Koninklijk Besluit van 17 juli 2013
gepubliceerd op 26 juli 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2013204121
pub.
26/07/2013
prom.
17/07/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

17 JULI 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (1)


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van besluit dat we de eer hebben Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, heeft betrekking op de aanpassing van sommige bepalingen inzake de arbeidskaart. Deze wijzigingen hebben, voor het grootste deel, als doelstelling om praktische problemen op te lossen in verband met de niet discrepantie tussen de criteria voor vrijstellingen van arbeidskaarten voor gezinshereniging en de criteria inzake toekenning van het verblijf.

Globaal genomen brengt dit ontwerp geen fundamentele wijzigingen teweeg : er worden geen nieuwe vrijstellingen gecreëerd ten gunste van nieuwe categorieën werknemers.

Tot nu toe waren de vrijstellingen van arbeidskaarten inzake gezinshereniging met een Belgische onderdaan of een onderdaan lid van de Europese Economische Ruimte opgesteld met verwijzing naar de bestaande familieband.

Het is zo dat werd aangetoond dat deze manier van handelen het niet mogelijk maakt voor de administraties bevoegd voor de toekenning van de arbeidskaarten om precies te bepalen of de betrokken persoon wel aan alle voorwaarden voldoet om de gevraagde vrijstelling te genieten.

Op dezelfde manier maakt, wat het toezicht op de naleving van deze bepalingen betreft, de gebruikte formulering het ook voor de controleurs onmogelijk om met zekerheid de begunstigden van deze vrijstellingen te identificeren.

Er verschijnen vaak schaduwzones. Deze zijn bijvoorbeeld gekoppeld aan de veranderlijkheid van de gezinstoestanden zoals de scheiding of het overlijden van één van de echtgenoten of aan het vaststellen van de band inzake geregistreerd partnerschap.

Teneinde deze problemen op te lossen, werd beslist om niet meer te verwijzen naar de familiale band tussen de vrijgestelde buitenlandse werknemer en de Belgische onderdaan of lid van een Staat van de Europese Economische Ruimte die het recht opent op deze vrijstelling maar om rechtstreeks te verwijzen naar het verblijfsdocument waarop deze buitenlandse werknemer recht heeft rekening houdend met de gezinshereniging waarop hij zich kan beroepen die hem eveneens recht geeft op deze vrijstelling.

De praktijk heeft eveneens aangetoond dat er, in sommige gevallen, een lange periode kan verlopen tussen de positieve beslissing over de verblijfsaanvraag enerzijds en de afgifte van het verblijfsdocument anderzijds. Tijdens deze wachtperiode reiken de gemeentebesturen een bijlage 15 uit aan de buitenlandse onderdaan. Men heeft rekening willen houden met deze situatie door te preciseren dat, voor zover de voorwaarden vervuld zijn, de buitenlandse onderdanen die in bezit zijn van deze bijlage 15 vrijstellingen kunnen genieten of een arbeidskaart C kunnen ontvangen.

Naast deze wijzigingen inzake vrijstellingen in het kader van de gezinshereniging, werden aanpassingen aangebracht wat de vrijstellingen voor studenten betreft. Van deze tekst werd gebruik gemaakt voor de omzetting van artikel 10 van de Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk.

De buitenlandse studenten die stages doen in België worden vrijgesteld van een arbeidskaart, niet meer enkel wanneer de studies worden gevolgd in België maar ook wanneer studies worden gevolgd in een lidstaat van de Europese Unie of in Zwitserland.

Ten slotte worden de overgangsbepalingen betreffende de bijzondere vrijstellingen ten gunste van de Bulgaarse, Kroatische en Roemeense onderdanen aangepast.

Rekening houdend met de logica die hierboven werd uiteengezet, verwijzen de vrijstellingen die worden toegekend ingevolge gezinshereniging niet meer naar de rechtstoestand van de persoon maar naar het verblijfsdocument dat de persoon bezit.

Bovendien wordt, overeenkomstig de praktijk, in een vrijstelling voorzien voor onderdanen van de nieuwe lidstaten die in bezit zijn van een E+ of F+ kaart.

Toelichting bij de artikelen Art. 1 Dit artikel preciseert dat de wijziging vermeld in artikel 2, d, van dit besluit de gedeeltelijke omzetting beoogt van : - de Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de toelating van de onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk (artikel 10); - de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG. Art. 2 Punt a) van dit artikel wijzigt het artikel 2, 1e lid, 1° van het koninklijk besluit van 9 juni 1999. Onderdanen van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte en van de Zwitserse Bondsstaat zijn vrijgesteld van een arbeidskaart.

