Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 17 oktober 2003
gepubliceerd op 20 november 2003

Koninklijk besluit tot vaststelling van het nucleair en radiologisch noodplan voor het Belgisch grondgebied

bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
numac
2003000828
pub.
20/11/2003
prom.
17/10/2003
ELI
eli/besluit/2003/10/17/2003000828/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

17 OKTOBER 2003. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het nucleair en radiologisch noodplan voor het Belgisch grondgebied


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Dit ontwerp is voornamelijk gebaseerd op de verworven ervaring tijdens de nationale en internationale oefeningen van de laatste tien jaar, evenals op reële gebeurtenissen in het buitenland (Tsjernobyl, Tokai-Mura, Georgië,...).

De organisatie die aangewend werd tijdens reële crisissen, zoals de dioxinecrisis of tijdens bijzondere situaties, zoals Euro 2000 of het Belgische Voorzitterschap van de Europese Unie in 2001 en de lessen die hieruit getrokken werden, hebben als basis gediend voor organisatorische aanpassingen.

Tijdens de opstelling van dit ontwerp werd in het bijzonder aandacht besteed aan de internationale context die volledig omvergegooid werd naar aanleiding van de gebeurtenissen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten.

De administratieve Copernicushervormingen, alsook de infunctietreding van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) in september 2001 werden eveneens geïntegreerd in de voorgestelde tekst.

Deze tekst houdt rekening met de adviezen van het FANC, het Crisis- en Coördinatiecentrum van de Regering (CGCCR), de Civiele Veiligheid, de Association Vinçotte Nucléaire (AVN), het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK-CEN), het Instituut voor Radio-elementen (IRE), de provincies Oost-Vlaanderen en Luik.

Het ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe, enerzijds, het bij koninklijk besluit van 27 september 1991 vastgestelde plan te vereenvoudigen en te verduidelijken (structuurwijzigingen) en, anderzijds, dit plan te actualiseren (inhoudelijke wijzigingen), teneinde over een adequaat hulpmiddel te beschikken ten opzichte van de internationale situatie.

De thans van kracht zijnde tekst zal opgeheven worden en vervangen worden door dit ontwerp, met als doel een betere leesbaarheid te bereiken. De uitvoeringsbesluiten ervan blijven natuurlijk van kracht, onder voorbehoud van eventuele latere bepalingen.

Er zijn vijf belangrijke inhoudelijke wijzigingen.

De eerste daarvan die vermeld dient te worden is de oprichting van een socio-economische cel. De oefeningen, reële crisissen of bijzondere situaties hebben immers de noodzaak aangetoond om een cel te organiseren die de gevolgen ervan op economisch en sociaal vlak analyseert, zowel a priori als a posteriori van de beslissing.

Vervolgens worden het vroegere notificatieniveau N4 en alarmniveau U4 vervangen door de niveaus NR en UR. De doelstelling bestaat erin het toepassingsveld van dit plan uit te breiden. In de vorige versie, combineerde het notificatieniveau N4 twee aspecten van de radiologische blootstelling : het onmiddellijke karakter (vlugge kinetiek) en de omvang ervan. Het gevolg ervan was dat brutale situaties die slechts beperktere lozingen met zich meebrachten, zoals bijvoorbeeld een brand in een opslagruimte voor radioactief materiaal, niet gedekt waren door dit notificatieniveau.

Het nieuwe niveau NR is uitsluitend gebaseerd op het snelle karakter van de lozingen en dekt de situaties die, binnen een termijn van vier uur, zouden kunnen leiden tot de noodzaak om maatregelen ter rechtstreekse bescherming van de bevolking te nemen.

In afwachting van de oprichting van de federale en provinciale cellen en comités, zullen de « reflex » beschermingsmaatregelen (waarschuwen, schuilen, luisteren) genomen worden in een vooropgestelde perimeter.

De benaming van het niveau werd aangepast om het te onderscheiden van de andere niveaus N1, N2 en N3 die voornamelijk gekenmerkt worden door hun belangrijkheidsgraad. R vormt een verwijzing naar de voormelde « reflex » maatregelen.

Het alarmniveau UR weerspiegelt deze nieuwe bepalingen.

Het alarmniveau U1 daarentegen, brengt nieuwe gevolgen met zich mee.

Naar aanleiding van de nationale en internationale oefeningen, werden immers twee maatregelen nuttig geacht.

Enerzijds zal de informatiecel vanaf niveau U1 samenkomen, teneinde het voor de autoriteiten mogelijk te maken zo vlug mogelijk de mediaruimte in te nemen en aldus de verspreiding van ongecontroleerde informatie te vermijden Anderzijds zal de meetcel vanaf dit stadium de eerste uitvoeringsacties op het terrein ondernemen, met als doel een optimale werking te verzekeren, ingeval de situatie zou verergeren.

De frequentie van de oefeningen werd gewijzigd naar gelang van drie belangrijke criteria : het type installatie of de specifieke verplichtingen van de installaties, de zorg om het aantal oefeningen te beperken teneinde de nuttige lessen ervan grondig te kunnen onderzoeken, en ten slotte, een minimale frequentie om een voorbereidingstoestand mogelijk te maken die aangepast is aan elke betrokken installatie.

Hieraan werd een driejaarlijkse oefening met grote omvang toegevoegd, teneinde het hele raderwerk en alle interfaces van dit plan te testen.

De voorgestelde frequentie is verantwoord door enerzijds de noodzaak om over een zekere voorbereidingstijd te beschikken en, anderzijds, de wil om in deze voorbereiding de lessen te integreren die getrokken werden uit de jaarlijkse oefeningen.

De modaliteiten betreffende de internationale oefeningen worden eveneens gepreciseerd.

De internationale schaal voor de evaluatie van de omvang van een ongeval (INES) heeft op haar beurt een dubbele wijziging ondergaan.

Enerzijds werd de beschrijving ervan geherformuleerd en anderzijds werd het principe van de bepaling van het INES-niveau in geval van crisis binnen de evaluatiecel ingevoerd, op voorwaarde dat er bepaalde voorzorgsmaatregelen genomen worden. De betrokken actoren hebben zich immers ten gunste van dit principe uitgesproken, waardoor de evaluatiecel over alle nodige informatie kan beschikken. Dit principe werd echter niet geïntegreerd in haar opdrachten, om twee redenen.

Eerst en vooral moesten het algemeen crisisbeheer en de voornaamste opdrachten van de cel gewaarborgd worden en vervolgens werd het verstandig geacht een zekere soepelheid toe te laten bij de aanwending van de INES-schaal in crisissituatie.

Bovendien voorziet het gewijzigde noodplan de opstelling van een jaarlijks globaal verslag, samen met een actieplan, waarvan de uiterste productiedatum eveneens voorzien is.

Ten slotte, ligt de verantwoordelijkheid om de internationale instellingen (de Europese Gemeenschappen en het Internationaal Atoomagentschap) te informeren, thans bij de evaluatiecel, omwille van de optimalisering en de organisatie, terwijl hen vroeger de inlichtingen meegedeeld werden door de informatiecel.

De volgende structuurwijzigingen dienen opgemerkt te worden : de herstructurering van het deel betreffende het toepassingsveld, teneinde een meer systematische inventaris op te stellen van de verschillende situaties die zouden kunnen leiden tot het afkondigen van het noodplan, evenals de samensmelting van de kern- en algemene coördinatiecomités in één enkel federaal coördinatiecomité, met soepel aanpassingsvermogen, aangezien het samengesteld zal zijn door de Emergency Director van de overheid naar gelang van de belangrijkheidsgraad van de situatie.

Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, De zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL

17 OKTOBER 2003. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het nucleair en radiologisch noodplan voor het Belgisch grondgebied ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, inzonderheid op artikel 2, eerste en tweede lid;

Gelet op de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 7 augustus 1995 en 30 mei 2002 en door de wetten van 12 december 1997, 3 mei 1999, 10 februari 2000, 31 januari 2003 en 2 april 2003;

Gelet op het koninklijk besluit van 27 september 1991 tot vaststelling van het noodplan voor nucleaire risico's voor het Belgische grondgebied;

Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, inzonderheid op artikel 72;

Gelet op de aanmelding bij de Europese Commissie, gegeven op 2 april 2003;

Gelet op het antwoord van het Directoraat generaal Energie en Vervoer, gegeven op 23 mei 2003;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 25 februari 2003;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 13 maart 2003;

Gelet op advies n° 35.099/3 van de Raad van State, gegeven op 20 maart 2003, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de huidige internationale context risico's inhoudt waartegen de bevolking en het milieu beschermd dienen te worden; dat het derhalve vereist is dat wij zonder verwijl zouden beschikken over een adequaat noodplan dat conform de evoluties terzake is;

Overwegende dat het noodplan zoals het gewijzigd is, aangewend moet kunnen worden zodra de voorwaarden van een nucleaire of radiologische noodsituatie vervuld zijn op nationaal vlak;

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Het nucleair en radiologisch noodplan voor het Belgisch grondgebied, als bijlage bij dit besluit bijgevoegd, wordt vastgesteld.

Art. 2.De betrokken autoriteiten, instellingen en exploitanten die door het noodplan aangewezen worden als verantwoordelijken, moeten ontwerpen van specifieke rampenplannen voor hulpverlening opstellen.

Zij moeten deze ontwerpen ter kennis brengen van de Minister van Binnenlandse Zaken, binnen het jaar volgend op de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad .

De besluiten tot vaststelling van de specifieke rampenplannen voor hulpverlening zullen door uittreksel bekendgemaakt worden in het Belgisch Staatsblad .

Art. 3.Het koninklijk besluit van 27 september 1991 tot vaststelling van het noodplan voor nucleaire risico's voor het Belgisch grondgebied, wordt opgeheven.

Art. 4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 17 oktober 2003 ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL

Bijlage Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld VOORWOORD Het koninklijk besluit houdende vaststelling van het rampenplan voor nucleaire risico's voor het Belgisch grondgebied, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 januari 1992, hield rekening met de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissies inzake nucleaire veiligheid.

Sedertdien vonden vanzelfsprekend een aantal wijzigingen plaats waarmee rekening dient gehouden te worden, waaronder de inwerkingstelling op 1 september 2001 van het Federaal Agentschap voor Nucleaire controle.

De voorbije tien jaar konden vooral heel wat lessen getrokken worden uit de talrijke oefeningen die in het kader van dit plan georganiseerd werden. Er dienden conclusies uit getrokken te worden om het te kunnen aanpassen zodat we over een nog performanter werkmiddel zouden beschikken om de bevolking en het milieu te beschermen.

Deze taak werd hoofdzakelijk toevertrouwd aan een werkgroep samengesteld uit afgevaardigden van de Civiele veiligheid, het Crisis- en coördinatiecentrum van de Regering, het Federaal agentschap voor nucleaire controle, de gouverneurs van de provincies Luik en Oost-Vlaanderen, de Associatie Vinçotte Nucléaire, het nationaal Instituut voor Radio-elementen en het Studiecentrum voor Kernenergie.

Hier moet de essentiële rol onderstreept worden van de voorzitster van deze werkgroep die trouwens herhaaldelijk het voorzitterschap heeft waargenomen van de door het plan opgerichte evaluatiecel.

Er blijkt dat de kern van het plan en van de grote principes gehandhaafd moeten blijven maar dat de efficiëntie ervan verbeterd moet worden door een aantal aanpassingen.

Onder deze aanpassingen, werd het vroegere notificatieniveau N4 door het niveau NR vervangen. In geval van snelle uitstoot en zelfs indien de gevolgen van de blootstelling beperkt blijven, beoogt dit « reflexniveau » de onmiddellijke inwerkingstelling door de Provinciegouverneur van beschermingsmaatregelen in afwachting dat provinciale en federale cellen en comités opgericht worden.

De experts hebben eveneens aanbevolen een socio-economische cel op te richten die meer bepaald het federaal coördinatiecomité zal moeten adviseren over de socio-economische gevolgen van de genomen of te nemen beslissingen.

Het spreekt tenslotte vanzelf dat de actualisering van dit plan een permanente bekommernis moet zijn : om die reden voorziet dit laatste in de opstelling van een jaarlijks globaal plan dat voortvloeit uit de oefeningen en dat uitmondt op een daaruit voortvloeiend actieplan.

Het is nu de taak van elke actor in het nucleair en radiologisch rampenplan voor het Belgisch grondgebied om de gedane inspanningen verder te zetten zodat de veiligheid van de bevolking en van het milieu gegarandeerd kunnen worden.

INHOUDSTAFEL 1INLEIDING 1.1 Algemeen 1.2 Doel van het federaal noodplan 1.3 Toepassingsveld 2VERANTWOORDELIJKHEDEN EN BEVOEGDHEDEN 2.1 Federale overheden 2.1.1 Binnenlandse Zaken 2.1.2 Volksgezondheid 2.1.3 Tewerkstelling en Arbeid 2.1.4 Landbouw 2.1.5 Buitenlandse Zaken 2.1.6 Financiën 2.1.7 Landsverdediging 2.1.8 Economische Zaken en Energie 2.2 Gewesten 2.3 Provinciegouverneurs 2.4 Gemeentelijke overheden 2.5 Andere instellingen 2.5.1 Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) 2.5.2 Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) 2.5.3 Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV) 2.5.4 Koninklijk Meteorologisch Instituut (KMI) 2.5.5 Studiecentrum voor Kernenergie (SCK-CEN) 2.5.6 Nationaal Instituut voor Radio-elementen (IRE) 2.5.7 Erkende instellingen 2.5.8 Rode Kruis van België 2.5.9 Andere expertises 2.6 De exploitant van de nucleaire installatie 2.7 Internationale organisaties 2.7.1 Internationaal Atoomagentschap (IAAE) 2.7.2 Europese Unie (EU) 3ALGEMENE ORGANISATIE 3.1 Algemene organisatie van de verantwoordelijkheden 3.1.1 Emergency Director van de overheid 3.1.2 Emergency Director van de exploitant 3.1.3 Verdeling van de verantwoordelijkheden 3.2 Algemene structuur van de organisatie van het noodplan 3.2.1 Structuur en federale organisatie 3.2.2 Provinciale operationele coördinatie van de hulpverlening 3.2.3 Algemene organisatiestructuur van het interne noodplan op de site 3.3 Bijzondere gevallen 3.3.1 Organisatie in geval van noodsituatie in het buitenland 3.3.2 Organisatie in geval van neerstorten van een ruimtetuig met radioactieve producten 3.3.3 Organisatie in geval van ongeval tijdens het vervoer op het Belgische grondgebied 3.3.4 Interventie in geval van noodsituaties met militaire tuigen of installaties 3.3.5 Organisatie in geval van radiologische noodsituatie naar aanleiding van terroristische daden 3.3.6 Andere radiologische noodsituaties 4MELDING EN ALARMERING 4.1 Meldingsplicht van de exploitant 4.1.1 Notificatieniveaus 4.1.2 Notificatiewijzen 4.1.3 TELERAD 4.2 Alarmering en alarmniveaus 4.3 Notificatieschema's 4.3.1 Notificatieschema - notificatieniveau « N0 » (pro memorie) 4.3.2 Notificatieschema - notificatieniveau « N1, N2, N3 en NR » 4.3.3 Actieschema van de verschillende Comités en Cellen 4.4 Overdracht van latere informatie door de exploitant 4.5 Notificatie en informatieoverdracht vanuit het buitenland 4.6 Notificatie en informatieoverdracht naar het buitenland 5NOODPLANNINGS- EN INTERVENTIEZONES 5.1 Noodplanningszones 5.2 Interventiezones 6EVALUATIE VAN DE SITUATIE OP RADIOLOGISCH VLAK 6.1 Inleiding 6.2 Initiële evaluatie - reconstructie 6.3 Radioactiviteitsmetingen 6.4 Evaluatie van de potentialiteit van grotere lozingen - voorspelling 6.5 Adviseren van beschermingsmaatregelen 6.6 Einde van de noodsituatie 7VERWITTIGEN EN INFORMEREN VAN DE BEVOLKING TIJDENS HET ONGEVAL OF DE RADIOLOGISCHE NOODSITUATIE 7.1 Algemene organisatie 7.2 Sirenes 7.3 Radio en TV 7.4 Telefoon 7.5 Wagens met luidsprekers 8BESCHERMINGSMAATREGELEN 8.1 Bescherming van het interventiepersoneel 8.2 Rechtstreekse beschermingsmaatregelen voor de bevolking 8.2.1 Controle van het verkeer naar en vanuit de getroffen zone 8.2.2 Schuilen 8.2.3 Nemen van stabiele jodiumtabletten 8.2.4 Evacuatie 8.2.5 Decontaminatie 8.2.6 Aanbevelingen naar bepaalde bevolkingsgroepen 8.3 Medische acties 8.3.1 Basisfilosofie 8.3.2 Doelstellingen 8.3.3 Richtlijnen van aanwending 8.3.4 Verantwoordelijken voor de uitvoering 8.4 Beperkingen inzake de consumptie van besmet voedsel of water 8.4.1 Doelstellingen 8.4.2 Richtlijnen van toepassing 8.4.3 Verantwoordelijken voor de uitvoering 8.5 Preventieve maatregelen betreffende de voedselketen 8.5.1 Doelstellingen 8.5.2 Basisprincipes van toepassing 8.5.3 Graasverbod 8.5.4 Evacuatie van het vee 8.5.5 Verbod op irrigatie en op verbruik van drinkwater voor de dieren 9HULP UIT HET BUITENLAND 10OPLEIDING EN OEFENINGEN 10.1 Initiële opleiding 10.2 Informatie aan het medische korps en aan de apothekers 10.3 Bijscholing 10.4 Oefeningen 10.5 Evaluatie en getrokken lessen 11VOORAFGAANDE INFORMATIE 1 INLEIDING 1.1 Algemeen Iedere industriële activiteit houdt bepaalde risico's in die onze samenleving impliciet gedoogt als de gevolgen van een doelbewuste levenskeuze. Onze samenleving eist nochtans dat alles in het werk gesteld wordt om deze risico's te beheersen. Zij verlangt dat de overheid waakt over de voorkoming van ongevallen door het opleggen van aangepaste veiligheidsregels en dat, wanneer zich toch een ongeval heeft voorgedaan, maatregelen genomen worden om de schadelijke gevolgen ervan te beperken. Van de overheid wordt tevens verwacht dat zij de bevolking daarover afdoende inlicht.

Hoewel er aanzienlijke voorzorgen genomen worden om ongevallen van grote omvang in nucleaire installaties te voorkomen, dient de overheid er toch voor te zorgen klaar te zijn om beschermende maatregelen te kunnen nemen in geval van een nucleair ongeval met radiologische gevolgen, niet enkel voortkomende van de kerninstallaties op het Belgische grondgebied, maar evenzeer voortkomende van installaties in het buitenland gevestigd, evenals ten gevolge van het transport van radioactieve stoffen.

Dit noodplan, dat voornamelijk op de nucleaire installaties van klasse I gericht is met een potentialiteit van vrijstelling van radioactiviteit in de omgeving die beschermingsmaatregelen kan vereisen, mag de andere, hoewel in omvang beperktere risico's niet verwaarlozen, met name deze ingevolge het gebruik van radioactief materiaal in hospitalen enz. De interventies van de hulpdiensten kunnen in voorkomend geval aanleiding geven tot een coördinatie van de hulpverlening. Die a-priori beperktere noodsituaties, zoals beschreven in de rubriek 1.3.2, dienen in de provinciale rampenplannen voor hulpverlening opgenomen te worden, aangezien ze in eerste instantie geen federale coördinatie vereisen en de coördinatie zich op het niveau van de betrokken Provinciegouverneurs situeert.

