouwd indien één van de diensten die erop wordt aangeboden openbaar is en zich m.a.w. richt tot het publiek, hoe beperkt de doelgroep ook is.

Essentieel is aldus het niet-openbare karakter van het netwerk.

Vandaar dat dit ondubbelzinnig aangetoond moet worden. Bovendien moet, overeenkomstig artikel 92, § 1 van de wet aangetoond worden dat het netwerk voldoet aan de relevante essentiële eisen.

Een netwerk waarvoor oorspronkelijk een aangifte werd gedaan, kan uiteraard naderhand aangewend worden voor het aanbieden van openbare diensten, op voorwaarde dat aan de wettelijke en reglementaire bepalingen terzake wordt voldaan.

Ingeval geen of geen geldige aangifte werd gedaan overeenkomstig de voorwaarden opgelegd in dit besluit, begaat de uitbater van het netwerk een overtreding van dit besluit en van artikel 92, § 1 van de wet en is hij op grond daarvan blootgesteld aan de maatregelen en boetes bepaald in de artikelen 109quater en 114, § 2 van de wet.

De artikelen 4 tot 7 bepalen de rechten die verschuldigd zijn voor een niet-openbaar netwerk.

Artikel 8 staat het gebruik van frequenties toe bij het tot stand brengen van verbindingen. Voor het verkrijgen en het gebruik van deze frequenties wordt verwezen naar het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

Aangiften die rechtsgeldig gedaan werden voor de inwerkingtreding van dit besluit, worden in artikel 9 geregulariseerd.

De artikelen 10, 11 en 12 behoeven geen commentaar.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Telecommunicatie, E. DI RUPO

ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 3 februari 1998 door de Minister van Telecommunicatie verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de voorwaarden voor de aanleg en de exploitatie van niet - openbare telecommunicatienetwerken", heeft op 11 maart 1998 het volgende advies gegeven : Onderzoek van het ontwerp Opschrift Teneinde het opschrift in overeenstemming te brengen met de tekst van artikel 92 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, vervangen bij de wet van 19 december 1997, welk artikel de rechtsgrond oplevert van het ontworpen besluit, wordt voorgesteld om in de Franse tekst "conditions d'établissement" te schrijven in plaats van "conditions d'installation".

Aanhef Eerste lid In plaats van te verwijzen naar de wijzigingsrichtlijn, dient te worden verwezen naar de oorspronkelijke richtlijn (1). Er dient ook te worden verwezen naar het artikel van die tekst dat door het ontworpen besluit wordt getransponeerd, alsmede naar de wijzigingen ervan. Dat lid dient bijgevolg als volgt te worden geredigeerd : « Gelet op richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, inzonderheid op artikel 2, vervangen bij richtlijn 96/19/EG van de Commissie van 13 maart 1996;".

Tweede lid Men schrijve "inzonderheid op artikel 92, vervangen bij de wet van 19 december 1997", in plaats van "inzonderheid op artikel 92, zoals gewijzigd door de wet van 19 december 1997 tot wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven teneinde het reglementaire kader aan te passen aan de verplichtingen die inzake vrije mededinging en harmonisatie op de telecommarkt, voortvloeien uit de van kracht zijnde beslissingen van de Europese Unie".

Derde lid De woorden "opgericht bij artikel 71 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven" dienen te vervallen.

Vijfde lid (nieuw) Er behoort een overweging te worden toegevoegd luidende : « Overwegende dat de Europese Commissie op de hoogte is gebracht van het ontwerpbesluit; ».

Bepalend gedeelte Voorafgaande opmerking Aangezien het ontworpen besluit slechts 12 artikelen bevat en de behandelde materie homogeen is, is er geen reden om de artikelen te verdelen over hoofdstukken.

Artikelen 1 en 2 1. Artikel 68, 5°bis, van de wet van 21 maart 1991, betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, ingevoegd bij de wet van 19 december 1997, omschrijft het "openbaar telecommunicatienet" als volgt : « een telecommunicatienet dat geheel of gedeeltelijk voor het verlenen van voor het publiek toegankelijke telecommunicatiediensten wordt gebruikt.» Luidens de memorie van toelichting bij die bepaling « moeten in het begrip "voor het publiek bestemd net" of "voor het publiek bestemde dienst" alle netten of diensten worden vervat die niet worden gebruikt voor eigen rekening of die niet aan een gesloten gebruikersgroep worden verstrekt. » De memorie van toelichting bij het voorontwerp dat de wet van 19 december 1997 is geworden, wees er voorts op dat de definitie van het begrip "gesloten gebruikersgroep" zou worden opgenomen in een uitvoeringsbesluit.

