Koninklijk Besluit van 19 augustus 1997
gepubliceerd op 29 augustus 1997
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot vaststelling van de modaliteiten voor de aanwerving van wetenschappelijke onderzoekers in de universitaire onderwijsinrichtingen en in de federale wetenschappelijke instellingen

bron
diensten van de eerste minister
numac
1997022624
pub.
29/08/1997
prom.
19/08/1997
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

19 AUGUSTUS 1997. Koninklijk besluit tot vaststelling van de modaliteiten voor de aanwerving van wetenschappelijke onderzoekers in de universitaire onderwijsinrichtingen en in de federale wetenschappelijke instellingen


RAPPORT AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat de Regering de eer heeft U ter ondertekening voor te leggen is een maatregel ter bevordering van het wetenschappelijk onderzoek. Door de toekenning van subsidies zal het de universitaire onderwijsinrichtingen en de federale wetenschappelijke instellingen toelaten te genieten van bijkomende onderzoekers in het kader van het meerjarenplan voor de werkgelegenheid.

Het kadert in een meerjarenactie ter versterking van het wetenschappelijk onderzoekspotentieel in België.

De tekst beoogt de vastlegging van de toekenningsvoorwaarden van deze door de Federale Staat toegekende subsidie.

De bedoeling van dit besluit is de uitvoering van de bepalingen van de wet van 18 juli 1997 tot oprichting van een programma dat wetenschappelijke onderzoekers ter beschikking stelt van de universitaire onderwijsinrichtingen en van de federale wetenschappelijke instellingen.

Feitelijk nemen die wetsbepalingen de plaats in van artikel 89 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, gewijzigd door de wetten van 20 december 1995 en 29 april 1996, die de publikatie mogelijk had gemaakt van het koninklijk besluit van 15 mei 1996 tot vaststelling van de modaliteiten voor de aanwerving van bijkomende onderzoekers in het kader van het meerjarenplan voor de werkgelegenheid.

Een nieuwe wijziging van artikel 89 van de bovenbedoelde wet van 21 december 1994, doorgevoerd ingevolge de uitvaardiging van de wet van 26 juli 1996 houdende modernisering van de sociale zekerheid en ter vrijwaring van de uitvoerbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en inzonderheid van haar artikel 5, heeft impliciet geleid tot de ambtshalve opheffing van het bovenbedoeld koninklijk besluit van 15 mei 1996. Het was dus aangewezen om een nieuwe wettelijke basis te creëren voor de uitvoering van dit programma ter ondersteuning van het wetenschappelijk onderzoek. Die nieuwe wettelijke basis vond zijn uitvoering in de bovenbedoelde wet van 18 juli 1997.

ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING Het eerste hoofdstuk preciseert de algemene begrippen waarnaar in het vervolg van de tekst constant zal verwezen worden.

Artikel 1 Dit artikel maakt allereerst een onderscheid tussen de instellingen die rechtstreeks zullen genieten van het werk van de onderzoekers (zijnde de universitaire onderwijsinrichtingen enerzijds en de federale wetenschappelijke instellingen anderzijds) en de operatoren die, in het kader van de hun toevertrouwde missie, zullen genieten van de subsidies zelf.

Overeenkomstig het door de Raad van State uitgebrachte advies, werd de definitie van het begrip « universitaire onderwijsinrichting » niet opgenomen in deze tekst. Zoals toegelaten door de bovenbedoelde wet van 18 juli 1997 wordt een lijst van de universitaire onderwijsinrichtingen waarop deze tekst betrekking heeft, opgenomen in punt a) van dit artikel. Er werd bovendien ook rekening gehouden met de overige opmerkingen van de Raad van State.

Dit onderscheid wordt gerechtvaardigd door de bezorgdheid voor samenhang en optimalisering in de keuze van de door de instellingen ingediende projecten. De kwaliteit van het werk verricht door het Nationaal Fonds voor wetenschappelijk onderzoek (N.F.W.O.) en het Fonds national de la Recherche scientifique (F.N.R.S.) rechtvaardigt het feit dat hen de keuze wordt toevertrouwd van de begunstigde projecten die respectievelijk door de Franstalige en de Nederlandstalige universitaire onderwijsinrichtingen worden ingediend.

