Koninklijk Besluit van 19 april 2013
gepubliceerd op 05 september 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 22 juni 2011, gesloten in het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen, betreffende de wijziging en coördinatie van de statuten van het soci

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2012200246
pub.
05/09/2013
prom.
19/04/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

19 APRIL 2013. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 22 juni 2011, gesloten in het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen, betreffende de wijziging en coördinatie van de statuten van het sociaal fonds (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 7 februari 1958 betreffende de fondsen voor bestaanszekerheid, inzonderheid op artikel 2;

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen;

Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 22 juni 2011, gesloten in het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen, betreffende de wijziging en coördinatie van de statuten van het sociaal fonds.

Art. 2.De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 19 april 2013.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 7 januari 1958, Belgisch Staatsblad van 7 februari 1958. Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969.

Bijlage Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen Collectieve arbeidsovereenkomst van 22 juni 2011 Wijziging en coördinatie van de statuten van het sociaal fonds (Overeenkomst geregistreerd op 27 juli 2011 onder het nummer 104885/CO/142.01)

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers, arbeiders en arbeidsters van de ondernemingen die ressorteren onder de bevoegdheid van het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen.

Onder "arbeiders" wordt verstaan : de mannelijke en vrouwelijke werklieden, tenzij anders bepaald.

Art. 2.De statuten van het "Sociaal Fonds voor de ondernemingen voor de terugwinning van metalen" zijn vastgesteld bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 december 1979, gesloten in het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen, tot oprichting van een fonds voor bestaanszekerheid van de ondernemingen voor terugwinning van metalen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 30 september 1980 (Belgisch Staatsblad van 1 november 1980).

De statuten van het "Sociaal Fonds voor de onderneming voor de terugwinning van de metalen" worden gecoördineerd en hierna vastgelegd als volgt.

Art. 3.Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 juli 2011 en wordt gesloten voor een onbepaalde tijd.

Zij kan worden opgezegd mits een opzegging van zes maanden, bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen, ingaande op de eerste dag van het burgerlijk kwartaal dat volgt op de opzegging.

Art. 4.Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 juni 2009 betreffende wijziging en coördinatie van de statuten van het sociaal fonds, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 19 april 2010 (Belgisch Staatsblad van 25 juni 2010).

De collectieve arbeidsovereenkomst van 18 juni 2009 werd gewijzigd door : - de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 oktober 2010, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 24 maart 2011 (Belgisch Staatsblad van 21 april 2011); - de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 januari 2011, geregistreerd op 3 maart 2011 onder het nummer 103294/CO/142.01 (Belgisch Staatsblad van 17 maart 2011).

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 19 april 2013.

De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK

Bijlage aan de collectieve arbeidsovereenkomst van 22 juni 2011, gesloten in het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen, betreffende de wijziging en coördinatie van de statuten van het sociaal fonds STATUTEN HOOFDSTUK I. - Benaming, zetel, doel, duur

Artikel 1.Met ingang van 1 januari 1980 wordt een fonds voor bestaanszekerheid opgericht genaamd "Sociaal Fonds voor de ondernemingen voor de terugwinning van metalen", verder het fonds genoemd.

Art. 2.De maatschappelijke zetel van het fonds is gevestigd in Buro & Design Center, gelegen te 1020 Brussel, Esplanade 1, bus 87. Hij kan bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen, naar elke andere plaats in België worden overgebracht.

Art. 3.Het fonds heeft tot doel te regelen en te verzekeren : 1. de inning en de invordering van de bijdragen ten laste van de in artikel 5 bedoelde werkgevers;2. de toekenning en de uitkering van aanvullende sociale voordelen;3. de syndicale vorming van de arbeiders;4. een deel van de werking en sommige initiatieven van de VZW Educam te financieren volgens door de raad van bestuur vastgestelde regels;5. de betaling van een tussenkomst in de patronale informatiekosten;6. ten laste nemen van bijzondere bijdragen;7. de inning van de bijdrage voorzien voor de financiering en inrichting van een sectoraal pensioenstelsel.

