Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 19 april 1999
gepubliceerd op 01 juli 1999

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke inrichtingen van de Staat

bron
ministerie van ambtenarenzaken
numac
1999002042
pub.
01/07/1999
prom.
19/04/1999
ELI
eli/besluit/1999/04/19/1999002042/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

19 APRIL 1999. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke inrichtingen van de Staat


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet;

Gelet op het koninklijk besluit van 20 april 1965 betreffende het statuut der wetenschappelijke inrichtingen van de Staat, inzonderheid op artikel 5, derde lid;

Gelet op het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke inrichtingen van de Staat, inzonderheid op artikel 4, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 november 1991, op artikel 5, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 augustus 1981, 19 november 1991, 30 mei 1994 en 4 februari 1998, op artikel 6, op artikel 7, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 februari 1988, 30 mei 1994 en 4 februari 1998, op artikel 11, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1976, op artikel 17, op artikel 18, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 november 1991 en 4 februari 1998, op artikel 22bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 november 1991, en op de artikelen 26 en 28;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 31 juli 1998;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 28 september 1998;

Gelet op het protocol nr. 84/3 van 15 januari 1999 van het Sectorcomité I - Algemeen Bestuur;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de algemene weddeherziening voor het personeel van de federale besturen beëindigd is;

Overwegende dat, als logisch gevolg daarvan, een gelijkaardige hervorming voor het leidend personeel van trappen III en II van de wetenschappelijke inrichtingen van de Staat dient te worden doorgevoerd;

Overwegende dat, met het oog op de gelijke behandeling, deze hervorming moet worden doorgevoerd met terugwerkende kracht op 1 juni 1994 of op 1 januari 1998;

Overwegende dat bovendien sommige bepalingen moeten aangepast worden aan de statutaire hervormingen die de jongste jaren werden aangebracht ten gunste van het rijkspersoneel;

Op de voordracht van Onze Minister van Ambtenarenzaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Organieke bepalingen

Artikel 1.Artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke inrichtingen van de Staat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 november 1991, wordt vervangen door het volgende lid : « Onder voorbehoud van hoofdstuk III, omvat de wetenschappelijke loopbaan van het wetenschappelijk personeel drie rangen : - rang A; - rang B; - rang C. Voor de toepassing van artikel 26 worden ze gelijkgesteld aan de rijksambtenaren die in rang 10 zijn ingedeeld. ».

Art. 2.Artikel 5, laatste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 30 mei 1994, wordt vervangen door het volgende lid : « Voor de ambtenaren die gemachtigd zijn verminderde prestaties te verrichten, wordt de wetenschappelijke anciënniteit verminderd naar rato van de niet-verrichte prestaties. Ze wordt berekend overeenkomstig de bepalingen die de dienstanciënniteit regelen van de rijksambtenaren aan wie werd toegestaan verminderde prestaties in een zelfde regeling te verrichten. ».

Art. 3.Artikel 6, § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt vervangen door het volgende lid : « De leden van de commissie genieten de vergoedingen voor reis- en verblijfkosten die aan de rijksambtenaren van rang 15 worden toegekend. ».

Art. 4.In artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 februari 1988,30 mei 1994 en 4 februari 1998, worden volgende wijzigingen aangebracht: 1° § 1, 5°, wordt geschrapt;2° § 2 wordt opgeheven, 3° § 3 wordt § 2.

Art. 5.Artikel 11, 1°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1976, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 1° tenminste zijn tweede mandaat beëindigd hebben, overeenkomstig artikel 10, of 7 904 uur gepresteerd hebben, voor de ambtenaren aan wie werd toegestaan verminderde prestaties te verrichten of die op non-activiteit werden gesteld; ».

Art. 6.Artikel 17 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met het volgende lid : « Voor de toepassing van artikel 26 worden zij gelijkgesteld aan de rijksambtenaren die onderscheidenlijk in de rangen 13, 15 en 16 zijn ingedeeld. ».

Art. 7.In artikel 18 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 november 1991 en 4 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2, worden de volgende wijzigingen aangebracht : (1) in de Nederlandse versie van 2°, moet het woord "advies" worden vervangen door het woord "bericht";(2) een 4° wordt ingevoegd, luidend als volgt : « 4° voor de toegang tot trap III, bevestigd zijn in rang A;»; 2° in § 3, worden de volgende wijzigingen aangebracht : (1) 1° wordt vervangen door de volgende bepaling : « 1° houder zijn van een diploma dat behaald werd, na verdediging in het openbaar van een verhandeling, in een Belgische universiteit of in een instelling die ermede gelijkgesteld is door één van de Gemeenschappen of voor een examencommissie die voor het toekennen van de academische graden door de Staat of één van de Gemeenschappen is ingesteld. In geval van benoeming van een burger van de Europese Unie, houder van een diploma zoals bedoeld in het eerste lid, moet de Raad vooraf de geldigheid van het door de kandidaat voorgelegde diploma nagaan, overeenkomstig de procedure die omschreven is in bijlage I, hoofdstuk II, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel. »; (2) in de Nederlandse versie van 2°, moet het woord "advies" worden vervangen door het woord "bericht";(3) in 3°, worden de woorden "tweede lid" geschrapt.3° een § 4 wordt ingevoegd luidend als volgt : « § 4.De ambtenaren die krachtens § 3 tot een leidend ambt benoemd worden, mogen voor hun verdere loopbaan gelijkgesteld worden met ambtenaren die in rang B van het wetenschappelijk personeel zijn ingedeeld na gunstig advies van de commissie. ».