Doordat de operatoren zelf de betrokken onderzoekers kunnen tewerkstellen, wordt hen bovendien de opdracht toevertrouwd toe te zien op de naleving door die universitaire instellingen van de voorgeschreven voorwaarden, op straffe van verlies van de toegekende subsidie. Deze werkwijze laat bovendien toe het aantal overeenkomsten te herleiden tot het strikte minimum.

Ditzelfde artikel definieert bovendien het begrip van personeelsbestand. Aan de hand van dit begrip kan men de uitgangsbasis bepalen waarop men zich zal steunen om het bijkomend karakter van de in het kader van dit programma aangeworven onderzoekers te controleren. Dit bestand betreft alle personeelsleden van de operator, onderworpen aan de gedeeltelijke of volledige betaling van de sociale zekerheidsbijdragen. Daaronder bevinden zich evenwel personeelsleden waarmee geen rekening wordt gehouden. In de drie vermelde gevallen gaat het om onderzoekers die werden aangeworven in het kader van impulsprogramma's voor wetenschappelijke onderzoek. Twee van die programma's zullen in de komende maanden aflopen; het derde heeft betrekking op onderzoekers die werden aangeworven in uitvoering van het bovenbedoelde koninklijk besluit van 15 mei 1996, waarvan deze tekst de opvolger wil zijn.

Dit begrip behandelt tenslotte uitdrukkelijk het begrip "bijkomende onderzoeker". Het heeft zowel betrekking op a) het bijkomend karakter van de aanwervingen als b) op het begrip zelf van onderzoeker. Dit laatste wordt op twee manieren gedefinieerd : de verplichting om houder te zijn van een universitaire titel van de 2de of 3de cyclus enerzijds en het tewerkgesteld zijn voor wetenschappelijk onderzoek anderzijds. Het bijkomend karakter wordt kwalitatief bevestigd door de effectieve inschakeling van de onderzoekers in een onderzoeksprogramma dat reeds loopt op het moment van de aanwerving, en kwantitatief door de verplichting van verhoging van het personeelsbestand van de operator (cf. hierboven). De definitie herinnert bovendien aan de latere noodzaak van een arbeidsovereenkomst tussen de onderzoeker en de bevoegde operator.

Dit artikel definieert tevens de begrippen van loonkosten, bevoegde Minister en administratie, in de zin van dit besluit.

Artikel 2 Dit artikel preciseert dat de door de Federale Staat toegekende subsidie wel degelijk kadert binnen het algemeen kader van het werkgelegenheidsbeleid.

De concretisering van die keuze is tweeledig : enerzijds het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen de operator en de onderzoekers en anderzijds de dekking, door de financiële tussenkomst van de Staat, van de loonkosten voortvloeiende uit die aanwerving.

Die subsidies worden bij koninklijk besluit toegekend.

Hoofdstuk twee geeft een uiteenzetting van de wijze waarop de subsidies worden verdeeld.

Artikel 3 Een eerste deel van de kredieten, vastgelegd op 10 %, wordt voorbehouden aan de federale wetenschappelijke instellingen. Ze handelen zelf - of via de groepering waartoe ze behoren - in de hoedanigheid van operator.

Artikelen 4 en 5 Het restant - zijnde 90 % van de begrotingskredieten - wordt verdeeld tussen de universitaire onderwijsinrichtingen via een systeem van opeenvolgende sleutels.

De basisregels die ten grondslag liggen aan die verdeling zijn deze die worden toegepast in het kader van Fase IV van de Interuniversitaire Attractiepolen (IUAP), zoals eerder vastgelegd door de Regering.

Overwegende dat dit programma kadert in een globale actie ter versterking van het wetenschappelijk potentieel, inzonderheid in de universitaire onderwijsinrichtingen, herstelt de voorgestelde verdeling trouwens, ten gunste van twee instellingen (de FUCAM en de KUB), een evenwicht dat werd verstoord bij de verdeling van de kredieten in het kader van de interuniversitaire attractiepolen.

