Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 16 juni 1999
gepubliceerd op 02 maart 2000

Koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's "cardiale pathologie" moeten voldoen om erkend te worden

bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
numac
1999022712
pub.
02/03/2000
prom.
16/06/1999
ELI
eli/besluit/1999/06/16/1999022712/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

16 JUNI 1999. - Koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's "cardiale pathologie" moeten voldoen om erkend te worden


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, inzonderheid op artikel 9ter, ingevoegd door het koninklijk besluit van 25 april 1997 en artikel 68;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de lijst van zorgprogramma's zoals bedoeld in artikel 9ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 en tot aanduiding van de artikelen van de wet op de ziekenhuizen die op hen van toepassing zijn, gewijzigd door het koninklijk besluit van 16 juni 1999;

Gelet op het koninklijk besluit van 25 april 1997 houdende nadere omschrijving van de associatie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moet voldoen, gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 juni 1998;

Gelet op het koninklijk besluit van 18 april 1991 tot bepaling van de normen waaraan de hartcatheterisatiedienst moet voldoen om erkend te worden als zware medisch-technische dienst zoals bedoeld in artikel 44 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987;

Gelet op het advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen, Afdeling Programmatie en Erkenning van 20 november 1997;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 16 maart 1998;

Gelet op de beraadslaging van de Ministerraad, op 15 mei 1998, betreffende de adviesaanvraag binnen een termijn van één maand;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 8 december 1998, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voordracht van Onze Minister belast met Volksgezondheid en van Onze Minister van Sociale Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Om te worden erkend en erkend te blijven moeten de zorgprogramma's "cardiale pathologie" voldoen aan de normen vastgesteld in dit besluit.

Het zorgprogramma wordt erkend : 1° hetzij als zorgprogramma "cardiale pathologie" A, indien het beantwoordt aan de erkenningsnormen bepaald in Hoofdstuk II van dit besluit;2° hetzij als zorgprogramma "cardiale pathologie" B, indien het beantwoordt aan de erkenningsnormen bepaald in Hoofdstuk III van dit besluit;3° hetzij als zorgprogramma "cardiale pathologie" P, indien het beantwoordt aan de erkenningsnormen bepaald in Hoofdstuk IV van dit besluit;4° hetzij als zorgprogramma "cardiale pathologie" E, indien het beantwoordt aan de erkenningsnormen bepaald in Hoofdstuk V van dit besluit;5° hetzij als zorgprogramma "cardiale pathologie" T, indien het beantwoordt aan de erkenningsnormen bepaald in Hoofdstuk VI van dit besluit;6° hetzij als zorgprogramma "cardiale pathologie" C, indien het beantwoordt aan de erkenningsnormen bepaald in Hoofdstuk VII van dit besluit. HOOFDSTUK II. - Zorgprogramma "cardiale pathologie" A Afdeling 1. - Doelgroep

Art. 2.Het zorgprogramma A richt zich tot patiënten met cardiale problematiek voor zover de diagnose bij deze patiënten kan worden gesteld zonder doorgedreven invasieve diagnostische exploratie en hun behandeling geen uitgesproken invasief karakter heeft, zoals bedoeld in artikel 2bis, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de lijst van zorgprogramma's zoals bedoeld in artikel 9ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 en tot aanduiding van de artikelen van de wet op de ziekenhuizen die op hen van toepassing zijn. Afdeling 2. - Aard en inhoud van de zorg

Art. 3.Het zorgprogramma A moet minstens de hiernavermelde procedures aanbieden : 1° defibrillatie;2° instelling binnen de vereiste termijn en opvolging van een coronaire trombolytische behandeling;3° installatie van een tijdelijke pacemaker;4° rechter hartdrukmeting en intra-arteriële drukmeting;5° echocardiografie;6° Holtermonitoring. Afdeling 3. - Vereiste infrastructuur

Onderafdeling 1. - Logistieke voorwaarden

Art. 4.Het zorgprogramma A dient te beschikken over de volgende logistieke middelen : 1° diagnostisch instrumentarium : - EKG; - echocardiografie; - cyclo-ergometer; - Holtermonitoring; 2° defibrillator;3° uitrusting voor telemetrie;4° infrastructuur (uitrusting, personeel, organisatie) voor : - trombolyse; - rechter hartdrukmeting.

Onderafdeling 2. - Omgevingselementen

Art. 5.Het ziekenhuis dat over het zorgprogramma A beschikt moet : 1° 24 uur op 24 beschikken over een klinisch laboratorium en een dienst medische beeldvorming met klassieke conventionele onderzoeksmogelijkheden.die de nodige onderzoeksresultaten binnen de vereiste termijn aan de behandelende arts kunnen meedelen; 2° intensieve verzorging kunnen verlenen;hiertoe moet voorzien zijn in : - een infrastructuur en personeel voor het verlenen van bedoelde zorg met o.a. de mogelijkheid tot permanente monitoring van hartritme, invasieve arteriële drukmeting, intubatie en beademing, die naar capaciteit aangepast zijn aan de aard en het volume van de patiëntenproblemen; - voldoende deskundige verpleegkundigen die 24 uur op 24 aanwezig zijn en waarvan het aantal aangepast kan worden aan de aard en het volume van de patiëntenproblemen; 3° een erkende functie "eerste opvang van spoedgevallen". Afdeling 4. - De vereiste medische en niet-medische

personeelsomkadering en deskundigheid Onderafdeling 1. - De medische omkadering en deskundigheid

Art. 6.Het zorgprogramma A beschikt over een medische equipe bestaande uit minimaal 2 voltijds equivalente geneesheren-specialisten, waaronder ten minste 1 cardioloog.

De tweede geneesheer-specialist is hetzij cardioloog hetzij internist.

Beide geneesheren zijn voor wat hun hoofdactiviteit betreft aan het ziekenhuis verbonden. Eén van hen moet permanent oproepbaar zijn, derwijze dat hij binnen de kortst mogelijke tijd na de oproep, ter plaatse kan zijn.

Het ziekenhuis dat over het bedoelde zorgprogramma A beschikt moet binnen zijn muren permanent beschikken over een ziekenhuisgeneesheer met de nodige deskundigheid om cardiale urgenties te herkennen, op te vangen en te stabiliseren.