Art. 4.Het fonds wordt voor onbepaalde duur opgericht. HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied

Art. 5.Deze statuten zijn van toepassing op : a) de werkgevers van de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen;b) de arbeiders en arbeidsters die zij tewerkstellen. Onder "arbeiders" wordt verstaan : de mannelijke en vrouwelijke werklieden. HOOFDSTUK III. - Rechthebbenden en modaliteiten van toekenning en uitkering

Art. 6.Op 1 januari 2010 werden alle aanvullende vergoedingen geïndexeerd op basis van de reële loonindexering op 1 januari 2008 en op 1 januari 2009 (de sociale index van de maand december van het voorgaande kalenderjaar wordt vergeleken met de sociale index van de maand december van het kalenderjaar daarvoor).

Door deze berekening, met name 1,99 pct. op 1 januari 2008 en 4,34 pct. op 1 januari 2009 werden de aanvullende vergoedingen met 6,42 pct. geïndexeerd.

A. Aanvullende werkloosheidsvergoeding bij tijdelijke werkloosheid

Art. 7.De bij artikel 5 bedoelde arbeiders hebben voor elke werkloosheidsdag voorzien in artikelen 50 en 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (schorsing wegens slecht weder en schorsing omwille van economische redenen) recht ten laste van het fonds, op de bij artikel 8 van deze statuten vastgestelde uitkering, met een maximum van 150 dagen per kalenderjaar, voor zover ze volgende voorwaarden vervullen : - de werkloosheidsuitkeringen bij toepassing van de reglementering op de werkloosheidsverzekering genieten; - op het ogenblik van de werkloosheid in dienst van de werkgever zijn; - een anciënniteit van ten minste 15 dagen hebben in het bedrijf.

De aanvullende vergoeding bij tijdelijke werkloosheid dient ook te worden betaald bij jeugdvakantie en seniorenvakantie.

Art. 8.Op 1 januari 2010 werden de aanvullende vergoedingen bij tijdelijke werkloosheid geïndexeerd volgens het principe zoals opgenomen in artikel 6 van deze collectieve arbeidsovereenkomst en tegelijkertijd verhoogd.

Hierdoor bedraagt deze aanvullende vergoeding sinds 1 januari 2010 - 6,00 EUR per werkloosheidsuitkering betaald in toepassing van de reglementering op de werkloosheidsverzekering; - 3,00 EUR per halve werkloosheidsuitkering betaald in toepassing van de reglementering op de werkloosheidsverzekering.

B. Aanvullende werkloosheidsvergoeding bij volledige werkloosheid

Art. 9.De bij artikel 5 bedoelde arbeiders hebben recht, ten laste van het fonds voor elke volledige werkloosheidsdag en dit vanaf de eerste dag van werkloosheid op de bij artikel 11 voorziene uitkering, met een maximum van 150 dagen per kalenderjaar, voor zover zij volgende voorwaarden vervullen : - werkloosheidsuitkeringen genieten in toepassing van de wetgeving op de werkloosheidsverzekering; - door een bij artikel 5 bedoelde werkgever ontslagen geweest zijn; - een anciënniteit van ten minste drie jaar hebben in de sectoren behorende tot het Paritair Comité voor de ondernemingen waar teruggewonnen grondstoffen opnieuw ter waarde worden gebracht (PC 142).

C. Aanvullende vergoeding voor oudere werklozen

Art. 10.§ 1. De bij artikel 5 bedoelde arbeiders die minstens 55 jaar oud zijn en die niet vallen onder het regime van het conventioneel brugpensioen hebben recht, ten laste van het fonds, voor elke volledige werkloosheidsdag, en dit vanaf de eerste werkloosheidsdag, op de bij artikel 11 van deze statuten vastgestelde uitkering (a rato van 5 uitkeringen per week), en dit tot bij het nemen van het wettelijk pensioen. § 2. Arbeiders die zijn ontslagen en een aanvullende vergoeding ontvangen conform de bepalingen van artikel 10, § 1 van deze collectieve arbeidsovereenkomst, behouden het recht op deze aanvullende vergoeding : - wanneer ze het werk hervatten als loontrekkende bij een andere werkgever dan de werkgever die hen heeft ontslagen en die niet behoort tot dezelfde technische bedrijfseenheid als de werkgever die hen heeft ontslagen; - ingeval een zelfstandige activiteit in hoofdberoep wordt uitgeoefend op voorwaarde dat die activiteit niet wordt uitgeoefend voor rekening van de werkgever die hen heeft ontslagen of voor rekening van een werkgever die behoort tot dezelfde technische bedrijfseenheid als de werkgever die hen heeft ontslagen.