Artikel 6 Dit artikel preciseert de opdrachten die worden toevertrouwd aan de operatoren.

Als noodzakelijke bemiddelaars tussen de Minister en de instellingen, nemen ze de door de instellingen ingediende projecten in ontvangst en staan ze in voor de selectie ervan die ze aan de Minister voorleggen.

Bovendien spelen de operatoren de rol van werkgever van de in het kader van dit koninklijk besluit aangeworven onderzoekers en zien ze toe, via de begunstigde instellingen, op de naleving van de voorwaarden die deze tekst vastlegt.

Hoofdstuk III handelt over de vereffenings- en controlemodaliteiten van de aanwending van de subsidies.

Artikel 7 Dit artikel preciseert de minimale inhoud van het ministerieel besluit houdende toekenning van de subsidies. Het preciseert enerzijds dat tot geen enkele aanwerving van onderzoekers waarop de subsidies of dotaties betrekking hebben, mag worden overgegaan vóór de datum van inwerkingtreding van een dergelijk besluit en anderzijds dat de Minister daarin de voorwaarden en de bijzondere controlemodaliteiten kan vastleggen.

Artikel 8 Dit artikel preciseert de maximale geldigheidsduur van het bovenbedoelde ministerieel besluit, evenals de limieten van zijn eventuele verlenging.

Het preciseert bovendien dat de Minister op eigen initiatief of op verzoek van de operatoren het kan wijzigen indien wets- en reglementaire bepalingen betreffende het wetenschappelijk onderzoek zich zouden voordoen. Door die bepaling zullen de operatoren voor de hier betreffende onderzoekers kunnen genieten van andere maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid.

Artikel 9 Dit artikel legt de chronologische basisgegevens vast die de instellingen en de operatoren zullen toelaten eventuele verlengingen of wijzigingen van het eerste ministerieel besluit aan te vragen.

De vermelde data zijn bedoeld om de nodige begrotingskredieten tijdig te kunnen inschrijven.

Artikel 10 De subsidies worden driemaandelijks vereffend.

Artikel 11 De controle op het gebruik van de subsidies komt toe aan de Federale Diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden (de D.W.T.C.).

Die controle zal plaatsvinden op basis van een jaarlijks rapport van de operatoren. Dit rapport zal worden opgesteld volgens de modaliteiten die, naast diegene vermeld in dit besluit, zouden kunnen worden vastgelegd door de Minister.

Eén van die modaliteiten zal in ieder geval de verplichting zijn om aan te tonen dat, zonder rekening te houden met de hier betrokken onderzoekers, het personeelsbestand van de operator, zoals eerder vastgelegd, niet is verminderd tussen de laatste dag van de voorlaatste trimesters die respectievelijk de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit, van zijn hernieuwing of van zijn verlenging en de datum van het evaluatierapport voorafgaan.

Artikel 12 Dit artikel laat de Minister toe het bedrag van de subsidie op te schorten of te recupereren indien de in dit ministerieel besluit voorziene voorwaarden niet worden nageleefd.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Wetenschapsbeleid, Y. YLIEFF ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste vakantiekamer, op 6 augustus 1997 door de Minister van Wetenschapsbeleid verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot vaststelling van de modaliteiten voor de aanwerving van wetenschappelijke onderzoekers in de universitaire onderwijsinrichtingen (en) in de federale wetenschappelijke instellingen", heeft op 7 augustus 1997 het volgende advies gegeven : Volgens artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisend karakter ervan.

In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd "par la nécessité d'assurer la continuité des contrats des chercheurs engagés dans le cadre de l'arrêté royal du 15 mai 1996 fixant les modalités d'engagement de chercheurs supplémentaires dans le cadre du plan pluriannuel pour l'emploi et de la nécessité de poursuivre au bénéfice des institutions qu'il concerne la politique de soutien à la recherche scientifique".