Onderafdeling 2. - De niet-medische personeelsomkadering en deskundigheid

Art. 7.Er moeten voldoende verpleegkundigen zijn die naar aantal en kwalificatie aangepast kunnen worden aan de aard en het volume van de patiëntenproblemen. Afdeling 5. - Kwaliteitsnormen en normen inzake kwaliteitsopvolging

Onderafdeling 1. - Kwaliteitsnormen

Art. 8.Het ziekenhuis dat over het zorgprogramma A beschikt, moet een samenwerkingsverband aangaan met één of meer zorgprogramma's "cardiale pathologie" B. Bedoelde samenwerking moet schriftelijk worden vastgelegd en in haar uitvoering gedocumenteerd. Deze overeenkomst slaat onder meer op : 1° de modaliteiten van patiëntenverwijzing, rekening houdend met de vereisten van dringendheid en veiligheid van het transport voor de individuele patiënt;2° de modaliteiten van een gemeenschappelijke procesbewaking en kwaliteitsopvolging van de doorverwezen en terugverwezen patiënten. Onderafdeling 2. - Kwaliteitsopvolging

Art. 9.Om erkend te blijven moet een zorgprogramma A zijn medewerking verlenen aan de interne en externe toetsing van de kwaliteit van de medische activiteit van het zorgprogramma "cardiale pathologie", overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 betreffende de kwalitatieve toetsing van de medische activiteit in de ziekenhuizen. HOOFDSTUK III. - Zorgprogramma "cardiale pathologie" B Afdeling 1. - Doelgroep

Art. 10.Het zorgprogramma B richt zich tot patiënten met cardiale problematiek zoals bedoeld in artikel 2bis, § 1, 2°, van voornoemd koninklijk besluit van 15 februari 1999, en die van de aard is dat, in aansluiting op het zorgprogramma A : - een doorgedreven invasieve diagnostische exploratie noodzakelijk is om de diagnose met voldoende zekerheid en accuraatheid te kunnen stellen en/of de juiste therapeutische keuze te kunnen maken; - en/of een behandeling met uitgesproken invasief karakter noodzakelijk is. Afdeling 2. - Aard en inhoud van de zorg

Art. 11.Het zorgprogramma "cardiale pathologie" B omvat, benevens de activiteiten van het zorgprogramma "cardiale pathologie" A, alle hiernavermelde activiteiten, die gezamenlijk als globaal programma op één enkele vestigingsplaats moeten worden aangeboden : 1° de invasieve diagnostiek, hierna deelprogramma B1 genoemd;2° de interventionele, niet-chirurgische therapie, hierna deelprogramma B2 genoemd;3° de cardiochirurgie, hierna deelprogramma B3 genoemd. De deelprogramma's B1, B2 en B3 mogen in geen geval over meerdere vestigingsplaatsen verspreid worden, ook niet via associatie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1997 houdende nadere omschrijving van de associatie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moet voldoen.

Art. 12.Het in artikel 11, 1° bedoelde deelprogramma B1, omvat het geheel van technieken voor invasieve diagnostische hartexploratie, met uitzondering van de procedures bedoeld in de Hoofdstukken IV, V, VI en VII. Het in het vorig lid bedoelde geheel van technieken omvat minstens de hiernavermelde procedures : 1° linker en gecombineerde linker- en rechterhartcatheterisatie;2° ventriculografie;3° coronarografie.

Art. 13.Het in artikel 11, 2° bedoelde deelprogramma B2 omvat het geheel van procedures die conform de stand van de medisch technologische ontwikkeling als interventionele cardiologie worden aangeduid, met uitzondering van de procedures bedoeld in de Hoofdstukken IV, V, VI en VII.

Art. 14.Het in artikel 11, 3° bedoelde deelprogramma B3 omvat het geheel van procedures die conform de stand van de medisch technologische ontwikkeling beschikbaar moeten zijn voor de heelkundige behandeling van letsels van het hart, de hartkleppen en de kransslagaders bij patiënten voor wie heelkunde de meest aangewezen behandelingsmodaliteit is, met uitzondering van de procedures bedoeld in de Hoofdstukken IV, V, VI en VII. Afdeling 3. - Minimaal activiteitsniveau

Art. 15.§ 1. Het deelprogramma B1, zoals omschreven in artikel 12, moet worden uitgebaat in een ziekenhuis dat, binnen zijn hartcatheterisatiedienst voor invasief onderzoek, coronarografieën verricht heeft met prestatiecodes 453110-453121, 453132-453143, 464111-464122 en 464133-464144 vermeld in artikelen 17 en 17ter van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en pseudocodes 453972-453983 en 464973-464984. § 2 Om erkend te worden als zorgprogramma "cardiale pathologie" B moet het ziekenhuis dat over bedoeld zorgprogramma wenst te beschikken, bovenop de prestaties vermeld in § 1, binnen zijn erkende hartchirurgiedienst respectievelijk erkende hartcatheterisatiedienst, in globo 500 interventies verricht hebben, waarvan 250 chirurgische ingrepen met prestatiecodes 229014-229025, 229036-229040, 229051-229062, 229073-229084, 229272-229283, 229515-229526, 229530-229541, 229552-229563, 229574-229585, 229596-229600 en 229611-229622, 239072-239083 en 239094-239105 vermeld in artikel 14, e) van het voormeld koninklijk besluit, respectievelijk 200 prestaties in interventionele hartcatheterisatie met prestatiecodes 589013-589024, 589190-589201, 589035-589046 vermeld in artikel 34 van het voornoemd koninklijk besluit en dit gedurende het laatste jaar of als jaarlijks gemiddelde over de laatste drie jaren. Indien in uitvoering van het eerste lid het aantal zorgprogramma's "cardiale pathologie" B, zoals bedoeld in artikel 2, § 1 van het koninklijk besluit tot bepaling van het maximum aantal zorgprogramma's "cardiale pathologie" B, T en C dat mag worden uitgebaat en tot vaststelling van de programmatiecriteria die van toepassing zijn op deze zorgprogramma's, niet volledig is ingevuld, kan een ziekenhuis, in afwijking van de in eerste lid bedoelde voorwaarde, op basis van een omstandige motivering van de bestaande behoefte en de ervaring van het medische een erkenning krijgen.

