Koninklijk Besluit van 18 mei 2009
gepubliceerd op 04 juni 2009
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot vaststelling van de rechten en plichten op gerechtelijke opleiding, evenals de uitvoeringsmodaliteiten van de opleidingen ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 2, 4° tot 10°, van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerec

bron
federale overheidsdienst justitie
numac
2009009320
pub.
04/06/2009
prom.
18/05/2009
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

18 MEI 2009. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de rechten en plichten op gerechtelijke opleiding, evenals de uitvoeringsmodaliteiten van de opleidingen ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 2, 4° tot 10°, van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op artikel 108 van de Grondwet;

Gelet op de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding, artikelen 6 en 8, § 1, tweede lid;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 11 september 2008;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken, gegeven op 8 december 2008;

Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 14 januari 2009;

Gelet op het protocol van onderhandelingen nr. 338 van het Sectorcomité III gesloten op 23 april 2009;

Gelet op het advies nr. 45.987/2 van de Raad van State, gegeven op 4 maart 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voordracht van de Minister van Justitie en van de Staatssecretaris voor Begroting, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Dit besluit is van toepassing op de personen bedoeld in artikel 2, 4° tot 10°, van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding ongeacht of zij zijn benoemd of bij arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen.

De personen bedoeld in het eerste lid, die voorlopig benoemd zijn, zijn uitgesloten van de bepalingen betreffende het opleidingsverlof.

Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder : - gerechtspersoneel : alle personen bedoeld in het eerste lid; - personeelslid : iedere persoon bedoeld in het eerste lid; - de Wet : de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding; - het Instituut : het Instituut voor gerechtelijke opleiding; - OFO : Opleidingsinstituut van de Federale Overheid.

Art. 2.Elk personeelslid heeft recht op een opleiding die nuttig is voor zijn functioneren in de Rechterlijke Orde.

Art. 3.De Minister van Justitie laat zich bijstaan door een begeleidingscomité inzake gerechtelijke opleiding, dat is belast met : 1° het onderzoeken van de opleidingsbehoeften;2° het voorbereiden van de richtlijnen met betrekking tot het opleidingsprogramma welke genoemd zijn in artikel 8, § 1, eerste lid, van de Wet;3° het hem voorleggen van voorstellen inzake het uitwerken van de lijst van gecertificeerde opleidingen voorzien in artikel 281 van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 4.Het begeleidingscomité wordt voorgezeten door de ambtenaar hiertoe aangesteld door de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie van de Federale Overheidsdienst Justitie.

Het begeleidingscomité is naast de voorzitter samengesteld uit een magistraat van de zetel, één magistraat van het openbaar ministerie, drie personeelsleden van de griffies, drie personeelsleden van de parketsecretariaten, een personeelslid van niveau A van een hof of een rechtbank en een personeelslid van niveau A van het parket bij een hof of een rechtbank.

Zij worden aangewezen door de Minister van Justitie na hun kandidaatstelling via een publieke oproep.

Het begeleidingscomité is behoudens de voorzitter samengesteld uit een gelijk aantal leden van de Nederlandse taalrol en van de Franse taalrol.

Het begeleidingscomité beslist bij consensus. Bij gebreke van consensus, deelt het aan de Minister van Justitie, die beslist, een advies mee waarin de verschillende standpunten zijn opgenomen.

De leden worden aangewezen voor een verlengbare termijn van zes jaar.

Art. 5.Het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie van de Federale Overheidsdienst Justitie, is belast met : 1° de praktische bevraging omtrent de opleidingsbehoeften;2° het secretariaat en ondersteuning van het begeleidingscomité;3° het onderhouden van de contacten met het OFO met betrekking tot de gecertificeerde opleidingen;4° het onderhouden van de contacten met het Instituut;5° verspreiding van informatie omtrent de gecertificeerde opleidingen en het opleidingsverlof.