Strekking van het ontwerp Zoals in het verslag aan de Koning wordt uiteengezet, vormt de wet van 18 juli 1997 tot instelling van een programma voor de terbeschikkingstelling van wetenschappelijke onderzoekers ten bate van de universitaire onderwijsinstellingen en de Federale wetenschappelijke instellingen een nieuwe rechtsgrond voor het toekennen van federale subsidies die het wetenschappelijk onderzoekspotentieel in België moet versterken. Het is, alzo nog steeds blijkens het verslag aan de Koning, ter uitvoering van die wet dat het ontworpen besluit zou worden vastgesteld en aldus het koninklijk besluit van 15 mei 1996, gebaseerd op de vroegere rechtsgrond, te vinden in de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, zou komen te vervangen, op de overgangsbepaling van het tweede lid van artikel 13 van het ontwerp na.

Aanhef 1. Het is een klassieke regel van de wetgevingstechniek dat in de aanhef van een besluit enkel wordt verwezen naar de teksten welke hetzij tot rechtsgrond strekken voor de ontworpen regeling, hetzij tot een beter begrip van deze laatste bijdragen, hetzij door de ontworpen regeling zullen worden gewijzigd.Dat houdt in dat de verwijzing naar de koninklijke besluiten van 26 april 1968, 16 november 1994 en 30 oktober 1996 achterwege mag blijven. 2. Het is vanuit een wetgevingstechnisch oogpunt gebruikelijk dat in de aanhef van een besluit door middel van één of meer overwegingen een verantwoording wordt gegeven voor de vastgestelde bepalingen, wanneer ofwel de tekst die het besluit tot rechtsgrond strekt de voorgenomen regeling afhankelijk stelt van bepaalde feitelijke omstandigheden, ofwel de verordenende overheid krachtens een uitdrukkelijke bepaling ertoe verplicht is het besluit uitdrukkelijk te verantwoorden. Stelregel blijft evenwel dat het gebruik van de considerans in de aanhef uitzondering dient te blijven Een en ander wettigt voor het onderhavige ontwerp dat de vier overwegingen in de aanhef worden weggelaten. 3. De motivering die in de aanvraag om advies wordt opgegeven moet overeenkomstig het bepaalde in artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, worden overgenomen in de aanhef van het besluit in ontwerp.Voor het onderhavige ontwerp wijkt de motivering in de aanhef echter af van de in de aanvraag geformuleerde motivering. Het elfde lid van de aanhef moet dus herschreven worden. 4. Het twaalfde lid van de aanhef mag als volgt luiden : "Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 7 augustus 1997, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;".

Rechtsgrond De wet van 18 juli 1997 tot uitvoering waarvan het ontwerp strekt, biedt geen rechtsgrond om het begrip "universitaire onderwijsinrichtingen" nader te definiëren. Artikel 1, a, van het ontwerp moet dus worden geschrapt. Wel mag de Koning de lijst vaststellen van de universitaire instellingen die Hij in aanmerking wil laten komen voor het genot van het ontwerp (artikel 3, 1, van de wet).

De overige bepalingen van het ontworpen besluit vallen binnen de grenzen van de artikelen 2 tot 4 van de wet.

De kamer was samengesteld uit : de heren : J. Borret, kamervoorzitter;

J. Bovin, J. Smets, staatsraden;

E. Wymeersch, H. Cousy, assessoren van de afdeling wetgeving;

Mevrouw A. Beckers, griffier.

De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de H. J. Borret.

Het verslag werd uitgebracht door de H. G. Van Haegendoren, auditeur.

De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door Mevr. Ch. Bamps, adjunct-referendaris.

De griffier, A. Beckers.

De voorzitter, J. Borret. 19 AUGUSTUS 1997. Koninklijk besluit tot vaststelling van de modaliteiten voor de aanwerving van wetenschappelijke onderzoekers in de universitaire onderwijsinrichtingen in de federale wetenschappelijke instellingen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 18 juli 1997 tot oprichting van een programma dat wetenschappelijke onderzoekers ter beschikking stelt van de universitaire onderwijsinrichtingen en van de federale wetenschappelijke instellingen.