Om erkend te blijven, moeten de zorgprogramma's blijvend minstens in globo 500 interventies, waarvan 250 chirurgische ingrepen en 200 prestaties in interventionele hartcatheterisatie zoals vermeld in het eerste lid, verrichten hetzij als jaarlijks gemiddelde over 3 jaar, hetzij het laatste jaar vóór de verlenging van de erkenning. Afdeling 4. - Vereiste infrastructuur

Onderafdeling 1. - Logistieke voorwaarden

Art. 16.Het zorgprogramma B moet beantwoorden aan de logistieke voorwaarden gesteld voor het zorgprogramma A, en moet daarenboven over de volgende logistieke middelen beschikken : 1° minimum 1 hartcatheterisatiezaal, tevens uitgerust voor interventionele cardiologie, die aan de actuele technische en wetenschappelijke vereisten beantwoordt;2° minimaal 2 operatiezalen met aangepaste voorzieningen. Onderafdeling 2. - Omgevingselementen

Art. 17.Het ziekenhuis dat over het zorgprogramma B beschikt, moet benevens de omgevingselementen van het zorgprogramma A, beschikken over : 1° een erkende functie voor intensieve zorg;2° een erkende functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg". Afdeling 5. - De vereiste medische en niet-medische

personeelsomkadering en deskundigheid Onderafdeling 1. - De medische omkadering en deskundigheid

Art. 18.§ 1. Het zorgprogramma B beschikt, naast de equipe van het zorgprogramma A, over een medische equipe bestaande uit : 1° met het oog op de uitvoering van de activiteiten van de deelprogramma's B1 en B2, minimum twee cardiologen voltijds en exclusief aan het zorgprogramma verbonden die elk ten minste 150 diagnostische coronarografieën en 150 percutane transluminale coronaire angioplastieën en aanverwante technieken in functie van de technologische evolutie in eerste hand verricht hebben;2° met het oog op de uitwering van de activiteiten van het deelprogramma B3, minimum twee cardiochirurgen, voltijds en exclusief aan het globaal zorgprogramma verbonden, die elk ten minste 150 operaties met kunsthart en aanverwante technieken in functie van de technologische evolutie in eerste hand verricht hebben en bekend staan als bijzonder bekwaam in hartchirurgie bij de bevoegde erkenningscommissie. § 2. De medische permanentie moet zo georganiseerd zijn dat de procedures voorzien in de deelprogramma's B1 en B2 in geval van urgentie ten allen tijde binnen de kortst mogelijke tijd na de indicatiestelling kunnen beginnen.

De medische en medisch-technische permanentie binnen het deelprogramma B3 moet zo georganiseerd zijn dat de adequate voorbereiding van de patiënt voor een eventuele cardiochirurgische interventie ingeval van urgentie onmiddellijk kan starten. Een cardiochirurg moet permanent oproepbaar zijn derwijze dat hij binnen de kortst mogelijke tijd na de oproep, ter plaatse kan zijn.

Binnen de muren van het ziekenhuis moet een ziekenhuisgeneesheer permanent beschikbaar zijn die de nodige deskundigheid heeft om cardiale urgenties en de eventuele complicaties van invasief-diagnostische, interventioneel-cardiologische en cardiochirurgische procedures te herkennen, op te vangen en te stabiliseren.

Onderafdeling 2. - De niet-medisch-personeelsomkadering en deskundigheid

Art. 19.Per zorgprogramma moeten er voldoende verpleegkundigen zijn die naar aantal en kwalificatie aangepast kunnen worden aan de aard en het volume van de patiëntenproblemen Bovendien moeten 2 perfusionisten voltijds en exclusief aan het programma verbonden zijn.

Per in artikel 16, 2°, bedoelde operatiezaal is er een verpleegkundig team van drie verpleegkundigen met een bijzondere bekwaming en/of ervaring in hartchirurgie. Afdeling 6. - Kwaliteitsnormen en normen inzake kwaliteitsopvolging

Onderafdeling 1. - Kwaliteitsnormen

Art. 20.De verschillende deelprogramma's moeten beschikken over richtlijnen voor een gemeenschappelijke diagnostische en therapeutische klinische benadering. Bedoelde benadering dient schriftelijk vastgelegd te zijn.

Art. 21.Het ziekenhuis dat over het zorgprogramma B beschikt moet een samenwerkingsverband aangaan met één of meer zorgprogramma's "cardiale pathologie" T en C. Met het oog op de garantie aan coherentie tussen deze verschillende programma's moet in een schriftelijk protocol worden voorzien. Dit protocol slaat onder meer op : 1° de organisatie van een gemeenschappelijke geïndividualiseerde patiëntenbespreking;2° de modaliteiten en prioriteiten van de interne patiëntentransfers, rekening houdend met de vereisten van dringendheid en veiligheid voor iedere individuele patiënt;3° de organisatie van een gemeenschappelijke procesbewaking en kwaliteitsopvolging van de doorverwezen en terugverwezen patiënten. Onderafdeling 2. - Kwaliteitsopvolging

Art. 22.§ 1. Om erkend te blijven, moet een zorgprogramma B zijn medewerking verlenen aan de interne en externe toetsing van de kwaliteit van de medische activiteit van het zorgprogramma "cardiale pathologie", overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 betreffende de kwalitatieve toetsing van de medische activiteit in de ziekenhuizen. § 2. De interne registratie van gegevens, bedoeld in artikel 3 van voornoemd koninklijk besluit van 15 februari 1999 moet verwijzen naar elementen van structuur, proces en resultaat van de zorg. Uit de registratie moeten eveneens de verschillende fasen van diagnose en behandeling die de patiënt ondergaan heeft, blijken.

Zolang door het in voornoemd koninklijk besluit bedoeld college van geneesheren geen registratiemodel is vastgesteld zoals bedoeld in artikel 8, 2° van hetzelfde koninklijk besluit, worden, met respect voor de in het eerste lid bedoelde regelen, de gegevens geregistreerd die opgesomd worden in de bijlage 1. Afdeling 7. - Uitbating deelprogramma B, op een andere