Art. 11.Het bedrag van de aanvullende werkloosheidsvergoeding werd op 1 januari 2010 vastgesteld op : - 5,73 EUR per uitkering, op basis van de werkloosheidsreglementering (6 dagen per week), voor de voltijds tewerkgestelde werknemer; - 2,86 EUR op basis van de werkloosheidsreglementering (6 dagen per week), voor de halftijds tewerkgestelde werknemer.

D. Aanvullende vergoeding bij brugpensioen na ontslag

Art. 12.§ 1. In toepassing van en overeenkomstig : - de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 december 1974, gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 (Belgisch Staatsblad van 31 januari 1975); - de bestaande collectieve arbeidsovereenkomsten inzake brugpensioen, gesloten in het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen, neemt het fonds voor bestaanszekerheid de helft van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering te zijnen laste.

Het fonds voor bestaanszekerheid neemt ook de helft van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering te zijnen laste voor de arbeiders die in brugpensioen gaan in uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst inzake brugpensioen vanaf 56 jaar van 22 juni 2011, gesloten in het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen.

Deze vergoeding wordt berekend op het ogenblik van de op brugpensioenstelling en blijft ongewijzigd onder voorbehoud van het feit dat zij gebonden is aan de evolutie van het indexcijfer volgens de modaliteiten van toepassing op het vlak van werkloosheidsuitkeringen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971.

Bovendien wordt het bedrag van deze vergoeding elk jaar op 1 januari herzien door de Nationale Arbeidsraad in functie van de conventionele evolutie van de lonen.

Voormelde bepalingen zijn van toepassing voor zover arbeiders een anciënniteit van 3 jaar in de sector behorende tot het Paritair Comité voor de ondernemingen waar teruggewonnen grondstoffen opnieuw ter waarde worden gebracht kunnen aantonen. § 2. De dagelijkse uitkering voor volledige werkloosheid voorzien bij artikel 11 van de statuten wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de bij § 1 van dit artikel bedoelde aanvullende vergoeding. § 3. Wanneer het fonds voor bestaanszekerheid de enige debiteur van de aanvullende vergoeding is, is hij de bijzondere werkgeversbijdrage bedoeld in artikel 117 van de bovenvermelde wet van 27 december 2006, de bijzondere compenserende werkgeversbijdrage zoals bedoeld in artikel 121, alsook de inhouding betreffende het conventioneel brugpensioen zoals voorzien in het artikel 126, § 1 van de wet verschuldigd.

Wanneer het fonds voor bestaanszekerheid en één of meerdere andere debiteurs elk een aanvullende vergoeding of een deel van de aanvullende vergoeding betalen is elke debiteur de bijzondere werkgeversbijdrage en de bijzondere compenserende werkgeversbijdrage verschuldigd op de vergoeding of op het deel van de de aanvullende vergoeding die hij betaalt.

De inhouding betreffende het conventioneel brugpensioen moet door de debiteur van de hoogste aanvullende vergoeding integraal betaald worden.

De bijzondere bijdragen worden ten laste genomen tot de oppensioenstelling van de arbeiders, met uitzondering van de bepalingen voorzien in artikel 13. § 4. Onder de voorwaarden bepaald in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 en volgens de daarin bepaalde modaliteiten behouden de arbeiders die zijn ontslagen met het oog op brugpensioen in het kader van deze collectieve arbeidsovereenkomsten of in het kader van een op ondernemingsniveau gesloten collectieve arbeidsovereenkomst inzake brugpensioen het recht op de aanvullende vergoeding : - wanneer ze het werk hervatten als loontrekkende bij een andere werkgever dan de werkgever die hen heeft ontslagen en die niet behoort tot dezelfde technische bedrijfseenheid als de werkgever die hen heeft ontslagen; - ingeval een zelfstandige activiteit in hoofdberoep wordt uitgeoefend op voorwaarde dat die activiteit niet wordt uitgeoefend voor rekening van de werkgever die hen heeft ontslagen of voor rekening van een werkgever die behoort tot dezelfde technische bedrijfseenheid als de werkgever die hen heeft ontslagen.