De afdeling wetgeving heeft in haar advies L. 26.922/4 over dat voorontwerp op het volgende gewezen : « Aangezien het onderscheid tussen een dienst die wél en een dienst die niet voor het publiek bestemd is in het wetsontwerp wordt gebruikt om de aan de Koning opgedragen bevoegdheid tot vaststelling van de respectieve exploitatievoorwaarden van die diensten af te bakenen, staat het niet aan Hem om te definiëren wat onder voor het publiek bestemde dienst moet worden verstaan. Het staat aan de wetgever zelf dat te doen. » Het komt de Koning weliswaar niet toe van de wettelijke begrippen een definitie te geven die zou afwijken van die welke de wet ervan geeft, maar toch is Hij gerechtigd toe te zien op de uitvoering ervan.

Meer bepaald in dit geval bepaalt artikel 92 van de wet 21 maart 1991 dat de Koning de voorwaarden vaststelt die moeten worden in acht genomen bij de aanleg en de exploitatie van niet-openbare telecommunicatienetwerken. Onder die voorwaarden kunnen voorkomen "de verstrekking van inlichtingen die nodig zijn voor de verificatie door het Instituut van de naleving van deze titel en van de ter uitvoering daarvan genomen koninklijke besluiten".

Op basis daarvan kan de Koning voorschrijven dat de persoon die verklaart een niet-openbaar telecommunicatienetwerk te exploiteren, inlichtingen moet verstrekken die het mogelijk maken vast te stellen dat zijn netwerk niet openbaar is.

In plaats van dus in artikel 1 definities te geven van in de wet gebruikte woorden die de wet zelf heeft gedefinieerd, zou het beter zijn in artikel 2 te bepalen dat degene die de verklaring doet, om aan te tonen dat zijn netwerk niet openbaar is, inlichtingen moet verstrekken waaruit blijkt dat het netwerk dat hij aanlegt uitsluitend bestemd is voor eigen gebruik of voor een gesloten gebruikersgroep. 2. Van het laatstgenoemde begrip geeft het ontwerp een onduidelijke definitie die aanleiding kan geven tot verschillende interpretaties. Wat dient te worden verstaan onder "banden... die ruimer zijn dan de eenvoudige noodzaak aan onderlinge communicatie ? Bovendien geeft het vereiste van "voorafgaande banden" een ruimere strekking aan de wettelijke definitie van het niet-openbare netwerk.

De afdeling wetgeving heeft in haar advies L. 25.039/4 van 10 juni 1996 over een ontwerp dat het ministerieel besluit is geworden van 25 november 1996 tot vaststelling van de nadere regels inzake de aangifte voor het exploiteren van niet-gereserveerde telecommunicatiediensten op het volgende gewezen : « De ontworpen bepaling bevat een definitie van het begrip "gesloten gebruikersgroep" die niet volledig overeenstemt met die welke de Europese Commissie van een "besloten gebruikersgroep" geeft in haar "Groenboek over de liberalisering van de telecommunicatie-infrastructuur en de kabeltelevisienetwerken" en die weergegeven is in een mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de stand van zaken en de tenuitvoerlegging van de voormelde richtlijn 90/388/EEG. » Volgens de Europese Commissie geldt voor besloten gebruikersgroepen de volgende definitie : « ... groepen die betrekking hebben op entiteiten die niet noodzakelijk in een economisch verband zijn verenigd, maar die deel uitmaken van een groep op basis van een duurzame professionele relatie onderling of met een andere entiteit van de groep en waarvan de interne communicatiebehoeften voortvloeien uit het gemeenschappelijke belang dat aan deze duurzame relatie ten grondslag ligt. Over het algemeen is de band tussen de leden van de groep een gemeenschappelijke zakelijke activiteit.

