Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 17 februari 1998
gepubliceerd op 27 mei 1998

Koninklijk besluit waarbij aan het « Fonds bruxellois francophone pour l'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées » toegang wordt verleend tot het Rijksregister van de natuurlijke personen

bron
ministerie van binnenlandse zaken
numac
1998000156
pub.
27/05/1998
prom.
17/02/1998
ELI
eli/besluit/1998/02/17/1998000156/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

17 FEBRUARI 1998. - Koninklijk besluit waarbij aan het « Fonds bruxellois francophone pour l'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées » (Franstalig Brussels Fonds voor de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces) toegang wordt verleend tot het Rijksregister van de natuurlijke personen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van besluit dat wij de eer hebben Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, strekt ertoe de uitvoering van artikel 5, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen te verwezenlijken, door het « Fonds bruxellois francophone pour l'intégration sociale et professionelle des personnes handicapées » (Franstalig Brussels Fonds voor de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces) toegang te verlenen tot het Rijksregister van de natuurlijke personen.

Het « Fonds bruxellois francophone pour l'intégration sociale et professionelle des personnes handicapées » werd ingesteld bij artikel 5 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 maart 1994 betreffende de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces. Het wordt onder de instellingen bedoeld in de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut gerangschikt in categorie A. Luidens artikel 6 van dat decreet heeft het Fonds tot opdracht : 1° erover te waken dat een globaal proces voor de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces wordt ingesteld en ervoor te zorgen dat hun naasten of, bij hun ontstentenis, de instellingen en diensten voor gehandicaptenzorg hen kunnen bijstaan in de uitvoering van genoemd proces;2° te zorgen voor de bevordering van de voorlichting van de gehandicapten, inzonderheid door het verzamelen en het verspreiden van alle documentatie die daartoe nuttig is;3° de gehandicapten, hun naasten of de instellingen en diensten die zorg dragen voor de gehandicapten advies te geven voor hun integratie in het onderwijs, voor hun beroepsopleiding, -omscholing en -herscholing in de hand te werken, toezicht houden op de doeltreffendheid van deze integratie in de school en van deze beroepsopleiding, -omscholing en -herscholing en ervoor te zorgen dat de gehandicapten die hierbij betrokken zijn, zo nodig aanspraak kunnen maken op een gespecialiseerde beroepsoriëntering;4° de gehandicapten te integreren in de best aangepaste structuren voor beroepsopleiding, -omscholing of -herscholing;5° tijdens de hele duur van hun opleiding tegemoetkomingen toe te kennen aan de gehandicapten die aan de leerplicht hebben voldaan;6° geheel of gedeeltelijk, rekening houdende met de krachtens andere wettelijke of reglementaire bepalingen toegekende tussenkomsten, de lasten te dragen die voor de gehandicapten voortvloeien uit de verplaatsing naar of het verblijf op de plaats van hun beroepsopleiding, -omscholing of -herscholing en eventueel naar de plaats van hun schoolopvoeding, wanneer zij het gewoon onderwijs volgen;7° aan de gehandicapten alle nodige hulp te verlenen voor, tijdens en na de beroepsopleiding, -omscholing of -herscholing;8° de tewerkstelling van de gehandicapten te bevorderen dank zij een passende betrekking, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III en te zorgen voor de begeleiding ervan;9° tegemoetkomingen toe te staan aan de werkgevers die gehandicapten tewerkstellen die gerechtigd zijn om aanspraak te kunnen maken op de voordelen van het decreet van 17 maart 1994;10° de tewerkstelling in een beschutte werkplaats van de gehandicapten te bevorderen die wegens de aard of de ernst van hun handicap, onder de gewone arbeidsvoorwaarden, voorlopig of definitief geen beroepsactiviteit kunnen uitoefenen en dit door de erkenning van beschutte werkplaatsen en de toekenning van toelagen voor hun oprichting, hun inrichting, hun uitbreiding en hun uitrusting alsook voor hun werking;11° in samenwerking met de bevoegde ministeriële diensten toezicht te houden op de aanwerving van gehandicapten, geschied bij toepassing van de in artikel 17 van het decreet van 17 maart 1994 bedoelde maatregelen;12° de integratie van de gehandicapten in de samenleving te bevorderen. Wat artikel 24 van hetzelfde decreet betreft, dit bepaalt dat het Fonds, voor wat de Franse Gemeenschapscommissie betreft, de rechten en plichten van het Gemeenschapsfonds voor de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces overneemt.