In algemene zin dient de bevolking geïnformeerd te worden, niet alleen over het bestaan van de nucleaire en chemische risico's en de risico's verbonden aan andere gevaarlijke producten, maar ook over de voornaamste noodmaatregelen die gevolgd dienen te worden wanneer de volksgezondheid geschaad wordt of kan worden. Die kennis moet het mogelijk maken de risico's die een samenleving in volle technologische ontwikkeling met zich meebrengt, beter te beheren, beter aan de gezamenlijke acties deel te nemen en, in voorkomend geval, het gedrag beter aan te passen om bij noodsituaties gepast te kunnen reageren. 1.2 Doel van het federaal noodplan Dit noodplan heeft tot doel de coördinatie van de maatregelen te verzekeren die ter bescherming van de bevolking en het leefmilieu moeten worden genomen bij een radiologische noodsituatie die het Belgische grondgebied rechtstreeks of onrechtstreeks bedreigt.

Dit document is bedoeld als leidraad voor de te nemen beschermingsmaatregelen, wanneer daartoe de noodzaak zich voordoet.

Het beschrijft de opdrachten die de verschillende organismen en diensten, ieder binnen hun wettelijke en reglementaire bevoegdheid, in voorkomend geval, dienen uit te voeren.

Er dient opgemerkt te worden dat in een normale situatie dit plan geen invloed heeft op de uitvoering van de wettelijke en reglementaire taken van de betrokken departementen, diensten, organismen en instituten - met inbegrip van de provincies en gemeenten. In geval van toepassing echter, dienen zij de nodige maatregelen te nemen om de in dit plan toevertrouwde taken uit te voeren. 1.3 Toepassingsveld De bepalingen van dit noodplan zijn van toepassing wanneer de Belgische bevolking bedreigd wordt of het risico loopt bedreigd te worden door een abnormale radiologische blootstelling (radiologische noodsituatie), langs verschillende blootstellingswegen, te wijten aan : - externe bestraling door luchtbesmetting en/of afgezette radioactieve stoffen (vervuiling van het Belgische grondgebied); - interne bestraling door inademing van besmette lucht en/of door inname van besmet voedsel of drinkwater. 1.3.1 Het is met name van toepassing in de volgende bijzondere situaties : - de ongevallen in de voornaamste Belgische nucleaire installaties : de kerncentrales van Doel en van Tihange, het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK) te Mol, het Instituut voor Radio-elementen (IRE) te Fleurus, Belgoprocess en Belgonucleaire te Dessel; - de ongevallen in de buitenlandse nucleaire installaties, gelegen in de onmiddellijke nabijheid van België, namelijk de kerncentrales van Chooz, Gravelines en Cattenom (Frankrijk), en de kerncentrale van Borssele (Nederland); - de radiologische noodsituaties betreffende ruimtetuigen of militaire tuigen of in militaire installaties; - de radiologische noodsituaties bij vervoer van splijtstoffen, of radioactieve bestanddelen (met inbegrip van het radioactief afval); - de radiologische noodsituaties naar aanleiding van terroristische daden. 1.3.2 Dit plan is in eerste instantie niet van toepassing in de volgende radiologische noodsituaties, aangezien de coördinatie door de provinciale overheden gebeurt : - de radiologische noodsituaties in alle andere dan hierboven vermelde Belgische nucleaire installaties, zoals de reactor Thetis te Gent, het Transuranium laboratorium van de « Université de Liège (Sart-Tilman) », FBFC Int. te Dessel en CBNM te Geel.

Dit sluit niet uit dat de provinciale overheden, indien nodig, een beroep kunnen doen op de federale overheden om een federale coördinatie te verzekeren.

Dit plan beschrijft de algemene organisatie. Het dient aangevuld te worden met : - bijzondere interventieplannen op de verschillende niveau's, voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan de betrokken Provinciegouverneur; - operationele procedures eigen aan elke cel. 2 VERANTWOORDELIJKHEDEN EN BEVOEGDHEDEN 2.1 Federale overheden 2.1.1 Binnenlandse Zaken Onverminderd de voorrechten van de Eerste Minister coördineert de Minister van Binnenlandse Zaken alle maatregelen die nodig zijn bij de toepassing van dit plan. Deze bevoegdheid steunt op de wet van 31 december 1963 betreffende de Civiele Bescherming, op het koninklijk besluit van 23 juni 1971 houdende organisatie van de opdrachten van de Civiele Bescherming en coördinatie van de operaties bij rampspoedige gebeurtenissen, catastrofen en schadegevallen, op het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen en op het koninklijk besluit dat dit plan bekrachtigt.

De Minister van Binnenlandse Zaken kan alle burgerlijke en militaire middelen opeisen en inzetten teneinde de noodsituatie onder controle te krijgen of in te perken (wet van 31 december 1963 en koninklijk besluit van 3 maart 1934 betreffende het bezigen van personeel en materieel van het leger en niet-militaire werken).

In het kader van het huidige noodplan kan de Minister van Binnenlandse Zaken in samenwerking met de exploitanten maatregelen nemen ter bestrijding van de gevolgen van de noodsituatie binnen de installatie.

De Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd om de bepalingen van de bilaterale en internationale overeenkomsten van hulpverlening en notificatie in geval van catastrofen en zware ongevallen, afgesloten tussen België en andere landen en organisaties, uit te voeren.

De voorafgaande informatieverstrekking, bedoeld in hoofdstuk 11 van dit plan, wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken georganiseerd, met inbegrip van de informatie over de preventieve verdeling van jodiumtabletten. De inhoud van de informatie wordt bepaald in overleg met de betrokken Ministers en met het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. 2.1.2 Volksgezondheid De Minister die Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, organiseert en kijkt toe op de goede werking van de diensten voor dringende medische hulpverlening (wet van 7 juli 1964).

In het bijzonder inzake radioprotectie, organiseert hij de controle van de inwendige besmetting van de besmette personen, evenals hun medische opvolging.

Daartoe organiseert hij zijn diensten volgens hun potentieel materieel, de beschikbaarheid en de opleiding van hun personeel.

Bovendien is de Algemene Directie van de federale overheidsdienst Volksgezondheid « Dieren, planten en voeding », die bevoegd is voor alles wat betrekking heeft op de normatieve en reglementaire aspecten, vertegenwoordigd binnen verschillende cellen en comités die in het CGCCR zetelen. 2.1.3 Tewerkstelling en Arbeid De Minister die de arbeidsveiligheid, de arbeidshygiëne en de arbeidsgeneeskunde onder zijn bevoegdheid heeft, houdt toezicht op de veiligheid van de nabijgelegen « klassieke » installaties (al dan niet op de getroffen site) en van haar werknemers, die door het nucleair ongeval in gevaar gebracht kunnen worden.

Overeenkomstig het KB van 25/4/1997 en zijn wijzigingen, houdt hij eveneens toezicht op de gezondheid van al de werknemers, die door het nucleair ongeval in gevaar gebracht kunnen worden. 2.1.4 Landbouw De Minister tot wiens bevoegdheid Landbouw behoort, is, rekening houdend met de Euratom verordeningen 2218/89 van de Raad van 18 juli 1989, 944/89 van de Commissie van 12 april 1989 en 770/90 van de Commissie van 29 maart 1990, belast met het voorstellen van maatregelen voor de landbouw, de tuinbouw en de zeevisserij, overeenkomstig de wet van 28 maart 1975 houdende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten.

Hij werkt mee aan de aanwending van de praktische bepalingen op het vlak van de landbouw, maatregelen genomen door het federale coordinatiecomite (zie 3.2.1.2.). 2.1.5 Buitenlandse Zaken De Minister van Buitenlandse Zaken verzamelt alle informatie die in het buitenland beschikbaar is over de radiologische noodsituaties die zich buiten de Belgische grenzen hebben voorgedaan en gevolgen kunnen hebben hetzij voor het Belgisch grondgebied, hetzij voor de Belgische onderdanen in het buitenland.

In dergelijke situaties, is hij belast met het inwinnen en verstrekken van inlichtingen over de belangen en de toestand in het buitenland. 2.1.6 Financiën In het kader van de toepassing van de Europese reglementeringen inzake de commercialisatie van besmette levensmiddelen en diervoeders (zie Europese Unie (EU)) houdt de Minister van Financiën, via de administratie voor Douane en Accijnzen, toezicht op de in- en uitvoer. 2.1.7 Landsverdediging De Minister van Landsverdediging is algemeen bevoegd inzake nucleaire activiteiten in de militaire installaties. Hij waakt over de voorbereiding en de uitvoering van de te nemen maatregelen binnen de krijgsmacht in geval van een ongeval of bij abnormale stijging van de omgevingsradioactiviteit. De maatregelen om de bevolking en het leefmilieu eventueel te beschermen behoren evenwel tot dit noodplan (zie K.B. van 5 december 1975).

Dit wordt geconcretiseerd door een conventie tussen de Ministers van Landsverdediging en van Binnenlandse Zaken. 2.1.8 Economische Zaken en Energie De Minister van Economische Zaken en Energie neemt alle maatregelen die nodig zijn opdat de energievoorziening verzekerd blijft in een radiologische noodsituatie.

Hij waakt erover dat de vitale economische activiteiten van de Natie in de mate van het mogelijke behouden blijven (zie K.B. van 27 juli 1950 houdende bepaling van de te bevredigen levensbehoeften voor de uitvoering van de wet van 19 augustus 1948).

De Minister van Economische Zaken houdt in het bijzonder toezicht op de activiteiten van de maalderijen via de Algemene Directie « Controle en Bemiddeling », in het kader van dit nationaal noodplan. 2.2 Gewesten Naar gelang van de omstandigheden en de aan de Gewesten toegekende bevoegdheden, worden de Gewesten uitgenodigd in het federale coördinatiecomité. 2.3 Provinciegouverneurs De Provinciegouverneur speelt een belangrijke rol in de algemene noodplanning. In dit plan is zijn coördinerende rol met name bepaald : - voor de alarmniveau's U1, U2 en U3, verzekert hij de coördinatie van de acties op het terrein, overeenkomstig het provinciale rampenplan voor hulpverlening voor : - de bestrijding van het ongeval, indien nodig, in overleg met het federale coördinatiecomité; - de uitvoering van de maatregelen ter bescherming van de bevolking, volgens de door het federale coördinatiecomité genomen beslissingen.

De coördinatie gebeurt met de burgemeester van de gemeente waar het ongeval zich voorgedaan heeft en met de burgemeesters van de interventiezone. - bij het alarmniveau UR, neemt hij onmiddellijk maatregelen op eigen verantwoordelijkheid, zoals voorzien in de rubrieken 3.2.2, 4.1.1.5, 4.2 en 4.3.3, in afwachting van de instelling van de federale en provinciale cellen en comités.

Voor de onder 1.3.2 vermelde situaties verzekert de Provinciegouverneur de coördinatie op basis van het provinciale rampenplan voor hulpverlening. Dit sluit niet uit dat, indien nodig, de Provinciegouverneur een beroep kan doen op de Emergency Director van de overheden om een federale coördinatie te verzekeren.

De wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en het K.B. van 23 juni 1971 betreffende de opdrachten van de civiele bescherming en de coördinatie van de opdrachten bij rampspoedige gebeurtenissen, catastrofen en schadegevallen liggen aan de basis van de bevoegdheidsstructuur. Bovendien wordt dit plan bij koninklijk besluit vastgesteld, overeenkomstig artikel 72 van het K.B. van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen.

Het provinciale rampenplan voor hulpverlening bevat eveneens de nodige informatie voor de socio-economische analyse. Deze informatie wordt opgesteld in overleg met de betrokken federale diensten, via de socio-economische cel (zie rubriek 3.2.1.5). 2.4 Gemeentelijke overheden De wetgeving op de civiele bescherming heeft geen afbreuk willen doen aan de gemeentelijke bevoegdheden inzake openbare veiligheid en hygiëne, die steunen op artikel 135 § 2 van de gemeentewet van 26 mei 1989.

Niettemin wordt ervan uitgegaan dat een radiologisch risico, zeker dit voortkomend uit een ongeval in een nucleaire installatie, gemeentegrensoverschrijdend is en een rechtstreekse coördinatie veronderstelt op provinciaal en op nationaal niveau, krachtens het bovenvermelde K.B. van 23 juni 1971, en dit in het kader van een provinciaal rampenplan voor hulpverlening en van dit plan. 2.5 Andere instellingen 2.5.1 Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) Het Agentschap verleent technische en wetenschappelijke hulp bij de uitwerking van de noodplannen die de Minister van Binnenlandse Zaken vaststelt. Het organiseert een interventiecel voor de noodgevallen en is ermee belast een wetenschappelijke en technische documentatie op het gebied van de nucleaire veiligheid samen te stellen (artikel 22 en 23 van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het FANC).

In het kader van dit plan, moet het onder andere : - het voorzitterschap van de evaluatiecel en van de meetcel verzekeren en een technische en wetenschappelijke bijstand verlenen aan deze laatste; - wetenschappelijke adviseurs leveren aan de informatiecel; - de interventieniveau's voor de radiologische noodsituaties en de gebruiksmodaliteiten ervan definiëren; - de bevoegde instantie zijn tegenover het IAAE en de Europese Commissie voor de radiologische noodsituaties die plaatsvinden op het Belgische grondgebied. 2.5.2 Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) Het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) (zie wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het FAVV), onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Volksgezondheid, is bevoegd voor : - de controle, het onderzoek en de keuring van de voedselproducten en hun grondstoffen in alle stadia van de voedselketen; - de controle en de keuring van de productie, de verwerking, de bewaring, het vervoer, de handel, de in- en uitvoer, de productie-, verwerking-, verpakking-, verhandeling-, opslag- en verkoopplaatsen van de voedselproducten en hun grondstoffen. 2.5.3 Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV) Het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid is een wetenschappelijke overheidsinstelling, onder de verantwoordelijkheid van de Minister die bevoegd is voor de Volksgezondheid.

In het kader van dit plan, is het WIV belast met technische opdrachten inzake radioactiviteitsmetingen in het milieu. 2.5.4 Koninklijk Meteorologisch Instituut (KMI) Het KMI is belast met : - het verzamelen van de informatie aangaande de waarnemingen en de analyse van de bestaande weersituatie op de begane grond en in de standaarddrukvlakken in de vrije atmosfeer; - de meteorologische verwachtingen en de berekening van de te verwachten trajecten van de besmette luchtmassa; - het leveren van de door de internationale instanties opgelegde informatie, binnen de evaluatiecel (zie rubriek 3.2.1.3.). 2.5.5 Studiecentrum voor Kernenergie (SCK-CEN) Het Studiecentrum voor Kernenergie SCK-CEN, instelling van openbaar nut, verricht onderzoek onder andere in verband met de veilige toepassing van kernenergie en de stralingsbescherming. In het kader van dit noodplan voor radiologische risico's voor het Belgische grondgebied, kan het, op verzoek van de regering, expertise en adviesopdrachten, evenals toezicht- en nazichtverrichtingen van technische aard uitvoeren.

Tot deze opdrachten behoren onder andere volgende taken, zowel in crisissituaties als daarbuiten : - de ondersteuning en adviesverlening bij het opstellen, toepassen, inoefenen en aanpassen van procedures en instructies voor de evaluatiecel en voor de meetcel; - het uitvoeren van metingen zowel in eigen laboratoria als in-situ; de ondersteuning van meetploegen en hun coördinatie op het terrein.

Deze metingen kunnen zowel omgevingsmetingen, analyses van monsters uit de voedselketen als controle op de uitwendige en inwendige besmetting van personen omvatten; - de opleiding van het ingezet personeel; - evaluatiestudies door modelanalyses; - ontsmetting van beperkte groepen personen; - elke andere adviserende of ondersteunende taak waar de overheid in het kader van dit noodplan behoefte aan kan hebben; - logistieke steun in de hiervoor vermelde domeinen.

De toevertrouwde taken worden gespecificeerd in een met de Minister van Binnenlandse Zaken, afgesloten conventie met bijhorende addenda. 2.5.6 Nationaal Instituut voor Radio-elementen (IRE) Het Nationaal Instituut voor Radio-elementen is een instelling van openbaar nut die beschikt over een controle-infrastructuur van het leefmilieu. In het kader van dit plan kan de Regering het IRE de opdracht geven om technische opdrachten uit te voeren.

Een kaderovereenkomst met bijhorende addenda gesloten met de Minister van Binnenlandse Zaken preciseren de verschillende opdrachten die tot de bevoegdheid van het Instituut behoren : - radioactiviteitsmetingen in de laboratoria van het IRE; - veldmetingen van de omgevingstraling, de luchtbesmetting, oppervlaktebesmettingstraling, besmetting van de voedselketen; - ter beschikking stellen van meetploegen; - bepaling van de inwendige besmetting van personen in de instelling zelf; - fysieke controle op het vlak van stralingsmeting en bescherming; - ondersteuning van de evaluatiecel. 2.5.7 Erkende instellingen In het kader van de bepalingen van artikel 74 van het K.B. van 20 juli 2001, werden de volgende instellingen erkend in klasse I : - Association Vinçotte Nucléaire (AVN); - AIB-VINÇOTTE CONTROLATOM. (AVC) In deze context voeren zij opdrachten uit in verband met controle van installaties, overeenkomstig artikel 23 van het K.B. van 20.07.2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, onder andere met betrekking tot de veiligheid van de installatie en de interne noodplanning. Hun know-how is essentieel voor het crisisbeheer en als dusdanig versterken de betrokken erkende instellingen de evaluatiecel (verzameling en evaluatie van de informatie betreffende de gecontroleerde instelling, de staat van de installaties, de onmiddellijke en potentiële gevolgen, ...).

Deze versterking van de evaluatiecel wordt geregeld door een overeenkomst gesloten met de Minister van Binnenlandse Zaken. 2.5.8 Rode Kruis van België Het Rode Kruis is belast met de organisatie van de sanitaire hulpverlening aan de burgerbevolking bij rampen, en meer bepaald in de oprichting en de vorming van een kader van personen die bekwaam zijn de eerste hulp te verlenen (K.B. van 20 april 1967 betreffende de Rijkstegemoetkoming in de organisatie door het Rode Kruis van België van bepaalde taken van sanitaire hulpverlening aan de burgerbevolking).

Op grond van de overeenkomst tussen het Rode Kruis van België en het Departement van Volksgezondheid d.d. 12 oktober 1970, in uitvoering van het bovenvermelde K.B., heeft het Rode Kruis geneeskundige groepen opgericht en staat het in voor de « welfare »-diensten, onder meer bij de evacuatie van personen.

De interventies zullen omschreven worden in het betrokken provinciale rampenplan voor hulpverlening. 2.5.9 Andere expertises Naar gelang van de omstandigheden, kan er een beroep gedaan worden op elke expertise die, rekening houdend met de situatie, noodzakelijk geacht wordt. Ter illustratie, deskundigen van universiteiten of van de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen (NIRAS), in het opzicht van het algemene beheer van radioactief afval, zouden, op grond van hun know-how en hun bijzondere actiemiddelen, opgeroepen kunnen worden om deel te nemen aan diverse activiteiten bij de aanwending van dit noodplan. 2.6 De exploitant van de nucleaire installatie De exploitant die houder is van de exploitatievergunning, is en blijft in alle omstandigheden verantwoordelijk voor het beheer van de installatie en voor de bescherming, inzonderheid op stralingsgebied, van de personen die hij tewerkstelt. De exploitatie gebeurt met inachtneming van de wet en de voorwaarden omschreven in de vergunning en onder controle van de bevoegde autoriteiten; via de Dienst voor de fysische Controle van de installatie is de exploitatie onderworpen aan de permanente controle van een erkende instelling van klasse I. De burgerlijke aansprakelijkheid van de exploitatie is geregeld bij de wet van 22 juli 1985 betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid in de sector van de kernenergie.

