Koninklijk Besluit van 17 december 2017
gepubliceerd op 22 december 2017
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot vaststelling van het referentiebedrag bij ongewijzigd beleid als bedoeld in artikel 35decies, tweede lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2017032215
pub.
22/12/2017
prom.
17/12/2017
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2017032215

FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN


17 DECEMBER 2017. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het referentiebedrag bij ongewijzigd beleid als bedoeld in artikel 35decies, tweede lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Ingevolge de Zesde Staatshervorming halen de gewesten iets minder dan 12 miljard euro aan eigen middelen uit de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting, die de gewesten vanaf aanslagjaar 2015 kunnen heffen aan de hand van het "uitgebreide opcentiemenmodel" (titel III/1 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten (bijzondere financieringswet - BFW), zoals ingevoegd bij de bijzondere wet van 6 januari 2014 tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden).

Sinds aanslagjaar 2015 zijn enkel nog de gewesten bevoegd voor de belastingverminderingen en belastingkredieten met betrekking tot : 1° de uitgaven voor het verwerven of het behouden van de eigen woning;2° de uitgaven ter beveiliging van woningen tegen inbraak of brand;3° de uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde monumenten en landschappen;4° de uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen en voor prestaties betaald met dienstencheques andere dan sociale dienstencheques;5° energiebesparende uitgaven in een woning met uitzondering van de interesten die betrekking hebben op leningovereenkomsten als bedoeld in artikel 2 van de economische herstelwet van 27 maart 2009;6° de uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid;7° de uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen. (artikel 5/5, § 4, eerste lid, BFW) Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bijkomende middelen overgedragen voor die geregionaliseerde fiscale uitgaven. De middelen worden voor 60 pct. toegekend aan de gewesten onder de vorm van een dotatie (artikel 35decies, BFW) en worden voor 40 pct. verwerkt in de autonomiefactor (component B van de teller bedoeld in artikel 5/2, § 1, derde lid, 1°, BFW). Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt het toegekende bedrag via dotaties ook jaarlijks aangepast, rekening houdende met de inflatie en een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product (artikel 35decies, vierde lid, BFW).

De middelen worden jaarlijks tussen de drie gewesten verdeeld volgens de ontvangsten inzake de federale personenbelasting gelokaliseerd in elk gewest (artikel 35decies, vijfde lid, BFW).

Het bedrag van de geregionaliseerde fiscale uitgaven werd bij de aanvang van de regeling voorlopig vastgesteld op 3.047.959.879 euro voor de drie gewesten samen. Dit gebeurde op basis van fiscale gegevens van 2012. Dit voorlopige referentiebedrag moet worden omgezet in een definitief referentiebedrag op basis van de resultaten voor het aanslagjaar 2015, vastgesteld bij het verstrijken van de normale aanslagtermijn (i.c. 30 juni 2016) en uitgedrukt in ongewijzigd beleid. Bij ongewijzigd beleid betekent volgens de op 31 december 2013 geldende fiscale wetgeving, i.c. de wetgeving die gold voor aanslagjaar 2014. Dit definitieve referentiebedrag moet worden vastgesteld op basis van een verslag van het Rekenhof bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit genomen na overleg met de gewestregeringen (artikel 35decies, tweede lid, BFW). Ik heb de resultaten voor het aanslagjaar 2015 overgemaakt aan het Rekenhof, die deze gegevens in zijn verslag van 21 december 2016 heeft bevestigd (artikel 81ter, 1°, BFW). Vermits de wijzigingen, die door de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ingevolge de invoering van de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting als bedoeld in titel III/1 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, tot wijziging van de regels op het stuk van de belasting van niet-inwoners en tot wijziging van de wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet zijn aangebracht met ingang van aanslagjaar 2015, ervoor zorgen dat de invoering van de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting neutraal verloopt voor de belastingplichtige (ook wat de overgehevelde fiscale uitgaven betreft) en dat de gewesten geen wijzigingen hebben aangebracht aan de regelgeving inzake de overgehevelde fiscale uitgaven voor het aanslagjaar 2015, zijn de reëel ingekohierde bedragen van die uitgaven ook de uitgaven bij ongewijzigd fiscaal beleid.