Art. 6.De hiërarchische meerdere is : 1° ten opzichte van de referendarissen en de parketjuristen of het gerechtspersoneel van het niveau A, de korpschef van het hof, de rechtbank of van het parket waaraan ze zijn toegewezen;2° ten opzichte van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, de eerste voorzitter bij het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij dat hof;3° ten opzichte van de hoofdgriffier, de korpschef, de oudst benoemde rechter in de politierechtbank of de vrederechter;4° ten opzichte van de hoofdsecretarissen, de korpschef;5° ten opzichte van de griffiers, de hoofdgriffier;6° ten opzichte van de secretarissen, de hoofdsecretaris;7° ten opzichte van de deskundigen, de assistenten, de medewerkers, al naargelang van het geval, de hoofdgriffier of de hoofdsecretaris.

Art. 7.De functionele chef aangewezen door de hiërarchische meerdere, die de dagelijkse leiding heeft van of het toezicht heeft over het werk van de personeelsleden, geeft in samenspraak met die personeelsleden en rekening houdend met de functievereisten en de evaluatie, aan die hiërarchische meerdere advies omtrent de behoeften aan opleiding. HOOFDSTUK 2. - Gerechtelijke opleiding

Art. 8.De opleiding moet een opleiding zijn zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet en moet erkend zijn.

Art. 9.§ 1. Volgende opleidingen worden van rechtswege erkend : 1° De opleidingen voorzien in het opleidingsprogramma, zoals opgesteld door het Instituut;2° de opleidingen voorzien in het opleidingsprogramma van het OFO;3° de initiële opleiding;4° de opleidingen ter voorbereiding op een vergelijkend wervingsexamen of een bevorderingsexamen in de rechterlijke organisatie;5° gerichte opleidingen met betrekking tot te gebruiken informaticatoepassingen;6° de opleidingen met betrekking tot een andere landstaal;7° de gecertificeerde opleidingen genoemd in artikel 279 van het Gerechtelijk Wetboek. § 2. De opleidingen die rechtstreeks verband houden met de functie van het personeelslid en die niet voorzien zijn in de eerste paragraaf, kunnen worden erkend door het Instituut. HOOFDSTUK 3. - De initiële opleiding

Art. 10.Het personeelslid krijgt bij zijn indiensttreding, een opvangopleiding met medewerking van de functionele chef of de persoon die daartoe door de hiërarchische meerdere wordt aangewezen.

Deze opleiding zorgt voor het onthaal in de rechtsmacht en bevordert de integratie van het nieuw personeelslid.

De personeelsleden krijgen, binnen de zes maanden die volgen op hun indiensttreding, een algemene opleiding omtrent de context van hun tewerkstelling, de rechterlijke organisatie alsmede hun arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. HOOFDSTUK 4. - Modaliteiten Afdeling 1. - Beginsel

Art. 11.De personeelsleden kunnen op initiatief van hun hiërarchische meerdere, die de opleiding voorstelt of oplegt, of op eigen initiatief een gerechtelijke opleiding zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet volgen. Zij krijgen hiertoe een dienstvrijstelling of een opleidingsverlof. Afdeling 2. - Dienstvrijstelling - Voorwaarden en toelating

Art. 12.De opleiding, al dan niet georganiseerd door het Instituut, waartoe het initiatief uitgaat van de hierarchische meerdere geeft recht op een dienstvrijstelling die wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Art. 13.De duur van deze opleiding is gelijk aan de tijd die nodig is voor deze opleiding.

Voor het open hoger onderwijs in de Gemeenschappen komt de duur van de opleiding overeen met een vierde van de studielast die voor deze cursus is vastgesteld. Dit aantal staat op het inschrijvingsbewijs vermeld.

Het personeelslid mag de uren van de opleiding die buiten de normale diensturen vallen, compenseren tijdens de diensturen.

Art. 14.Er wordt steeds een dienstvrijstelling toegestaan voor de initiële opleiding.

Art. 15.De dienstvrijstelling wordt toegekend door de hiërarchische meerdere. Afdeling 3. - Opleidingsverlof - Voorwaarden en toelating

Art. 16.De opleiding, al dan niet georganiseerd door het Instituut, die uitgaat van het initiatief van het personeelslid zelf geeft recht op een opleidingsverlof dat wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Het personeelslid krijgt gedurende de periode vermeld in artikel 20 een opleidingsverlof.