Voorbeelden van activiteiten die in deze categorie kunnen vallen zijn geldovermakingen voor het bankbedrijf, reserveringssystemen voor luchtvaartmaatschappijen, gegevensoverdracht tussen universiteiten die bij een gemeenschappelijk onderzoekproject zijn betrokken, herverzekering voor het assurantiebedrijf, interbibliothecaire activiteiten, gemeenschappelijke ontwerpprojecten en verschillende instituten of diensten van intergouvernementele of internationale organisaties. » Teneinde uiteenlopende interpretaties te voorkomen, wordt voorgesteld de bewoordingen van de eerste zin van de zopas geciteerde tekst over te nemen, die blijkbaar de passende definitie aanreikt voor de "besloten gebruikersgroep". » De afdeling wetgeving kan die opmerking alleen maar herhalen. 3. De Europese Commissie heeft er in haar commentaar bij het onderzochte ontwerp van koninklijk besluit in verband met het tweede lid van het onderzochte artikel, eveneens op gewezen dat bepaalde essentiële eisen voorgeschreven in artikel 107, § 3, van de wet van 21 maart 1991, zoals die met betrekking tot het voorkomen van elke schadelijke interferentie, hoe dan ook niet in alle gevallen toepassing kunnen vinden.Volgens de Commissie zouden "de essentiële eisen" bijgevolg dienen te worden gepreciseerd "voorzover ze toepassing kunnen vinden".

Om op die opmerking in te gaan zou het wenselijk zijn tussen de woorden "voldoet aan de" en de woorden "essentiële eisen" het woord "relevante" in te voegen, dat trouwens voorkomt in artikel 92, § 1, eerste lid, a). 4. Over het derde lid van artikel 2 maakt de Europese Commissie de volgende opmerking : « L'article 2, troisième alinéa, du projet semble introduire une discrimination entre réseaux de moins de 300 mètres pour usage propre, pour usage partagé ou pour groupes fermés d'utilisateurs.Cette discrimination n'est pas justifiée dans l'exposé des motifs. Il conviendrait dès lors d'amender cette disposition de la sorte : "En dérogation à l'alinéa ler de cet article toute personne exploitant un réseau inférieur à 300 m ou ne traversant pas le domaine public, est dispensée de déclarer celui-ci". » 5. Bij de twee onderzochte artikelen behoren bovendien de volgende opmerkingen van wetgevingstechnische aard te worden gemaakt : - In onderdeel 1° van artikel 1 dienen de woorden "gewijzigd door de wet van (...)" te vervallen. Om een wet te identificeren in een tekst is het immers niet gebruikelijk ze te vermelden met de wijzigingen ervan. - In artikel 2, eerste lid (2), dient te worden geschreven "overeenkomstig de door de minister bepaalde nadere regels", naar het voorbeeld van de formulering die wordt gebruikt in artikel 92, § 1, tweede lid, van de voormelde wet van 21 maart 1991, in plaats van "zoals bepaald door de Minister".

Artikelen 4 tot 7 1. In tegenstelling tot de andere bepalingen van de wet van 21 maart 1991 die, voor de exploitatie van telecommunicatiediensten of openbare telecommunicatienetwerken, voorzien in rechten "voor het onderzoek van de kandidatuurdossiers" (3), alsmede in rechten "voor de uitreiking, het beheer en het toezicht op de vergunning" (4), voorziet artikel 92 alleen in de betaling van "het bedrag van de dossierkosten". Bijgevolg kan worden betwijfeld of de laatstgenoemde bepaling een rechtsgrond oplevert die toereikend is om enerzijds te voorzien in een eenmalig recht voor "de kosten voor het onderzoek van het dossier" en anderzijds in een jaarlijks recht "voor het beheer van het dossier". 2. Bovendien zou het in de Franse tekst van artikel 4, eerste zin, beter zijn te schrijven : "d'une redevance" en "cette redevance" in plaats van "d'un droit" en "ce droit". In de tweede zin is het overbodig te preciseren dat het om Belgische frank gaat. Met deze opmerking dient rekening te worden gehouden voor de redactie van de verdere tekst. 3. Voor artikel 6 wordt voorgesteld de redactie van dat artikel uit taalkundig oogpunt in overeenstemming te brengen met die van artikel 12, § 3, eerste en tweede lid, van het ontwerp van koninklijk besluit betreffende het bestek van toepassing op de spraaktelefoongidsen en de procedure inzake de toekenning van individuele vergunningen (5). De vraag rijst bovendien of het niet verkieslijk is als basisindex een recenter indexcijfer te gebruiken dan dat van de maand november 1995 (ter vergelijking, het indexcijfer dat wordt gebruikt in het ontwerp van koninklijk besluit betreffende het bestek van toepassing op de spraaktelefoondienst en de procedure inzake de toekenning van individuele vergunningen is dat van november 1997).