vestigingsplaats dan die van het globaal zorgprogramma "cardiale pathologie" B

Art. 23.§ 1. In afwijking op artikel 11, eerste lid, mag het deelprogramma B1, op een afzonderlijke vestigingsplaats worden aangeboden mits ze aan alle overige erkenningsnormen beantwoordt en mits zulks geschiedt in het kader van een juridisch geformaliseerd samenwerkingsverband met een ziekenhuis dat beschikt over het globaal zorgprogramma "cardiale pathologie" B. In voorkomend geval moet het geïsoleerde deelprogramma B1 : 1° het bewijs voorleggen tenminste 300 coronarografieën met prestatiecodes zoals vermeld in artikel 15, § 1 te verrichten en dit gedurende het laatste jaar of als jaarlijks gemiddelde over de laatste drie jaar;2° het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke erkenning als geïsoleerd deelprogramma;3° onderdeel uitmaken van de gezamenlijke erkenning als één zorgprogramma van alle deelprogramma's B van het samenwerkingsverband samen;4° beschikken over een medische staf die ten minste bestaat uit het equivalent van twee voltijdse geneesheren-operatoren.Ten minste één voltijds equivalent geneesheer-operator moet erkend zijn in de cardiologie. § 2. Het in § 1 bedoeld samenwerkingsverband beantwoordt aan de volgende eisen : 1° een gemeenschappelijke medische equipe neemt verantwoordelijkheid voor de indicatiestelling, organisatie en uitvoering van het gehele zorgprogramma "cardiale pathologie" B;2° een gemeenschappelijke kwaliteitsopvolging van de totaliteit van het programma geschiedt binnen de geformaliseerde samenwerking. § 3. Binnen de in § 1 bedoelde juridisch geformaliseerde samenwerking moet ondermeer uitdrukkelijk aandacht gegeven worden aan : 1° de aanduiding van een voltijds en exclusief aan de juridisch geformaliseerde samenwerking verbonden medisch coördinator;2° de samenstelling in aantal en deskundigheid en de beschikbaarheid van de medische equipe;3° de organisatie van de permanenties;4° de klinische protocols;5° de organisatie van een gemeenschappelijke geïndividualiseerde patiëntenbespreking;6° de organisatie van patiëntentransfers rekening houdend met de vereisten van dringendheid en veiligheid voor iedere individuele patiënt en met de noodzaak aan een eenduidige aflijning van de verantwoordelijkheden;7° de organisatie van een gemeenschappelijke procesbewaking en kwaliteitsopvolging voor het geheel van het programma. § 4. Onder de verantwoordelijkheid van de in § 3, 1°, bedoelde geneesheer-coördinator moeten minstens richtlijnen vastgelegd worden voor : 1° de indicatiestellingen bij de diverse diagnostische en therapeutische mogelijkheden van het programma;2° de organisatie en de werking van de permanentie en de wachtdiensten van het programma en de deelprogramma's : 3° alle tussenkomsten bij verwikkelingen tijdens procedures;4° de eventuele transporten van patiënten tussen ziekenhuizen en dit zowel voor de geplande als de dringende transporten. Afdeling 8. - Uitbating globaal zorgprogramma "cardiale pathologie" B

op meerdere vestigingsplaatsen

Art. 24.§ 1. In afwijking op artikel 11, mag het zorgprogramma B over maximum twee vestigingsplaatsen verspreid zijn, op voorwaarde dat : 1° de uitbating van bedoeld zorgprogramma geschiedt in het kader van een associatie, erkend volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 april 1997 houdende nadere omschrijving van de associatie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen, bestaand op datum van inwerkingtreding van dit besluit;2° voor de toepassing van dit artikel wordt bedoeld met vestigingsplaats de geografische plaats waar ziekenhuisdiensten gegroepeerd zijn die samen één functionele eenheid vormen met betrekking tot het zorgprogramma cardiale pathologie;3° de vestigingsplaatsen beschikken over alle deelprogramma's;4° op deze vestigingsplaatsen beantwoord wordt aan alle erkenningsnormen bedoeld in de afdelingen 1 tot en met 6 van dit hoofdstuk, behoudens eventueel de in artikel 15 bedoelde actviteitsnormen.Wat deze activiteitsnormen betreft, volstaat het dat het zorgprogramma hieraan in zijn globaliteit beantwoordt, mits iedere vestigingsplaats minstens de helft van de vereiste activiteitsdrempel bereikt. § 2. In voorkomend geval moeten alle deelprogramma's verspreid over de vestigingsplaatsen deel uitmaken van een gezamenlijke erkenning als één zorgprogramma "cardiale pathologie" B binnen de associatie.

Wanneer de aan één zorgprogramma "cardiale pathologie" B, uitgebaat in een associatie, deelnemende ziekenhuizen behoren tot de bevoegdheid van verschillende overheden, bevoegd voor de erkenning, in toepassing van de artikelen 126, 128 en 130 van de Grondwet, dient deze associatie door elk van de bevoegde overheden te worden erkend. § 3. De associatie beantwoordt aan de volgende eisen : 1° een gemeenschappelijke medische equipe, onder leiding van een coördinerend geneesheer-dienstoverste, neemt verantwoordelijkheid voor de indicatiestelling, organisatie en uitvoering van het gehele zorgprogramma "cardiale pathologie" B;2° een gemeenschappelijke kwaliteitsopvolging van de totaliteit van het programma geschiedt binnen de geformaliseerde samenwerking;3° over de investeringen voor medische uitrusting verbonden aan het gemeenschappelijke programma B wordt beslist door het associatiecomité. § 4. Binnen de in § 1 bedoelde associatie moet in het bijzonder aandacht gegeven worden aan : 1° de samenstelling in aantal en qua deskundigheid en de beschikbaarheid van de medische equipe;2° de organisatie van de permanenties;3° de klinische protocols;4° de organisatie van een gemeenschappelijke geïndividualiseerde patiëntenbespreking;5° de organisatie van patiëntentransfers rekening houdend met de vereisten van dringendheid en veiligheid voor iedere individuele patiënt en met de noodzaak aan een eenduidige aflijning van de verantwoordelijkheden;6° de organisatie van een gemeenschappelijke procesbewaking en kwaliteitsopvolging voor het geheel van het programma. § 5. Onder de verantwoordelijkheid van de in § 4, 1°, bedoelde medisch coördinator moeten minstens richtlijnen vastgelegd worden voor : 1° de indicatiestellingen bij de diverse diagnostische en therapeutische mogelijkheden van het programma;2° de organisatie en de werking van de permanentie en de wachtdiensten van het programma en de deelprogramma's;3° alle tussenkomsten bij verwikkelingen tijdens procedures;4° de eventuele transporten van patiënten tussen de verschillende ziekenhuizen en dit zowel voor de geplande als de dringende transporten. HOOFDSTUK IV. - Zorgprogramma P : pacemakertherapie Afdeling 1. - Doelgroep en activiteiten

Art. 25.Het zorgprogramma P omvat de diagnose, de behandeling en de begeleiding van patiënten die hetzij in aanmerking komen voor de inplanting van een hartstimulator, hetzij reeds een geïmplanteerde hartstimulator hebben, zoals bedoeld in artikel 2bis, § 1, 3°, van voornoemd koninklijk besluit van 15 februari 1999.