Het besluit dat U wordt voorgelegd, heeft tot doel het definitieve referentiebedrag en de verdeling ervan over de drie gewesten, zoals vastgesteld door het Rekenhof, vast te leggen. Het definitieve referentiebedrag bedraagt 2.727.385.689,46 euro, waarvan 1.790.367.641,43 euro voor het Vlaamse Gewest, 788.086.197,83 euro voor het Waalse Gewest en 148.931.850,20 euro voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

De wijziging van het referentiebedrag van de fiscale uitgaven heeft een invloed op : 1° de component B van de teller van de autonomiefactor, bedoeld in artikel 5/2, § 1, derde lid, BFW;2° de dotatie voor de overgehevelde fiscale uitgaven, bedoeld in artikel 35decies, BFW;3° de basisbedragen van het nationaal solidariteitsmechanisme en bijgevolg het nationaal solidariteitsbedrag, bedoeld in artikel 48, BFW;4° het overgangsmechanisme met betrekking tot : - de dotatie "overgehevelde fiscale uitgaven", bedoeld in artikel 48/1, § 2, eerste lid, 5°, BFW; - de gewestelijke opcentiemen, bedoeld in artikel 48/1, § 2, 6° en § 2, laatste lid, BFW; - het solidariteitsmechanisme, bedoeld in artikel 48/1, § 2, eerste lid, 8°, BFW; 5° het regularisatiemechanisme op het niveau van de gewestelijke opcentiemen, bedoeld in artikel 54, zevende en achtste lid, BFW. Vermits het definitieve referentiebedrag lager is dan het voorlopige referentiebedrag, is die invloed negatief voor de gewesten. Voor de begrotingscontrole 2017 werd reeds rekening gehouden met het definitieve referentiebedrag van de geregionaliseerde fiscale uitgaven.

Dit is, Sire, de draagwijdte van het besluit dat U wordt voorgelegd.

Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Financiën, J. VAN OVERTVELDT

17 DECEMBER 2017. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het referentiebedrag bij ongewijzigd beleid als bedoeld in artikel 35decies, tweede lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, artikel 35decies, ingevoegd bij de bijzondere wet van 6 januari 2014;

Gelet op het verslag van het Rekenhof van 21 december 2016 dat de in artikel 5/5, § 4, bedoelde fiscale uitgaven evenals hun regionale verdeling weergeeft voor het aanslagjaar 2015, uitgedrukt bij ongewijzigd beleid en vastgesteld bij het verstrijken van de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bepaalde aanslagtermijn, op basis van de gegevens die door de minister van Financiën hiertoe aan het Rekenhof werden overgemaakt;

Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 28 april 2017;

Gelet op de akkoordbevinding van de minister van Begroting van 3 juli 2017;

Gelet op het overleg met de gewesten tijdens de Interministeriële Conferentie Financiën en Begroting van 10 november 2017;

Gelet op het artikel 8 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging, is dit besluit vrijgesteld van een regelgevingsimpactanalyse omdat het een besluit met een louter formeel karakter betreft;

Gelet op advies 62.503/4 van de Raad van State, gegeven op 13 december 2017;

Op de voordracht van de Minister van Financiën en op het advies van de in Raad vergaderde ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Het referentiebedrag bij ongewijzigd beleid, als bedoeld in artikel 35decies, tweede lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, ingevoegd bij de bijzondere wet van 6 januari 2014, wordt, op grond van het in artikel 81ter, 1°, van dezelfde bijzondere wet bedoelde verslag van het Rekenhof, definitief vastgesteld op 2.727.385.689,46 euro en is als volgt verdeeld over de drie gewesten (bedragen in euro) : Vlaams Gewest: 1.790.367.641,43 Waals Gewest: 788.086.197,83 Brussels Hoofdstedelijk Gewest: 148.931.850,20

Art. 2.De minister die bevoegd is voor Financiën, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 17 december 2017.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Financiën, J. VAN OVERTVELDT


begin


Publicatie : 2017-12-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^