Artikel 10 Voorgesteld wordt aan het slot van paragraaf 1 te schrijven "worden geacht conform het bepaalde in dit besluit te zijn" in plaats van "worden beschouwd als zijnde overeenkomstig met dit besluit".

Slotopmerkingen 1. De ontworpen tekst verschilt, door de bepalingen die erin zijn opgenomen betreffende de aanleg van niet-openbare telecommunicatienetwerken, van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 betreffende de voorwaarden waaronder kan worden afgeweken van artikel 92, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (zie in dat opzicht de tweede alinea van het verslag aan de Koning). Het laatstgenoemde koninklijk besluit wordt volledig opgeheven bij artikel 38 van het ontwerp van koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de aanleg en de exploitatie van openbare telecommunicatienetwerken (6). Aangezien die tekst niet noodzakelijkerwijs in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt op dezelfde dag als die betreffende de niet-openbare telecommunicatienetwerken (7), zou het verkieslijk zijn in het ontworpen besluit een artikel op te nemen dat de bepalingen van het voormelde koninklijk besluit van 28 oktober 1996 opheft die betrekking hebben op de niet-openbare telecommunicatieinfrastructuur (zie inzonderheid de artikelen 18 tot 20 van het voormelde koninklijk besluit van 28 oktober 1996). 2. De redactie van de ontworpen tekst zou kunnen worden verbeterd uit een oogpunt van correct taalgebruik en met het oog op een vlotte stijl, alsmede om de wetgevingstechnische regels in acht te nemen die zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 juni 1982.Er behoort inzonderheid op te worden toegezien dat de volgende regels in acht worden genomen : 1° een artikel mag alleen in paragrafen worden ingedeeld wanneer tenminste één van die paragrafen meer dan één lid bevat;2° in de Franse tekst wordt de eerste paragraaf van een artikel aangeduid met een rangtelwoord, en wel als volgt : "§ 1er" (8);3° het begin van een lid wordt aangegeven door het inspringen van de eerste regel (9);4° wanneer naar een artikel van het besluit wordt verwezen in een ander artikel van datzelfde besluit, mag de vermelding ervan niet worden gevolgd door de woorden van dit besluit" (10).Evenzo mag wanneer naar een gedeelte van een artikel wordt verwezen in een ander gedeelte van datzelfde artikel, de vermelding ervan niet worden gevolgd door de woorden "van dit artikel" (11); 5° getallen moeten voluit in letters worden geschreven.3. Ten slotte dient erop te worden toegezien dat in het ontworpen besluit de spelling correct wordt toegepast.Zo dient men in de Franse tekst het woord "mentionnés" te doen overeenstemmen met het vrouwelijke "exigences" en in artikel 2, derde lid, het woord "inférieure" met het mannelijke "réseau".

De kamer was samengesteld uit : De heren : R. Andersen, kamervoorzitter;

C. Wettinck en P. Lienardy, staatsraden;

F. Delperee en J.-M. Favresse, assessoren van de afdeling wetgeving, Mevr. M. Proost, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer L. Detroux, adjunct-auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer C. Amelynck, adjunct-referendaris.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer R. Andersen.

De griffier, De voorzitter, M. Proost. R. Andersen. _______ Nota's (1) De afdeling wetgeving van de Raad van state heeft die regel van de wetgevingstechniek reeds meermaals in herinnering gebracht, onder meer in een advies L.26.588/4 van 29 september 1997 over een ontwerp van koninklijk besluit betreffende de satellietgrondstations en netwerken via satellietgrondstations. (2) Zie de slotopmerkingen over de juiste wijze waarop een lid wordt ingericht.(3) Artikelen 87, § 2, en 89, §§ 1, 2 en 3.(4) Artikelen 87, § 2, tweede lid, h), 89, §§ 1, 2 en 3, en 92bis, § 1, tweede lid, h).(5) waaromtrent een adviesaanvraag is ingediend (L.27.309/4) die de Raad van State op 12 januari 1998 heeft ontvangen. (6) waaromtrent een adviesaanvraag L.27.381/4 is ingediend die de Raad van State op 3 februari 1998 heeft ontvangen. (7) Beide ontworpen besluiten bepalen dat ze in werking treden de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.(8) Zie artikel 10.(9) Zie artikelen 2, 5, § 2, 6 en 9.(10) Zie artikelen 4, 9, tweede lid, en 10, § 2.(11) Zie artikel 2, derde lid. 16 JULI 1998. - Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de aanleg en exploitatie van niet-openbare telecommunicatienetwerken ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, inzonderheid op artikel 2, vervangen bij richtlijn 96/19/EG van de Commissie van 13 maart 1996;