Art. 13.Onder dezelfde voorwaarden als deze voorzien bij artikel 12, neemt het fonds de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974, gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 januari 1975, op zich : - voor de arbeiders die minstens 57 jaar oud waren op het ogenblik van het ingaan van het brugpensioen; - voor de arbeiders die minstens 55 jaar oud waren op het ogenblik van het ingaan van het brugpensioen in een onderneming erkend als zijnde in moeilijkheden of in herstructurering.

Voorwaarden : - de werkgever heeft op het ogenblik van het sluiten van het ondernemingsakkoord hiervan een kopie gestuurd aan het fonds; - de arbeider is op het ogenblik van het brugpensioen minimum 55 jaar.

E. Aanvullende ziektevergoeding

Art. 14.§ 1. De bij artikel 5 bedoelde arbeiders hebben na ten minste zestig dagen ononderbroken arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval, met uitsluiting van de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van beroepsziekte of arbeidsongeval, recht, ten laste van het fonds, op een uitkering tot aanvulling van de uitkeringen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, voor zover zij volgende voorwaarden vervullen : - de primaire ongeschiktheidsuitkering van de ziekte- en invaliditeitsverzekering genieten bij toepassing van de wetgeving terzake; - op het ogenblik waarop de ongeschiktheid zich voordoet, in dienst zijn van een in artikel 5 bedoelde werkgever. § 2. Het forfaitair bedrag van de bij artikel 14, § 1 bedoelde uitkering werd op 1 januari 2010 als volgt vastgesteld voor de voltijds tewerkgestelde werknemer : - 62,67 EUR na de eerste zestig dagen ononderbroken ongeschiktheid; - 85,27 EUR meer na de eerste 120 dagen ononderbroken ongeschiktheid; - 110,74 EUR meer na de eerste 180 dagen ononderbroken ongeschiktheid; - 10,74 EUR meer na de eerste 240 dagen ononderbroken ongeschiktheid; - 110,74 EUR meer na de eerste 300 dagen ononderbroken ongeschiktheid; - 110,74 EUR meer na de eerste 365 dagen ononderbroken ongeschiktheid.

De toepassing van voorgaande bepalingen kan slechts aanleiding geven tot de toekenning van een globale uitkering van 590,90 EUR en dit gedurende een kalenderjaar.

De raad van bestuur bepaalt het bedrag dat wordt toegekend voor de deeltijds tewerkgestelde arbeider. § 3. Welke ook de duur ervan weze, een arbeidsongeschiktheid kan slechts aanleiding geven tot de toekenning van één enkele reeks uitkeringen. Het hervallen in dezelfde ziekte wordt beschouwd als integraal deel uitmakend van de vorige ongeschiktheid, indien zij zich voordoet binnen de eerste twaalf kalenderdagen volgend op het einde van deze periode van ongeschiktheid. § 4. De aanvullende vergoeding bij ziekte dient ook te worden betaald bij zwangerschapsverlof.

F. Aanvullende vergoeding voor oudere zieken

Art. 15.De in artikel 5 bedoelde arbeiders die in een toestand verkeren van blijvende arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval, met uitsluiting van arbeidsongeschiktheid wegens beroepsziekte of arbeidsongeval, hebben recht ten laste van het fonds op de bij artikel 11 voorziene uitkeringen tot het nemen van het wettelijk pensioen en dit onder de volgende voorwaarden : - ten minste 53 jaar oud zijn op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid; - op het ogenblik waarop de ongeschiktheid zich voordoet, in dienst zijn van een in artikel 5 bedoelde werkgever; - dagelijkse uitkeringen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering genieten; - een carenztijd van 30 kalenderdagen hebben vervuld, ingaande op de eerste dag van de ongeschiktheid; - 5 jaar anciënniteit kunnen bewijzen in de sector terugwinning van metalen.

G. Syndicale premie

Art. 16.De bij artikel 5 bedoelde arbeiders, die sedert ten minste een jaar lid zijn van één van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties welke op nationaal niveau verbonden zijn, hebben recht, ten laste van het fonds, op een syndicale premie, voor zover zij op 1 oktober van het lopende jaar ingeschreven zijn in het personeelsregister van de bij hetzelfde artikel 5, bedoelde ondernemingen.