Art. 17.Het opleidingsverlof wordt toegekend door de voorzitter van het begeleidingscomité. Het personeelslid richt zijn verzoek voor het opleidingsverlof, vergezeld van het advies van zijn hiërarchische meerdere, tot het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie.

De opleidingen niet bedoeld in artikel 9, § 1, worden voorafgaandelijk voor erkenning voorgelegd aan het Instituut.

Art. 18.Voor opleidingen waarbij men in de les aanwezig moet zijn, mag het opleidingsverlof niet meer dan twee keer worden toegekend voor een zelfde opleiding.

Voor het afstandsonderwijs mag het opleidingsverlof slechts eenmaal worden toegekend voor eenzelfde leerprogramma.

Voor het open hoger onderwijs in de Gemeenschappen mag het opleidingsverlof slechts eenmaal worden toegekend voor eenzelfde cursus. Er kan slechts een opleidingsverlof voor een andere cursus van dit onderwijs gevraagd worden, indien het personeelslid geslaagd is voor de cursus waarvoor hij het eerste verlof heeft gekregen, of indien hij geslaagd is voor een andere cursus van dit onderwijs.

Art. 19.De opleiding kan uitsluitend geheel of gedeeltelijk geweigerd worden als ze onverenigbaar is met het belang van de dienst.

Het belang van de dienst mag echter niet in twee opeenvolgende jaren ingeroepen worden om een opleiding te weigeren. Afdeling 4. - Opleidingsverlof - Duur

Art. 20.§ 1. Een opleidingsverlof op initiatief van het personeelslid mag per gerechtelijk jaar niet langer zijn dan 120 uur. § 2. Het maximum dat in de eerste paragraaf is vastgesteld, wordt evenredig verminderd naargelang van de volgende afwezigheden die gedurende het lopende gerechtelijk jaar verkregen zijn : 1° de afwezigheden waarbij het personeelslid in de administratieve stand van non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst;2° het verlof om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen;3° het verlof voor een stage of een proefperiode;4° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang;5° het verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan;6° de halftijdse vervroegde uittreding;7° de vrijwillige vierdagenweek. § 3. Het maximum dat vastgesteld werd overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 wordt verhoogd met het aantal uren opleidingsverlof dat voor het vorige jaar in het belang van de dienst geweigerd werd.

Art. 21.Voor de opleidingen waarbij men in de les aanwezig moet zijn, komt het opleidingsverlof overeen met het aantal cursusuren, verminderd met de uren waarvan het personeelslid vrijgesteld is.

Voor het afstandsonderwijs komt het opleidingsverlof overeen met het aantal cursusuren dat nodig zou zijn om dezelfde materie te volgen in een onderwijssysteem waarbij men in de les aanwezig moet zijn. Dit aantal staat op het inschrijvingsbewijs vermeld.

Voor het open hoger onderwijs in de Gemeenschappen komt het aantal uren opleidingsverlof overeen met een vierde van de studielast die voor deze cursus is vastgesteld. Dit aantal staat op het inschrijvingsbewijs vermeld. Afdeling 5. - Sancties

Art. 22.Het recht op een opleiding wordt geschorst indien uit het bewijs van regelmatige aanwezigheid, voorgeschreven in artikel 25, blijkt dat het personeelslid de opleiding waarvoor hij een opleidingsverlof of een dienstvrijstelling heeft gekregen, niet nauwgezet heeft gevolgd : 1° voor de opleidingen waarbij men in de les aanwezig moet zijn, als het personeelslid gedurende meer dan één vijfde van de opleiding ongewettigd afwezig is geweest;2° voor het afstandsonderwijs, als het personeelslid een hoger aantal uren opleidingsverlof of dienstvrijstelling heeft opgenomen dan wat mocht volgens de artikelen 13 en 20;3° voor het open hoger onderwijs in de Gemeenschappen, als het personeelslid in de twaalf maanden die op zijn inschrijving volgen : a) hetzij uren opleidingsverlof heeft gebruikt, maar aan geen enkel examen heeft deelgenomen;b) hetzij na niet geslaagd te zijn voor een examen, uren opleidingsverlof heeft gebruikt, maar niet meer aan een ander examen heeft deelgenomen. De schorsing geldt voor het resterende gedeelte van het gerechtelijk jaar en voor de twee volgende gerechtelijke jaren. Afdeling 6. - Inschrijving - Individuele opvolging