Art. 26.Het zorgprogramma P kan enkel worden aangeboden als bovenbouw op een zorgprogramma "cardiale pathologie" A en mits er een geformaliseerd samenwerkingsverband is met een instelling die beschikt over de zorgprogramma's "cardiale pathologie" B en E. Afdeling 2. - Vereiste infrastructuur

Onderafdeling 1. - Logistieke voorwaarden

Art. 27.Het zorgprogramma P moet beantwoorden aan de logistieke voorwaarden gesteld voor het zorgprogramma A waarvan het de bovenbouw vormt, en moet daarenboven over de volgende logistieke middelen beschikken : 1° Pacemaker System Analyser (PSA);2° de programmeerapparatuur voor de pacemakers die courant worden geïmplanteerd en/of opgevolgd door het zorgprogramma "cardiale pathologie". Onderafdeling 2. - Omgevingselementen

Art. 28.Het zorgprogramma P moet beschikken over de omgevingselementen van het zorgprogramma A waarvan het de bovenbouw vormt. Afdeling 3. - De vereiste medische en niet-medische

personeelsomkadering en deskundigheid Onderafdeling 1. - De medische omkadering en deskundigheid

Art. 29.§ 1. Minstens de in artikel 6, eerste lid, bedoelde cardioloog moet een bijzondere kennis hebben van de aritmologie en een verworven en onderhouden bekwaming in de hartstimulatie bezitten.

Minstens één van de in artikel 6 bedoelde geneesheren-specialisten moet permanent oproepbaar zijn. § 2. Bovendien moet het zorgprogramma P beschikken over een cardioloog of chirurg met ervaring in de implantatie van hartstimulatoren.

Onderafdeling 2. - De niet-medische personeelsomkadering en deskundigheid

Art. 30.Er moeten voldoende verpleegkundigen zijn die naar aantal en kwalificatie aangepast kunnen worden aan de aard en het volume van de patiëntenproblemen Afdeling 4. - Kwaliteitsnormen en normen inzake kwaliteitsopvolging

Onderafdeling 1. - Kwaliteitsnormen

Art. 31.Voor de implantatie van een definitieve pacemaker is het advies van een electrofysioloog van het in Hoofdstuk V bedoeld zorgprogramma vereist, behalve voor : 1° totaal atrioventriculair blok;2° Sinusknoopziekte en/of voorkamerfibrillatie met arresten langer dan 2,5 seconden gepaard gaand met syncopes en/of bradycardie lager dan 30 slagen per minuut. De in artikel 26 bedoelde geformaliseerde samenwerking moet in schriftelijke bepalingen worden vastgelegd en moet o.m. slaan op een registratie van deze individuele adviezen.

Onderafdeling 2. - Kwaliteitsopvolging

Art. 32.§ 1. Om erkend te blijven, moet een zorgprogramma P zijn medewerking verlenen aan de interne en externe toetsing van de kwaliteit van de medische activiteit van het zorgprogramma "cardiale pathologie", overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 betreffende de kwalitatieve toetsing van de medische activiteit in de ziekenhuizen.

De interne toetsing moet permanent de indicatiestelling, de keuze van het type pacemaker en de complicatieratio evalueren. § 2. De interne registratie van gegevens, bedoeld in artikel 3 van voornoemd koninklijk besluit van 15 februari 1999 moet verwijzen naar elementen van structuur, proces en resultaat van de zorg. Uit de registratie moeten eveneens de verschillende fasen van diagnose en behandeling die de patiënt ondergaan heeft, blijken.

Zolang door het in voornoemd koninklijk besluit bedoeld college van geneesheren geen registratiemodel is vastgesteld zoals bedoeld in artikel 8, 2° van hetzelfde koninklijk besluit worden de gegevens geregistreerd die opgesomd worden in de bijlage 1. HOOFDSTUK V. - Zorgprogramma E : Electrofysiologie Afdeling 1. - Doelgroep en activiteiten

Art. 33.Het zorgprogramma E omvat uitgebreid elektrofysiologisch onderzoek voor het opwekken en beëindigen van tachycardieën met behulp van drie of meer catheters, inclusief de interventionele ablaties zoals bedoeld in artikel 2bis, § 1, 4°, van voornoemd koninklijk besluit van 15 februari 1999.

Art. 34.Het zorgprogramma E kan enkel worden aangeboden als bovenbouw op en binnen de samenhang van een globaal zorgprogramma "cardiale pathologie" B, in een ziekenhuis dat tevens beschikt over een zorgprogramma "cardiale pathologie" P. Afdeling 2. - Minimaal activiteitsniveau

Art. 35.§ 1. Gedurende een termijn van drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, worden uitsluitend deze zorgprogramma's erkend voor zover deze worden aangeboden in een ziekenhuis dat ten minste 50 uitgebreide electofysiologisch onderzoeken met prestatiecodes 476276-476280 vermeld in artikel 17 van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, voor het opwekken en beëindigen van tachycardiën, met behulp van drie of meer catheters hetzij in het laatste jaar, hetzij als gemiddelde over de laatste drie jaren. § 2. Het ziekenhuis dient aan te tonen dat er een behoefte bestaat - inzonderheid met betrekking tot de aard en het volume van de pathologieën die zij behandelen - aan deze activiteit in een wervingsgebied zoals bedoeld in artikel 45bis van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen, ingevoegd door de wet van 25 januari 1999. § 3. Om erkend te blijven moeten de programma's blijvend minstens 80 uitgebreide electrofysiologische onderzoeken, met prestatiecode 476276-476280, waarvan een aantal met prestatiecode 589315-589326 en 589330-589341, zoals vermeld in artikel 34 van hogervermeld koninklijk besluit, aanleiding geeft tot een interventionele behandeling, verrichten, hetzij als jaarlijks gemiddelde over 3 jaar, hetzij het laatste jaar voor de verlenging van de erkenning. § 4. De in de §§ 1 en 3 bedoelde erkenningen worden gegeven voor een periode van drie jaar. Afdeling 3. - Vereiste infrastructuur

Onderafdeling 1. - Specifieke logistieke voorwaarden

Art. 36.Het zorgprogramma E moet beschikken over de logistieke voorwaarden van het zorgprogramma B waarvan het de bovenbouw vormt.