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 16 juni 1997;

Gelet op het advies van Onze Minister van Begroting van 25 juni 1997;

Gelet op de dringend noodzaak om de contracten te hernieuwen van de onderzoekers die werden aangeworven in het kader van het koninklijk besluit van 15 mei 1996 tot vaststelling van de modaliteiten voor de aanwerving van bijkomende onderzoekers in het kader van het meerjarenplan voor de werkgelegenheid en de noodzaak de ondersteuning van het wetenschappelijk onderzoek van de betrokken instellingen, verder te zetten;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 7 augustus 1997, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voordracht van Onze Minister van Wetenschapsbeleid en op advies van Onze Ministers die daarover in de Raad overleg hebben gepleegd, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.In de zin van dit artikel wordt verstaan onder : a) Instelling : de universitaire onderwijsinrichtingen en de federale wetenschappelijke instellingen die onderzoekers krijgen toegewezen, hetzij : 1° elk van de volgende instellingen, die "instellingen van de eerste groep" worden genoemd : de Université Catholique de Louvain; de Université libre de Bruxelles; de Universiteit van Luik; de Facultés universitaires van de Notre-Dame de la Paix te Namen; de Universiteit van Bergen-Henegouwen; de Faculté universitaire des sciences agronomiques te Gembloux; de Faculté polytechnique van Bergen; de Facultés universitaires catholiques van Bergen; de Facultés universitaires St. Louis te Brussel; 2° elk van de volgende instellingen, die "instellingen van de tweede groep" worden genoemd : de Katholieke Universiteit van Leuven; de Rijksuniversiteit van Gent; de Vrije Universiteit van Brussel; de Universiteit Antwerpen; het Universitair Centrum Limburg; de Katholieke Universiteit van Brussel; 3° de federale wetenschappelijke instellingen waarvan de lijst is opgenomen in artikel 1 van het koninklijk besluit van 30 oktober 1996 tot aanduiding van de federale wetenschappelijke en culturele instellingen.b) Operator : de organismen die genieten van subsidies, hetzij : de federale wetenschappelijke instellingen, bedoeld onder a), of hun groeperingen, ieder voor wat hem betreft; het Nationaal Fonds voor wetenschappelijk onderzoek/Fonds national de la Recherche scientifique door bemiddeling van zijn Franstalige kamer (afgekort : het F.N.R.S.) voor wat betreft de instellingen van de eerste groep, en door bemiddeling van zijn Nederlandstalige kamer (afgekort : het N.F.W.O.) voor de instellingen van de tweede groep; c) Loonkosten : het eigenlijke salaris en de daaraan verbonden werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid als daar reden toe is.Dit begrip omvat tevens het bedrag van het vakantiegeld en de eventuele eindejaarspremie. d) Administratie : de Federale Diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden (D.W.T.C). e) Minister : de Minister die bevoegd is voor Wetenschapsbeleid. f) Personeelsbestand : het aantal personeelsleden, in voltijds equivalent, van de operator onderworpen aan de volledige of gedeeltelijke betaling van de sociale zekerheidsbijdragen, afgezien van : voor wat betreft het N.F.W.O. en het F.N.R.S., het personeel aangeworven in het kader van de overeenkomst die op 14 december 1992 werd gesloten tussen de Staat en het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek betreffende een impulsactie voor het fundamenteel onderzoek; voor wat betreft de federale wetenschappelijke en culturele instellingen, het personeel aangeworven in het kader van het programma tot wetenschappelijke ondersteuning van de versterking van het wetenschappelijk en technologisch potentieel van de federale wetenschappelijke instellingen, goedgekeurd door de Ministerraad tijdens zijn zitting van 17 december 1993; voor wat betreft alle operatoren, het personeel aangeworven in het kader van het koninklijk besluit van 15 mei 1996 tot vaststelling van de modaliteiten voor de aanwerving van bijkomende onderzoekers in het kader van het meerjarenplan voor de werkgelegenheid. g) Bijkomende onderzoeker : iedere persoon die aan het geheel van de volgende voorwaarden beantwoordt : houder zijn van een erkende titel van de tweede of de derde cyclus afgeleverd door een universiteit; voor wetenschappelijk onderzoek tewerkgesteld worden door de instelling, in het kader van een onderzoeksprogramma dat reeds loopt op de laatste dag van het boekjaar dat datgene tijdens hetwelke de subsidie wordt toegekend, voorafgaat; aangeworven kunnen worden bij arbeidsovereenkomst door de operator. De aanwerving moet het personeelsbestand van de operator doen toenemen.