In geval van een incident of van een ongeval, ongeacht of zulks al dan niet tot de inwerkingtreding van het intern noodplan en/of van dit plan leidt, blijft de exploitant verantwoordelijk voor het beheer van de installaties. Aangezien hij door de eigenaar van de installatie met de exploitatie werd belast, is hij wettelijk verplicht namens laatstgenoemde alle bewarende maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om de veiligheid te vrijwaren van de personen en goederen buiten de installatie waarin het ongeval zich heeft voorgedaan. Hij moet het ongeval omschrijven en alles in het werk stellen opdat de installatie zo snel mogelijk in veilige status kan worden gebracht.

De exploitant informeert de bevoegde overheden op grond van de bepalingen opgenomen in dit plan, de voorwaarden die zijn vastgesteld in de wet (o.a. artikelen 67 en 76 van het K.B. van 20 juli 2001) en in het vergunningsbesluit. Bij een ongeval dat tot de inwerkingtreding van dit noodplan leidt, worden de inlichtingen gegeven overeenkomstig dit plan. Deze inlichtingen hebben voorrang op eerder genoemde inlichtingen.

De exploitant geeft de evaluatiecel (notificatieniveau N1, N2, N3 en NR) en de gouverneur (notificatieniveau NR) de informatie over de staat van zijn installatie waarover zij moeten beschikken om hun opdracht te kunnen uitvoeren. Bedoelde inlichtingen zijn in andere hoofdstukken van dit plan omschreven. Hij voert een eerste schatting uit van de stralingsgevolgen rond de installatie en verleent ook plaatselijk hulp aan de andere interveniërende diensten, voor zover die hulp kan worden verzoend met de uitoefening van zijn eigen taak.

De bescherming van het personeel van de exploitant op het ogenblik van een radiologische noodsituatie heeft ook betrekking op de bescherming van de personen die met zijn toestemming op de exploitatiesite aanwezig zijn. Op stralingsvlak heeft deze bescherming betrekking op maatregelen inzake hergroepering, evacuatie, ontsmetting binnen of buiten de site, de overbrenging naar gespecialiseerde ziekenhuizen, alsook op maatregelen van medische aard die voortvloeien uit de toestand of worden opgelegd door de artsen van de installatie.

De taken die ten laste vallen van de exploitant, zijn omschreven in het interne noodplan van de installatie. 2.7 Internationale organisaties 2.7.1 Internationaal Atoomagentschap (IAAE) Door de goedkeuring van de wet van 5 juni 1998 houdende instemming met de Verdragen inzake vroegtijdige kennisgeving van een nucleair ongeval en met het Verdrag inzake de verlening van bijstand in het geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen, heeft België deze verdragen toegepast. Deze twee verdragen werden ondertekend op 26 september 1986 en bij het Internationaal Atoomagentschap (IAAE) te Wenen ingediend.

Het IAAE wordt geïnformeerd over elk incident dat gevolgen kan hebben voor andere landen, overeenkomstig het notificatieniveau dat door de Minister van Binnenlandse Zaken meegedeeld wordt. 2.7.2 Europese Unie (EU) De Raad van de Europese Unie heeft op 14 december 1987 een beschikking goedgekeurd betreffende communautaire regelingen voor snelle uitwisseling van informatie in geval van een radiologische noodsituatie (« ECURIE », 87/600/EURATOM, Publicatieblad nr. L 371 van 30/12/1987 blz. 0076-0078). De Europese Commissie wordt verwittigd voor iedere noodsituatie met risico's op blootstelling aan ioniserende stralingen voor dewelke de autoriteiten besluiten tot het nemen van maatregelen ter bescherming van de bevolking, onafgezien van het feit of zulks gevolgen heeft voor andere landen.

De Raad van de Europese Unie heeft maximaal toelaatbare niveaus vastgesteld voor de radioactieve besmetting in de Verordening (Euratom) nr. 2218/89 van de Raad van 18 juli 1989 tot wijziging van de verordening (Euratom) nr. 3954/87 tot vaststelling van de maximaal toelaatbare niveau's voor de radioactieve besmetting voor de voedingsmiddelen en de diervoeders na een nucleair ongeval of in elke andere radiologische noodsituatie (Publicatieblad nr. L 211 van 22/07/1989 blz. 0001-0003).

Er bestaat eveneens een verordening tot vaststelling van de maximaal toelaatbare niveau's voor de radioactieve besmetting voor de minder belangrijke voedingsmiddelen : verordening (Euratom) nr. 944/89 van de Commissie van 12 april 1989 tot vaststelling van de maximaal toelaatbare niveau's voor de radioactieve besmetting voor de minder belangrijke voedingsmiddelen na een nucleair ongeval of in elke andere radiologische noodsituatie (Publicatieblad nr. L 101 van 13/04/1989 blz. 0017-0018) en ook voor diervoeders : verordening (Euratom) nr. 770/90 van de Commissie van 29 maart 1990, tot vaststelling van de maximaal toelaatbare niveau's voor de radioactieve besmetting voor de diervoeders na een nucleair ongeval of in elke andere radiologische noodsituatie (Publicatieblad nr. L 083 van 30/03/1990 blz. 0078-0079).

De Raad van de Europese Unie heeft bijzondere voorwaarden bepaald voor de uitvoer van voedingsmiddelen en diervoeders na een nucleair ongeval of in elke andere radiologische noodsituatie : verordening (EEG) 2219/89 van 18 juli 1989 (Publicatieblad nr. L 211 van 22/07/1989 blz. 0004 - 0005).

De Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren, voorziet in haar artikelen 49 tot 53 interventiemaatregelen in geval van radiologische noodsituatie. Deze bepalingen werden omgezet in de artikelen 72 en 72bis van het KB van 20.07.2001.

De Richtlijn 89/618/Euratom van de Raad van 27 november 1989 betreffende de informatie van de bevolking over de bij stralingsgevaar toepasselijke maatregelen ter bescherming van de gezondheid en over de alsdan te volgen gedragslijn, werd eveneens omgezet in de artikelen 72.1, 72.2 en 72.3 van het koninklijk besluit van 20.07.2001. 3 ALGEMENE ORGANISATIE 3.1 Algemene organisatie van de verantwoordelijkheden Er dient herhaald te worden dat in geval van een radiologische noodsituatie in een nucleaire installatie, de exploitant de enige verantwoordelijke is en blijft voor het beheer van de operaties op de site. De Emergency Director van de overheden kan evenwel op elk ogenblik, in overleg met de Emergency Director van de exploitant, maatregelen nemen om een noodsituatie op de exploitatiesite te controleren, als de openbare orde of de veiligheid van de bevolking dat vereist.

Buiten de site zijn het de overheden die belast zijn met de bescherming van de bevolking. 3.1.1 Emergency Director van de overheid De verantwoordelijkheid van Emergency Director van de overheid ligt tijdens de hele crisis bij de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde.

De Emergency Director van de overheid stelt dit plan in werking (zie niettemin par. 4.2 : de inwerkingstelling van de praktische bepalingen van het plan door het C.G.C.C.R. in afwachting van de beslissing van de Emergency Director), kondigt de alarmniveaus af, zit het federale coördinatiecomité voor en kondigt het einde van de noodtoestand aan.

Hij wijst de woordvoerder van de regering aan, in overleg met de communicatie-coördinator. 3.1.2 Emergency Director van de exploitant De leiding van de operaties op de exploitatiesite in geval van een nucleair incident of ongeval dat aanleiding geeft tot de afkondiging van het interne noodplan, is de verantwoordelijkheid van het ondernemingshoofd.

De Emergency Director van de exploitant kondigt het interne plan af en bepaalt het notificatieniveau.

Voor de rechtsreeks bij dit plan betrokken nucleaire installaties (kerncentrales van Doel en van Tihange, het SCK-CEN, het IRE, Belgoprocess, Belgonucléaire), wordt de functie van Emergency Director uitgeoefend door een daartoe behoorlijk gemachtigd directielid van de exploitatiesite. 3.1.3 Verdeling van de verantwoordelijkheden Hoewel de Emergency Director van de overheid de algemene bevoegdheid heeft om dit plan in werking te stellen (zie niettemin par. 4.2 : de inwerkingstelling van de praktische bepalingen van het plan door het C.G.C.C.R. in afwachting van de beslissing van de Emergency Director) en stap voor stap uit te voeren volgens de richtlijnen van het plan en van het federale coördinatiecomité, blijft de Emergency Director van de exploitant zijn verantwoordelijkheden op de exploitatiesite behouden. Hij is verantwoordelijk voor het interne noodplan, voor de voorbereiding en, indien nodig, de uitvoering ervan en voor het beheer van de installatie, zoals bepaald in § 3.2.3 van dit plan.

In het algemeen belang primeert, in voorkomend geval, echter de beslissing van de Emergency Director van de overheid. 3.2 Algemene structuur van de organisatie van het noodplan Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3.2.1 Structuur en federale organisatie 3.2.1.1 Het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering (CGCCR) Het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering verzekert een continue wachtdienst ten gunste van de Regering. Dit betekent dat de medewerkers 24u/24 de gebeurtenissen volgen, die volgens de verkregen inlichtingen, tot een noodsituatie zouden kunnen leiden. De bevoegde overheden worden van de situatie op de hoogte gehouden.

Indien nodig stelt het CGCCR een infrastructuur voor crisisbeheer en ervaren personeel ter beschikking van de overheden die een crisis moeten beheren. Deze infrastructuur wordt regelmatig aangepast aan de nieuwe technologieën.

Het CGCCR heeft als opdracht : - het aanwenden van de praktische bepalingen van dit plan, op aangeven van de Emergency Director van de overheid, op de hierna bepaalde wijze (zie niettemin par. 4.2 omtrent de inwerkingstelling van de praktische bepalingen van het plan door het C.G.C.C.R. in afwachting van de beslissing van de Emergency Director); - het verwittigen van de in dit plan aangewezen verantwoordelijke diensten en personen van de notificatie, volgens de voorgestelde alarmniveaus; - de opvang van de verschillende comités en cellen in zijn lokalen; - het verspreiden van de door de verschillende cellen voorbereide inlichtingen; - het treffen van de logistieke voorzieningen, de communicatiemiddelen inbegrepen; - als nationaal contactpunt te dienen in het kader van de overeenkomsten met het IAAE en de EG (zie rubriek 2.7) of van elke ad hoc bilaterale overeenkomst. 3.2.1.2 Federaal Coördinatiecomité 3.2.1.2.1 Opdrachten Het federale coördinatiecomité stelt de algemene crisisstrategie op punt, neemt de fundamentele beslissingen en neemt de politieke verantwoordelijkheid ervoor op zich.

Daartoe baseert het federale coördinatiecomité zich met name op de adviezen van de evaluatie- en socio-economische cellen.

Het zorgt eveneens voor de aanwending van de operationele coördinatie (of de voortzetting ervan), in het kader van het provinciale rampenplan voor hulpverlening. 3.2.1.2.2 Samenstelling Het federale coördinatiecomité is samengesteld uit de verschillende Ministers of Staatssecretarissen of hun gemachtigden die een rechtstreekse verantwoordelijkheid hebben bij een radiologische noodsituatie, met name diegene die bevoegd zijn voor Volksgezondheid en Leefmilieu, Arbeid en Tewerkstelling, Binnenlandse Zaken, Landbouw, Buitenlandse Zaken, Financiën (Douane), Landsverdediging, Economische Zaken en Energie. Indien nodig, kunnen andere federale of gewestelijke Ministers of Staatssecretarissen of hun gemachtigden uitgenodigd worden om deel uit te maken van het federale coördinatiecomité.

Het federale coördinatiecomité zal door de Emergency Director opgericht worden op basis van de graad van ernst van de lopende situatie.

De Minister van Binnenlandse Zaken wordt bijgestaan door de betrokken Provinciegouverneur(s) of hun gemachtigde(n). 3.2.1.2.3 Voorzitterschap Vanaf de aanvangsfase neemt de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde het voorzitterschap waar en vervult dus de functie van Emergency Director van de overheid.

Naar gelang van de situatie, kan de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde de Minister die bevoegd is voor Volksgezondheid en Leefmilieu machtigen de functie van Emergency Director van de overheid te verzekeren.

Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan het voorrecht van de Eerste Minister om de regeringsactie zelf te leiden. 3.2.1.2.4 Werkmethode De werkmethode van het federale coördinatiecomité wordt beschreven in de interne procedures. 3.2.1.2.5 Interface met de andere cellen en comités Het federale coördinatiecomité laat zich op permanente wijze voorlichten door de evaluatiecel en de socio-economische cel; te gepasten tijde, deelt ze de informatiecel mee welke inlichtingen via de media aan de bevolking moeten worden meegedeeld. Een verbindingsambtenaar van de informatiecel zetelt in het federale coördinatiecomité.

Het federale coördinatiecomité houdt via het C.G.C.C.R. ook voortdurend contact met het operationele niveau, de Provinciegouverneur(s). 3.2.1.3 Evaluatiecel 3.2.1.3.1 Opdrachten De evaluatiecel beoordeelt de situatie op radiologisch en technisch vlak, teneinde een advies te kunnen geven aan het federale coördinatiecomité over de beschermingsmaatregelen voor bevolking en leefmilieu. Zij bepaalt eveneens de strategie van radioactiviteitsmetingen in het leefmilieu.

De evaluatiecel geeft, na beraad over de potentiële en/of reële gevolgen van een incident en van de eventuele beschermingsmaatregelen voor de mens en zijn leefmilieu, advies aan het federale coördinatiecomité over beschermingsmaatregelen voor de bevolking.

Zij verstrekt inlichtingen op aanvraag van het federale coördinatiecomité en kan door hem geraadpleegd worden voor allerhande problemen van radiologische aard.

In overleg met de meetcel, bereidt zij de inlichtingen voor die in het kader van de verplichtingen inzake alarmering en informatieuitwisseling aan de internationale organisaties (EU en IAAE) bezorgd moeten worden.

In de « post-emergency » situatie (zie rubriek 6.6), d.w.z. na het formeel opheffen van de noodsituatie, dient de evaluatiecel na te gaan of : - een verlengde procedure voor omgevingscontrole gerechtvaardigd is; - er modaliteiten dienen opgesteld te worden volgens welke de normale levenswijze van de bevolking in functie van de tijd terug hersteld kan worden (terugkeer van de geëvacueerde bevolking, distributie van voedingsproducten, landgebruik,...).

Na het opheffen van de noodsituatie zal de evaluatiecel een verslag van haar activiteiten opmaken (verloop van de noodsituatie, werking van de meetcel, radiologische evaluatie, ...). 3.2.1.3.2 Samenstelling De evaluatiecel is samengesteld uit vertegenwoordigers van overheidsdiensten die verantwoordelijkheden hebben op radiologisch vlak; deze vertegenwoordigers worden bijgestaan door aangewezen diensten of organismen die optreden als deskundigen.

De verantwoordelijke overheidsdiensten zijn : - het federaal Agentschap voor nucleaire Controle (FANC); - de FOD Volksgezondheid - Algemene Directie : dieren, planten en voeding; - de FOD Buitenlandse Zaken in geval van een nucleair ongeval in het buitenland; - het departement Landsverdediging; - het koninklijk meteorologisch Instituut (KMI).

De deskundigen zijn vertegenwoordigers van : - het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK-CEN); - het nationaal Instituut voor Radio-elementen (IRE); - de erkende Instelling van de betrokken installatie; - de vertegenwoordiger van de betrokken installatie.

Indien nodig, kan de Minister die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de interventies, een beroep doen op andere deskundigen om deel te nemen aan de werkzaamheden van de evaluatiecel. 3.2.1.3.3 Voorzitterschap Het voorzitterschap wordt waargenomen door een vertegenwoordiger van het FANC. 3.2.1.3.4 Werkmethode De werkmethode van de evaluatiecel wordt beschreven in de interne procedures. 3.2.1.3.5 Interface met de andere cellen en comités Voor het verwerven van de elementen voor de radiologische evaluatie, staat de evaluatiecel in verbinding met : - de exploitant van de betrokken installatie; - de meetcel; - het federale coördinatiecomité, voor de aanbeveling van beschermingsmaatregelen, alsook voor de feedback van de genomen beslissingen en de uitgevoerde beschermingsmaatregelen; - de instellingen waartoe de leden van de cel behoren (FANC, FOD Volksgezondheid, SCK-CEN, IRE, KMI, erkende instelling,...) voor het uitvoeren van haar evaluatietaak.

De contacten met de informatiecel en de socio-economische cel gebeuren via het federale coördinatiecomité en via een intern communicatiesysteem. 3.2.1.4 Meetcel 3.2.1.4.1 Opdrachten De meetcel staat in voor de uitvoering van de meetstrategie zoals deze door de evaluatiecel wordt voorgesteld (cfr. Rubriek Missions).

Hiertoe coördineert ze alle activiteiten die erop gericht zijn om meetgegevens te verwerven, in functie van het stadium van de crisis (vóór, tijdens of na reële lozingen) en de verschillende blootstellingwegen. In de aanvangsfase van het crisisbeheer kan de meetcel op eigen initiatief metingen starten in afwachting van instructies vanwege de evaluatiecel.

De meetcel staat in voor de praktische organisatie van alle metingen en bemonsteringen, evenals voor de snelle en efficiënte doorstroming van de gegevens en de resultaten, de nodige controles en validaties, en een gepaste voorstelling van de resultaten. Het betreft alle metingen die kunnen vereist zijn voor de bescherming van de bevolking, zowel rechtstreeks als in laboratoria, zowel via automatische meetsystemen zoals TELERAD als via inzet van mensen en middelen (inclusief helikoptermiddelen) : bepaling en afbakening van risicozones; controles van leden van hulpdiensten, van de getroffen site, van de bevolking; controles in de voedsel- en drinkwaterketen; controles van landbouwprodukten; controles van import en export; controles van besmetting en ontsmetting van mensen en gebruiksgoederen zoals voertuigen; metingen die een dosisreconstructie achteraf toelaten enz.

Daarnaast staat de meetcel ook in, samen met de evaluatiecel, voor de voorbereiding van de informatie die naar internationale organisaties zoals de EU of het IAAE moeten doorgegeven worden.

Na de crisis staat de meetcel in voor het verder uitvoeren van de controleprogramma's die nodig geacht worden. Bovendien bezorgt de meetcel de nodige gegevens aan de evaluatiecel om het rapport waarvan sprake onder rubriek Missions (« post emergency »).

De meetcel is gericht op twee operationele niveau's : - het federale niveau (CGCCR), geleid door zijn « Voorzitter »; - het lokale niveau, geleid door een « lokale coördinator ». 3.2.1.4.2 Samenstelling De meetcel bestaat uit instellingen en organismen die over de belangrijkste meetinstrumenten beschikken (TELERAD, mobiele middelen, laboratoria, ...) en over de nodige bevoegdheid, namelijk : - het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC); - het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK-CEN); - het Nationaal Instituut voor Radio-elementen (IRE); - het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV); - de Civiele bescherming; - het departement Landsverdediging; - andere.

De resultaten van de radioactiviteitsmetingen, uitgevoerd door de exploitanten buiten hun site, worden eveneens ter beschikking gesteld van de meetcel.

Ten slotte kan men ook een beroep doen op buitenlandse teams volgens de Conventie voor wederzijdse bijstand van het IAAE (zie ook rubriek 2.7.1).

De Civiele bescherming staat in voor de communicatie tussen de lokale coördinator, de meetploegen en het CGCCR, eventueel aangevuld door de eigen middelen van de deelnemers.

De leiding en de coördinatie van de door de verschillende interveniërende partijen uitgevoerde taken worden verzekerd door het FANC. Het beheert ook de gegevens en staat in voor de archivering van de aldus verzamelde informatie.