Punt b) van dit artikel wijzigt artikel 2, 1e lid, 2° van het koninklijk besluit van 9 juni 1999. Vroeger genoten familieleden van de Belgische en Zwitserse onderdanen en van familieleden van onderdanen van de Europese Economische Ruimte een vrijstelling op basis van de familiale band die hen verbond.

In dit nieuwe artikel wordt de vrijstelling toegekend op basis van het verblijfsdocument verstrekt door de Dienst Vreemdelingenzaken op basis van de familieband die de buitenlandse werknemer en de Belgische onderdaan of de onderdaan van een lidstaat van de Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat verbindt.

De verblijfsdocumenten, verstrekt in de verschillende specifieke gevallen die leiden tot een vrijstelling van arbeidskaart bij gezinshereniging met een Belgische of Europese onderdaan, werden opgesomd : - F Kaart - Verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie ingeval een definitief positieve beslissing wordt genomen; - F+ kaart - duurzame verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie ingeval een definitief positieve beslissing wordt genomen na 5 jaar verblijf als familielid van een EU burger; - Bijlage 19ter, met een geldig attest van immatriculatie of een geldig bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister (A Kaart) in geval van een lopende onderzoeksprocedure; - Bijlage 35 in geval van schorsend beroep tegen een negatieve beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; - Bijlage 15 verstrekt aan de echtgenoot van een Belg in de hoedanigheid van grensarbeider (voor zover deze persoon, in de Staat waar hij verblijft, beschikt over een verblijfsrecht van meer dan drie maanden).

Punt c) van dit artikel wijzigt artikel 2, 1e lid, 18° van het koninklijk besluit van 9 juni 1999. Er is geen inhoudelijke wijziging.

Enkel de formulering wordt gewijzigd teneinde zich te conformeren aan de wet van 15 december 1980 betreffende het verblijf.

Punt d) van dit artikel wijzigt artikel 2, 1e lid, 19° van het koninklijk besluit van 9 juni 1999. Zoals reeds vermeld, voor wat artikel 1 betreft, beoogt deze wijziging de omzetting van artikel 10 van de Richtlijn 2004/114/CE van de Raad van 13 december 2004 betreffende de toelating van de onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk. Vroeger genoten enkel studenten die studies deden in België een vrijstelling van arbeidsvergunning om stages te verrichten in België. Ingevolge deze wijziging zijn de studenten die studies doen in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte alsook in Zwitserland eveneens vrijgesteld van arbeidskaart om stages te verrichten in België.

De punten e) en f) van dit artikel wijzigen de leden 3 en 4 van artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999. De buitenlandse werknemers vrijgesteld van een arbeidskaart, met toepassing van het nieuwe artikel 2, 1e lid, 2° (gezinshereniging met een Belg, een Zwitser of een onderdaan van een lidstaat van de EER) worden in wettelijk verblijf beschouwd zoals bepaald in artikel 1, 6 van hetzelfde besluit.

Punt g) voegt een lid toe in artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999. Deze nieuwe maatregel bepaalt dat buitenlandse werknemers, aan wie een bijlage 15 werd verstrekt in afwachting van de afgifte van het verblijfsdocument, vrijgesteld zijn van arbeidskaart als zij voldoen aan de voorwaarden voor de toekenning van deze vrijstelling.

Het punt h) ten slotte staat de Minister toe de benaming van de verblijfsdocumenten, bedoeld in dit artikel, in geval van wijziging van deze door de verblijfsreglementering, aan te passen.

Art. 3.

Dit artikel voert twee nieuwe leden in artikel 17 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 in. In de eerste plaats wordt bepaald dat de arbeidskaart C geldig blijft wanneer buitenlandse onderdanen wachten op de afgifte van hun verblijfsdocument.

Het tweede lid staat de Minister toe de benaming van de verblijfsdocumenten, bedoeld in dit artikel, in geval van wijziging van deze door de verblijfsreglementering, aan te passen.

Art. 4 Dit artikel wijzigt artikel 38ter van het koninklijk besluit van 9 juni 1999.

Ter herinnering, deze overgangsmaatregelen blijven van toepassing op de Bulgaarse en Roemeense onderdanen tot 31 december 2013. Zij zijn eveneens van toepassing op de Kroatische werknemers sinds 1 juli 2013.