Art. 17.Het bedrag van de bij artikel 16 bedoelde syndicale premie wordt vastgelegd, op voorstel van de raad van bestuur van het fonds, in een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst. HOOFDSTUK IV. - Stimuleren van vorming en informatie van de werkgevers

Art. 18.Het fonds betaalt aan de representatieve werkgeversorganisatie, de "Federatie van de Belgische recuperatie van ferro en non-ferro metalen VZW", een tussenkomst in de patronale informatiekosten.

Deze tussenkomst bedraagt 0,15 pct. van de brutolonen van de arbeiders. HOOFDSTUK V. - Bevorderen van de syndicale vorming

Art. 19.Het fonds betaalt aan de werkgevers die het voorschot hebben verleend en op hun verzoek de lonen terug (verhoogd met de lasten), uitgekeerd aan de werklieden die afwezig waren in toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 februari 1974, gesloten in het Paritair Comité voor de ondernemingen waar teruggewonnen grondstoffen opnieuw ter waarde worden gebracht, betreffende de syndicale vorming van de werklieden en werksters, tewerkgesteld in de ondernemingen waar teruggewonnen metalen opnieuw ter waarde worden gebracht, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 20 september 1974 (Belgisch Staatsblad van 30 oktober 1974). HOOFDSTUK VI. - Financiering van de werking en de initiatieven van de VZW "Educam"

Art. 20.Het fonds financiert de werking en de initiatieven van de VZW "Educam". De jaarlijkse financiële bijdrage van het fonds wordt door de raad van bestuur bepaald.

De VZW "Educam" organiseert, in opdracht en in coöperatie met de betrokken paritaire comités en subcomités en de betrokken fondsen voor bestaanszekerheid van de sector van de terugwinning van metalen, de beroepsopleiding en de vorming voor de werklieden zoals omschreven in de statuten van de VZW "Educam" en volgens de beslissingen genomen door de bestuursinstanties van deze VZW inzake de stichtende en toegetreden leden. HOOFDSTUK VII. - Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 21.De uitkering waarvan sprake in artikel 19 (syndicale vorming), wordt rechtstreeks door de werkgevers aan hun arbeiders betaald per maand en bij de eerste loonsuitbetaling volgende op de maand in de loop waarvan zij op deze uitkeringen recht hebben. De werkgevers kunnen de terugbetaling ervan bekomen bij het fonds overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de raad van bestuur.

De uitkeringen vastgesteld bij de artikelen 7 tot en met 15 worden rechtstreeks door het fonds betaald overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de raad van bestuur.

De in artikel 16 bedoelde uitkering wordt betaald door de interprofessionele representatieve werknemersorganisaties die op nationaal niveau verbonden zijn.

De aanvragen voor de terugbetaling van de aanvullende uitkeringen moeten bij het secretariaat van het sociaal fonds worden ingediend binnen een termijn van één jaar.

Art. 22.De raad van bestuur bepaalt de datum en de modaliteiten van betaling van de door het fonds toegekende uitkeringen. In geen geval mag de betaling van de uitkeringen afhankelijk zijn van de storting der bijdragen welke door de aan het fonds onderworpen werkgever verschuldigd zijn.

Art. 23.De voorwaarden van toekenning van de uitkeringen die door het fonds worden verleend, evenals het bedrag daarvan, kunnen gewijzigd worden op voorstel van de raad van bestuur bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit. HOOFDSTUK VIII. - Bestuur van het fonds

Art. 24.Het fonds wordt bestuurd door een raad van bestuur, paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van de meest representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties.

Deze raad bestaat uit zestien leden, hetzij acht vertegenwoordigers van de werkgevers en acht vertegenwoordigers van de werknemers.

De leden van de raad van bestuur worden door het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen benoemd op voorstel van de vertegenwoordigde organisaties.

Art. 25.Elk jaar duidt de raad van bestuur onder zijn leden een voorzitter en drie ondervoorzitters aan.

Het voorzitterschap en het eerste ondervoorzitterschap wordt beurtelings door de werkgevers- en de werknemersafgevaardigden waargenomen.

De categorie waartoe de voorzitter behoort wordt, voor de eerste maal, door loting aangeduid.

De tweede ondervoorzitter behoort tot de werknemersgroep en de derde tot de werkgeversgroep.