De functie van lokale coördinator van de meetploegen wordt uitgeoefend door het SCK-CEN of het IRE. 3.2.1.4.3 Voorzitterschap Het voorzitterschap wordt waargenomen door de vertegenwoordiger van het FANC die eveneens instaat voor de interface met de evaluatiecel teneinde een nauwe samenwerking tussen deze twee cellen te garanderen. 3.2.1.4.4 Werkmethode De werkmethode van de meetcel wordt beschreven in haar interne procedures in overleg met de evaluatiecel.

Deze procedures beschrijven onder andere de taken en de werking van de meetcel in functie van de situatie : - in geval van een crisis : vóór, tijdens en na de lozingen; - bij de nazorg na de crisis; waaronder de synthese en archivering van de meetresultaten; - buiten perioden van crisis : de werking om de cel en de meetmiddelen operationeel te houden, o.a. door oefeningen en opleiding; - de werking van de meetcel binnen het CGCCR; - het opzetten van veldmetingen, met inbegrip van de desbetreffende praktische modaliteiten; - de organisatie van bemonstering en transport van de monsters naar de laboratoria, met inbegrip van de desbetreffende praktische modaliteiten. 3.2.1.4.5 Interface met de andere comités en cellen De meetcel staat in contact met de evaluatiecel, met de lokale coördinator, met de laboratoria, en met alle plaatsen waar personeel van de meetcel wordt ingezet. 3.2.1.5 Socio-economische cel 3.2.1.5.1 Opdracht De socio-economische cel is belast met : - het adviseren van het federale coördinatiecomité over de socio-economische gevolgen van de genomen of te nemen beslissingen; - het verzekeren van de verwerking van deze gevolgen naar gelang van de genomen beslissingen; - het informeren van het federale coördinatiecomité over de follow-up van de beslissingen in de betrokken sectoren (op het niveau van de voorbereiding en de uitvoering van de maatregelen); - het verzekeren van de terugkeer naar een normale socio-economische situatie na het ongeval (beheer van de post-accidentele fase). 3.2.1.5.2 Samenstelling De socio-economische cel is samengesteld uit vertegenwoordigers van de departementen die verantwoordelijk zijn voor de goede werking van het socio-economische leven van het land (diverse bevoorradingen, gezondheidszorgen, communicatie, telecommunicatie, ...).

Deze vertegenwoordigers verzekeren de verbinding tussen het federale coördinatiecomité en de crisiscellen van de betrokken departementen.

Indien de situatie het vereist, komen de directeurs van de departementale crisiscellen punctueel samen in het CGCCR. Indien nodig, kan de cel een beroep doen op deskundigen. 3.2.1.5.3 Voorzitterschap De Emergency Director van de overheid wijst de voorzitter van de cel aan naar gelang van de omstandigheden van het ongeval. 3.2.1.5.4 Werkmethode In het kader van de verspreiding van het alarm - en op beslissing van de Emergency Director van de overheid - informeert het CGCCR de crisiscellen van de betrokken departementen opdat zij zich zouden kunnen organiseren en de aanwezigheid van hun departementale vertegenwoordigers in het CGCCR zouden kunnen verzekeren.

De Emergency Director van de overheid oordeelt over de gepastheid om de socio-economische cel al dan niet samen te brengen. Als de cel niet samengeroepen wordt, wordt de socio-economische problematiek behandeld door de gewone communicatiekanalen tussen het CGCCR en de departementale crisiscellen.

De coördinatie van de actie van de verschillende betrokken departementen wordt verzekerd door de vertegenwoordigers van de op het CGCCR samengeroepen departementen.

Deze werken nauw samen met de crisiscellen van hun departementen.

Deze laatsten werken samen met de federale en regionale overheden en met de federaties van de betrokken sectoren. 3.2.1.5.5 Interface met de andere cellen De socio-economische cel is een ondersteunende cel voor het federale coördinatiecomité.

Zij werkt ook nauw samen met de informatiecel teneinde de betrokken departementen te informeren. De twee cellen organiseren met name de éénvormige informatie van de betrokken sectoren (doelgroepen).

De contacten met de Provinciegouverneurs verlopen via het federale coördinatiecomité. 3.2.1.6 Informatiecel 3.2.1.6.1 Opdrachten De informatiecel draagt een woordvoerder voor aan de Emergency Director van de overheid en organiseert de coördinatie van de actie van de woordvoerders van de verschillende autoriteiten.

Zodra dit plan afgekondigd wordt, waakt de informatiecel erover dat : - de bevolking gewaarschuwd wordt betreffende de te nemen beschermingsmaatregelen via de nationale zenders (radio en T.V.); de inhoud van de aan de bevolking geleverde informatie wordt bepaald in overleg met het FANC; - de media op een éénvormige wijze en op geregelde tijdstippen over de noodtoestand en het verloop ervan geïnformeerd worden; - een adequaat informatiesysteem georganiseerd wordt om te kunnen antwoorden op de vragen van de bevolking; - een gepaste monitoring van de bevolking en van de media georganiseerd wordt teneinde de reacties van de bevolking en van de media in reële tijd te kunnen evalueren; - de nodige inlichtingen verstrekt worden aan de buurlanden waarmee bilaterale overeenkomsten afgesloten zijn voor wederzijdse bijstandsverlening in geval van nucleaire ongevallen; - een bepaald aantal specifieke doelgroepen rechtstreeks geïnformeerd wordt. Andere doelgroepen ontvangen de nodige informatie via de bevoegde autoriteiten; - de betrokken autoriteiten geïnformeerd worden vanaf het moment van de afkondiging van dit plan en dat het waarschuwingsstatuut, vastgesteld door de Emergency Director van de overheid overeenkomstig dit plan, meegedeeld wordt aan de bevoegde overheden.

Indien informatie aan de media noodzakelijk blijkt wanneer dit plan niet afgekondigd wordt, wordt er een overleg georganiseerd tussen de Emergency Director van de overheid, het FANC, de Civiele Veiligheid en het CGCCR. 3.2.1.6.2 Samenstelling De informatiecel bestaat uit : - de communicatiecoördinator lid van het CGCCR; - wetenschappelijke raadgevers van het FANC; - vertegenwoordigers van andere departementen in functie van de toestand.

De informatiecel wordt bovendien bijgestaan door medewerkers aangewezen door fererale departementen en/of privé organismen. 3.2.1.6.3 Voorzitterschap Het voorzitterschap wordt waargenomen door een door de Emergency Director van de overheid gemachtigde persoon. 3.2.1.6.4 Werkmethode De werkmethode van de informatiecel wordt beschreven in haar werkprocedures, bevattende : - de werkmethode van de cel; - de opleiding van de leden; - de beschikbare middelen; - de wijze van verspreiden van de informatie. 3.2.1.6.5 Interface met de andere comités en cellen Een contactpersoon woont de beraadslagingen van het federale coördinatiecomité bij. Desgevallend neemt een vertegenwoordiger van de informatiecel deel aan de beraadslagingen van de evaluatiecel.

De informatiecel staat in contact met de communicatiecel van de exploitant van de getroffen nucleaire installatie (zie par. 3.2.1.6.6 hieronder) en met de betrokken Provinciegouverneurs, teneinde met hun respectieve informatiecellen te beraadslagen over de te verspreiden inlichtingen, alsook over de mededelingen die door de autoriteiten gedaan (zullen) worden (en vice versa). 3.2.1.6.6 Informatie aan de media door de exploitant De door de exploitant aan de media en/of aan de bevolking geleverde informatie beperkt zich tot de inlichtingen betreffende de situatie op de exploitatiesite en de evolutie ervan.

Indien de omstandigheden het vereisen, kan op de site een informatiecel opgericht worden om de pers, die zich er zou aanmelden, met name de televisie, te ontvangen.

De verantwoordelijken van de exploitant belast met de informatie zullen regelmatig contact hebben met de informatiecel van de op het CGCCR zetelende overheden. 3.2.1.6.7 Internationale beoordelingsschaal van de ernst van een ongeval Het IAAE heeft een internationale schaal ontworpen met als doel de voorstelling van de omvang van de incidenten of ongevallen in de nucleaire installaties te vergemakkelijken volgens hun belangrijkheid op het gebied van de veiligheid. Zo werden er 7 niveau's bepaald. De voornaamste doelstelling van deze schaal is de bevolking vlug en duidelijk te informeren over de gevolgen van incidenten in de nucleaire installaties op de veiligheid.

De INES-schaal kan in geen geval gebruikt worden als beheersinstrument voor antwoorden op een nucleaire crisissituatie.

De klassering van een gebeurtenis op de INES-schaal gebeurt volgens een protocol opgesteld tussen de exploitanten, de autoriteiten en de erkende instelling.

Elk niveau op de INES-schaal wordt vastgelegd op basis van de elementen beschikbaar op het moment van de klassering. Naar gelang van de evolutie van de situatie of van bijkomende elementen, zou een aanpassing van het niveau op de INES-schaal noodzakelijk kunnen blijken.

In een crisissituatie gebeurt het overleg tussen de exploitant, de autoriteiten en de erkende instelling over de bepaling van het niveau op de INES-schaal binnen de evaluatiecel zonder evenwel de opdrachten van de evaluatiecel, zoals in dit plan bepaald, in gevaar te brengen. 3.2.2 Provinciale operationele coördinatie van de hulpverlening Vanaf het alarmniveau U2 roepen de Provinciegouverneurs het provinciale coördinatiecomité samen.

De Provinciegouverneur coördineert de interventies overeenkomstig het provinciale rampenplan voor hulpverlening.

Bij de alarmniveau's U2 en U3 verzekert het provinciale niveau de aanwending van de beschermingsmaatregelen, waartoe het federale coördinatiecomité besloten heeft, alsook de informatie van het publiek aangaande de door de Gouverneur genomen maatregelen.

Bij het alarmniveau UR neemt de Provinciegouverneur onmiddellijk en op eigen verantwoordelijkheid de in dit geval voorziene beschermingsmaatregelen (waarschuwen, schuilen, luisteren), overeenkomstig de bepalingen van het provinciale rampenplan voor hulpverlening, in afwachting van de beslissingen van het federale coördinatiecomité, dat samenkomt in het CGCCR. De Provinciegouverneur doet steeds een beroep op de burgemeester van de getroffen gemeente en op de burgemeesters van de gemeenten die deel uitmaken van de interventiezone. 3.2.3 Algemene organisatiestructuur van het interne noodplan op de site Bij een situatie die leidt tot de afkondiging van het interne noodplan en/of dit plan, stelt de exploitant op de exploitatiesite een voorziening ter beschikking die het mogelijk maakt : - te beschikken over de informatie die nodig is om de ernst van de situatie in te schatten, om het ongeval onder controle te krijgen en de installatie opnieuw veilig te maken; - het interventiepersoneel van de exploitant, alsook de organismen op welke de exploitant een beroep doet en welke in dergelijke omstandigheden een rol spelen, te beheren en te coördineren; - snel de reële of potentiële radiologische risico's in te schatten; - het personeel dat op de exploitatiesite aanwezig is, de overheid en eventueel de media te waarschuwen; - de nodige maatregelen te treffen ter bescherming van het personeel en de eventuele bezoekers; - de reële en potentiële externe radiologische gevolgen van het ongeval te evalueren; - de overheid regelmatig te informeren over de evolutie van het ongeval en de gevolgen ervan voor het leefmilieu; - indien nodig, de verantwoordelijke overheden te adviseren met betrekking tot de maatregelen ter bescherming van de bevolking.

Deze voorziening, die gedetailleerd wordt omschreven in een document « Intern noodplan » van elke exploitant, biedt de mogelijkheid om een onderscheid te maken in de functies en verantwoordelijkheden. Het document vermeldt de taken van de verschillende verantwoordelijken en de interventieploeg(en). De groeperingsmodaliteiten van het niet rechtstreeks betrokken personeel worden eveneens beschreven. De verantwoordelijken, hun taken, de interne en externe hulpmiddelen waarop ze kunnen rekenen, worden duidelijk gepreciseerd. Het Intern Noodplan bevat eveneens de gedetailleerde criteria van elk notificatieniveau, alsook de formulieren die door de exploitant gebruikt worden voor de overdracht van de notificatie en van de latere informatie aan de autoriteiten (zie rubrieken 4.1.1.6, 4.3 en 4.4).

Het document voorziet essentieel twee grote types van situaties : - de situaties waarvan de gevolgen zich beperken tot de die beperkte gevolgen hebben op de exploitatiesite; - de situaties die een radiologische invloed (kunnen) hebben buiten de exploitatiesite.

De algemene organisatiestructuur opgezet in geval van een incident of een ongeval is een evolutieve structuur naar gelang van de omvang van de gebeurtenis.

Zij is voldoende soepel om, volgens het type van situatie, aangepast te worden aan de reële behoeften (instelling van bijkomende cellen, zoals interne technische ondersteuning, externe technische ondersteuning, behandeling van het afval en van het afvalwater, informatie van de media ...). 3.3 Bijzondere gevallen 3.3.1 Organisatie in geval van noodsituatie in het buitenland In het geval van een noodsituatie naar aanleiding van een ongeval in één van de kerncentrales, gelegen nabij België (centrales van Chooz, Gravelines, Cattenom en Borssele), zal de aanwending van dit plan gebeuren volgens gelijkaardige modaliteiten zoals deze toegepast voor een ongeval in een Belgische nucleaire installatie. Enkel de waarschuwing (notificatie en alarmering) en de informatieuitwisseling maken het voorwerp uit van specifieke bepalingen, die worden opgenomen in de interne procedures van de federale en provinciale cellen en comités.

In de andere gevallen, zodra het CGCCR op de hoogte gebracht wordt van een ongeval of van een radiologische noodsituatie in het buitenland, met een reëel of potentieel gevolg voor het Belgische grondgebied, en dit via : - de FOD Buitenlandse Zaken; - de internationale organismen IAAE en/of EG; - het FANC (automatische meetnetwerk TELERAD, ...); - elke andere veilige informatiebron (bilaterale akkoorden van alarmering en van informatieuitwisseling, ...); verwittigt het de voorzitter van de evaluatiecel en de Emergency Director van de overheid erover.

De voorzitter van de evaluatiecel stelt, in voorkomend geval, op grond van de beschikbare informatie of van informatie in te winnen via de geëigende kanalen of via eigen informatiebronnen, een alarmniveau voor aan de Emergency Director van de overheid. Vanaf dat ogenblik verloopt de procedure van verwittiging en interventie overeenkomstig de bepalingen van dit plan (cf. rubriek 4.3.).

De Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken verzamelt de inlichtingen over de risico's voor de Belgen in het buitenland, met name in de getroffen streken.

Indien de omvang van de ramp en het aantal in gevaar verkerende landgenoten het vereisen, wordt de procedure van openstelling van het crisiscentrum van Buitenlandse Zaken in werking gesteld. 3.3.2 Organisatie in geval van neerstorten van een ruimtetuig met radioactieve producten Het CGCCR analyseert de situatie met de hulp van de inlichtingen van de Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA) en het Belgische Instituut voor Ruimte-Aëronomie. Dankzij deze inlichtingen, volgt het CGCCR de baan van de satelliet en informeert de voorzitter van de evaluatiecel en de Emergency Director van de overheid.

De voorzitter van de evaluatiecel stelt, in voorkomend geval, op grond van de beschikbare informatie of van informatie in te winnen via de geëigende kanalen of via eigen informatiebronnen, een alarmniveau voor aan de Emergency Director van de overheid. Vanaf dat ogenblik verloopt de procedure van verwittiging en interventie overeenkomstig de bepalingen van dit plan (zie rubriek 4.3). 3.3.3 Organisatie in geval van ongeval tijdens het vervoer op het Belgische grondgebied Zodra het CGCCR en/of het FANC op de hoogte gebracht wordt van een ongeval tijdens het vervoer op het Belgische grondgebied, wordt de voorzitter van de evaluatiecel ervan verwittigd.

De oorspronkelijke informatie kan komen van : - de chauffeur; - de aangestelde voor het vervoer; - de dienst 100; - de politiediensten; - elke andere veilige informatiebron (dienst fysische controle van de vervoerder, ...) Het CGCCR wordt in elk geval ingelicht.

De voorzitter van de evaluatiecel stelt, in voorkomend geval, op grond van de beschikbare informatie of van informatie in te winnen via de geëigende kanalen of via eigen informatiebronnen, een alarmniveau voor aan de « emergency director » van de overheid. Vanaf dat ogenblik verloopt de procedure van verwittiging en interventie overeenkomstig de bepalingen van dit plan (zie rubriek 4.3).

Een gepast interventiescenario zal daarna aangewend worden naar gelang van de situatie, ofwel op het niveau van de lokale overheden (burgemeester, gouverneurs), ofwel op het federale niveau. 3.3.4 Interventie in geval van noodsituaties met militaire tuigen of installaties Overeenkomstig het koninklijk besluit van 11 mei 1971 houdende algemeen militair reglement op de bescherming tegen het gevaar van de ioniserende stralen, richt de commandant van de militaire installatie of de militaire overheid verantwoordelijk voor een transport, bij een zwaar ongeval, op de site een voorziening op die het mogelijk maakt : - te beschikken over de nodig informatie om te oordelen over de ernst van het ongeval; - het optreden van de militaire interventiediensten te beheren en te coördineren; - de militaire en burgerlijke overheden te informeren betreffende de reële of potentiële radiologische risico's indien deze zich zouden kunnen uitstrekken tot buiten het militaire domein of de bevolking zouden kunnen bedreigen. De militaire overheden zullen in het bijzonder de burgerlijke overheden verwittigen betreffende de specifieke risico's met militaire (nucleaire) tuigen, evenals betreffende de explosiegevaren van bepaalde bestanddelen of de gevaren voor contaminatie; - de nodige onmiddellijke maatregelen ter bescherming van het personeel of de bevolking te nemen.

Interne plannen per site worden uitgewerkt door de militaire overheden en de belangrijke elementen met het oog op de bescherming van de burgerbevolking worden meegedeeld aan de Minister van Binnenlandse Zaken. 3.3.5 Organisatie in geval van radiologische noodsituatie naar aanleiding van terroristische daden Zodra het CGCCR op de hoogte wordt gebracht van een radiologische noodsituatie op het Belgische grondgebied of die het Belgische grondgebied zou bedreigen, veroorzaakt door een terroristische daad, en dit via elke betrouwbare informatiebron, verwittigt het de hulpdiensten, de politie- en inlichtingendiensten, de voorzitter van de evaluatiecel en de Emergency Director van de overheid.

De voorzitter van de evaluatiecel stelt, op grond van de beschikbare informatie of van informatie in te winnen via de geëigende kanalen of via eigen informatiebronnen, een alarmniveau voor aan de Emergency Director van de overheid. De bijzondere bepalingen worden dan aangewend naar gelang van de noodsituatie.

De bepalingen die eigen zijn aan een dergelijke situatie, zullen in een bijzondere procedure beschreven worden. 3.3.6 Andere radiologische noodsituaties Zodra het CGCCR op de hoogte wordt gebracht van een reële of potentiële radiologische noodsituatie op het Belgische grondgebied of die het Belgische grondgebied zou bedreigen, en dit via elke betrouwbare informatiebron, verwittigt het de voorzitter van de evaluatiecel en de Emergency Director van de overheid.

De voorzitter van de evaluatiecel stelt, in voorkomend geval, op grond van de beschikbare informatie of van informatie in te winnen via de geëigende kanalen of via eigen informatiebronnen, een alarmniveau voor aan de Emergency Director van de overheid. Vanaf dat ogenblik zullen de bepalingen van dit plan uitgevoerd worden teneinde de noodsituatie zo goed mogelijk te beheren (zie rubriek 4.3). 4 MELDING EN ALARMERING 4.1 Meldingsplicht van de exploitant 4.1.1 Notificatieniveau's In het kader van het noodplan zijn, op grond van de ernst van een abnormale gebeurtenis of van het ongeval in een nucleaire installatie, vier notificatieniveaus omschreven : deze niveaus van notificatie door de exploitant heten N1, N2, N3 en NR, en kunnen worden gekoppeld aan de alarmniveaus waarvan sprake is in paragraaf 4.2.