Art. 8.In artikel 22bis, § 4, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 november 1991, worden de woorden "op verhoging van wedde" vervangen door de woorden "op verhoging in zijn weddeschaal".

Art. 9.Artikel 26 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Art. 26.Onverminderd de bepalingen van dit statuut, zijn de ambtenaren op wie het toepasselijk is onderworpen aan de voorschriften die gelden voor de rijksambtenaren, met uitzondering van hun evaluatieregeling. ».

Art. 10.Artikel 28 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Art. 28.§ 1. De opdrachten die door de in artikel 26 vermelde bepalingen zijn toegewezen aan de interdepartementale raad van beroep, worden uitgeoefend door een interdepartementale raad van beroep die is ingesteld bij de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren.

Hij is bevoegd voor de ambtenaren bedoeld in artikel 4. § 2. De raad van beroep omvat evenveel afdelingen als er taalstelsels zijn waartoe de ambtenaren behoren, die kunnen vragen door hem te worden gehoord.

De raad van beroep bestaat uit : a) twee voorzitters, magistraten, door Ons benoemd;de Nederlandstalige voorzitter zit de Nederlandstalige afdeling voor, de Franstalige voorzitter zit de Franstalige afdeling voor; b) per afdeling, assessoren gekozen onder de wetenschappelijke personeelsleden van de wetenschappelijke inrichtingen, die ten minste 35 jaar oud zijn en zes jaar goede dienst hebben;bij ontstentenis van personeelsleden die zes jaar goede dienst hebben, kan van deze voorwaarde afgeweken worden. De assessoren worden voor de helft aangewezen door de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren, onder de in dit statuut bedoelde personeelsleden en voor de andere helft door de representatieve vakorganisaties in de zin van artikel 7 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, naar rato van twee assessoren per organisatie in de Nederlandstalige en Franstalige afdelingen en van een assessor per organisatie in de Duitstalige afdeling; c) per afdeling, een griffier-rapporteur aangewezen door de minister tot wiens bevoegdheid de arnbtenarenzaken behoren;hij is niet stemgerechtigd; d) plaatsvervangers, namelijk drie voorzitters, ten minste twee griffiers-rapporteurs en assessoren;ze worden aangewezen volgens de procedure waarin is voorzien voor de aanwijzing van de gewone leden.

Twee van de plaatsvervangende voorzitters vervangen onderscheidenlijk de Nederlandstalige voorzitter van de Nederlandstalige afdeling en de Franstalige voorzitter van de Franstalige afdeling.

De derde plaatsvervangende voorzitter moet zijn kennis van het Duits, alsook van het Nederlands of het Frans bewijzen. Hij zit de afdeling voor die ermee belast is een advies uit te brengen over de beroepen die zijn ingediend door personeelsleden van het Duitse taalstelsel.

In elke zaak wijst de minister onder wiens gezag de wetenschappelijke inrichting geplaatst is, een ambtenaar en een vervanger aan om het betwiste voorstel te verdedigen. Deze ambtenaar mag niet aan de beraadslaging deelnemen. Het advies vermeldt dat dit verbod werd nageleefd.

De gewone of plaatsvervangende assessoren die zitting hebben voor het onderzoek van een zaak, moeten behoren tot een gelijk of hoger niveau als dat van de verzoeker. ».

Art. 11.In hetzelfde besluit wordt een artikel 28bis ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 28bis.§ 1. De opdrachten die door de in artikel 26 vermelde bepalingen zijn toegewezen aan de raad van beroep voor opperambtenaren, worden uitgeoefend door een raad van beroep voor het leidend personeel die is ingesteld bij de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren.

Hij bevat een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling. De taalrol van de ambtenaar bepaalt de afdeling waarvoor hij verschijnt.

Hij is bevoegd voor de ambtenaren die belast zijn met een leidend ambt bedoeld in artikel 17. § 2. De raad van beroep bestaat uit : 1° een door Ons benoemde voorzitter, magistraat;hij neemt het voorzitterschap van de twee afdelingen waar en moet zijn kennis van het Nederlands en het Frans bewijzen; 2° per afdeling, hoofden van wetenschappelijke inrichtingen van de Staat in dienstactiviteit, van dezelfde taalrol als de verzoeker;zij hebben zitting in de hoedanigheid van assessor; 3° een griffier, in elke zaak aangewezen door de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren;hij is niet stemgerechtigd; 4° een plaatsvervangende voorzitter, magistraat, aangewezen op dezelfde manier als de voorzitter;hij neemt het voorzitterschap van de twee afdelingen waar en moet zijn kennis van het Nederlands en van het Frans bewijzen.

In geval van beroep ingediend door een hoofd van een wetenschappelijke inrichting, wordt zijn opdracht van assessor opgeschort tot op het ogenblik dat er over zijn beroep uitspraak is gedaan.

De voorzitter belast één van de assessoren met de functie van rapporteur.

De beraadslaging van de afdeling van de raad is geldig zodra er ten minste twee assessoren aan deelnemen. ».

HOOFIDSTUK II. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 12.De procedures inzake werving of bevordering tot een leidend ambt die aangevangen zijn op de datum waarop dit besluit in werking treedt, verlopen verder volgens de bepalingen die vóór deze datum toepasselijk waren.

Art. 13.De zaken die bij de raad van beroep aanhangig zijn op de datum waarop dit besluit in werking treedt, verlopen verder volgens de bepalingen die voor deze datum toepasselijk waren.

Art. 14.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke inrichtingen van de Staat dat uitwerking heeft met ingang van 19 november 1991.

Art. 15.Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 19 april 1999.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Ambtenarenzaken, A. FLAHAUT

^