Onderafdeling 2. - Omgevingselementen

Art. 37.Het zorgprogramma E moet beschikken over de omgevingselementen van het zorgprogramma B waarvan het de bovenbouw vormt. Afdeling 4. - De vereiste medische en niet-medische omkadering en

deskundigheid Onderafdeling 1. - De medische omkadering en deskundigheid

Art. 38.De medische equipe voor het zorgprogramma "cardiale pathologie" B, waarvan het zorgprogramma E de bovenbouw vormt, wordt aangevuld met minstens één cardioloog, voltijds en exclusief aan het zorgprogramma verbonden, met bijkomende bijzondere verworven en onderhouden bekwaming in de electrofysiologie.

Onderafdeling 2. - De niet-medische personeelsomkadering en deskundigheid

Art. 39.Het zorgprogramma E moet beschikken over een technicus, voltijds verbonden aan het ziekenhuis. met bijzondere bekwaming in de electrofysiologie. Afdeling 5. - Kwaliteitsnormen en normen inzake kwaliteitsopvolging

Art. 40.§ 1. Om erkend te blijven, moet een zorgprogramma E zijn medewerking verlenen aan de interne en externe toetsing van de kwaliteit van de medische activiteit van het zorgprogramma "cardiale pathologie", overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 betreffende de kwalitatieve toetsing van de medische activiteit in de ziekenhuizen. § 2. De interne registratie van gegevens, bedoeld in artikel 3 van voornoemd koninklijk besluit van 15 februari 1999 moet verwijzen naar de verschillende fasen van diagnose en de behandeling die de patiënt ondergaan heeft.

Zolang door het in voornoemd koninklijk besluit bedoeld college van geneesheren geen registratiemodel is vastgesteld zoals bedoeld in artikel 8, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit, worden, met respect voor de in het eerste lid bedoelde regelen, de gegevens geregistreerd die opgesomd worden in de bijlage 1. Afdeling 6. - Uitbating zorgprogramma E op een andere vestigingsplaats

dan die van het globaal zorgprogramma "cardiale pathologie" B met zorgprogramma P

Art. 41.§ 1. In afwijking op artikel 34 mag het zorgprogramma E op een afzonderlijke vestigingsplaats aangeboden worden mits zulks geschiedt in het kader van een juridisch geformaliseerd samenwerkingsverband met één of meerdere ziekenhuizen die elk beschikken over het globaal programma type B binnen de eigen muren. § 2. Het in § 1 bedoeld samenwerkingsverband beantwoordt aan de volgende eisen : 1° een gemeenschappelijke medische equipe neemt verantwoordelijkheid voor de indicatiestelling, organisatie en uitvoering van het gehele programma binnen de geformaliseerde samenwerking;2° er wordt een gemeenschappelijke kwaliteitsopvolging georganiseerd van de totaliteit van het programma binnen de geformaliseerde samenwerking. § 3. Binnen de in § 1 bedoelde juridisch geformaliseerde samenwerking moet ondermeer uitdrukkelijk aandacht gegeven worden aan : 1° de aanduiding van een voltijds en exclusief aan de juridisch geformaliseerde samenwerking verbonden medisch coördinator;2° de samenstelling in aantal en qua deskundigheid en de beschikbaarheid van de medische equipe;3° de organisatie van de permanenties;4° de klinische protocols;5° de organisatie van een gemeenschappelijke geïndividualiseerde patiëntenbespreking 6° de organisatie van patiëntentransfers rekening houdend met de vereisten van dringendheid en veiligheid voor iedere individuele patiënt en met de noodzaak aan een eenduidige aflijning van de verantwoordelijkheden;7° de organisatie van een gemeenschappelijke procesbewaking en kwaliteitsopvolging. § 4. Onder de verantwoordelijkheid van de in § 3, 1° bedoelde geneesheer-coördinator moeten minstens richtlijnen vastgelegd worden voor : - de indicatiestellingen bij de diverse diagnostische en therapeutische mogelijkheden; - de organisatie en de werking van de permanentie en de wachtdiensten; - alle tussenkomsten bij verwikkelingen tijdens procedures; - de eventuele transporten van patiënten tussen het zorg programma E en het zorgprogramma B en dit zowel voor de geplande als de dringende transporten. HOOFDSTUK VI. - Zorgprogramma hart- en hartlongtransplantatie T Afdeling 1. - Doelgroep en activiteiten

Art. 42.Het zorgprogramma T richt zich tot patiënten met terminaal hartfalen dat refractair is aan elke medische en/of chirurgische behandeling, zoals bedoeld in artikel 2bis, § 1, 5°, van voornoemd koninklijk besluit van 15 februari 1999.

Het omvat een nauwe samenwerking tussen chirurgen, cardiologen en pneumologen en biedt de volgende activiteiten aan : 1° de indicatiestelling tot transplantatie;2° de begeleiding van zorgprogramma's "cardiale pathologie" B in de oppuntstelling van kandidaten voor transplantatie;3° de oppuntstelling voor een multipele transplantatie (hart/long);4° het uitvoeren van een prelevatie in het kader van een multi-orgaan prelevatie;5° het uitvoeren van de transplantatie;6° de opvolging van de getransplanteerde patiënt;7° het instellen van een adequate anti-rejectie en antimicrobiële therapie;8° de opvang van transplantrejectie of posttransplantinfectie;9° opvolging van een recent of instabiel transplant;10° begeleiding van zorgprogramma's "cardiale pathologie" B in de opvolging van een stabiel transplant;11° de permanente beschikbaarstelling van een regelmatig bijgewerkt protocol, dat in detail alle aspecten en fasen van de transplantatie beschrijft.

Art. 43.Het zorgprogramma T kan enkel worden aangeboden door een ziekenhuis dat binnen zijn muren eveneens het zorgprogramma B aanbiedt.