Naast deze vier niveaus, werd ook een niveau « N0 » voorzien voor de waarschuwing van de overheid in geval van een exploitatieanomalie. Op dit niveau treedt dit noodplan niet in werking, behalve indien de Emergency Director van de overheid een andersluidende beslissing neemt. 4.1.1.1 Notificatieniveau « N0 » Het gaat hier om abnormale gebeurtenissen waarvan, overeenkomstig de exploitatievergunning, binnen korte tijd kennis moet worden gegeven aan de overheid, maar die niet zouden leiden tot radioactieve lozing en dus geen aanleiding geven tot beschermingsacties buiten de exploitatiesite en/of collectieve maatregelen voor het personeel. De exploitant bezorgt het CGCCR een kennisgeving. Dit noodplan is niet van toepassing, behalve indien de Emergency Director van de overheid een andersluidende beslissing neemt. 4.1.1.2 Notificatieniveau « N1 » Het gaat hier om een gebeurtenis die een reële of potentiële verlaging van het veiligheidsniveau in de installatie impliceert en die mogelijk zou kunnen leiden tot belangrijke radiologische gevolgen voor de omgeving van de exploitatiesite.

De radioactieve lozing blijft nog beperkt, zodat er geen gevaar is voor de omgeving van de exploitatiesite (er moeten geen maatregelen worden genomen voor de bescherming van de bevolking, noch voor de voedselketen of voor het drinkwater). Het zou noodzakelijk kunnen zijn beschermende acties te ondernemen voor het personeel en voor de bezoekers die zich binnen de exploitatiesite bevinden. 4.1.1.3 Notificatieniveau « N2 » Het gaat hier om een gebeurtenis die wordt gekenmerkt door belangrijke (reële of potentiële) defecten van functies die noodzakelijk zijn om de veiligheid van de bevolking en van de werknemers te vrijwaren. Op grond van de informatie en de evaluatie blijkt dat beschermende maatregelen voor de bevolking niet onmiddellijk noodzakelijk zijn voor de omgeving van de exploitatiesite. Het kan evenwel noodzakelijk zijn maatregelen te nemen voor de voedselketen. 4.1.1.4 Notificatieniveau « N3 » Het gaat hier om een gebeurtenis waarbij substantiële defecten aan de installaties optreden of kunnen optreden en die redelijkerwijze kunnen leiden tot de verspreiding van radioactieve stoffen in de atmosfeer, waardoor beschermende maatregelen moeten worden genomen voor de bevolking buiten de site. 4.1.1.5 Notificatieniveau « NR » Het gaat hier om een gebeurtenis waarbij op korte termijn (vlugge kinetiek) radioactieve stoffen verspreid worden, waardoor binnen een termijn van minder dan 4 uur een blootstelling kan ontstaan die hoger is dan een interventierichtwaarde.

Bijgevolg zullen onmiddellijk zonder andere evaluatie- beschermingsacties voor de bevolking buiten de exploitatiesite opgezet worden onder de bevoegdheid van de Provinciegouverneur, in afwachting van de instelling van de federale en provinciale cellen en comités. De onmiddellijke beschermingsmaatregelen zullen in deze optiek beperkt zijn tot het waarschuwen, het schuilen en het luisteren in een vooraf bepaalde reflexperimeter. 4.1.1.6 Notificatiecriteria Voor ieder notificatieniveau N1, N2 en N3 worden de criteria opgesplitst in : - criteria inzake atmosferische lozingen; - criteria inzake de toestand van de installatie die kunnen leiden tot een lozing die overeenstemt met de bovenvermelde criteria.

Aangezien de gebeurtenissen afhankelijk zijn van het type van de installatie waarin de problemen zich hebben voorgedaan, worden voorbeelden van omstandigheden gegeven voor de verschillende nucleaire installaties in België. De gedetailleerde criteria i.v.m. deze voorbeelden worden opgesteld in overleg met de evaluatiecel. Zij worden opgenomen in een operationeel document van deze cel en in het Intern Noodplan van de betrokken exploitanten.

In het bijzondere geval van het niveau NR, zullen de criteria en perimeters, geassocieerd met de verschillende installaties, opgesteld worden in overleg met de exploitanten van elk van de betrokken nucleaire installaties en met de overheden en de gespecialiseerde organismen. Zij zullen worden opgenomen in het voormelde operationeel document van de evaluatiecel.

Ondertussen is de door de Provinciegouverneur toe te passen reflexperimeter de met het schuilen geassocieerde noodplanningszone (zie par. 5.1).

In de andere gevallen (NR vastgesteld voor een situatie buiten de betrokken nucleaire installaties), zal de toegepaste reflexperimeter 3 km zijn. 4.1.2 Notificatiewijzen De initiële notificatie gebeurt zo snel mogelijk aan de verschillende organismen vermeld in het notificatieschema van de rubriek Schéma de notification - niveau de notification « N1, N2, N3 et NR », en overeenkomstig dit schema. De notificatie vermeldt een notificatieniveau dat voor de overheden een voorstel van alarmniveau vormt.

Een schriftelijke bevestiging van deze notificatie en van deze niveaus gebeurt door overdracht door de exploitant van een formulier, opgesteld volgens de in het Intern Noodplan bepaalde formaten, aan : - het CGCCR voor de niveau's N1, N2, N3 en NR; - de Provinciegouverneur voor het niveau NR. 4.1.3 TELERAD Onverminderd de meldingsplicht van de exploitant, beschikken de autoriteiten via TELERAD over een onafhankelijk opsporingssysteem dat het, indien nodig, mogelijk maakt dit noodplan aan te wenden. 4.2 Alarmering en alarmniveau's In het kader van de toepassing van het noodplan onderscheidt men 4 alarmniveau's die overeenstemmen met de in rubriek 4.1.1 vermelde notificatieniveau's. Het alarmniveau veronderstelt één van de volgende acties van de autoriteiten : Alarmniveau « U1 » Vooralarm : veronderstelt een « stand by » van de bij dit noodplan betrokken personen en diensten, die het mogelijk moet maken tijd te winnen wanneer de situatie zou verergeren. De informatiecel komt echter samen in het CGCCR. De evaluatiecel komt ook samen in het CGCCR, tenzij de voorzitter van de evaluatiecel anders bepaalt. De meetcel van haar kant houdt zich stand-by en de meetploegen begeven zich naar een vooraf in de interne procedures van deze cel bepaald verzamelpunt.

Alarmniveau « U2 » Alarm : deze drempel houdt in dat de betrokkenen (zie rubriek 3.2) samenkomen in de coördinatiecentra, doch veronderstelt in principe geen onmiddellijke beschermingsactie naar de bevolking toe. Nochtans kunnen, in voorkomend geval, acties voor de bescherming van de voedselketen en de drinkwatervoorziening nodig zijn, evenals informatieacties voor de bevolking.

Alarmniveau « U3 » Alarm : deze drempel houdt in dat alle betrokkenen samenkomen in de coördinatiecentra en dat acties ter bescherming van de bevolking kunnen worden genomen, na evaluatie van de toestand door de evaluatiecel en beslissing van het federale coördinatiecomité, al of niet gepaard gaande met acties t.a v. de voedselketen of de drinkwatervoorziening.

Alarmniveau « UR » Alarm : deze drempel leidt tot onmiddellijke beschermingsacties voor de bevolking, beperkt tot het verwittigen, het schuilen en het luisteren in een voorafbepaalde reflexperimeter. Deze onmiddellijk reflexacties worden afgekondigd door de Provinciegouverneur, zonder de evaluatie van de evaluatiecel, noch de beslissingen van het federale coördinatiecomité af te wachten. Zodra de federale cellen en comités opgezet en operationeel zijn, zal het alarmniveau UR omgezet worden in een gepast alarmniveau door de Emergency Director van de overheid.

De notificatieniveau's N1, N2 en N3 zullen door de Emergency Director van de overheid omgezet worden in een alarmniveau. Het alarmniveau zal eventueel later aangepast worden op advies van de evaluatiecel.

Ter bewarende titel zal het notificatieniveau, dat een voorstel voor het alarmniveau is, als zodanig beschouwd worden in afwachting van de beslissing van de Emergency Director van de overheid. Dit zal namelijk aan het C.G.C.C.R. de mogelijkheid geven de praktische beschikkingen van het noodplan onmiddellijk in werking te stellen.

Het notificatieniveau NR wordt automatisch omgezet in een alarmniveau UR zonder interventie van de Emergency Director van de overheid. 4.3 Notificatieschema's De exploitant van een nucleaire installatie dient minstens de verwittigingen te doen volgens de hierna vermelde schema's. Dit gebeurt mondeling, met een schriftelijke bevestiging waarvoor hij het notificatiebericht, volgens de in zijn Intern Noodplan bepaalde formaten, gebruikt.

Het CGCCR gebruikt deze notificatieschema's om in zijn intern alarmeringsplan de volgorde van de notificaties en de te ondernemen acties te bepalen. 4.3.1 Notificatieschema - notificatieniveau « N0 » (pro memorie) Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 4.4 Overdracht van latere informatie door de exploitant De exploitant stelt, overeenkomstig zijn intern noodplan en volgens een in overleg met de verschillende cellen en comités bepaald formaat, aan het CGCCR inlichtingen ter beschikking over de evolutie van de technische toestand in de installatie, over de radioactieve lozingen in het milieu en hun vermoedelijke ontwikkeling, alsmede over de reële en/of potentiële ramingen van de radiologische gevolgen van deze lozingen. 4.5 Notificatie en informatieoverdracht vanuit het buitenland Het CGCCR is het officiële contactpunt voor melding van het IAAE en de Europese Commissie voor nucleaire ongevallen of radiologische noodsituaties in het buitenland.

Indien de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken of een ander bij dit plan betrokken organisme, via eigen informatiebronnen, kennis zou krijgen van een nucleair ongeval of van een radiologische noodsituatie in het buitenland, met mogelijke gevolgen voor het Belgische grondgebied, moet het CGCCR zo spoedig mogelijk verwittigd worden.

Het CGCCR zal, afhankelijk van de notificatie, de verantwoordelijke personen en diensten verwittigen, op eigen initiatief, met name de leden van de evaluatiecel en van het federale coördinatiecomité. 4.6 Notificatie en informatieoverdracht naar het buitenland In geval van een radiologische noodsituatie op het Belgische grondgebied die leidt tot de aanwending van dit plan, deelt het CGCCR de nodige inlichtingen mee volgens de geldende bepalingen : - aan de buurlanden waarmee bilaterale overeenkomsten afgesloten zijn voor wederzijdse bijstandverlening in geval van nucleaire ongevallen (zie rubr. 9); - aan de EG (zie rubr. Union européenne (UE) ), volgens de bepalingen voorzien in het ECURIE (European Community Urgent Radiological Information Exchange)-systeem; - aan het IAAE (zie rubr. Agence Internationale de l'Energie Atomique (AIEA)), volgens de bepalingen voorzien door de Verdragen van Wenen. 5 Noodplannings- en interventiezones 5.1 Noodplanningszones Een noodplanningszone is per definitie een cirkelvormige zone waarbinnen de maatregelen ter rechtstreekse bescherming van de bevolking (schuilen, inname jodiumtabletten en evacuatie) vooraf moeten worden voorbereid, met het oog op een snelle en efficiënte interventie van de autoriteiten.

In het kader van dit plan, worden deze zones gedefinieerd in de volgende tabel, naar gelang van het type van beschermingsmaatregelen en de potentiële radiologische gevolgen (wat de verschillen verklaart tussen de nucleaire installaties van Mol - Dessel - Fleurus en de kerncentrales van Doel, Tihange, Chooz en Borssele).

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (*) In deze noodplanningszone worden vooraf dozen met stabiele jodiumtabletten, alsook informatiebrochures uitgedeeld in de gezinnen en de collectiviteiten (scholen, hospitalen, fabrieken, crèches,...).

Bovendien zijn reserves van dozen met tabletten beschikbaar in alle apotheken.

Buiten de noodplanningszones en voor het hele Belgische grondgebied beschikken alle apotheken over reserves van stabiel jodium onder verschillende vormen; bovendien zijn reserves van dozen met stabiele jodiumtabletten op verschillende plaatsen beschikbaar. Er worden plannen opgesteld voor de snelle verdeling van deze tabletten onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken.

De stabiele jodiumtabletten worden eveneens op voorhand uitgedeeld aan de interventiediensten die moeten optreden in de interventiezone.

Wat de maatregelen ter bescherming van de voedselketen betreft, kunnen de betrokken interventiezones duidelijk uitgestrekter zijn dan de interventiezones betreffende de maatregelen van rechtstreekse bescherming. In dit opzicht moeten de Franse kerncentrales van Gravelines en Cattenom in beschouwing genomen worden en in de praktijk wordt slechts één noodplanningszone geassocieerd met de bescherming van de voedselketen, die het hele Belgische grondgebied betreft.

De noodplanningszone van de andere installaties, zoals bepaald in rubriek 1.3.2 (de nucleaire installaties van Thetis te Gent, het Transuranium laboratorium van de Universiteit van Luik (Sart-Tilman), FBFC te Dessel en CBNM te Geel) worden in ieder provinciaal rampenplan voor hulpverlening gespecificeerd, in overleg met de bevoegde diensten. 5.2 Interventiezones De interventiezone is de zone waarbinnen de maatregelen effectief toegepast worden wanneer dit plan afgekondigd wordt. De interventiezone wordt door de Emergency Director van de overheid vastgesteld bij de alarmniveaus U2 en U3.

Op grond van een evaluatie, door berekening en door meting, van de radioactieve lozingen of van de radiologische noodsituatie, kan de toepassing van de noodbeschermingsmaatregelen, in voorkomend geval, uitgebreid of beperkt worden tot te specifiëren zones, die door de Emergency Director van de overheid meegedeeld zullen worden.

Bij het alarmniveau UR stemt de interventiezone overeen met de vooraf bepaalde reflexperimeter (zie rubrieken Niveau de notification « NR » en 4.1.1.6). 6EVALUATIE VAN DE SITUATIE OP RADIOLOGISCH VLAK 6.1 Inleiding De evaluatiecel heeft tot taak, in het kader van dit plan, de risico's ten gevolge van de blootstelling aan ioniserende stralingen te bepalen en te beoordelen. Hiertoe heeft deze cel behoefte aan informatie en aan procedures, om deze informatie om te zetten in adviezen ten behoeve van het federale coördinatiecomité.

De informatie wordt voornamelijk geleverd door de exploitant van de getroffen installatie, door de meetcel en door de organismen die in de evaluatiecel vertegenwoordigd zijn.

Het informatieminimum dat door de exploitant moet worden geleverd, wordt omschreven in het interne noodplan dat opgelegd wordt door de exploitatievergunning en in de paragrafen 3.2.3, 4.1, 4.3 en 4.4 van dit noodplan. De aard van de informatie die door de meetcel wordt geleverd, wordt omschreven in de procedures van de meetcel.

De evaluatiecel heeft de permanente opdracht de inhoud en de vorm van de informatie die haar in geval van toepassing van dit plan zal worden verstrekt, te analyseren; desgevallend zal zij suggesties moeten doen om deze informatie beter in overeenstemming te brengen met de door haar voorziene evaluatieprocedures. Deze laatste worden regelmatig aangepast aan de evolutie in dit domein.

De evaluatiecel zal tijdens een noodsituatie op ieder ogenblik een zo goed mogelijk beeld trachten te schetsen van de gebeurtenissen (reconstructie) en van wat met een redelijke waarschijnlijkheid op relatief korte termijn (ongeveer 10 uur) nog zou kunnen gebeuren (voorspelling). 6.2 Initiële evaluatie - reconstructie Het notificatieniveau evenals verdere informatie verstrekt door de exploitant op grond van zijn meldingsplicht moet de evaluatiecel de mogelijkheid bieden een beoordeling te maken omtrent het alarmniveau dat door de Emergency Director van de overheid bekrachtigd dient te worden.

Afhankelijk van de dwingendheid van de te nemen maatregelen, worden de potentiële of reële gevolgen voor de bevolking geëvalueerd, hetzij op basis van de berekeningsmodellen, rekening houdend met de gekende of te verwachten lozingen en de heersende of te verwachten meteorologische omstandigheden, hetzij op basis van de metingen, hetzij op basis van beide. In geval van een notificatieniveau NR worden alleen de voorziene beschermingsmaatregelen door de Provinciegouverneur aangewend, in afwachting van een evaluatie van de radiologische situatie door de evaluatiecel en van de beslissingen van het federale coördinatiecomité betreffende het behouden, het uitbreiden of het opheffen van de beschermingsmaatregelen voor de bevolking.

Bij ontstentenis van een melding en wanneer het meetnet Telerad een verhoogde radioactiviteit op het Belgische grondgebied zou vaststellen, zal de evaluatiecel de nodige elementen verzamelen teneinde de oorsprong van deze verhoging te achterhalen.

De Belgische nucleaire installaties voor welke dit plan van toepassing is, dienen te beschikken over berekeningsmiddelen voor de evaluatie van de gevolgen van een incident tot op enkele tientallen kilometers van het lozingspunt. De berekeningsmethodes worden bepaald door de evaluatiecel. De in dit model in te voeren meteorologische gegevens komen bij voorkeur uit metingen op de exploitatiesite. De resultaten van de berekeningen die door de exploitanten volgens vooraf vastgelegde procedures uitgevoerd dienen te worden, worden aan de evaluatiecel bezorgd volgens de door deze cel bepaalde modaliteiten.

Deze mathematische reconstructie heeft tot doel : - de blootstellingsrisico's te evalueren en daaruit aanbevelingen inzake beschermingsmaatregelen af te leiden; - de door de meetcel aan te wenden meetstrategie op het terrein te bepalen; - een gestructureerde boekhouding van lozingen, meteo-omstandigheden en berekende gevolgen samen te stellen naar gelang van het verloop van de noodsituatie. 6.3 Radioactiviteitsmetingen Op basis van de initiële evaluatie stelt de evaluatiecel eventueel acties voor. De initiële evaluatie wordt, indien nodig, op termijn, aangevuld met gegevens van de meetcel en eventueel met het meetbestand van de exploitant, die informatie kunnen leveren over het stralingsdebiet in de omgeving, de bodem- en luchtbesmetting en over de besmetting van de voedselketen.

De meetresultaten zullen het mogelijk maken een evaluatie uit te voeren over : - de verspreiding van de besmetting, door metingen over een veelheid van meetpunten, wat moet leiden tot de bepaling van het getroffen gebied; - de variabiliteit van de besmetting ten gevolge van lokale factoren; - de samenstelling van de besmetting, door laboratoriumanalyse op basis van monsters.

De evaluatiecel leidt uit al deze gegevens de blootstelling voor de verschillende bevolkingsgroepen af volgens meerdere blootstellingswegen.

De verplaatsing van de radioactieve wolk op grotere afstanden kan afgeleid worden door het KMI, aan de hand van de beschikbare meteorologische metingen op continentale schaal (trajectmodellen). 6.4 Evaluatie van de potentialiteit van grotere lozingen - voorspelling Een dergelijke evaluatie vereist een permanente inschatting van de redelijkerwijze te verwachten lozingen en meteorologische omstandigheden gedurende een periode van een tiental uur.

De bepaling van de potentiële lozingen is gesteund op een technische analyse van de toestand van de installatie. De exploitant zal periodiek een overzicht geven van de toestand van de veiligheidsbarrières en van de veiligheidssystemen in zijn installatie en op basis daarvan een zo goed mogelijke schatting maken van de op korte termijn denkbare lozingen en hun waarschijnlijkheid.

De mogelijke evolutie van de meteorologische omstandigheden zal door de evaluatiecel gevolgd worden op basis van de door het KMI geleverde gegevens en van de adviezen van de vertegenwoordiger van het KMI die er zetelt.