Zij zijn dus niet vrijgesteld van arbeidskaart wegens hun nationaliteit.

Daarentegen kunnen zij worden vrijgesteld van arbeidskaart op basis van andere criteria die zijn opgenomen in het nieuwe artikel 38ter, § 3.

De criteria die werden aangehaald in de punten a), b), c), d) en e) van het nieuwe artikel 38ter stonden reeds in de oude versie van de tekst.

Rekening houdend met de praktijk worden de criteria opgesomd in de punten f) en g) toegevoegd. De Roemeense, Bulgaarse en Kroatische onderdanen die een E+ kaart hebben zijn vrijgesteld van een arbeidskaart, evenals hun niet-EU familieleden die een F+ kaart hebben verworven.

Het punt h) verwijst naar de vrijstelling toegekend aan de Roemeense, Bulgaars of Kroatische echtgenoot van een Belg als grensarbeider (voor zover die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op verblijf beschikt van meer dan drie maanden).

Tenslotte beoogt punt i) het geval van vrijstellingen toegekend aan de Roemeense, Bulgaarse en Kroatische onderdanen of niet onderdanen van de Europese Economische Ruimte in gezinshereniging met een Belgische onderdaan of een onderdaan van de Europese Economische Ruimte.

Rekening houdend met de overgangsmaatregelen geldt de vrijstelling wel te verstaan niet als de persoon die het recht op de gezinshereniging opent zelf Bulgaars, Roemeens of Kroatische is behalve als deze een vrijstelling geniet op basis van een ander criterium.

De redactie van dit punt i) conformeert zich aan de wil om, inzake gezinshereniging, niet meer te verwijzen naar de rechtstoestand maar naar het verblijfsdocument dat men bezit.

Gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag zal de Bulgaarse, Roemeense of Kroatische onderdaan in gezinshereniging in bezit moeten zijn van een bijlage 19 alsook van een geldig attest van immatriculatie of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister.

In geval van een definitief gunstige beslissing zal hij in bezit gesteld worden van een E kaart of een F kaart.

Tenslotte zal men in geval van beroep tegen een ongunstige beslissing een bijlage 35 moeten bezitten.

De Minister kan de benaming van de verblijfsdocumenten, bedoeld in dit artikel, aanpassen in geval van wijziging van deze door de verblijfsreglementering.

De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK

RAAD VAN STATE Afdeling Wetgeving

Advies 53.421/1 van 20 juni 2013 over een ontwerp van koninklijk besluit « tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers » Op 24 mei 2013 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Werk verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit « tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers ».

Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 6 juni 2013. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Wilfried VAN VAERENBERGH en Jeroen VAN NIEUWENHOVE, staatsraden, Marc RIGAUX en Michel TISON, assessoren, en Wim GEURTS, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Nathalie VAN LEUVEN, auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wilfried VAN VAERENBERGH, staatsraad.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 20 juni 2013.

STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP 1. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe het koninklijk besluit van 9 juni 1999 « houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers » te wijzigen.Die wijzigingen kunnen als volgt worden samengevat : - wat betreft de vrijstellingen van arbeidskaart ingevolge gezinshereniging met een Belgische onderdaan of een onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, wordt niet langer verwezen naar de familiale band tussen de vrijgestelde buitenlandse werknemer en de Belgische onderdaan of onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische ruimte, maar rechtstreeks verwezen naar de verblijfsdocumenten waarop deze buitenlandse werknemer recht heeft; - de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van het document bedoeld in bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », dat uitgereikt wordt voor de periode tussen de positieve beslissing over de verblijfsaanvraag en de afgifte van het verblijfsdocument, worden vrijgesteld van het bekomen van een arbeidskaart; - de buitenlandse studenten die een stage volgen in België worden vrijgesteld van het bekomen van een arbeidskaart, niet enkel wanneer de studies worden gevolgd in België maar ook wanneer de studies worden gevolgd in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland. Op die wijze wordt artikel 10 van richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 « betreffende de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk » omgezet; - de overgangsbepalingen betreffende de bijzondere vrijstellingen voor het bekomen van een arbeidskaart ten gunste van de Bulgaarse, Kroatische en Roemeense onderdanen worden aangepast. De voorwaarden inzake de vrijstellingen ingevolge gezinshereniging verwijzen niet langer naar de rechtstoestand van de persoon maar naar het verblijfsdocument dat de persoon bezit. 2. Rechtsgrond voor het ontwerp wordt geboden door de artikelen 7 en 8, § 1, van de wet van 30 april 1999 « betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers », waaraan wordt gerefereerd in het eerste lid van de aanhef van het ontwerp. ONDERZOEK VAN DE TEKST Aanhef 3. Er dient aan de aanhef een lid te worden toegevoegd, geredigeerd als volgt : « Gelet op het voorafgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectbeoordeling inzake duurzame ontwikkeling uit te voeren, waarbij besloten is dat een effectbeoordeling niet vereist is;».