Dit laatste Fonds had zelf de rechten en plichten van het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen overgenomen, overeenkomstig artikel 30 van het decreet van 3 juli 1991 van de Franse Gemeenschapsraad betreffende de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces.

Aan het voormelde Rijksfonds was toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen verleend bij een koninklijk besluit van 11 februari 1988.

Gezien het voorafgaande kan aan het « Fonds bruxellois francophone pour l'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées » toegang worden verleend tot de informatiegegevens van het Rijksregister. Dat is de inhoud van dit ontwerp van koninklijk besluit.

Het blijkt dat de toegang tot de gegevens van het Rijksregister noodzakelijk is om het voormelde Fonds in staat te stellen zijn opdrachten zo efficiënt mogelijk te vervullen, zowel wat snelheid in de behandeling van de dossiers als betrouwbaarheid van de verzamelde informatie betreft. Alle informatie die het voornoemde Fonds medegedeeld wenst te krijgen, is nodig voor het uitvoeren van de taken die aan dit Fonds werden toevertrouwd bij het voormelde decreet van 17 maart 1994.

De in 1° tot 6° van artikel 3, eerste lid, van de voormelde wet van 8 augustus 1983 bedoelde gegevens vormen aldus de noodzakelijke minimale gegevens om het dossier van de in de artikel 3 van het voormelde decreet bedoelde gehandicapte te kunnen opstellen. De uitvoeringsbepaling van deze bepaling is artikel 3 van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen, dat voorziet in het opmaken van een typeformulier.

Wanneer de gehandicapte de nationaliteitsvoorwaarden gesteld in het koninklijk besluit van 20 november 1975 tot uitbreiding van de toepassing van de bepalingen van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen tot de personen van vreemde nationaliteit (koninklijk besluit nog steeds in voege op basis van artikel 30 van het decreet van 17 maart 1994) niet vervult, zijn de in 8° en 9° bedoelde gegevens alsook de in 1° tot 6° bedoelde gegevens en de opeenvolgende wijzigingen ervan noodzakelijk om de hoedanigheid van de begunstigde te kunnen bepalen.

De in 7° bedoelde gegevens en de opeenvolgende wijzigingen ervan zijn noodzakelijk om krachtens de artikelen 6 en 13 van het voormeld koninklijk besluit van 5 juli 1963 de aanvragen om prestaties te onderzoeken in verband met in het bijzonder de opleiding en de beroepsopleiding alsook met de tewerkstelling (cf. artikel 13 van het koninklijk besluit van 5 juli 1963) en de materiële hulp (cf. artikel 93, 4°, van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 en de artikelen 7 tot 20 van het ministerieel besluit van 27 december 1967).

De gegevens bedoeld in 8° en de opeenvolgende wijzigingen ervan zijn eveneens noodzakelijk om de hoedanigheid van de aanvrager te bepalen, wanneer deze de wettelijke vertegenwoordiger is van de gehandicapte, en maken het mogelijk andere inlichtingen betreffende de burgerlijke staat na te gaan die door de aanvrager werden verstrekt overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van het voormeld koninklijk besluit van 5 juli 1963.

De gegevens bedoeld in 9° zijn nodig om met de personen ten laste rekening te kunnen houden bij de bepaling van het bedrag van de toelage die tijdens de beroepsopleiding moet worden gestort (cf. artikel 4 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 25 oktober 1990).

Tenslotte is de termijn van vijf jaar bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het onderhavig besluit gebaseerd op artikel 5 van het koninklijk besluit van 20 november 1975 tot uitbreiding van de toepassing van de bepalingen van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen tot de personen van vreemde nationaliteit dat de periode van regelmatig en ononderbroken verblijf van de personen van vreemde nationaliteit die van de voordelen van de bovenvermelde wet van 16 april 1963 wensen te genieten, vaststelt op vijf jaar.