Art. 26.De raad van bestuur wordt door zijn voorzitter vijftien dagen vooraf bijeengeroepen. De voorzitter is ertoe gehouden de raad ten minste eenmaal per semester bijeen te roepen en telkens wanneer ten minste twee leden van de raad erom verzoeken.

De uitnodiging vermeldt de agenda.

De notulen worden door de door de raad van bestuur aangeduide secretaris opgesteld en door de voorzitter van de vergadering ondertekend.

De uittreksels uit deze notulen worden door de voorzitter of twee bestuurders ondertekend.

Wanneer tot de stemming moet overgegaan worden, dient een gelijk aantal leden van elke afvaardiging aan de stemming deel te nemen. Is het aantal ongelijk, dan onthoudt (onthouden) zich het jongste lid (jongste leden).

De raad kan slechts geldig beslissen over de op de agenda gestelde kwesties en in aanwezigheid van ten minste de helft van de leden die tot de werknemersafvaardiging en ten minste de helft van de leden die tot de werkgeversafvaardiging behoren.

De beslissingen worden met de meerderheid van stemmen genomen.

Art. 27.De raad van bestuur heeft tot taak het fonds te beheren en alle maatregelen te treffen die voor zijn goede werking zijn vereist.

Hij beschikt over de meest uitgebreide bevoegdheden inzake het bestuur en de leiding van het fonds.

De raad van bestuur treedt in rechte op in naam van het fonds, op vervolging en ten verzoeke van de voorzitter of van een tot dat doel afgevaardigde bestuurder.

De raad van bestuur kan bijzondere bevoegdheden overdragen aan één of meer van zijn leden of zelfs aan derden.

Voor al de andere handelingen dan deze waarvoor de raad speciaal volmachten heeft verleend, zijn de gezamenlijke handtekeningen van vier bestuurders (twee van werknemerszijde en twee van werkgeverszijde) vereist.

De verantwoordelijkheid van de bestuurders beperkt zich tot de uitvoering van hun mandaat en zij gaan enkele persoonlijke verbintenis aan betreffende hun bestuur ten opzichte van de verplichtingen van het fonds. HOOFDSTUK IX. - Financiering van het fonds

Art. 28.Om de financiering van de in artikel 7 tot artikel 19, bedoelde vergoedingen en financiële tussenkomsten te verzekeren, beschikt het fonds over de bijdragen die door de bij artikel 5 bedoelde werkgevers verschuldigd zijn.

Art. 29.§ 1. Sinds 1 januari 2006 wordt de basisbijdrage van de werkgevers vastgesteld door een afzonderlijke collectieve arbeidsovereenkomst die algemeen verbindend zal verklaard worden door koninklijk besluit. § 2. Een buitengewone bijdrage kan door de raad van bestuur worden bepaald, met bepaling van de innings- en verdelingsmodaliteiten. Deze buitengewone bijdrage moet het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke collectieve arbeidsovereenkomst te bekrachtigen bij koninklijk besluit.

Art. 30.De inning en de invordering van de bijdragen worden door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verzekerd bij toepassing van artikel 7 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de fondsen voor bestaanszekerheid. HOOFDSTUK X. - Begroting, rekeningen

Art. 31.Het dienstjaar vangt aan op 1 januari en sluit op 31 december.

Art. 32.Elk jaar, uiterlijk gedurende de maand december, wordt een begroting voor het volgende jaar aan het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen ter goedkeuring voorgelegd.

Art. 33.De rekeningen over het afgelopen jaar worden op 31 december afgesloten.

De raad van bestuur, evenals de door het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen aangeduide revisor of accountant, maken jaarlijks elk een schriftelijk verslag op betreffende de uitvoering van hun opdracht gedurende het afgelopen jaar. De balans, samen met de hierboven bedoelde schriftelijke jaarverslagen, moeten uiterlijk gedurende de maand juni aan het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen ter goedkeuring worden voorgelegd. HOOFDSTUK XI. - Ontbinding, vereffening

Art. 34.Het fonds kan slechts bij eenparige beslissing van het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen worden ontbonden.

Dit laatste dient tegelijkertijd de vereffenaars te benoemen hun bevoegdheden en hun bezoldiging vast te stellen en de bestemming van de activa van het fonds te bepalen.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 19 april 2013.

De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^