Gelet op de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, inzonderheid op artikel 92, vervangen bij de wet van 19 december 1997;

Gelet op het advies van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 17 november 1997;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Overwegende dat de Europese Commissie op de hoogte is gebracht van het ontwerpbesluit;

Op de voordracht van Onze Minister van Telecommunicatie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° wet : de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;2° openbare telecommunicatiedienst : telecommunicatiedienst in de zin van artikel 68, 19° van de wet die aan het publiek aangeboden wordt;3° niet-openbaar telecommunicatienet : telecommunicatienet dat door de uitbater uitsluitend voor eigen gebruik wordt aangewend of dat bestemd is voor diensten aangeboden aan gesloten gebruikersgroepen, zoals gedefinieerd in artikel 68, 28° van de wet.

Art. 2.Iedere persoon die een niet-openbaar telecommunicatienet wenst uit te baten moet daarvan aangifte doen bij het Instituut, overeenkomstig de door de minister bepaalde nadere regels. Teneinde aan te tonen dat zijn netwerk niet openbaar is, verstrekt de aanvrager de inlichtingen waaruit blijkt dat het netwerk dat hij aanlegt uitsluitend bestemd is voor eigen gebruik of voor een gesloten gebruikersgroep. Hij toont ondermeer aan dat het netwerk voldoet aan de relevante essentiële eisen, zoals gedefinieerd bij de wet.

In afwijking van het eerste lid wordt eenieder die een niet-openbaar netwerk aanwendt dat hetzij kleiner is dan 300 meter, hetzij het openbaar domein niet overschrijdt, vrijgesteld van aangifte.

Art. 3.Netwerken waarvoor enkel een aangifte is gedaan, kunnen in geen geval gebruikt worden voor het aanbieden van openbare telecommunicatiediensten.

Art. 4.Elke aangifte in de zin van artikel 2 geeft aanleiding tot de eenmalige en voorafgaande betaling van een recht bestemd om de kosten voor het onderzoek van het dossier te dekken. Dit recht is vastgesteld op 30 000 frank. De betaling geschiedt binnen een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen vanaf de aangifte.

Art. 5.De bedragen van de rechten die in dit besluit zijn vermeld worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.

De aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand november die voorafgaat aan de maand januari in de loop waarvan de aanpassing zal plaatsvinden, te delen door het indexcijfer van de maand november 1997. Bij de berekening van de coëfficiënt wordt deze afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond tot het hogere honderdtal franken.

Art. 6.Het geheel of gedeeltelijk niet uitbaten van het netwerk waarvoor de aangifte werd gedaan, geeft geen aanleiding tot enige terugbetaling van het geheel of een gedeelte van de dossierkosten.

Art. 7.De rechten voorzien in dit besluit zijn verschuldigd onverminderd de rechten die betaald moeten worden in toepassing van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving.

Art. 8.De personen bedoeld in artikel 2 kunnen frequenties aanvragen voor het tot stand brengen van één of meer verbindingen tussen vaste punten. In dat geval is het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen van toepassing, uitgezonderd de artikelen 6 en 9 ervan.

Alle voorwaarden vermeld in dit besluit zijn eveneens van toepassing op de exploitatie van de frequenties.

Art. 9.Aangiften die rechtsgeldig werden gedaan voor de inwerktreding van dit besluit, worden geacht conform het bepaalde in dit besluit te zijn.

Art. 10.De artikelen 18, 19 en 20 van het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 betreffende de voorwaarden waaronder kan worden afgeweken van artikel 92, § 1 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, worden opgeheven.

Art. 11.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 12.Onze Minister van Telecommunicatie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 16 juli 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister, De Minister van Telecommunicatie, E. DI RUPO

^