Art. 2.1. Volgens de voorwaarden vastgelegd door dit besluit en binnen de grenzen van de begrotingskredieten die daartoe zijn ingeschreven in de wet die de algemene uitgavenbegroting van de Staat omvat, kan de Minister aan de operatoren subsidies toekennen met het oog op de aanwerving van bijkomende onderzoekers ten bate van de instellingen waarvoor de operatoren bevoegd zijn. 2. Het bedrag van de subsidie dekt uitsluitend de loonkosten die voortvloeien uit de aanwerving van bovengenoemde bijkomende onderzoekers. HOOFDSTUK II. - De verdeling van de subsidies

Art. 3.In een maximale verhouding van 10 % van het betrokken begrotingskrediet, zijn de in artikel 2 bedoelde subsidies bestemd voor de in artikel 1 bedoelde federale wetenschappelijke en culturele instellingen, op basis van de door die instellingen ingediende aanvragen.

Art. 4.Het restant van de begrotingskredieten, na aftrek van de in artikel 3 vermelde 10 %, wordt verdeeld op de volgende manier : a) 44 % ten voordele van de instellingen van de eerste groep in de zin van deze tekst;b) 56 % ten voordele van de instellingen van de tweede groep in de zin van deze tekst.

Art. 5.1. De in artikel 4 a) bedoelde begrotingskredieten worden als volgt verdeeld onder de betrokken instellingen : a) Université catholique de Louvain : 35.0 % b) Université libre de Bruxelles : 25.0 % c) Universiteit van Luik : 20.0 % d) Facultés N.D. de la Paix te Namen : 5.0 % e) Universiteit van Bergen Henegouwen : 5.0 % f) Facultés universitaires catholiques te Bergen 5.0 % g) Faculté universitaire des sciences agronomiques te Gembloux : 2.5 % h) Faculté polytechnique van Bergen 2.5 % 2. De in artikel 4, b) bedoelde begrotingskredieten worden als volgt verdeeld onder de betrokken instellingen : a) Katholieke Universiteit van Leuven : 46.0 % b) Rijksuniversiteit van Gent : 26.0 % c) Vrije Universiteit van Brussel : 12.0 % d) Universiteit Antwerpen : 12.0 % e) Universitair Centrum Limburg : 2.0 % f) Katholieke Universiteit van Brussel : 2.0 %

Art. 6.De aan de operator toevertrouwde opdrachten zijn, voor de instellingen die hem aanbelangen : a) het in ontvangst nemen van de door de instellingen ingediende projecten;b) de selectie van de projecten die aan de Minister zullen worden voorgelegd;c) de voorlegging van de weerhouden projecten aan de Minister;d) de aanwerving, in het kader van een arbeidsovereenkomst, van bijkomende onderzoekers op basis van de bepalingen van de in artikel 2 bedoelde beslissing van de Minister;e) het toezicht op de naleving van de voorwaarden van dit besluit door de begunstigde instellingen. HOOFDSTUK III. - Vereffenings- en controlemodaliteiten

Art. 7.1°. De operatoren die genieten van de bepalingen van dit besluit zullen niet kunnen overgaan tot de aanwerving van onderzoekers vóór de datum van inwerkingtreding van het in artikel 2 van dit besluit bedoelde ministeriële besluit houdende toekenning van subsidies aan de operator.