Artikel 1 4. Wanneer een omzetting van een richtlijn gebeurt door de wijziging van een bestaande tekst, behoort het inleidende artikel met de vermelding van de richtlijn niet in de wijzigende tekst te worden opgenomen, maar wel in de gewijzigde tekst.Artikel 1 van het ontwerp dient dan ook te worden omgevormd tot een wijzigingsartikel van het koninklijk besluit van 9 juni 1999. Daarbij dient ook melding te worden gemaakt van de andere richtlijnen waarvan dat besluit de omzetting in het interne recht vormt. (2) Artikel 2 5. In de inleidende zin van artikel 2 van het ontwerp dient ook melding te worden gemaakt van het wijzigende koninklijk besluit van 15 februari 2000.6. In het ontworpen artikel 2, eerste lid, 18° van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 (artikel 2, c) van het ontwerp) dienen in de Nederlandse tekst de woorden « op verblijf » te worden geschrapt. Artikel 3 7. Men redigere de inleidende zin van artikel 3 als volgt : « Artikel 17 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 13 maart 2011 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 juli 2012.(...) : ».

Artikel 4 8. De gemachtigde heeft bevestigd dat in het ontworpen artikel 38ter, § 3, eerste lid, h), van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 (artikel 4.b), van het ontwerp) ook melding moet worden gemaakt van grensarbeiders die in het bezit zijn van het document bedoeld in bijlage 15 van het voornoemde koninklijk besluit van 8 oktober 1981.

De ontworpen bepaling dient in die zin te worden aangevuld. 9. De steller van het ontwerp dient na te gaan of in de inleidende zin van het ontworpen artikel 38ter, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 (artikel 4, b), van het ontwerp) niet moet worden geschreven « [d]e personen opgesomd onder h) moeten in het bezit zijn » in plaats van« [d]eze moeten in het bezit zijn ». Artikel 5 10. Aangezien de delegatie aan de bevoegde minister om de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in de artikelen 2, 17 en 38ter, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 aan te passen ertoe leidt dat met betrekking tot die aanpassingen het vormvereiste van overleg in de Ministerraad niet moet worden vervuld, kan die delegatie enkel doorgang vinden voor zover de beoogde aanpassingen louter formeel van aard zijn en in geen geval kunnen worden betrokken op de inhoud van de betrokken bepalingen. Artikel 5 van het ontwerp dient bovendien omgevormd te worden tot een wijzigingsartikel van het koninklijk besluit van 9 juni 1999, zodat de delegatiebepaling in dat besluit wordt opgenomen.

De Griffier, Wim GEURTS De Voorzitter, Marnix VANDAMME _______ Nota (1) Zie in dat verband Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 « betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG ».

17 JULI 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, artikelen 7 en 8, § 1;

Gelet op het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;

Gelet op het advies van de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gegeven op 16 april 2013, Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 2 mei 2013 Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 15 mei 2013, Gelet op het voorafgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectbeoordeling inzake duurzame ontwikkeling uit te voeren, waarbij besloten is dat een effectbeoordeling niet vereist is;

Gelet op het advies nr. 53.421/1 van de Raad van State, gegeven op 20 juni 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, Op de voordracht van Onze Minister van Werk en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,

Artikel 1.- Het artikel 2, d, van dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk.

Het artikel 2 a, en b, van dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG.

Art. 2.- In artikel 2, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 februari 2000, 6 februari 2003, 12 september 2007, 23 april 2008, 28 mei 2009, 13 maart 2011 en 17 juli 2012 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in het eerste lid wordt het 1° vervangen door het volgende : « 1° de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat »;b) in het eerste lid wordt het 2° vervangen door het volgende : « 2° a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een « verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie » overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (F kaart);b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een « duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie » overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals : - van een geldig attest van immatriculatie, - of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.»; c) in het eerste lid wordt het 18° vervangen door het volgende : « de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties »;d) in het eerste lid wordt het 19° vervangen door het volgende : « de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat »;e) in het derde lid worden de woorden « 2°, » opgeheven;f) in het vierde lid worden de woorden « 2°, » ingevoegd tussen de woorden « eerste lid, » en de woorden « 4° »;g) een vijfde lid wordt toegevoegd dat luidt als volgt : « De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.». h) een zesde lid wordt toegevoegd dat luidt als volgt : « Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.»