De evaluatiecel zal met de potentiële bronterm en de te verwachten meteorologische omstandigheden een voorspelling maken van de gevolgen voor de bevolking, op een analoge wijze als beschreven in paragraaf 6.2 « Initiële evealuatie - reconstructie ». Eventueel kunnen verschillende mogelijke scenario's geëvalueerd worden.

De resultaten van deze voorspellingen worden in overweging genomen om eventueel preventieve beschermingsmaatregelen voor te stellen aan het federale coördinatiecomité. Voorspellingen kunnen reeds uitgevoerd worden vóór het begin van de lozingen; zij moeten evenwel permanent doorgevoerd worden na het begin van de lozingen, teneinde de (te verwachten) verbetering of verslechtering van de situatie op korte en middellange termijn in overweging te kunnen nemen bij de formulering van de aanbevelingen. Daarenboven maken deze voorspellingen het mogelijk de omgevingsmetingen optimaal te organiseren. 6.5 Adviseren van beschermingsmaatregelen De risico's van blootstelling aan ioniserende stralingen kunnen beperkt worden door het aanwenden van beschermingsmaatregelen, zoals beschreven in hoofdstuk 8. Na beraadslaging formuleert de evaluatiecel een advies betreffende de wenselijkheid van bepaalde acties t.a.v. het federale coördinatiecomité. Deze adviezen zijn gebaseerd op de principes van rechtvaardiging en optimalisering (zie 8.2) en houden rekening met de socio-economische analyse van de situatie.

De evaluatiecel dient permanent geïnformeerd te worden over de door het federale coördinatiecomité genomen beslissingen en het reëele gevolg dat eraan gegeven werd. 6.6 Einde van de noodsituatie De Emergency Director van de overheid beslist over de toepassingsduur van dit noodplan.

Zodra de toepassing van dit noodplan formeel opgeheven wordt, zal de evaluatiecel nagaan of : - een langetermijnprocedure voor omgevingscontrole noodzakelijk is; - er modaliteiten dienen opgelegd te worden waardoor de normale levenswijze van de bevolking hersteld kan worden naar gelang van de tijd (terugkeer van de geëvacueerde bevolking, verdeling van voedingsproducten, landgebruik); - indien nodig, bepaalde niet-dringende acties geïntegreerd zullen kunnen worden in het kader van routinematige maatregelen.

De evaluatiecel zal een werkingsverslag opstellen, overeenkomstig rubriek Missions. 7VERWITTIGEN EN INFORMEREN VAN DE BEVOLKING TIJDENS HET ONGEVAL OF DE RADIOLOGISCHE NOODSITUATIE 7.1 Algemene organisatie De algemene organisatie i.v.m. de methodes en procedures voor alarmering en inlichting van de bevolking is een taak van de overheid.

De alarmering is gebonden aan het nemen van beschermingsmaatregelen naar de bevolking toe. Bijgevolg neemt de Emergency Director van de overheid het initiatief tot het alarmeren van de bevolking, behalve op het alarmniveau UR waar de Gouverneur van de getroffen provincie onmiddellijk overgaat tot het nemen van maatregelen om de bevolking te alarmeren. De praktische uitvoering van deze alarmeringsprocedure wordt bepaald in het provinciale rampenplan voor hulpverlening.

De beslissing om over te gaan tot alarmering wordt door de informatiecel meegedeeld aan de media. De informatiecel zorgt ervoor dat de bevolking op de hoogte gehouden wordt van de evolutie van de noodtoestand.

De Provinciegouverneur zal deze algemene informatie aanvullen en uitwerken in overleg met de informatiecel.

De mededelingen van de exploitant van de nucleaire installatie dienen te worden voorgelegd aan de informatiecel (rubriek 3.2.1.6.6), met het oog op een éénduidige informatie van de bevolking.

Vanaf het alarmniveau U1 zal de bevolking die dreigt getroffen te worden, de volgende informatie en instructies tijdens deze fase moeten ontvangen : - verzoek aan de betrokken bevolking om naar de radio of de televisie te luisteren; - voorbereidende instructies voor inrichtingen met bijzondere collectieve verantwoordelijkheden; - aanbevelingen aan bijzonder betrokken beroepen. 7.2 Sirenes In geval van blootstellingsrisico wordt de bevolking zo snel mogelijk verwittigd door de sirenes van de Civiele Veiligheid, door de mededelingen op radio en T.V. en door wagens met luidsprekers die in de interventiezone rondrijden.

Het bestaande net van ongeveer 660 sirenes, dat vooral rond de nucleaire installaties en de zogenaamde SEVESO-installaties werd uitgebreid, kan in zijn geheel per zone, per gedeeltelijke zone of per gemeente, radiofonisch in werking worden gesteld vanuit de operationele eenheid van de Civiele Veiligheid of vanuit een provinciaal centrum van de 100-dienst.

Indien een radioactieve besmetting mogelijk maar nog niet dreigend is, wordt een vooralarm gegeven. Dit signaal bestaat uit een snelle, gemoduleerde toon die 60 seconden aanhoudt.

Het eigenlijke nucleaire alarmsignaal bestaat uit een identieke gemoduleerde toon van 60 seconden, maar wordt tweemaal onderbroken.

Dit signaal wordt om de 30 seconden herhaald (zie schema hierna).

Het nucleaire alarmsignaal verschilt van het gewone brandalarm, dat bestaat uit twee doorlopende tonen van 20 seconden met een interval van 5 seconden.

Het nucleaire alarmsignaal heeft voornamelijk tot doel de bevolking aan te zetten onmiddellijk de open ruimte te verlaten om via radio en televisie en via de rondrijdende wagens met luidsprekers, mededeling te krijgen van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 7.3 Radio en TV Voor de algemene verspreiding van de informatie betreffende de te nemen beschermingsmaatregelen, de evacuatiewegen, de bestemming, de verzamelplaatsen enz., doet de informatiecel een beroep op de nationale zenders (VRT - RTBF - BRF) volgens een gestandaardiseerde procedure, teneinde de overheidsmededeling duidelijk herkenbaar te maken bij de bevolking. Deze procedure zal door de informatiecel bepaald worden. 7.4 Telefoon Het federale coördinatiecomité zal zowel op nationaal als op provinciaal vlak bijzondere telefoonnummers vrijgeven om de vragen van de bevolking te kunnen beantwoorden (call center). 7.5 Wagens met luidsprekers De bevolking in de interventiezones kan daarenboven door de politiediensten op de hoogte gebracht worden van de te nemen maatregelen door middel van wagens met luidsprekers. Het provinciale rampenplan voor hulpverlening bepaalt de modaliteiten ervan. 8BESCHERMINGSMAATREGELEN 8.1 Bescherming van het interventiepersoneel In het kader van dit plan dient onder « interventiepersoneel » te worden verstaan : het personeel van elke dienst die betrokken is bij de reddingsinterventie of bij de interventie ter bescherming van belangrijke materiële belangen, zoals brandweer, civiele veiligheid, politiediensten, personeel van de ziekenwagens en van de medische diensten, ... evenals diegenen die een ondersteunende opdracht hebben (opgevorderde buschauffeurs, personeel van de meetploegen,...).

De doelstelling is aan het interventiepersoneel een maximale bescherming te bieden tegen het gevaar van blootstelling aan ioniserende stralingen in alle door dit plan bedoelde situaties.

De principes voor bescherming van het interventiepersoneel worden bepaald in de artikelen 20.2, 72.3 en 72.4 van het KB van 20 juli 2001.

Overeenkomstig dezelfde reglementaire bepalingen, worden de maximale blootstellingen voor het interventiepersoneel bepaald door het FANC. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de maximale blootstellingen voor het interventiepersoneel die momenteel gelden, van toepassing.

Ter herinnering, deze niveau's zijn de volgende : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor het personneel van Landsverdediging, worden de principes voor de bescherming van het interventiepersonneel bepaald door het KB van toepassing op Landsverdediging (actueel KB van 11 mei 1971) en de militaire regelgevingen ter zake.

Onverminderd deze bepalingen kan de Minister van Binnenlandse Zaken de toepassingsmodaliteiten bij omzendbrief bepalen.

Deze maximale blootstellingen gelden slechts onder de door voormelde ministeriële omzendbrief bepaalde voorwaarden. De volgende beschermingsmethodes kunnen toegepast worden teneinde de dosis tijdens de interventie te beperken : - gebruik van individuele beschermingsmiddelen (beschermingsmasker, aangepaste interventiekledij en bescherming van de schildklier door inname van jodiumtabletten); - meting van de ontvangen dosis; - bescherming door een scherm en/of door de beperking van de blootstellingstijd (rotatie van de interventieploegen). 8.2 Rechtstreekse beschermingsmaatregelen voor de bevolking Basisfilosofie en interventieniveau's De principes van beperking van de doses aan de bevolking in geval van radiologische noodsituatie worden bepaald in artikel 20.2 van het KB van 20 juli 2001.

In geval van een radiologische noodsituatie, worden de rechtstreekse beschermingsmaatregelen die genomen kunnen worden om de blootstelling aan ioniserende stralingen zoveel mogelijk te verminderen, beperkt tot het schuilen, het innemen van jodiumtabletten en de evacuatie.

Anderzijds zijn er ook algemene aanbevelingen of richtlijnen voor bepaalde specifieke bevolkingsgroepen voorzien (dragen van beschermkledij, te nemen maatregelen in de landbouwbedrijven, aanbevelingen voor zwangere vrouwen en jonge kinderen,...). Het spreekt vanzelf dat deze maatregelen uitsluitend betrekking hebben op de inwoners van de geografische zones die door het ongeval zijn getroffen of bedreigd worden.

Een groot deel van deze beschermingsmaatregelen gaan evenwel gepaard met een risico voor de gezondheid of met min of meer aanzienlijke sociale of economische kosten (bijv. de evacuatie van een grote stad).

De risico's van deze beschermingsmaatregelen dienen dan afgewogen te worden tegen het radiologische risico dat door de bedreigde bevolkingsgroep gelopen wordt. De nodige socio-economische gegevens worden ter beschikking gesteld van het federale en provinciale coördinatiecomité. Naar gelang van de omstandigheden kunnen bepaalde beschermingsmaatregelen geheel of gedeeltelijk van toepassing zijn.

De omvang en de aard van het radiologische risico schommelen naar gelang van de doses waarvan sprake is en van de leeftijd van de getroffen personen.

Kinderen en zwangere vrouwen vormen de meest kwetsbare bevolkingsgroepen. Naar gelang van de omstandigheden zullen bepaalde beschermingsmaatregelen enkel van toepassing kunnen zijn voor deze kwetsbare groepen.

Het voornaamste na te leven principe is dat de interventie gerechtvaardigd moet worden nadat alle belangrijkste beoordelingselementen (medische, economische, sociale en ethische) onderzocht en geëvalueerd werden.

In toepassing van bovenstaande principes en beschouwingen en overeenkomstig artikel 20.2 van het KB van 20 juli 2001, worden door het FANC interventierichtwaarden opgesteld. Het FANC bepaalt eveneens de gebruiksmodaliteiten van deze interventierichtwaarden.

Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de interventierichtwaarden die momenteel gelden, van toepassing.

Ter herinnering, deze interventierichtwaarden voor het nemen van beschermingsmaatregelen voor de bevolking zijn Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld * In functie van ernstige omstandigheden, kunnen de interventierichtwaarden desgevallend de maximamle waarden van de tabel overschrijden, zonder dat echter de drempel van de acute gevolgen bereikt wordten. ** De hoogte van de richtwaarde varieert naargelang van de bijzondere kenmerken van de bevolking in de omgeving van iedere nucleaire site.

Onverminderd deze bepalingen, kan de Minister van Binnenlandse Zaken toepassingsmodaliteiten bij omzendbrief bepalen. 8.2.1 Controle van het verkeer naar en vanuit de getroffen zone 8.2.1.1 Doelstellingen Deze maatregel begeleidt over het algemeen zowel de schuil- als de evacuatiemaatregel. De controle van het verkeer, teneinde de toegang tot de interventiezone te ontzeggen, en de schuilmaatregelen verhinderen dat personen, voertuigen en goederen besmet worden. De evacuatie probeert de verspreiding van de besmetting zoveel mogelijk te verminderen, desgevallend gepaard gaande met decontaminatiemaatregelen (zie 8.2.5.). 8.2.1.2 Basisprincipes van toepassing De maatregel zal van toepassing zijn binnen de interventiezone.

De interventiezone wordt afgebakend en de toegangswegen zullen worden bewaakt door de politiediensten, overeenkomstig de bepalingen van de omzendbrief van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 11 juli 1990 betreffende de rampenplannen voor hulpverlening.

Door het installeren van een isolatieperimeter zullen de politiediensten het verkeer (personen en voertuigen) kunnen regelen ter hoogte van en binnen deze perimeter, waarbij het verkeer voorbehouden wordt aan de hulpdiensten en ten behoeve van een eventuele evacuatie.

De signalisatie zal ingesteld worden tot de ontradingsperimeter, gelegen buiten de isolatieperimeter. (*) 8.2.1.3 Verantwoordelijken voor de uitvoering Het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering staat in voor de contacten (van de Emergency Director van de overheid of van het federale coördinatiecomité) met de betrokken Gouverneur(s).

De Provinciegouverneur is belast met de coördinatie van de middelen die in het kader van het provinciale rampenplan voor hulpverlening ingezet worden.

In beginsel zijn de politiediensten belast met de controle van de isolatie- en ontradingsperimeter. Zij beschikken daartoe over de nodige logistieke en signalisatiemiddelen. 8.2.2 Schuilen De operationele bepalingen worden vastgelegd in het provinciale rampenplan voor hulpverlening. 8.2.2.1 Doelstellingen Deze maatregel beoogt de vermindering van de rechtstreekse blootstelling bij omgevingsbestraling (dosisreducerend effect zowel tegen uitwendige bestraling afkomstig van de overtrekkende radioactieve wolk en van de besmette bodem als tegen de inwendige bestraling ten gevolge van de inhalatie en bij contact met radioactieve stofdeeltjes), door de bevolking aan te manen binnen te blijven of in een gebouw te gaan. De woningen bieden meestal een voldoende bescherming en maken het eveneens mogelijk via de media (radio en televisie) de inwoners adequaat in te lichten over het verloop van het ongeval en over andere maatregelen die nog nodig zouden zijn (bv. bescherming van de ademhalingswegen, inname stabiele jodiumtabletten, evacuatie...). 8.2.2.2 Richtlijnen van toepassing Zodra mogelijk zal de bevolking aangemaand worden om binnen gesloten gebouwen te blijven of er zich naar te begeven, door de signalen die uitgezonden worden door alarmsirenes en door de instructies verspreid via radio/televisie en wagens met luidsprekers.

Na het overtrekken van de radioactieve wolk zou opdracht moeten worden gegeven tot maximale ventilatie.

Tijdens de ganse duur van deze schuilmaatregel zal de bevolking steeds op de hoogte gehouden worden van het verloop van het ongeval en van eventuele bijkomende maatregelen. De schuilmaatregel is alleszins van korte duur.

De toegang tot de zone waar de schuilmaatregel afgekondigd wordt, zal streng worden gecontroleerd om personen zonder specifieke opdracht uit deze zone te weren (cfr. § 8.2.1.). Om een overbelasting van het telefoonverkeer te vermijden, wordt ten zeerste aanbevolen de telefoon enkel en alleen te gebruiken bij dringende noodzakelijkheid.

Schuilen kan gepaard gaan met de inname van jodiumtabletten. Al diegenen die zich op het ogenblik van het afkondigen van deze maatregel op hun werkplaats bevinden (scholen, bedrijven, hospitalen, magazijnen enz.) wordt aangeraden ter plaatse te blijven. Eventuele bevoorradingsproblemen dienen opgelost te worden door het provinciale coördinatiecomité.

Aan diegenen die zich tijdelijk in deze zone bevinden (vakantiegangers, zakenmensen...) wordt aangeraden om in hun verblijfplaats te blijven of er zich zo snel mogelijk naar te begeven; indien nodig zullen zij moeten schuilen in om het even welk openbaar of ander gesloten gebouw. 8.2.2.3 Verantwoordelijken voor de uitvoering Op alarmniveau U3 wordt de noodzaak van het al of niet afkondigen van de schuilmaatregel bepaald door het federale coördinatiecomité, via de Emergency Director van de overheid; in bevestigend geval bepaalt hij tegelijkertijd de interventiezone waar de schuilmaatregel van kracht is.

Op alarmniveau UR wendt de Provinciegouverneur de schuilmaatregel aan in de vooraf bepaalde reflexperimeter.

Het CGCCR staat in voor de contacten met de betrokken Gouverneur(s).

De Provinciegouverneur is belast met de coördinatie van de middelen die in het kader van het provinciale rampenplan voor hulpverlening worden ingezet.

Ongeacht het bestaan van daartoe geëigende informatiekanalen en voor zover zulks mogelijk is, wordt de gemeentepolitie ermee belast de onontbeerlijke informatie aan de bevolking te bezorgen en na te gaan of de opgelegde schuilmaatregelen worden toegepast.

De politiediensten zijn belast met het afsluiten van de interventiezone (zie § 8.2.1). 8.2.3 Nemen van stabiele jodiumtabletten 8.2.3.1 Doelstellingen en basisprincipes Bij een radiologische noodsituatie kan de radioactieve wolk radioactief jodium bevatten dat kan vrijkomen. Wanneer dit ingeademd wordt, zet het zich vlug vast in de schildklier, waar het, zelfs op grote afstand van de plaats van het ongeval, aanzienlijke blootstellingen kan veroorzaken, vooral bij kinderen (gezien het volume van de klier). De opname door de schildklier van radioactief jodium via inademing kan sterk verminderd worden door de voorafgaande inname van niet-radioactief jodium (stabiel jodium) teneinde de schildklier te verzadigen. Het effect van deze maatregel hangt sterk af van het tijdstip van de inname, vanwaar het belang van een systeem dat een zo groot en zo snel mogelijke beschikbaarheid van stabiel jodium garandeert.

In de noodplanningszone worden dozen met stabiele jodiumtabletten voorafgaandelijk uitgedeeld in de gezinnen en de collectiviteiten (scholen, hospitalen, fabrieken, crèches,...). Er zijn bovendien reserves van dozen met jodiumtabletten beschikbaar in alle apotheken.

Buiten de noodplanningszones, beschikken alle apotheken over reserves van stabiel jodium onder verschillende vormen (poeder, lugol, ...); bovendien zijn reserves van dozen met stabiele jodiumtabletten beschikbaar op verschillende plaatsen. Onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken worden plannen voor de snelle verdeling van deze tabletten opgemaakt.

Gezien de mogelijke neveneffecten van de inname van een relatief grote hoeveelheid stabiel jodium, wordt het « groen licht » voor de inname van de tabletten door de bevolking slechts gegeven wanneer het risico van de straling van de schildklier groter wordt dan het risico van de inname van stabiel jodium. Wegens de hoge gevoeligheid bij kinderen (vooral de jongsten) en foetussen voor het ontstaan van kankers in de schildklier en gezien het kleine risico op ernstige neveneffecten bij hen, is het mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat de aanbeveling tot inname van stabiel jodium beperkt moet worden tot kinderen en zwangere vrouwen. 8.2.3.2 Toepassingsmodaliteiten Via een waarschuwingssysteem en onder een aan de omstandigheden aangepaste vorm, zal de inname van stabiele jodiumtabletten afgekondigd worden. De aan de bevolking mee te delen berichten moeten zorgvuldig bestudeerd en voorbereid worden in het kader van de noodplanning.