Art. 23.De controle van de inschrijving gebeurt door het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie, aan de hand van een inschrijvingsbewijs : 1° voor de opleidingen waarbij men in de les aanwezig moet zijn, is dit bewijs conform het model dat is vastgelegd in bijlage I van dit besluit;2° voor het afstandsonderwijs bevat het inschrijvingsbewijs op zijn minst volgende vermeldingen : a) de naam en het adres van de cursist(e);b) de naam en het type van de cursus;c) het aantal uren opleidingsverlof berekend volgens artikel 21, tweede lid;d) een raming van het aantal vereiste studieweken;e) de inschrijvingsdatum;f) de datum van de verzending van het inschrijvingsbewijs aan de cursist;g) het aantal lessen of bundels;3° voor het open hoger onderwijs in de Gemeenschappen bevat het inschrijvingsbewijs op zijn minst de volgende vermeldingen : a) de naam en het adres van de cursist;b) de naam van de cursus en de studielast;c) het aantal uren opleidingsverlof berekend volgens artikel 21, derde lid;d) de inschrijvingsdatum;e) de datum van de laatste mogelijkheid om een examen af te leggen;f) de datum van de verzending van het inschrijvingsbewijs aan de cursist(e).

Art. 24.De inschrijvingsprocedure verloopt als volgt : 1° voor de onderwijsinstellingen die het inschrijvingsbewijs gebruiken waarvan het model als bijlage van dit besluit is gevoegd : a) bezorgt het personeelslid het inschrijvingsbewijs aan de instelling;b) vult de instelling het in en geeft het in de loop van de eerste drie weken van de opleiding terug aan het personeelslid;c) bezorgt het personeelslid het, uiterlijk twee weken nadat hij het ontvangen heeft, aan het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie;2° voor het open hoger onderwijs in de Gemeenschappen en voor het afstandsonderwijs : a) vraagt het personeelslid het inschrijvingsbewijs aan de instelling die de opleiding organiseert;b) bezorgt deze instelling hem uiterlijk na een week het inschrijvingsbewijs;c) bezorgt het personeelslid dit uiterlijk twee weken nadat hij het ontvangen heeft aan het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie.

Art. 25.De controle op de nauwgezetheid gebeurt aan de hand van een bewijs van regelmatige aanwezigheid.

Voor de opleidingen waarbij men in de les aanwezig moet zijn, moet dit bewijs conform het model zijn dat in bijlage II bij dit besluit gevoegd is.

Voor het afstandsonderwijs bevat het bewijs van regelmatige aanwezigheid op zijn minst de volgende vermeldingen : a) de naam en het adres van de cursist(e);b) de naam en het type van de cursus;c) het aantal lessen of bundels waaruit de opleiding bestaat en de datum van hun verzending naar de cursist(e);d) het aantal lessen of bundels dat de dienst Afstandsonderwijs van de cursist(e) ontvangen heeft;e) de datum waarop deze dienst de laatste les of bundel van de cursist(e) ontvangen heeft;deze datum geldt als het einde van de opleiding; f) de datum van de verzending van het bewijs van regelmatige aanwezigheid aan de cursist(e). Het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie kan in de loop van de opleiding aan de dienst Afstandsonderwijs vragen hoeveel lessen of bundels de cursist(e) heeft opgestuurd.

Voor het open hoger onderwijs in de Gemeenschappen bevat het bewijs van regelmatige aanwezigheid op zijn minst de volgende vermeldingen : a) de naam en het adres van de cursist(e);b) de naam van de cursus;c) de data van deelname aan examens;d) de datum van verzending van het bewijs van regelmatige aanwezigheid aan de cursist(e).