Dit ministerieel besluit bevat minstens : a) voor elke begunstigde instelling en per onderzoeksprogramma : de titel van het onderzoeksprogramma; het aantal bijkomende onderzoekers, in voltijds equivalent, waarvan de aanwerving is goedgekeurd krachtens dit besluit, en hun geschatte loonkosten. b) het cijfer van het personeelsbestand, in voltijds equivalent, van de operator, onderworpen aan de gedeeltelijke of volledige betaling van de sociale zekerheidsbijdragen, zoals vermeld in de aangifte bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) voor het voorlaatste trimester, voorafgaand aan het trimester tijdens hetwelke het besluit in werking treedt;c) het bedrag van de toegekende subsidie en de door die subsidie of dotatie gedekte periode en de doeleinden waarvoor de toekenning is bestemd.2. De Minister bepaalt daarin de voorwaarden en de controlemodaliteiten van de aanwending van de subsidie.

Art. 8.Het in artikel 2 bedoelde ministerieel besluit tot toekenning van de subsidie, is van kracht voor een periode van maximaal één jaar.

Het kan worden verlengd voor perioden van dezelfde duur.

Het kan op elk moment worden gewijzigd op initiatief van de Minister of op verzoek van de operator opdat deze zou kunnen genieten van federale wets- en reglementaire bepalingen betreffende het wetenschappelijk onderzoek.

Art. 9.1. Jaarlijks, vóór 30 juni, richt de instelling, als daar reden toe is, aan de operator die haar aanbelangt in het geval van de instellingen van de eerste en de tweede groep, een met redenen omklede aanvraag tot verlenging of wijziging van de bepalingen van het ministerieel besluit. 2. Jaarlijks, vóór 30 augustus, verzoekt de operator de Minister om de verlenging of wijziging van de bepalingen van het ministerieel besluit dat hem aanbelangt.

Art. 10.De in artikel 2 bedoelde subsidies maken het voorwerp uit van driemaandelijkse vereffeningen door de administratie.

Art. 11.1. Het gebruik van de in artikel 2 bedoelde subsidies is onderworpen aan de controle van de administratie. 2. Jaarlijks, in de loop van de maand die deze van de verjaardag van de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit dat hem de subsidie toekent, van zijn verlenging of van zijn hernieuwing voorafgaat, maakt de operator, voor de instellingen die hem aanbelangen, aan de administratie een rapport over betreffende het gebruik van de subsidies die betrekking hebben op het voorbije kalenderjaar.3. Uit het in 2 vermelde rapport zal, zonder rekening te houden met de bijkomende onderzoekers aangeworven ingevolge de bepalingen van dit besluit, een verhoging moeten blijken van het personeelsbestand, in voltijds equivalent, van de operator tussen de laatste dag van het voorlaatste trimester voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van het bovengenoemd ministerieel besluit, van zijn laatste hernieuwing of verlenging, en de laatste dag van het voorlaatste trimester voorafgaand aan dit tijdens hetwelke bovengenoemd rapport wordt opgesteld.4. De Minister kan de andere minimumnormen waaraan dit rapport moet beantwoorden vastleggen, inzonderheid in termen van wetenschappelijke evaluatie van de projecten van de instellingen die genieten van de bepalingen van dit besluit.

Art. 12.In geval van niet-naleving van de voorwaarden waaraan de toekenning van de door dit besluit beoogde subsidies is onderworpen, kan de Minister besluiten tot de opschorting van de betaling ervan of tot de volledige of gedeeltelijke terugvordering van de reeds vereffende sommen. HOOFDSTUK IV. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 13.Onverminderd de bepalingen van lid 2 van dit artikel, wordt het koninklijk besluit van 15 mei 1996 tot vaststelling van de modaliteiten voor de aanwerving van bijkomende onderzoekers in het kader van het meerjarenplan voor de werkgelegenheid opgeheven.

Wat evenwel de onderzoekers en hun eventuele plaatsvervangers, die werden aangeworven in het kader van het in het vorig lid vervatte koninklijk besluit van 15 mei 1996 betreft, blijven de artikels 3 tot 5 van dit besluit, waarin de verdeelsleutel van de begrotingskredieten wordt vastgelegd, van toepassing. Dit besluit is van toepassing voor wat betreft de modaliteiten voor de verlenging van hun tewerkstellingscontracten.

Art. 14.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 15.Onze Minister van Wetenschapsbeleid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 19 augustus 1997.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Wetenschapsbeleid Y. YLIEFF

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^