Er moet voor gezorgd worden dat, in de mate van het mogelijke, het stabiel jodium ingenomen wordt vóór het begin van de blootstelling aan radioactief jodium, vermits het op dat ogenblik een optimaal effect (meer dan 90 %) vertegenwoordigt. Nochtans kan men nog 50 % afscherming verwachten wanneer de toediening binnen de 4 à 6 uur na de besmetting kan gebeuren.

Bij tijdsgespreide luchtbesmettingen blijft deze maatregel nuttig voor de toekomstige blootstellingen. De voorgeschreven hoeveelheid zal gedurende 24 uur effectief zijn. Hoewel de maatregel ook efficiënt is bij inname van besmet voedsel zal men bij deze situaties bij voorkeur andere maatregelen overwegen (vb. consumptieverbod - zie hoofdstuk 8.4.).

De hulpdiensten zijn onderworpen aan dezelfde bepalingen (voorafgaande verdeling en voorlichting) dan de personen binnen de noodplanningszone. 8.2.3.3 Verantwoordelijken voor de uitvoering Het federale coördinatiecomité beslist, op aanbeveling van de evaluatiecel, de maatregel tot bescherming van de schildklier door stabiel jodium af te kondigen en waakt erover dat de betrokkenen onmiddellijk op een adequate manier (via de radio, de televisie of wagens met luidsprekers) op de hoogte worden gebracht.

De Minister van Binnenlandse Zaken organiseert de voorafgaande verdeling en de hernieuwing van de stabiele jodiumtabletten, overeenkomstig de bepalingen van rubriek 5.1. Onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken worden eveneens plannen opgesteld voor de snelle verdeling van de tablettenreserves.

Iedere verantwoordelijke van de interventiedienst die moet optreden in de interventiezone, waakt over de inname ervan door zijn personeel, volgens de indicaties van de bijsluiter, voorafgaandelijk aan de interventie. 8.2.4 Evacuatie 8.2.4.1 Doelstellingen De meest uitzonderlijke maatregel voor de bescherming tegen de blootstelling aan radioactieve stralingen is het verwijderen van de bevolking uit de nabijheid van de lozingsbron naar een verblijfplaats met lagere besmetting. Deze plaats bevindt zich geografisch buiten de noodplanningszone.

Het gaat om een maatregel die bedoeld is tegen de risico's van luchtbestraling (directe wolkstraling), van inademing en bodembestraling.

Er kan een opsplitsing gemaakt worden tussen de preventieve evacuatie, d.w.z. voor de emissie van radioactief materiaal of vooraleer een wolk met radioactief materiaal de betrokken bevolking heeft bereikt, en de uitgestelde evacuatie, d.w.z. nadat een radioactieve wolk is voorbijgetrokken. 8.2.4.2 Basisprincipes De evacuatie verloopt in verschillende fasen : de voorbereiding, de doorvoer, de opname, de medische zorgen, de terugvoer en de nazorg. De twee laatste fasen staan echter buiten dit noodplan.

Zoals reeds vermeld in § 8.2.4.1., onderscheiden zich twee evacuatietypes, naar gelang van de uitvoeringstijd : - de preventieve evacuatie : wordt beslist vóór het begin van een belangrijke lozing van radioactiviteit, d.w.z. op basis van prognoses van de exploitant; - de uitgestelde evacuatie : wordt uitgevoerd na het einde van de lozing, op basis van de evaluaties en metingen ter plaatse. De evacuatie tijdens de lozing kan bij de planning à priori niet worden uitgesloten, op grond van de voorspellingen van nog aanzienlijkere lozingen.

In alle situaties kan de evacuatie begeleid worden door maatregelen, zoals inname van stabiel jodium en schuilen, mits de eigen beperkingen van deze maatregelen in overweging genomen worden (beschermingsduur voor schuilen, bescherming van de andere organen dan de schildklier in geval van jodiuminname).

De modaliteiten van de evacuatie moeten vastgelegd worden in het provinciale rampenplan voor hulpverlening, met dien verstande dat de evacuatie dient te gebeuren naar een plaats geografisch gesitueerd buiten de noodplanningszone.

In principe dient iedereen die over een privévoertuig beschikt, te zorgen voor zijn eigen vervoer. De overheid stelt publieke en private transportmiddelen ter beschikking voor hen die over geen vervoermiddel beschikken of voor bepaalde bevolkingsgroepen (scholen, bejaarden, geestelijk en lichamelijk gehandicapten, de patiënten in ziekenhuizen, verpleegtehuizen, psychiatrische instellingen en thuiszorg, de gedetineerden...) Elk van de instellingen verantwoordelijk voor de opvang van deze specifieke groepen, dient een intern noodplan, waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan de evacuatie, voor te leggen aan de Provinciegouverneur.

Het te evacueren gebied wordt afgezet en bewaakt door de politiediensten. Het provinciale rampenplan voor hulpverlening voorziet een door de politiediensten uitgewerkt verkeerscontroleplan ter bepaling van de aan- en afvoerwegen voor de evacuatievoertuigen en van de wegen die voor de hulpverleners moeten worden vrijgehouden.

Het provinciale rampenplan moet bovendien een inventaris omvatten van de in geval van evacuatie beschikbare transportmiddelen en bevat de volgende elementen : - de lokalisatie van de opvang voor elk van de te evacueren segmenten van 30° in de noodplanningszone (vooraf bij de bevolking reeds voldoende bekendmaken); - een duidelijke afspraak omtrent de identificatie van de woningen, die aangeeft dat de betrokkenen reeds geëvacueerd werden, opdat voor de hulpverlening en bewakingsverantwoordelijken zo weinig mogelijk tijd verloren zou gaan; - de nodige ordehandhaving in het kader van het verkeerscontroleplan en in het kader van de bewaking over het betreden van de te evacueren zone; - de organisatie van zowel tijdelijke als permanente opvangcentra; - regelen van voedsel- en medische voorziening; - dringende medische hulpverlening ten behoeve van de veiligheidsdiensten.

In de opvangcentra moet een registratie van de geëvacueerden plaatsvinden, enerzijds van hen die gebruik maakten van de door de overheid ter beschikking gestelde transportmiddelen en anderzijds van hen die gebruik maakten van hun eigen voertuig en die wensen gebruik te maken van de door de overheid ter beschikking gestelde opvangcentra.

Diegenen die gebruik maakten van hun persoonlijk voertuig en niet wensen opgenomen te worden in de voorziene opvangcentra, dienen zich te laten registreren op het secretariaat van de gemeente of stad waar zij tijdelijk onderkomen gevonden hebben.

In geval van een uitgestelde evacuatie worden de geëvacueerden in de opvangcentra gecontroleerd op besmetting en kunnen personen en materieel worden gedecontamineerd (zie hoofdstuk 8.2.5.). Van daaruit kunnen de geëvacueerden naar meer permanente bestemmingen vertrekken en afhankelijk van hun opgelopen dosis, indien nodig, eventueel medisch worden begeleid.

Personen die hun eigen voertuig hebben gebruikt en geen beroep doen op de voorziene opvangcentra zullen instructies krijgen voor auto-decontaminatie op de controleposten, tijdens de evacuatie zelf.

Al deze richtlijnen zullen worden opgenomen in de informatiecampagne over de verspreiding van de jodiumtabletten in de noodplanningszones.

Tijdens de evacuatie zullen de vitale overheidsdiensten (water, elektriciteit en gas) zolang als nodig hun opdracht blijven verderzetten in de geëvacueerde zone. Overeenkomstig § 1.3 moet een intern noodplan voorgelegd worden aan de Minister van Binnenlandse Zaken.

De waarschuwing van de bevolking betreffende de toepassing van de evacuatiemaatregel zal op dezelfde manier als voor de andere maatregelen geregeld worden. 8.2.4.3 Verantwoordelijken voor de uitvoering De evacuatie van de bevolking uit een zone is een uitzonderlijke maatregel en kan uitsluitend worden bevolen door het federale coördinatiecomité (alarmniveau U3).

De Provinciegouverneur coördineert ter plaatse de aanwending van de middelen die noodzakelijk zijn met het oog op de evacuatie en de opvang van de bevolking, overeenkomstig het provinciale rampenplan voor hulpverlening.

De concrete aanwending van de evacuatie gebeurt in overleg met de territoriaal bevoegde burgemeester(s).

De autoriteiten bevoegd voor het onderwijs, de strafinrichtingen, de hospitalen, de psychiatrische ziekenhuizen, de asielen, de homes en de rusthuizen, werken mee aan de voorbereiding van de evacuatieplannen en voorzien in de maatregelen die noodzakelijk zijn met het oog op de evacuatie van : - de personen die afhankelijk zijn van een permanente medische verzorging; - de personen die in deze instellingen gedomicilieerd zijn; - de personen die op grond van een rechterlijke beslissing van hun vrijheid zijn beroofd.

Bijzondere aandacht moet gaan naar de evacuatie van industriële installaties die binnen de noodplanningszone gelegen zijn.

Daartoe dienen de verantwoordelijke autoriteiten een intern noodplan op te maken dat aan de Provinciegouverneur ter goedkeuring moet worden voorgelegd. 8.2.5 Decontaminatie 8.2.5.1 Doelstellingen Reductie van de rechtstreekse gevolgen van de straling op de personen, ingevolge radioactiviteitsafzetting op het lichaam of op de voertuigen, de kleding, de dieren enz., zodat geen gezondheidsschade meer kan ontstaan en de verspreiding van radioactieve stofdeeltjes in de minder of niet-besmette zones beperkt wordt.

Deze decontaminatiemaatregel voorziet niet alleen het uitvoeren van de ontsmettingshandelingen, maar ook de activiteiten die nodig zijn om effectief te kunnen ontsmetten, met name : - het meten van de aanwezige radioactieve stoffen vóór en na de ontsmetting; - het vaststellen van de meest geschikte methodes met de daarbij in acht te nemen veiligheidsmaatregelen; - het vaststellen van de toelaatbare restbesmetting; - het vooraf selecteren van mogelijke ontsmettingsplaatsen.

Direct na het ongeval en de radioactieve lozing is vooral de controle op personen, dieren, goederen en voertuigen van belang. 8.2.5.2 Basisprincipes van toepassing 8.2.5.2.1 Decontaminatie van de personen Deze operatie gaat hoofdzakelijk samen met de uitgestelde evacuatie.

De beslissing tot ontsmetting zal steunen op meetresultaten.

De meet- en ontsmettingseenheid zal worden opgericht in de opvangcentra.

Om de personen gedurende hun evacuatie niet langer dan nodig aan externe bestraling bloot te stellen, moet de evacuatietijd binnen de besmette zone zo beperkt mogelijk gehouden worden, zodat geen tijd verloren mag worden door de ontsmetting te voorzien aan de doorlaatposten.

De personen die mogelijk besmet zijn en die zich niet begeven naar de opvangcentra, zullen de nodige richtlijnen meekrijgen bij het verlaten van de besmette zone zodat zij zelf een aantal decontaminatiemaatregelen kunnen toepassen. 8.2.5.2.2 Decontaminatie van voertuigen en goederen - Richtlijnen van toepassing Indien het vermoeden bestaat dat goederen besmet zijn of indien dit door meting bevestigd wordt, moet worden gezorgd voor de ontsmetting of, zo nodig, voor de tijdelijke opslag ervan.

De voertuigen zullen bij het verlaten van de besmette gebieden, ontsmet worden. Een eerste ontsmetting kan plaatsvinden door het afspuiten van het voertuig door de hulpdiensten. In de opvangcentra zal door metingen nagegaan worden of de ontsmetting voldoende was of niet; er zal een verdere decontaminatie doorgevoerd worden indien nodig.

Blijven nog de ontsmettingsmaatregelen op langere termijn, die deel uitmaken van de herstel- en nazorgoperaties. Deze zijn er voornamelijk op gericht de woon-, werk-, en recreatiefuncties van een bepaald gebied te herstellen en vallen buiten het kader van dit plan. 8.2.5.3 Verantwoordelijken voor de uitvoering De decontaminatiemodaliteiten, die eveneens betrekking hebben op de medische bijstand, dienen in het provinciale rampenplan voor hulpverlening bepaald te worden. 8.2.6 Aanbevelingen naar bepaalde bevolkingsgroepen 8.2.6.1 Doelstellingen Afgezien van de aanbevelingen die in de vorige rubrieken reeds ter sprake zijn gebracht, zijn sommige aanbevelingen voor de bevolking die betrekking hebben op eenvoudige en ongevaarlijke maatregelen, van aard om de collectieve dosis te verminderen of nutteloze doses te vermijden. Deze maatregelen zullen vaak worden gekoppeld aan de schuilmaatregelen. 8.2.6.2 Richtlijnen van toepassing Sommige van deze aanbevelingen zijn algemeen van aard en gericht op de bevolking in haar geheel. De meeste aanbevelingen zijn evenwel op specifieke groepen van de bevolking gericht, onder meer op kinderen en zwangere vrouwen en op landbouwers, tuinbouwers en veekwekers die, ondanks de aanbevelingen om de woning niet te verlaten, toch buiten moeten zijn en die de volgende dagen, ondanks deze aanbevelingen, toch buitenshuis zullen moeten werken. 8.2.6.3 Verantwoordelijken voor de uitvoering Deze aanbevelingen worden door de evaluatiecel aan het federale coördinatiecomité meegedeeld. De informatiecel is bevoegd voor de communicatie ervan aan de bevolking. 8.3 Medische acties 8.3.1 Basisfilosofie De evacuatie van de slachtoffers (niet te verwarren met de evacuatie van de bevolkingsgroepen) geschiedt via een verplicht punt waar de essentiële handelingen zoals de triage, de conditionering, de identificatie (zelfs de voorlopige) en de regulatie van de ziekenhuisbestemmingen gebeuren.

De maatregelen voor het toezicht na het ongeval op de getroffen bevolking worden georganiseerd en worden niet beschreven in het kader van dit plan.

De medische hulpverleningsketting zal de medewerking krijgen van diensten gespecialiseerd in de radioprotectie op het terrein. 8.3.2 Doelstellingen De medische acties hebben tot doel : - de evaluatie van de ernst van de situatie, karakterisering van de soorten van slachtoffers, bepaling van het aantal slachtoffers; - de deelname aan de bepaling van de zones voor sanitaire interventie; - de beslissingen van aanwerving van personeel (zie 8.1); - de inwerkingstelling en bestuur van de medische hulpverleningsketting; - de beperking van de contaminatie in een op voorhand bepaalde zone; - de beoordeling van de noodzaak tot verhoging van de inzetmogelijkheden, rekening houdend met het bijzondere risico voor de personeelsleden en ook met de bijzondere omloopsnelheid van de verschillende etappes van de medische hulpverleningsketting, decontaminatie inbegrepen; - de hergroepering van alle interveniërende partijen en het openen van een specifiek medisch dossier; - de geldigverklaring van de specifieke triagekaarten (met dosimetrische indicaties); - de regulatie van de evacuatie naar ziekenhuiscentra in functie van de indicaties van het provinciale coördinatiecentrum of, desgevallend, van het CGCCR. 8.3.3 Richtlijnen van aanwending Een specifiek medisch interventieplan zal uitgewerkt worden op het niveau van elke betrokken provincie. Dit plan beschrijft op een gedetailleerde wijze de acties van elk team, de nationale en internationale middelen voor systematische versterking, de hergroeperingspunten, de mogelijkheden tot vestiging van vooruitgeschoven medische posten, de toegangswegen en de wegen voor evacuatie van slachtoffers, de ziekenhuizen van bestemming in functie van de ernst of van de specificiteit van de letsels, de plaatsen van samenkomst voor de versterkingen, diegene bepaald voor de gespecialiseerde diensten, de organisatie van het dosimetrische toezicht en de modaliteiten voor het inzetten van de personeelsleden.

De zones voor sanitaire interventie worden voorbereid volgens schema's opgemaakt met de gespecialiseerde diensten.

Algemene principes - De geneesheer-directeur van de medische hulpverleningsoperaties of zijn adjunct is een ziekenhuisspecialist (op voorhand aangewezen op een lijst van verplichtingen) bekwaam op het vlak van de radioprotectie; - het personeel van de interventiediensten wordt op voorhand geïdentificeerd en geniet van een aangepaste opleiding en een specifieke medische bescherming; - alle personeel belast met het ophalen, het verzorgen en het transport van slachtoffers dient uitgerust te zijn met een adequate bescherming; - loten specifieke materialen (met wegwerpcontainers) worden klaargemaakt in samenwerking met de Medische Dienst van de onderneming; - de decontaminatie dient vroegtijdig ondernomen te worden (vóór de opname in het ziekenhuis). Hiertoe zal men gebruik maken van de structuren van de medische diensten van de site, indien ze toegankelijk zijn; indien dit niet het geval is, zal men een beroep doen op voorlopige structuren, oordeelkundig gespreid op het terrein; - een medische triagekaart met klinische gegevens dient ingevuld te worden; - decontaminatie- en hulpverleningsposten dienen opgericht te worden voor de hulpverleningsvoertuigen; - adequate beslissingsschema's worden toegestuurd aan alle geneesheren die in aanmerking komen om te interveniëren. 8.3.4 Verantwoordelijken voor de uitvoering Overeenkomstig de omzendbrief van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 11 juli 1990 in verband met de rampenplannen voor hulpverlening, werkt de provinciale Gezondheidsinspecteur van de FOD Volksgezondheid en Leefmilieu, onder toezicht van de Provinciegouverneur, een aangepast medisch interventieplan uit.

De Dienst voor Sanitaire Hulp aan de burgerbevolking van de FOD Volksgezondheid en Leefmilieu waakt over de technische coördinatie van de provinciale sanitaire plannen.

Door de Gouverneur wordt een wachtrol opgemaakt voor de Geneesheer-directeurs van de hulpverleningsoperaties, op basis van conventies op te stellen met de ziekenhuizen van de provincie. 8.4 Beperkingen inzake de consumptie van besmet voedsel of water 8.4.1 Doelstellingen Deze aanbevelingen strekken ertoe de interne blootstelling van de bevolking naar aanleiding van de inname van besmet water of voedsel te verminderen. 8.4.1.1 Basisprincipes van toepassing De toepassing van de maatregelen betreffende de voedselketen heeft tot doel de interne blootstelling van de bevolking te doen dalen.

Ook in dit geval moeten rechtstreekse gevolgen voor de gezondheid van de consumenten vermeden worden, moeten de collectieve dosis en het individuele risico voor gevolgen op lange termijn zoveel mogelijk ingedijkt worden, maar moet daarbij vermeden worden dat de tegenmaatregel (bijv. het verbod om een bepaald voedsel te gebruiken) niet meer schadelijke gevolgen heeft dan die welke voortvloeien uit interne blootstelling aan ioniserende stralingen.

De bepaling van een nulniveau inzake nucleaire besmetting van het voedsel na een nucleair ongeval zou onmiskenbaar tot de verhongering van de bevolking leiden. Bijgevolg worden voor de maatregelen houdende de beperking en/of het verbod van de voedseldistributie ook niveaus van interventiedoses vastgelegd.

Aan de hand daarvan, worden niveau's inzake maximale radioactieve besmetting van het voedsel vastgesteld (een bepaald aantal Becquerel van een bepaalde radionucleide per kg van een bepaald soort voedsel).

In de praktijk worden de niveau's inzake maximale radioactieve besmetting omgezet in operationele afgeleide niveau's van oppervlaktebesmetting (in Bq/m2) via specifieke hypothesen (bijv. de hoeveelheid verbruikt voedsel varieert naar gelang van het individu).

Deze operationele afgeleide niveau's worden opgenomen in de interne procedures van de evaluatiecel. 8.4.1.2 Europees Reglement De Europese Unie heeft desbetreffend een reglementering uitgewerkt en is overgegaan tot de bepaling, m.b.t. de gevolgen van een ongeval, van vooraf vastgestelde niveaus inzake maximale voedselbesmetting voor commercialisatie, die binnen een termijn van drie maanden kunnen aangepast worden (zie tabel).