Art. 26.Op het einde van de opleiding verloopt de procedure als volgt : 1° voor de onderwijsinstellingen die het bewijs van regelmatige aanwezigheid gebruiken waarvan het model als bijlage aan dit besluit is gevoegd : a) bezorgt het personeelslid het bewijs van regelmatige aanwezigheid aan de instelling die de opleiding organiseert;b) vult deze instelling het bewijs in en geeft het uiterlijk drie weken na het einde van de opleiding aan het personeel terug;c) bezorgt het personeelslid het, uiterlijk twee weken nadat hij het ontvangen heeft, aan het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie.2° voor het open hoger onderwijs in de Gemeenschappen en voor het afstandsonderwijs : a) vraagt het personeelslid een bewijs van regelmatige aanwezigheid aan de instelling die de opleiding organiseert;b) bezorgt deze instelling hem dit bewijs uiterlijk een week na het einde van de opleiding;c) bezorgt het personeelslid dit uiterlijk twee weken nadat hij het ontvangen heeft aan het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie.

Art. 27.Als het personeelslid uit eigen beweging voortijdig stopt met de opleiding of, voor het afstandsonderwijs, als hij geen lessen of bundels meer terugstuurt, komt er op dat ogenblik een einde aan het opleidingsverlof of de dienstvrijstelling. In dit geval meldt het personeelslid zijn voortijdige stopzetting onmiddellijk aan het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie. Hij bezorgt het Instituut het bewijs van regelmatige aanwezigheid volgens de procedure vastgesteld in de artikelen 25 en 26. Afdeling 7. - Aanwending van de dienstvrijstelling en het

opleidingsverlof

Art. 28.Voor de opleidingen waarbij men in de les aanwezig moet zijn, moeten de uren van de dienstvrijstelling of van het opleidingsverlof gebruikt worden tijdens de periode waarin de lessen gegeven worden; deze periode wordt eventueel verlengd met de examenzittijden waaraan het personeelslid deelneemt.

Voor het afstandsonderwijs wordt het aantal uren dienstvrijstelling of opleidingsverlof evenredig verdeeld over het aantal bundels of lessen van de opleiding. Het personeelslid mag de uren ten vroegste opnemen naarmate hij lessen of bundels krijgt. Eventueel kan hij met de verantwoordelijke binnen het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie overeenkomen om een deel van de uren die hij al had kunnen opnemen, uit te stellen uiterlijk tot het einde van de opleiding of uiterlijk tot de dag voor het examen waarop de opleiding voorbereidt.

In het open hoger onderwijs in de Gemeenschappen moet het personeelslid op zijn minst een keer in de twaalf maanden die op zijn inschrijving volgen, de examens van de gekozen cursus afleggen. Hij mag de uren opleidingsverlof of dienstvrijstelling gebruiken op zijn vroegst twee maanden voor het eerste examen en op zijn laatst voor het laatste examen waaraan hij deelneemt. Afdeling 8. - Cumulatieverbod

Art. 29.Voor eenzelfde opleiding kan een personeelslid niet een opleidingsverlof en een dienstvrijstelling krijgen.

Een personeelslid dat een opleidingsverlof of een dienstvrijstelling krijgt, kan voor dezelfde opleiding geen aanspraak maken op de vergoeding van sociale promotie, bedoeld bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 21 augustus 1970 betreffende de toekenning van verlof en van een vergoeding van sociale promotie aan sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel. Afdeling 9. - Inschrijvings- en reiskosten

Art. 30.De inschrijvings- en reiskosten zijn voor rekening van het Instituut.

Personeelsleden die een opleiding volgen kunnen een terugbetaling ontvangen voor de volledige inschrijvingskosten.

Alleen de personeelsleden die een opleiding volgen met dienstvrijstelling hebben recht op de terugbetaling van de reiskosten.

Die kosten worden terugbetaald onder de voorwaarden bepaald voor het personeel van de federale overheidsdiensten. HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen

Art. 31.Het koninklijk besluit van 22 augustus 2006 betreffende de beroepsopleiding van sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan, wordt opgeheven.

Art. 32.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2009.

Art. 33.De Minister bevoegd voor Justitie en de Staatssecretaris bevoegd voor Begroting zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 18 mei 2009.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Justitie, S. DE CLERCK De Staatssecretaris voor Begroting, M. WATHELET

Bijlage I MODEL Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 18 mei 2009.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Justitie, S. DE CLERCK

Bijlage II BEWIJS VAN REGELMATIGE AANWEZIGHEID Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 18 mei 2009.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Justitie, S. DE CLERCK

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^