Overigens werd bijzondere aandacht besteed aan de organisatie van het toegangsrecht binnen de strikte perken van de noodwendigheden van de openbare dienst die het Fonds het hoofd moet bieden.

Er werd rekening gehouden met de bepaling van artikel 11 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en met de voorschriften van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Volgens de reeds herhaaldelijk door de Raad van State uitgedrukte wens wordt naar deze laatste wet verwezen in de aanhef van het besluit, en meer bepaald naar artikel 5 ervan, dat betrekking heeft op de naleving van het principe van de doeleinden.

Om de vertrouwelijkheid van de verzamelde gegevens te waarborgen, zal de toegang tot het Rijksregister georganiseerd worden door middel van terminals die uitsluitend gebruikt zullen worden door de personeelsleden van het Fonds die bij of krachtens het machtigingsbesluit zijn aangewezen.

Als de toegang via een computer of een server plaatsvindt, zal hij beveiligd worden door een code die uitsluitend in het bezit zal zijn van de daartoe bij name aangewezen personeelsleden.

Ten slotte, zoals de Raad van State en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer aanbevelen, is erin voorzien dat de lijst van de personeelsleden die zijn aangewezen overeenkomstig artikel 1, derde lid, van dit besluit, jaarlijks zal worden opgemaakt en volgens dezelfde periodiciteit aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zal worden bezorgd.

Wij hebben de eer te zijn, Sire van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Binnenlandse Zaken, J. VANDE LANOTTE De Minister van Justitie, S. DECLERCK

ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 20 februari 1996 door de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « waarbij aan het « Fonds bruxellois francophone pour l'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées » (Franstalig Brussels Fonds voor de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces) toegang wordt verleend tot het Rijksregister van de natuurlijke personen », heeft op 28 oktober 1996 het volgend advies gegeven : Algemene opmerkingen 1. Artikel 5, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen bepaalt dat de Koning toegang verleent tot het Rijksregister aan de openbare overheden,... voor de informatie die zij krachtens een wet of een decreet bevoegd zijn te kennen.

Voor het bepalen van de informatie die deze overheden bevoegd zijn te kennen, kan men ervan uitgaan dat zulk een bevoegdverklaring, als ze niet in uitdrukkelijke bewoordingen is gesteld, het gevolg kan zijn van de taken waarmee die overheden door of krachtens de wet of een decreet zijn belast.

Kan aldus worden aangenomen dat de omstandigheid dat een taak wordt opgedragen een indirecte bevoegdverklaring inhoudt om informatie te kennen, toch neemt dit niet weg dat de eerbiediging van het wettigheidsbeginsel de Regering ertoe verplicht om, wanneer zij zich voorneemt de toegang bepaald in artikel 5 van de voormelde wet te verlenen, nauwgezet te controleren of het voor de openbare overheid in kwestie onontbeerlijk is elk van de informatiegegevens opgesomd in artikel 3 van die wet te kennen om haar taak te kunnen volbrengen.

Deze controle door de Regering is des te noodzakelijker daar de Raad van State niet alle feitelijke gegevens kent op basis waarvan hij zelf zulk een controle zou kunnen uitoefenen. Die controle behoort des te nauwgezetter te worden uitgeoefend daar artikel 22, eerste lid, van de Grondwet thans bepaalt dat « ieder... recht (heeft) op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald ».

Hoewel de omstandigheid dat het Fonds toegang krijgt tot de gegevens van het register teneinde de gehandicapten die geholpen moeten worden te identificeren, beantwoordt aan een wettig doel in de zin van artikel 5 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, kan terecht de vraag rijzen of de raadpleging van het register gerechtvaardigd is wanneer het Brussels Fonds deze of gene buitendienst wil erkennen of subsidiëren (artikel 6, 3° en 5°, van het decreet).