MAXIMAAL TOELAATBARE NIVEAUS VOOR HET VRIJE VERKEER BINNEN DE EU VAN LEVENSMIDDELEN EN DIERVOEDERS (Bq/kg).

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (1) Het niveau voor geconcentreerde of gedroogde producten wordt berekend op basis van het gereconstitueerde gebruiksklare product.De Lidstaten kunnen aanbevelingen formuleren betreffende de aanlengingsvoorwaarden met het oog op het naleven van de bij deze verordening vastgestelde maximaal toelaatbare niveaus. (2) De maximaal toelaatbare niveaus voor de diervoeders worden bepaald overeenkomstig artikel 7 van de Euratomverordening 3954/87, gewijzigd door de Euratomverordening 2218/89, aangezien deze niveaus moeten bijdragen tot de naleving van de maximaal toelaatbare niveaus voor de levensmiddelen, op zich deze naleving in alle omstandigheden niet kunnen garanderen en niet afdoen aan de verplichting om de niveaus in producten van dierlijke oorsprong, bestemd voor menselijke consumptie, te controleren.De niveaus zijn van toepassing op de voedingswaren bestemd voor de consumptie. (3) Onder babyvoeding wordt verstaan de levensmiddelen die bestemd zijn voor de voeding van zuigelingen in de eerste vier tot zes maanden van hun leven, die op zichzelf voldoen aan de voedingsbehoeften van deze categorie personen en in de detailhandel verkrijgbaar zijn in gemakkelijk herkenbare verpakkingen voorzien van het etiket « babyvoeding ».(4) Onder zuivelproducten worden verstaan de producten die vallen onder de volgende GN-codes, en, in voorkomend geval, in de aanpassingen die later hierin kunnen worden aangebracht : 0401, 0402 (behalve 04022911).(5) De minder belangrijke levensmiddelen en de daarop toe te passen overeenkomstige niveaus worden bepaald.De waarden voor de minder belangrijke levensmiddelen zijn 10 maal hoger dan de waarden van de Euratomverordening 2218/89 voor de rubriek « Andere levensmiddelen, met uitzondering van minder belangrijke ». (6) Vloeibare levensmiddelen, als gedefinieerd in de GN-code 2009 en in het hoofdstuk 22 van de gecombineerde nomenclatuur.De waarden worden berekend met inachtneming van het verbruik van kraanwater en dezelfde waarden zouden naar goeddunken van de bevoegde autoriteiten in de Lidstaten moeten worden toegepast voor de drinkwatervoorziening. (7) Koolstof-14, tritium en kalium worden niet hiertoe gerekend. Het reglement voorziet echter dat er specifieke niveau's kunnen worden toegepast voor de zones die dichtbij de plaats van het ongeval liggen.

Er moet eveneens onthouden worden dat deze niveau's, die enkel de aspecten van commercialisering betreffen, bepaald werden op basis van algemene hypotheses. Indien nodig, moeten meer beperkte niveau's overwogen worden, met name in het kader van de besmetting van melk door jodium 131 (consumptie door de kinderen) of de besmetting van melk en verse groenten door langlevende alfa-emissies consumptie door zeer kleine kinderen). 8.4.1.3 Praktische benadering In de praktijk, steunen de maatregelen die tot doel hebben de inwendige blootstelling van de bevolking te verlagen, vooral op het beperken en/of verbieden van het gebruik of de commercialisering van levensmiddelen (en van drinkwater), als blijkt dat de besmetting ervan bepaalde maximaal toelaatbare niveaus overstijgt.

De beschrijving van de maatregelen tot naleving van de Europese reglementering (verplichtingen voor de landbouw- en voedingsnijverheid, certificaten, vernietigingen...) is vastgelegd in de bijzondere plannen van de betrokken departementen (FAVV, ...).

In dit plan worden enkel de directe maatregelen aangegeven die ertoe strekken de inwendige bestraling van personen te beperken bij inname van besmet voedsel en water gedurende de eerste uren van de besmetting.

Het begin en de periode van consumptie-ontrading of verbod is afhankelijk van de vrijgekomen isotopen, de voedselsoort en de besmettingsweg (rechtstreekse depositie vanuit de lucht of opname vanuit een besmette bodem).

Meestal zal de ontrading of het verbod van consumptie preventief gebeuren tot op het ogenblik dat de noodzakelijke controles zullen gemeten zijn op de werkelijke besmetting. 8.4.2 Richtlijnen van toepassing 8.4.2.1 Verse gewassen In de rechtstreekse besmettingsfase kunnen zowel kortlevende als langlevende elementen voorkomen. Het verbruiksverbod zal onmiddellijk ingaan bij het begin van de lozing. De afkondiging ervan gebeurt via radio en T.V. Indien enkel kortlevende elementen zijn afgezet, zal de maatregel voor een korte periode gelden.

Dit verbod zal noodzakelijkerwijs gemoduleerd zijn volgens de oppervlakte-adsorptiecapaciteit van de verschillende gewassen. 8.4.2.2 Verbod op gebruik van drinkwater of oppervlaktewater Het verbod heeft enkel betrekking op drinkwater dat gewonnen wordt uit openluchtspaarbekkens en waterlopen. Het verbruiksverbod zal steunen op gemeten besmetting van het behandeld ruwwater. De afkondiging ervan gebeurt via radio en T.V. Indien geen specifieke maatregelen worden uitgevaardigd, kan het winnen van drinkwater uit grondwater verder gaan. Het gebruik van watertanken (regenwater) wordt afgeraden, tenzij andere richtlijnen worden gegeven. 8.4.2.3 Melk De melkbesmetting zal een maximum bereiken onmiddellijk na een acute afzetting voor de jodiumisotopen en kan ook gedurende een lange periode (meerdere jaren) aanhouden wanneer cesium en strontium vrijkomen. De omvang van de besmetting wordt hoofdzakelijk bepaald door de besmettingsgraad van het diervoeder.

Het verbod zal gemotiveerd worden door controlemetingen, die in het geval van een homogene besmettingssituatie gericht zullen zijn op de verdeelcentra (melkerijen) en in het geval van ongelijkmatige besmetting, bij de producenten (boerderijen) moeten worden uitgevoerd.

Het verbruik buiten het niet-commerciële circuit is - tenzij anders gespecificeerd - af te raden.

Het verbod zal worden afgekondigd via radio en T.V. 8.4.2.4 Vlees Het verbruiksverbod dat zich niet in dezelfde mate van hoogdringendheid stelt als de andere maatregelen, kan algemeen zijn of rekening houden met specifieke diersoorten volgens de spreiding van de besmettingsgraad, die beïnvloed wordt door het dieet (besmet of opgeslagen voeder), de kweekzone...

De maximale vleesbesmetting situeert zich later dan de melkbesmetting en bestaat hoofdzakelijk uit de isotopen van cesium. Het verbruiksverbod steunt op controles die prioritair in slachterijen worden uitgevoerd. Het verbod wordt afgekondigd via radio en T.V. Een speciale controle moet worden uitgebouwd voor vleeswaren die niet langs de traditionele circuits bij de verbruiker komen en meestal een hogere besmettingsgraad vertonen omwille van de specificiteit van hun voeding (wild). 8.4.2.5 Verbod op gebruik van andere voedingswaren De voedingswaren die aan de lucht blootgesteld worden tijdens het voorbijtrekken van de radioactieve wolk zijn besmet. Het is aan te raden het verbruik uit te stellen tot steekproeven de werkelijke besmettingsgraad hebben aangetoond.

Het verbruiksverbod wordt afgekondigd via radio en T.V. 8.4.3 Verantwoordelijken voor de uitvoering De bijzondere plannen van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen bepaalt de modaliteiten van uitvoering i.v.m. de primaire producten.

De interne plannen van de Gewesten die het drinkwaterbeleid in hun bevoegdheid hebben, bepalen de modaliteiten van uitvoering voor het drinkwater. 8.5 Preventieve maatregelen betreffende de voedselketen 8.5.1 Doelstellingen Naast de maatregelen om de consument te beschermen, kunnen een reeks andere preventieve maatregelen worden genomen teneinde de radioactieve besmetting van voedsel zoveel mogelijk te verminderen.

De preventieve acties ter bescherming van de voedselketen worden opgezet zodra het risico ontstaat van overschrijding van de maximaal toelaatbare niveaus voor besmetting van voedsel, zoals die in de Europese reglementering zijn vastgelegd teneinde de doses voor de bevolking te beperken. Er moet worden onderstreept dat dergelijke situaties zich kunnen voordoen voor dosisniveaus die lager liggen dan die welke aanleiding geven tot de inwerkingtreding van maatregelen ter bescherming van de bevolking.

In geval van hogere dosisniveaus moeten de uitvoerbaarheid en de wenselijkheid van de tegenmaatregelen worden geëvalueerd. 8.5.2 Basisprincipes van toepassing De aanbevolen maatregelen hangen af van de fase van het ongeluk (vóór, tijdens of na radioactieve lozingen) en van de ernst ervan (de scenario's : gewone waakzaamheid, gevaar beperkt tot de voedselketen en gevaar voor de bevolking komen overeen met de alarmniveaus U1 tot U3).

De interne noodplannen van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, dienen conform §1.3 te worden overgemaakt aan de Minister van Binnenlandse Zaken.

Het federale coördinatiecomité geeft aanbevelingen of vaardigt richtlijnen uit. De uitvoeringsmodaliteiten ervan worden vastgesteld door de bevoegde diensten van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, zoals vermeld in het interne plan van deze overheden. Deze overheden beslissen wanneer de maatregelen worden opgeheven. 8.5.3 Graasverbod 8.5.3.1 Doelstellingen De besmetting van voedsel (melk en vlees) kan sterk verminderd worden door het vee van besmet weiland te verwijderen.

Zo wil men de voedselvoorziening voor de Belgische bevolking en de internationale handel (export) vrijwaren. 8.5.3.2 Richtlijnen van toepassing en algemene bepalingen Deze beschermingsmaatregel is hoofdzakelijk van toepassing op ongevallen met vrijkomen van jodium, cesium en strontium, die zich in melk (jodium, strontium en cesium) of spierweefsel concentreren. De uitvaardiging is afhankelijk van de beschikbaarheid van onbesmet opgeslagen voeder en veronderstelt dat het blootstellingsrisico voor personen (landbouwers) aanvaardbaar is.

De lijst van getroffen gemeenten zal via radio en T.V. worden medegedeeld.

De vermoedelijke duur van het verbod wordt aangegeven in functie van het incident. 8.5.4 Evacuatie van het vee 8.5.4.1 Doelstellingen Hoewel door deze maatregel, zoals bij het graasverbod, de voedselbesmetting wordt onderdrukt, zal hij enkel overwogen worden als onderdeel van een evacuatie.

Er zal slechts een evacuatie overwogen kunnen worden wanneer het vee onvoldoende kan worden gestald in het getroffen gebied en wanneer het gebied voldoende klein is. 8.5.4.2 Richtlijnen van toepassing De evacuatie van het vee is een operatie die hoofdzakelijk door economische argumenten wordt ingegeven en dus ondergeschikt is aan de bescherming van de individuen tegen de straling. Om deze reden is ze enkel toepasbaar bij trage evacuatiescenario's.

Het afkondigen van de operatie zal via radio en T.V. gebeuren. 8.5.5 Verbod op irrigatie en op verbruik van drinkwater voor de dieren 8.5.5.1 Doelstellingen Voorkomen van besmetting van culturen door irrigatie met besmet water.

Ook de besmetting van de dieren door het drinken van water uit regenwatertanken dient vermeden te worden. Het grondwater zal de eerste periode na een nucleair ongeval nog niet verontreinigd zijn. 8.5.5.2 Richtlijnen van toepassing De maatregel is vooral pertinent bij besmetting van de regenwaterreservoirs. Die is het resultaat van regenval tijdens de luchtbesmetting en/of van droge afzetting uit de lucht in open spaarbekkens en oppervlakte waters. Het verbod zal worden afgekondigd via radio en T.V. 9 HULP UIT HET BUITENLAND België heeft met zijn buurlanden bilaterale overeenkomsten afgesloten voor wederzijdse bijstandsverlening in geval van rampen of calamiteiten, daarin begrepen de nucleaire ongevallen : - met het Groot-Hertogdom Luxemburg (wet van 31 januari 1978); - met Frankrijk (wet van 9 december 1983); - met Duitsland (wet van 17 januari 1984); - met Nederland (wet van 9 september 1988).

De Minister van Binnenlandse Zaken kan, krachtens deze overeenkomsten, een bijzondere bijstand inroepen voor radiologische noodsituaties.

Daarenboven kan de Minister van Binnenlandse Zaken de bijstand inroepen : - van alle lidstaten die de Conventie betreffende de hulpverlening bij nucleaire ongevallen hebben ondertekend. (Convention on Assistance in the Case of a Radiological Emergency, Wenen 26.09.1986) (zie rubriek Agence Internationale de l'Energie Atomique (AIEA)). - via het communautair mechanisme ter vergemakkelijking van versterkte samenwerking bij bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming (Beschikking van de Europese Raad van 23.10.2001, bekendgemaakt in het Publicatieblad nr. L-297 van 15.11.2001 blz. 0007-0011). 10 OPLEIDING EN OEFENINGEN Alle overheden en private personen die betrokken zijn bij dit noodplan zorgen, in samenspraak met alle andere deelnemers aan dit noodplan, voor de nodige opleiding en oefening van hun eigen personeel.

Inzake opleiding van de personen betrokken bij dit plan, dient de Europese richtlijn 89/618/Euratom d.d. 27 november 1989 te worden toegepast.

Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 juli 1991 tot oprichting van een hoger instituut voor de noodplanning, behoort het eveneens tot de opdrachten van dit instituut om, aan de personen die ingeschakeld kunnen worden bij de organisatie van de hulpverlening, adequate en geregeld bijgewerkte informatie te verspreiden over de risico's die hun inzet voor hun gezondheid heeft en over de in dergelijke gevallen te nemen voorzorgsmaatregelen. 10.1 Initiële opleiding Elke deelnemende organisatie zorgt voor de initiële opleiding van haar personeelsleden die zouden kunnen interveniëren in het kader van dit plan. Het opleidingsschema en -programma (theoretische en praktische cursussen) worden voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken, die, indien nodig, aanpassingen kan vragen. 10.2 Informatie aan het medische korps en aan de apothekers De Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, zal aan het medisch korps van het land de specifieke informatie betreffende de radiologische noodsituaties meedelen. 10.3 Bijscholing De verschillende in dit plan interveniërende organisaties staan in voor de bijscholing van hun personeel. De Minister van Binnenlandse Zaken ontvangt van elke in dit plan interveniërende organisatie jaarlijks een verslag dat de uitgevoerde bijscholingsacties beschrijft. De Minister van Binnenlandse Zaken kan hier eveneens aanpassingen vragen. 10.4 Oefeningen Bij de voornaamste Belgische nucleaire installaties, bepaald in par. 1.3.1 (toepassingsveld) van dit plan, zal jaarlijks een oefening gehouden worden voor de kerncentrales van Doel en Tihange en om de twee jaar voor de vier andere installaties (Instituut voor Radio-elementen, Belgonucleaire, Belgoprocess en Studiecentrum voor Kernenergie).

De omvang van deze oefeningen wordt bepaald door de Mininster van Binnenlandse Zaken of zijn vertegenwoordiger, in samenspraak met de exploitant van de betrokken installatie, de Provinciegouverneur en eventuele andere interveniërende partijen. Bij het bepalen van de omvang van de oefeningen, wordt rekening gehouden met de lessen en conclusies uit de vorige oefeningen.

Minstens de interactie en de informatieuitwisseling tussen de exploitant, het CGCCR en de evaluatiecel worden tijdens deze oefeningen gecontroleerd.

Er wordt een jaarlijks en/of meerjarig oefenprogramma opgesteld door de Mininster van Binnenlandse Zaken of zijn vertegenwoordiger, in samenspraak met de exploitanten van de betrokken nucleaire installaties, de betrokken Provinciegouverneurs en andere interveniërende partijen. Indien nodig, bevat het andere noodsituaties dan die vermeld in § 1.3.1 van dit plan.

Om de 3 jaar wordt een oefening van grote omvang (globale oefening) georganiseerd. De praktische modaliteiten van de globale oefening worden vastgelegd door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn vertegenwoordiger, in samenspraak met de betrokken interveniërende partijen.

Bovendien zal de deelname van België aan internationale oefeningen, zoals bilaterale oefeningen of door internationale instanties georganiseerde oefeningen (EG, IAAE, OESO/NEA), opgenomen worden in het voormelde jaarlijks en/of meerjarig programma. 10.5 Evaluatie en getrokken lessen Elke oefening wordt door alle betrokken partijen geëvalueerd, die er lessen uit trekken voor hun eigen gebruik.

Een globaal jaarverslag over de evaluatie van de oefeningen wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid van het CGCCR en bezorgd aan de Minister van Binnenlandse Zaken, ten laatste tegen het einde van de maand maart van elk jaar.

Dit globaal verslag bevat eveneens een actieplan met de verbeterde acties naar aanleiding van de ervaring van de oefeningen.

Op basis van de jaarlijkse globale evaluatieverslagen, kan de Minister van Binnenlandse Zaken de verschillende bij dit plan betrokken partijen samenroepen teneinde er voorstellen tot wijzigingen uit af te leiden. 11 VOORAFGAANDE INFORMATIE Overeenkomstig de richtlijn 89/618/Euratom van de Raad van Europese Gemeenschappen van 27 november 1989 dient de bevolking die kan getroffen worden in geval van stralingsgevaar, d.w.z. de bevolking binnen de algemene noodplanningzone van de nucleaire sites, vooraf geïnformeerd te worden over de maatregelen ter bescherming van de gezondheid die op haar van toepassing zullen zijn, alsmede over de te volgen gedragslijn bij stralingsgevaar.

De voorafgaande informatie moet ten minste betrekking hebben op : - de basiskennis over radioactiviteit en effecten daarvan op mens en milieu; - de verschillende in aanmerking genomen gevallen van stralingsgevaar en hun gevolgen voor bevolking en milieu; - de voorgeschreven noodmaatregelen om de bevolking bij stralingsgevaar te alarmeren, te beschermen en haar hulp te bieden; - de passende informatie over de gedragslijn die de bevolking bij stralingsgevaar zou moeten volgen.

De informatie wordt voortdurend bijgewerkt, ook wanneer in de beschreven maatregelen significante wijzigingen worden aangebracht.

Zij wordt op gezette tijden verstrekt zonder dat de betrokken bevolking erom hoeft te vragen, via informatiecampagnes.

Hoewel de voorafgaande informatie als zodanig geen deel uitmaakt van dit noodplan, is het niettemin een belangrijk element wanneer bij werkelijk stralingsgevaar, de bevolking de maatregelen die in dit noodplan voorzien zijn beter zou kunnen opvolgen en de te volgen gedragslijn beter zou kunnen bepalen.

De bevolking zal tijdens de informatiecampagnes op de hoogte worden gebracht van het feit dat dit noodplan zal, in het kader van de openbaarheid van bestuur, steeds kunnen geraadpleegd worden in elke gemeentelijke administratie binnen de noodplanningszone.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons Besluit van 17 oktober 2003.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL _______ Nota's (*) Ontradingsperimeter (gele zone) : zone zonder gevaarlijke gevolgen, zonder onomkeerbare gezondheidsproblemen. De inwoners en werknemers hebben vrije toegang tot de zone. De zone wordt echter verboden voor alle verkeer en voor ramptoeristen.

Isolatieperimeter (oranje zone) : zone met schadelijke gevolgen of waar schadelijke gevolgen verwacht kunnen worden. Deze zone is toegankelijk voor alle hulpdiensten.

^