Het zorgprogramma T mag in geen geval over meerdere vestigingsplaatsen verspreid worden, ook niet via associatie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1997 houdende nadere omschrijving van de associatie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moet voldoen. Afdeling 2. - Vereiste infrastructuur

Onderafdeling 1. - Logistieke voorwaarden

Art. 44.Het zorgprogramma T moet beantwoorden aan de logistieke voorwaarden gesteld voor het zorgprogramma B, dat binnen de muren van hetzelfde ziekenhuis aangeboden moet worden, en moet daarenboven over de volgende logistieke middelen beschikken : 1° voldoende operatiezaal-infrastructuur met de nodige uitrusting, beschikbaarheid en capaciteit, waarbij het gelijktijdig preleveren en transplanteren mogelijk is;2° mogelijkheden tot isolatie van patiënten, ook in een intensieve zorgomgeving;3° een centrum voor transplantatiecoördinatie met permanente beschikbaarheid van minstens één transplantatiecoördinator;4° geëigende infrastructuur voor het bewaren en perfunderen van organen. Onderafdeling 2. - Omgevingselementen

Art. 45.Het zorgprogramma T moet beantwoorden aan de omgevingselementen gesteld voor het zorgprogramma B, dat binnen de muren van hetzelfde ziekenhuis moet worden aangeboden, en moet daarenboven over de volgende omgevingselementen beschikken : 1° er moet een georganiseerd multidisciplinair programma voor (terminaal) hartfalen aanwezig zijn, 2° een dienst anatomopathologie met speciale bekwaamheid in de interpretatie van myocardbiopsies moet 24 uur op 24 beschikbaar zijn, 3° er moet een laboratorium zijn waar de nodige microbiologische en immunologische onderzoeken voorhanden zijn onder de voorwaarden van beschikbaarheid, zoals vereist voor het transplanteren met maximale kans op gunstig resultaat : 4° het moet beschikken over voldoende isolatiemogelijkheden voor opgenomen patiënten. Afdeling 3. - De vereiste medische en niet-medische omkadering en

deskundigheid Onderafdeling 1. - De medische omkadering en deskundigheid

Art. 46.§ 1. De medische equipe van het zorgprogramma T bestaat uit : 1° minstens twee chirurgen met bijzondere bekwaamheid in de hartchirurgie en ervaring in transplantatietechnieken, voltijds en exclusief aan het zorgprogramma B en T verbonden;2° minimaal twee bijkomende cardiologen met bijzondere bekwaming in de harttransplantatieproblematiek; § 2. Binnen de medische equipe moet de nodige deskundigheid inzake transplantatieverbonden immunologische en microbiologische/infectieuze problematiek aanwezig zijn. § 3. De leden van de medische equipe moeten in het ziekenhuis aanwezig kunnen zijn binnen de tijdslimieten gesteld voor het transplanteren met maximale kans op gunstig resultaat.

Buiten de normale wachtdienst moet een afzonderlijke wachtrol voor het prelevatieteam worden georganiseerd. § 4. Onverminderd de §§ 1, 2 en 3 moeten een internist, een chirurg alsmede een transplantatiecoördinator permanent beschikbaar zijn en binnen de vereiste termijn in het ziekenhuis aanwezig kunnen zijn.

Onderafdeling 2. - De niet-medische omkadering en deskundigheid

Art. 47.De medische equipe moet een beroep kunnen doen op de ondersteuning door verpleegkundigen, sociaal verpleegkundigen en psychiaters met bijzondere interesse en bekwaamheid in de begeleiding van de specifieke problemen van de getransplanteerde.

Voormelde personeelsleden moeten naar aantal en kwalificatie aangepast kunnen worden aan de aard en het volume van de patiëntenproblemen. Afdeling 4. - Kwaliteitsnormen en normen inzake kwaliteitsopvolging

Onderafdeling 1. - Functioneel-organisatorische normen

Art. 48.Het zorgprogramma moet beschikken over een structuur en organisatie voor orgaanverwerving en orgaanprelevering. Het moet met betrekking tot de orgaanverwerving eveneens samenwerken met de aangewezen internationale organisaties voor orgaanverwerving.

Onderafdeling 2. - Kwaliteitsopvolging

Art. 49.§ 1. Om erkend te blijven, moet een zorgprogramma T zijn medewerking verlenen aan de interne en externe toetsing van de kwaliteit van de medische activiteit van het zorgprogramma "cardiale pathologie", overeenkomstig de bepalingen van voornoemd koninklijk besluit van 15 februari 1999 betreffende de kwalitatieve toetsing van de medische activiteit in de ziekenhuizen. § 2. De interne registratie van gegevens, bedoeld in artikel 3 van voornoemd koninklijk besluit van 15 februari 1999 moet een survivalcurve en een opvolging van opgetreden complicaties omvatten.

Het moet tevens voldoende en gepaste elementen bevatten om een kwaliteitsbewaking van de inspanning voor donorwerving mogelijk te maken.

Zolang door het in hetzelfde koninklijk besluit bedoeld college van geneesheren geen registratiemodel is vastgesteld zoals bedoeld in artikel 8, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit, worden, met respect voor de in het eerste lid bedoelde regelen, de gegevens geregistreerd die opgesomd worden in bijlage 1. HOOFDSTUK VII. - Zorgprogramma C : Congenitale hartafwijkingen bij kinderen Afdeling 1. - Doelgroep en activiteiten

Art. 50.Het zorgprogramma C omvat de diagnose behandeling, verzorging en revalidatie van patiënten met een congenitale cardiale problematiek, zoals bedoeld in artikel 2bis, § 1, 6°, van voornoemd koninklijk besluit van 15 februari 1999.

Daarenboven besteedt ze aandacht aan de continuïteit van geëigende zorg bij deze patiënten wanneer zij de volwassen leeftijd bereiken.

Art. 51.Het zorgprogramma C kan enkel worden aangeboden door een ziekenhuis dat binnen zijn muren eveneens het zorgprogramma B aanbiedt.

Het zorgprogramma C mag in geen geval over meerdere vestigingsplaatsen verspreid worden, ook niet via associatie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1997 houdende nadere omschrijving van de associatie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moet voldoen.