De gemachtigde ambtenaar heeft aan de Raad van State de volgende inlichtingen meegedeeld : « Les données visées à l'article 3, 1° à 9°, et alinéa 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques sont nécessaires pour pouvoir établir en priorité le dossier de la personne handicapée, tel que visé à l'article 3 du décret du 17 mars 1994 de la Commission communautaire française relatif à l'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées.

A la lecture de l'article 6 du décret précité qui décrit les missions du Fonds, on peut regrouper les prestations octroyées par le Fonds bruxellois en deux catégories bien distinctes : - les prestations individuelles qui sont des interventions accordées à la personne handicapée suite à son admission au bénéfice des dispositions du décret du 17 mars 1994; - les prestations collectives qui sont des subventions accordées par le Fonds aux institutions qu'il agrée.

L'accès aux informations du registre national est utile pour la constitution du dossier de base de la personne handicapée et l'octroi des prestations individuelles.

L'accès aux informations ad hoc ne concerne donc pas les prestations collectives octroyées par le Fonds bruxellois ».

De steller van het ontwerp dient dan ook in het besluit zelf nauwkeurig aan te geven welke informatiegegevens betrekking hebben op taken in verband met individuele steun. 2. Artikel 2, eerste lid en tweede lid, 3°, van het ontworpen besluit is in de volgende bewoordingen gesteld : « De met toepassing van artikel 1 verkregen informatie mag slechts worden gebruikt voor de in dat artikel vermelde doeleinden.Zij mag niet aan derden worden meegedeeld.

Voor de toepassing van het eerste lid worden niet als derden beschouwd : 3° binnen de perken van de informatie die hun ter beschikking moet worden gesteld, de natuurlijke of rechtspersonen, de feitelijke verenigingen en de instellingen van Belgisch recht die een opdracht van algemeen nut vervullen, voor het uitvoeren van de taken die hun bij een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling betreffende de sociale integratie van gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces worden toevertrouwd ». Artikel 5, eerste en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 luidt echter als volgt : « De Koning verleent toegang tot het Rijksregister aan de openbare overheden, de instellingen van openbaar nut bedoeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, de notarissen en gerechtsdeurwaarders, voor de informatie die zij krachtens een wet of een decreet bevoegd zijn te kennen, alsmede de Belgische Nationale Orde van Advocaten, met als enig doel aan de advocaten de informatie mede te delen die zij nodig hebben voor de taken die zij als medewerkers van het gerecht vervullen.

De Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, ingesteld bij de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, kan bij in Ministerraad overlegd besluit : a) de toegang uitbreiden tot instellingen van Belgisch recht die opdrachten van algemeen belang vervullen;de Koning wijst deze instellingen nominatief aan; b) aan instellingen van Belgisch recht die opdrachten van algemeen belang vervullen en die Hij nominatief aanwijst, de mededeling verlenen van de nodige informatiegegevens vermeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 9°, en tweede lid, uitsluitend voor de uitvoering van wetenschappelijke, navorsings- en onderzoekswerkzaamheden, binnen de perken van de informatiegegevens die hen ter beschikking moeten worden gesteld uitsluitend voor de uitvoering van die werkzaamheden;de instellingen mogen slechts over de bedoelde informatiegegevens beschikken gedurende de tijd nodig voor de uitvoering van die werken en enkel tot dat doel; de Koning bepaalt de andere voorwaarden waaraan deze instelIingen moeten voldoen om mededeling van deze informatiegegevens te bekomen ».

Als men ervan uitgaat dat artikel 2, tweede lid, 3°, van het ontwerp van besluit een « mededeling » toestaat die in feite veel weg heeft van een « toegang », in de zin van artikel 5 van de wet, zou de onwettigheid van de voorgenomen machtiging vaststaan, aangezien daarbij wordt voorbijgegaan aan de garanties vermeld in artikel 5, tweede lid, a, namelijk : het inwinnen van het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de beraadslaging in de Ministerraad, het bij name aanwijzen van de instelling.