Art. 3.- Artikel 17 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 13 maart 2011 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 juli 2012, wordt aangevuld met volgende leden : « De arbeidskaart C is geldig ten aanzien van buitenlandse onderdanen die aan de voorwaarden voldoen bedoeld in het eerste lid, maar die tijdelijk in het bezit zijn van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat zij in afwachting zijn van de afgifte van het verblijfsdocument. » « Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen. »

Art. 4.- In artikel 38ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 april 2004 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 december 2006, worden volgende wijzigingen aangebracht : a) in § 2 worden volgende woorden « de vrijstellingen bedoeld in § 1 zijn evenmin van toepassing » vervangen door de woorden « de vrijstellingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3° zijn niet van toepassing »;b) de § 3 wordt vervangen door wat volgt : « In afwijking van de paragrafen 1 en 2, zijn de vrijstellingen bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3° van toepassing : a) op personen op wie een andere Overeenkomst of een ander Verdrag van toepassing is, die bepalingen bevatten die gunstiger zijn met betrekking tot de tewerkstelling;b) op personen die kunnen genieten van één van de andere vrijstellingen bedoeld bij artikel 2;c) op personen die reeds vóór de toetredingsdatum in het bezit zijn van een vestigingsvergunning of die reeds werden gemachtigd tot onbeperkt verblijf zoals bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 3°, b;d) op personen die op een andere grond dan het feit dat zij onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, na de toetredingsdatum, een vestigingsvergunning bekomen of die na diezelfde toetredingsdatum gemachtigd worden tot onbeperkt verblijf zoals bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 3°, b;e) op personen tewerkgesteld door een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming, andere dan een onderneming die uitzendarbeid of elke andere wettige vorm van terbeschikkingstelling van werknemers tot doel heeft, die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten, op voorwaarde dat : - zij op wettige wijze tewerkgesteld zijn in de lidstaat waar zij verblijven; - en deze arbeidsvergunning tenminste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk; f) op de personen die in het bezit zijn van het document ter staving van duurzaam verblijf overeenkomstig het model van bijlage 8bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (E+kaart);g) op de personen die in het bezit zijn van een duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen F+kaart);h) op de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden;i) op de personen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning toegekend op grond van artikel 40bis of artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, in het kader van een procedure tot gezinshereniging met een Belgische onderdaan of met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte andere dan een Roemeense, een Bulgaarse of een Kroatische onderdaan tenzij deze Bulgaarse, Roemeense of Kroatische onderdaan reeds is vrijgesteld met toepassing van dit besluit. De personen opgesomd onder i) moeten in het bezit zijn : - tijdens de periode van onderzoek van de aanvraag om erkenning van het recht op verblijf, van : - ofwel een document overeenkomstig het model van bijlage 19 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, - ofwel van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals van een geldig attest van immatriculatie, of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister (A kaart); - in geval van definitief gunstige beslissing : - ofwel van een « verklaring van inschrijving van burger van de Unie » overeenkomstig het model van bijlage 8 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (E kaart), - ofwel van een verblijfskaart van een « familielid van een burger van de Unie » overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F kaart); - in geval van beroep tegen een ongunstige beslissing, van een document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. ». c) Een vierde paragraaf, die luidt als volgt, wordt toegevoegd : « Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.»

Art. 5.Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, op 17 juli 2013.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 30 april 1999, Belgisch Staatsblad van 21 mei 1999; Koninklijk besluit van 9 juni 1999, Belgisch Staatsblad van 26 juni 1999;

Koninklijk besluit van 6 februari 2003, Belgisch Staatsblad van 27 februari 2003;

Koninklijk besluit van 12 september 2007, Belgisch Staatsblad van 28 september 2007;

Koninklijk besluit van 23 april 2008, Belgisch Staatblad van 20 mei 2008;

Koninklijk besluit van 28 mei 2009, Belgisch Staatsblad van 29 mei 2009;

Koninklijk besluit van 13 maart 2011, Belgisch Staatsblad van 8 april 2011;

Koninklijk besluit van 17 juli 2012, Belgisch Staatsblad van 31 augustus 2012.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^