Indien de behandeling van congenitale hartafwijkingen bij kinderen plaatsvindt in een ziekenhuis dat exclusief werkzaam is voor kinderen, kan het zorgprogramma C door het ziekenhuis worden aangeboden op voorwaarde dat een juridisch geformaliseerd samenwerkingsverband bestaat met een erkend zorgprogramma B. Afdeling 2. - Activiteitsnormen

Art. 52.Alle in artikel 55, § 1,1° bedoelde chirurgen die werkzaam zijn in het zorgprogramma C moeten minstens 75 hartoperaties bij kinderen in eerste hand verricht hebben. Afdeling 3. - Vereiste infrastructuur

Onderafdeling 1. - Specifieke logistieke voorwaarden

Art. 53.Het zorgprogramma C moet beantwoorden aan de logistieke voorwaarden gesteld voor het zorgprogramma B, dat, behoudens het in artikel 51, derde lid, bedoelde geval, binnen de muren van hetzelfde ziekenhuis moet worden aangeboden, en moet daarenboven over de volgende logistieke middelen beschikken : 1° diagnostisch instrumentarium, niet-invasief : - EKG; - echocardiografie, transthoracaal en transoesofagaal met sondes voor patiënten met gewicht van 0,5 kg tot volwassen gewicht; - cyclo-ergometer aangepast aan alle leeftijden; - 24 uur Holtermonitoring; 2° invasief diagnostisch instrumentarium meer bepaald minimum 1 hartcatheterisatiezaal met biplane faciliteiten, digitale videofaciliteiten, interventionele cardiologie, die qua uitrusting, aantal en deskundigheid van het personeel aan de actuele technische en wetenschappelijke vereisten beantwoorden; bedoeld catheterisatiemateriaal en interventioneel materiaal dienen aangepast te zijn aan patiënten met een gewicht van 500 gr. tot een volwassen gewicht; 3° defibrillator en reanimatiemateriaal : bedoeld materiaal dient aangepast te zijn aan patiënten met een gewicht van 500 gr.tot een volwassen gewicht; 4° uitrusting voor telemetrie : dit uitrustingsmateriaal moet aangepast zijn aan patiënten met een gewicht van 500 gr.tot een volwassen gewicht; 5° infrastructuur (uitrusting, personeel, organisatie) voor minimum 2 operatiezalen met aangepaste voorzieningen. Onderafdeling 2. - Omgevingselementen

Art. 54.Het zorgprogramma C moet beantwoorden aan de omgevingselementen gesteld voor het zorgprogramma B, dat binnen de muren van hetzelfde ziekenhuis moet aangeboden worden, behoudens het geval bedoeld in artikel 51, derde lid, en moet daarenboven over de volgende omgevingselementen beschikken : 1° binnen het ziekenhuis waar het deel van uitmaakt, de nodige expertise voor cardiale CT-scan en magnetische resonantie;2° een neonataal urgentieteam om problemen in regionale ziekenhuizen zo snel mogelijk op te vangen en te stabiliseren;3° de nodige faciliteiten om snel en veilig transport mogelijk te maken;4° een uitgebreide expertise, binnen het ziekenhuis, in menselijke erfelijkheid;5° de nodige expertise om prenatale diagnostiek en transplacentaire behandelingen in te stellen en te monitoren. Het ziekenhuis dient binnen zijn muren eveneens te beschikken over een erkende dienst voor kindergeneeskunde (kenletter E) en een dienst intensieve neonatologie (kenletter NIC). Afdeling 4. - De vereiste medische en niet-medische omkadering en

deskundigheid Onderafdeling 1. - De medische omkadering en deskundigheid

Art. 55.De medische equipe van het zorgprogramma C bestaat uit : 1° minstens twee chirurgen met een bijzondere en onderhouden bekwaamheid in de cardiale heelkunde bij kinderen, voltijds en exclusief verbonden aan de zorgprogramma's B en C;2° minstens vier geneesheren-specialisten met speciale bekwaamheid in aangeboren hartafwijkingen, voltijds en exclusief aan het ziekenhuis verbonden. Binnen bedoelde equipe moet de expertise voorhanden zijn betreffende elektrocardiogram, 24 uur Holter-monitoring, inspanningsergometrie, echocardiografie (transthoracaal, transoesofagaal met sondes voor gebruik bij patiënten met een gewicht van 500 gr. tot een volwassen gewicht), hartcatheterisatie en interventionele catheterisatie.

Onderafdeling 2. - De niet-medische omkadering en deskundigheid

Art. 56.De medische equipe moet een beroep kunnen doen op de ondersteuning door verpleegkundigen, sociaal verpleegkundigen en psychiaters met bijzondere interesse en bekwaamheid in de begeleiding van de specifieke problemen van het kind.

Voormelde personeelsleden moeten naar aantal en kwalificatie aangepast kunnen worden aan de aard en het volume de patiëntenproblemen. Afdeling 5. - Kwaliteitsnormen en normen inzake kwaliteitsopvolging

Onderafdeling 1. - Functioneel-organisatorische normen

Art. 57.§ 1. Het zorgprogramma C moet een samenwerkingsverband hebben met de dienst intensieve neonatalogie binnen hetzelfde ziekenhuis.

Het moet bovendien een samenwerkingsverband hebben met : - één of meerdere zorgprogramma's T; - één of meerdere zorgprogramma's E; - één of meerdere zorgprogramma's P; § 2. In het ziekenhuis dient een uitgebreide expertise voorhanden te zijn die het hele domein van de pediatrische diagnose- en behandelingsmethodes bestrijkt.

Onderafdeling 2. - Kwaliteitsopvolging

Art. 58.§ 1. Om erkend te blijven, moet een zorgprogramma C zijn medewerking verlenen aan de interne en externe toetsing van de kwaliteit van de medische activiteit van het zorgprogramma "cardiale pathologie", overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 betreffende de kwalitatieve toetsing van de medische activiteit in de ziekenhuizen. § 2. Zolang door het in voornoemd koninklijk besluit bedoeld college van geneesheren geen registratiemodel is vastgesteld zoals bedoeld in artikel 8, 2° van hetzelfde koninklijk besluit worden de gegevens geregistreerd die opgesomd worden in de bijlage 1. HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen

Art. 59.Het koninklijk besluit van 18 april 1991 tot bepaling van de normen waaraan de hartcatheterisatiedienst moet voldoen om erkend te worden als zware medisch-technische dienst zoals bedoeld in artikel 44 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, wordt opgeheven.

Art. 60.Dit besluit treedt in werking zes maanden nadat het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

Art. 61.Onze Minister belast met Volksgezondheid en Onze Minister van Sociale Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 16 juni 1999.

ALBERT Par le Roi : De Minister belast met Volksgezondheid, L. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Sociale Zaken, Mevr. M. DE GALAN

Bijlage Minimaal te registreren gegevens : 1° geboortejaar van de patiënt;2° geslacht van de patiënt;3° datum van de ingreep;4° duur van de ingreep;5° plaats van de ingreep;6° bijzondere codes van de ingreep (RIZIV, ICD9, CM, CPT);7° RIZIV-code van de verantwoordelijke verstrekker van de ingreep. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 16 juni 1999.

ALBERT Van Koningswege : De Minister belast met Volksgezondheid, L. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Sociale Zaken, Mevr. M. DE GALAN

^