Men zou er ook van uit kunnen gaan dat wanneer het Fonds informatiegegevens uit het Rijksregister aan derden meedeelt, zulks geen eigenlijk recht op toegang vormt en evenmin te maken heeft met de regeling inzake mededelingen voor wetenschappelijke doeleinden, bedoeld in b. Volgens die tweede interpretatie zou de door de Koning verleende machtiging kennelijk overbodig zijn.

Hoewel de gemachtigde ambtenaar erop gewezen heeft dat de aldus beschreven moeilijkheid niet heel nieuw is, inzonderheid in de aangelegenheden die onder de sociale bescherming ressorteren, zou ze stellig opnieuw moeten worden onderzocht in het licht van de inwerkingtreding van artikel 22 van de Grondwet en van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Daarom zou het nuttig zijn het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in te winnen opdat er uit juridisch oogpunt klaarheid komt over de kwestieuze beginselen. De Raad van State wijst er echter nu reeds op dat het koninklijk besluit van 30 januari 1995 tot regeling van de toegang tot de informatiegegevens en van het gebruik van het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen in hoofde van het Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap (1) - in een zeer verwant domein - niet in zulk een indirecte toegang heeft voorzien. Ook dat gegeven zou moeten aanzetten tot een nieuw en grondig onderzoek van de kwestie op basis van vergelijking. 3. Artikel 1 van het ontworpen koninklijk besluit verleent het Fonds toegang tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 9°, van de wet van 8 augustus 1983 en tot alle opeenvolgende bijwerkingen van die negen gegevens (artikel 3, tweede lid, van de wet). Wat de toegang tot de opeenvolgende bijwerkingen van die negen gegevens betreft, mag niet verder in de tijd teruggegaan worden dan vereist is voor het uitvoeren van de taken opgesomd in artikel 1, eerste lid, van het ontwerp van koninklijk besluit. Door het ontwerp aldus aan te vullen, zal het in overeenstemming komen met artikel 5 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, dat de verwerking van ontoereikende, niet terzake dienende en overmatige gegevens verbiedt (2) (3).

Dat « recht op vergeten » - waardoor de persoon meester wordt van zijn verleden in een mate die de sfeer van het privé-leven ruimschoots overstijgt, waarbij alles bij elkaar weinig rekening wordt gehouden met het openbare of private karakter ervan, doch voornamelijk met de wens van de persoon in kwestie om dat verleden niet weer op te rakelen (4) - wordt gegarandeerd door artikel 5, e, van het Verdrag tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, opgemaakt te Straatsburg op 28 januari 1981, en goedgekeurd bij de wet van 17 juni 1991.De termijn voor het bewaren van de gegevens waarin de wet van 8 augustus 1983 voorziet (dertig jaar na het overlijden van de geregistreerde persoon) staat kennelijk niet in verhouding tot de doeleinden die het Fonds door de verwerking van gegevens wettig zou kunnen nastreven (5).

Daarom moet samen met het Fonds worden gezocht naar relevante criteria voor het bepalen van die tijdslimiet.

De gemachtigde ambtenaar gaf de Raad van State daaromtrent de volgende inlichting : « Une période de cinq ans précédant la communication des informations requises semble raisonnable ».

De onderzochte tekst behoort in dat opzicht te worden aangevuld.

De kamer was samengesteld uit : De heren : J.-J. Stryckmans, voorzitter;

Y. Boucquey, Y. Kreins, staatsraden;

J. De Gavre, P. Gothot, assessoren van de afdeling wetgeving, Mevr. J. Gielissen, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de H. J. Regnier, eerste auditeur.

De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de H. M. Bauwens, adjunct-referendaris.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de H. J.-J. Stryckmans.

De Griffier, J. Gielissen.

De Voorzitter, J.-J. Stryckmans.

17 FEBRUARI 1998. - Koninklijk besluit waarbij aan het « Fonds bruxellois francophone pour l'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées » (Franstalig Brussels Fonds voor de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces) toegang wordt verleend tot het Rijksregister van de natuurlijke personen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, inzonderheid op artikel 5, eerste lid;

Gelet op het koninklijk besluit van 11 februari 1988 waarbij aan het Rijksfonds voor sociale reclassering van de mindervaliden toegang wordt verleend tot het Rijksregister van de natuurlijke personen;

Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, inzonderheid op artikel 5;

Gelet op het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 maart 1994 betreffende de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces, inzonderheid op de artikelen 5, 6 en 24;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en van Onze Minister van Justitie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Voor het vervullen van zijn taken bedoeld bij artikel 6 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 maart 1994 betreffende de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces en binnen de perken van artikel 2 wordt aan het « Fonds bruxellois francophone pour l'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées » (Franstalig Brussels Fonds voor de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces) toegang verleend tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 9°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

Wat de toegang betreft tot de opeenvolgende wijzigingen die in de in het eerste lid bedoelde informatiegegevens werden aangebracht, kan in de tijd worden teruggegaan ten belope voor een periode van vijf jaar die voorafgaat aan de mededeling ervan.

De in het eerste lid vermelde toegang is voorbehouden aan de leidende ambtenaar, de adjunct-leidende ambtenaar en aan de personeelsleden van het Fonds die daartoe door de leidende ambtenaar of bij ontstentenis door de adjunct-leidende ambtenaar schriftelijk bij name zijn aangewezen, voor zover deze toegang voor hen noodzakelijk is voor het vervullen van de hun toebedeelde taken.

Art. 2.De met toepassing van artikel 1 verkregen informatie mag slechts worden gebruikt voor de in dat artikel vermelde doeleinden.

Zij mag niet aan derden worden meegedeeld.

Voor de toepassing van het eerste lid worden niet als derden beschouwd : 1° de natuurlijke personen op wie deze gegevens betrekking hebben alsook hun wettelijke vertegenwoordigers;2° de openbare overheden en de krachtens artikel 5 van de voornoemde wet van 8 augustus 1983 aangewezen instellingen, in het kader van de betrekkingen die zij met het « Fonds bruxellois francophone pour l'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées » onderhouden voor de in artikel 1, eerste lid, bedoelde doeleinden en binnen de perken van de gegevens die hun krachtens hun aanwijzing mogen worden meegedeeld.

Art. 3.De lijst van de overeenkomstig artikel 1, derde lid, aangewezen personen wordt jaarlijks opgemaakt en volgens dezelfde periodiciteit aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bezorgd.

Art. 4.Het koninklijk besluit van 11 februari 1988 waarbij aan het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen toegang wordt verleend tot het Rijksregister van de natuurlijke personen wordt opgeheven voor wat de Franse Gemeenschapscommissie betreft.

Art. 5.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 17 februari 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, J. VANDE LANOTTE De Minister van Justitie, S. DECLERCK

(1) Belgisch Staatsblad, 9 maart 1995.(2) Moderne middelen van geautomatiseerde gegevensverwerking hebben de registratie en de mededeling mogelijk gemaakt van negen persoonsgegevens en van de opeenvolgende wijzigingen ervan, met betrekking tot zowat 10 miljoen personen, zulks vanaf de datum van hun geboorte en gedurende dertig jaar na de datum van hun overlijden. Diezelfde middelen zouden het mogelijk moeten maken om de toegang tot het Rijksregister - zoals de wet voorschrijft - te beperken tot alleen de gegevens die noodzakelijk zijn opdat de overheid die voormelde register raadpleegt haar taken kan vervullen. (3) Zie in die zin inzonderheid de adviezen van de afdeling wetgeving L.22.290/2 van 19 mei 1993 en L. 22.874/2, L. 22.884/2, L. 22.896/2 en L. 22.999/2 van 28 maart 1994. (4) Naar R.Letteron, Le droit à l'oubli, Revue du droit public, 1996, blz. 385-424, inzonderheid blz. 407. (5) Deze opmerking geldt om dezelfde reden,voor de koninklijke besluiten die van oudere datum zijn dan de inwerkingtreding van voornoemd artikel 5 en die dienovereenkomstig moeten worden aangepast, om de beperkingen op de toegang tot het Rijksregister te harmoniseren, zoals de Raad van State reeds herhaaldelijk heeft opgemerkt.

^